CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 15 JUNI 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
Andermaal wordt Uw Hof geroepen de rechtstreekse toepasselijkheid te bevestigen van het beginsel van gelijke behandeling van nationale en communautaire onderdanen, waar het de vaststelling van het ouderdomspensioen voor loontrekkenden betreft. In casu gaat het om een vervroegd ouderdomspensioen.
I —
Volgens de Franse wet van 21 november 1973 (nr. 73-1051) wordt het ouderdomspensioen van loontrekkenden die oud-strijders of voormalige krijgsgevangenen zijn, vastgesteld volgens het normaliter bij 65 jaar toepasselijke percentage, wanneer deze vaststelling op verzoek van de belanghebbende geschiedt tussen de 60- en 61-jarige leeftijd en de gevangenschap 54 of meer maanden heeft geduurd.
Ingevolge artikel 1, lid 1, laatste alinea, en lid 2, van het decreet (nr. 74-1194) van 31 december 1974 houdende wijziging van het decreet (nr. 74-54) van 23 januari 1974, gegeven ter uitvoering van bedoelde wet:
„moeten de betrokkenen ten einde voor toepassing dezer bepalingen in aanmerking te komen, de duur van hun gevangenschap en van hun militaire dienst in oorlogstijd bij de Franse of geallieerde strijdkrachten aantonen door overlegging van hun militair zakboekje of van een verklaring afgegeven, hetzij door het bevoegde militair gezag, hetzij door het ministerie of het Office national des anciens combattants”.
Paulin Gillard, verzoeker in het hoofdgeding, geboren 6 september 1915, van Belgische nationaliteit en thans woonachtig in België, heeft in Frankrijk als loontrekkende gewerkt. Hij verbleef als Belgisch krijgsgevangene van 28 mei 1940 tot 21 juni 1945, dus gedurende meer dan 60 maanden, in Duitsland.
Na het bereiken van de 60-jarige leeftijd verkreeg hij van de bevoegde Franse instanties met ingang van 1 oktober 1975 — op basis van de tijdvakken gedurende welke hij in Frankrijk werkzaam was geweest — slechts een ouderdomspensioen gelijk aan 25 % van het gemiddelde jaarloon.
Haar weigering aan betrokkene een pensioen ten bedrage van 50 % toe te kennen, motiveerde de Caisse Régionale d'Assurance Maladie du Nord-Est in hoofdzaak met een beroep op het feit dat Gillard ten bewijze van zijn hoedanigheid van voormalig krijgsgevangene slechts een door het Belgische ministerie van Landsverdediging afgegeven kaart had overgelegd. Dit zuiver formele middel, ontleend aan de wijze waarop betrokkene zijn hoedanigheid had aangetoond, werd door de Cour d'Appel te Nancy reeds terstond verworpen. Niettemin wenst dit rechterlijke college opheldering met betrekking tot de drie volgende vragen:
1.
Moet artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, krachtens hetwelk deze verordening niet van toepassing is „op de regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan”, aldus worden uitgelegd, dat ook prestaties zijn uitgesloten die niet strikt dienen tot schadeloosstelling van werknemers die slechts oorlogsslachtoffers waren voor zover zij door de oorlog zijn benadeeld op het gebied van de verwerving van rechten op ouderdomspensioen of andere overeenkomstige uitkeringen, zoals de bij de Franse wet van 21 november 1973 — artikel L 332, lid 2, van de Code de la sécurité sociale — ingestelde ouderdomsuitkeringen ?
2.
Zo neen, moet dan artikel 13, lid 2, sub d, volgens hetwelk de werknemer die in een Lid-Staat voor militaire dienst wordt opgeroepen, is onderworpen aan de wetgeving van die staat, aldus worden uitgelegd dat het tevens betrekking heeft op de bijzondere ouderdomsuitkeringen, welke bij een nationale wet ten behoeve van oud-strijders en krijgsgevangenen uit hoofde van die hoedanigheid zijn vastgesteld?
3.
Zo neen, verzet het non-discriminatiebeginsel, gelijk dit voor de sociale zekerheid is vastgelegd in artikel 3, lid 1, der verordening, zich ertegen dat een nationale wet, zoals de Franse wet van 21 november 1973, een ouderdomsuitkering welke aan oud-strijders en krijgsgevangenen uit de jaren 1939-1945 wegens doorstane beproevingen en aan het land verleende diensten wordt toegekend, onthoudt aan onderdanen van de Gemeenschap, die slechts ten opzichte van hun eigen Lid-Staat aan deze voorwaarden voldoen?
II —
Het onderzoek van de eerste vraag en het antwoord daarop dat wij zullen voorstellen, maken een bespreking van de twee andere vragen overbodig, ofschoon de verwijzende rechter deze ook heeft willen stellen voor het geval de eerste vraag ontkennend zou worden beantwoord.
Artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat de verordening niet van toepassing is „op de regelingen betreffende de prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan”.
Het belangrijkste argument dat de bevoegde Franse instelling aan betrokkene tegenwerpt, is dat de Franse wet van 21 november 1973 onder genoemd artikel 4, lid 4, valt, daar de voorwaarden waaronder de bij die wet voorziene prestaties of voordelen worden toegekend, daaraan het karakter van een schadeloosstelling verlenen die de strikte grenzen van de sociale zekerheid overschrijdt: deze prestaties zouden aan de werknemers die slachtoffers van oorlogshandelingen zijn, niet uitsluitend worden verstrekt voor zover zij door de oorlog zijn benadeeld op het stuk van verkrijging van rechten op ouderdomspensioen (of van overeenkomstige prestaties). De voordelen voorzien bij de Franse wet van 21 november 1973 (vervroegde uitkering, verhoging van het percentage) zouden zodanige, op schadeloosstelling gerichte prestaties vormen.
Uiteraard staat het niet aan Uw Hof deze Franse bepaling aan het communautaire recht te toetsen, noch ook, en met name, te onderzoeken of de wet waarom het hier gaat, van strikt indemniserende aard is en of zij mede ten doel heeft de oud-strijders en krijgsgevangenen schadeloos te stellen voor de „door hen ondergane beproevingen en de door hen aan hun land bewezen diensten.”
Het komt ons evenwel voor dat artikel 51 van het Verdrag en de bepalingen van verordening nr. 1408/71 wel degelijk zien op prestaties van het type van de onderhavige voordelen: het gaat hier immers om het verkrijgen van het recht op uitkeringen alsmede om de berekening daarvan, termen welke in artikel 51 EEG-Verdrag en in de artikelen 45 en 46 van de verordening worden gebezigd.
Zodra een wet met name ten doel heeft een door de oorlog veroorzaakte onderbreking van de verkrijging of het behoud van aanspraken op ouderdomspensioen te neutraliseren, bevinden wij ons inderdaad op het gebied der sociale zekerheid en niet op dat van bijzondere of aan bepaalde personen toekomende voordelen. Het feit dat de bepalingen van de Franse wet zijn ingevoegd in artikel L 332, lid 2, van de Code de la sécurité sociale, vormt het logisch gevolg van deze vaststelling, zonder daarvan evenwel de eerste oorzaak te zijn.
Zo gezien lijkt het ons niet nodig te onderzoeken of bedoelde wet naar haar aard mede verwant is aan regelingen inzake uitkeringen aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan, en of zij een uitdrukking is van nationale solidariteit, zoals de uitkeringen aan bejaarde loontrekkenden. Buiten de werkingssfeer van de gemeenschapsverordening vallen uitsluitend regelingen ter vergoeding van door de oorlogsslachtoffers geleden lichamelijke of andere schade, bij voorbeeld die waarop de Franse Code des pensions militaires d'invalidité et des victimes de guerre betrekking heeft.
Bovendien kan in Frankrijk het bij de wet van 21 november 1973 — nadien artikel L 332, lid 2, van de Code de la sécurité sociale — ten behoeve van oudkrijgsgevangenen voorziene aanvullende pensioen cumuleren met bij voorbeeld een militair invaliditeitspensioen dat wegens een in krijgsgevangenschap opgelopen verwonding of aandoening wordt uitgekeerd.
Voorts dient te worden opgemerkt dat men geen beroep behoeft te doen op artikel 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71 om te bereiken dat de in Belgische militaire dienst vervulde tijdvakken in aanmerking worden genomen. Ten overvloede zij nog gezegd dat deze bepaling ons inziens slechts ziet op de prestaties die hun oorzaak vinden in het „onder de wapenen verblijven”, en niet op die waartoe deze situatie alleen de aanleiding vormt en die tot de militaire dienst slechts in verwijderd verband staan.
III —
Geen enkele twijfel kan bestaan aangaande de uitbreiding van een regeling als die van artikel L 332, lid 2, van de Code de la sécurité sociale, tot de werknemers die niet de Franse nationaliteit bezitten, maar als onderdanen van een Lid-Staat (België) die tot de geallieerden behoorde, bij de strijdkrachten van die staat hebben gediend.
Uit 's Hofs rechtspraak en met name uit het arrest-Hirardin van 8 april 1976 (Jurispr. 1976, blz. 553) volgt dat het in de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag verankerde beginsel van gelijke behandeling, overgenomen in artikel 8 van verordening nr. 3 en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, steeds rechtstreeks toepassing moet vinden wanneer een werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat, en een nationale werknemer zich ten opzichte van het stelsel van sociale zekerheid in gelijke omstandigheden bevinden. De regelingen betreffende de voorwaarden voor toekenning van sociale zekerheidspensioenen zijn van algemene gelding, waarbij in het kader van de EEG van het criterium nationaliteit moet worden geabstraheerd en het ontbreken van een desbetreffend reciprociteitsbeding niet kan worden ingeroepen.
Daar de werknemers niet de geringste invloed hebben op de afloop der vijandelijkheden noch ook op de keuze van het kamp waarin zij zich bevinden, zou men kunnen menen dat de loontrekkenden van iedere Lid-Staat, in welk uniform of onder welke vlag zij ook gediend hebben, die door de oorlog zijn benadeeld met betrekking tot het verkrijgen van rechten op ouderdomspensioen, recht moeten hebben op toepassing te hunnen gunste van de bepalingen van elke Lid-Staat jegens welke zij aanspraak op uitkeringen hebben, zulks uiteraard onder voorwaarde dat geen cumulatie plaats vindt met overeenkomstige voordelen ingevolge een regeling van het land welks uniform zij droegen en waaruit zij afkomstig zijn. Bij de berekening van pensioenrechten houden vele landen rekening met de jaren die werknemers in gevangenschap hebben doorgebracht; in België is dit voordeel bij Koninklijk Besluit van 23 juni 1970 toegekend aan de dragers van de „gevangenschapstreep”. Enkel de Europese Gemeenschappen hebben voor hun personeel niet een dergelijke regeling getroffen.
Wij concluderen dat het Hof voor recht verklare:
een wettelijke bepaling van een Lid-Staat, waarbij aan de eigen onderdanen en aan die van andere Lid-Staten het recht wordt toegekend om een periode van krijgsgevangenschap gedurende de oorlog 1939-1945, waarin zij bij de Franse of geallieerde strijdkrachten hebben gediend, te doen gelden voor de verkrijging en de vaststelling van een ouderdomspensioen in de zin van verordening nr. 1408/71, is ook van toepassing op de onderdanen van andere Lid-Staten indien zij bij andere geallieerde strijdkrachten dan de Franse hebben gediend.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy