CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 21 SEPTEMBER 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verweerder in het geding a quo was sedert 1968 administratief directeur bij het Duits-Franse instituut voor militair wetenschappelijk onderzoek te Saint-Louis (Haut-Rhin), alwaar hij van 1 juli 1968 tot 28 juli 1973 woonde.
Tijdens zijn verblijf in Frankrijk bemiddelde eiseresse in opdracht van verweerder bij diens beurstermijntransacties, waarbij zij de desbetreffende koop- en verkoopopdrachten door haar agenten op de Parijse beurs liet uitvoeren. Op de vervaldag werden de gekochte en verkochte effecten niet werkelijk overgenomen of overgedragen, en evenmin werd de volle koopprijs betaald of de volle verkoopprijs geïnd; veeleer werd slechts het verschil tussen de overeengekomen en de werkelijke, aan het einde van de termijn geldende effectenkoers verrekend. De hieruit voortvloeiende winsten en verliezen werden door eiseresse geboekt op een rekening die verweerder daartoe bij haar had geopend. In het kader van de bemiddeling bij de termijntransacties verleende eiseresse verweerder een overschrijdingskrediet.
Het per 31 januari 1975 bestaande debetsaldo op deze rekening, ten bedrage van FF 852620,39, vormde het voorwerp van een door eiseresse op 22 mei 1975 bij het Landgericht Bonn ingestelde vordering. Het Landgericht besliste bij vonnis van 13 januari 1977 dat een gedeelte van dit bedrag, te weten FF 473937,47, dat op de beurstermijntransacties betrekking had, niet opeisbaar was op grond van gebrekkigheid wegens spel en weddenschap („Differenzeinwand”; paragrafen 52 e.v. Börsengesetz en paragrafen 762 en 764 BGB).
In het door eiseresse ingestelde beroep bevestigde het Oberlandesgericht Köln bij verstekarrest van 11 augustus 1977 in hoofdzaak het vonnis van het Landgericht Bonn, op grond dat de naar Duits recht bestaande gebrekkigheid wegens spel en weddenschap bij beurstermijntransacties volgens artikel 30 van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (openbare orde) zelfs dan geldt wanneer, zoals in de onderhavige zaak, het Franse recht, dat de gebrekkigheid wegens spel en weddenschap niet kent, beslissend is. Nadat verweerder verzet had gedaan tegen dit verstekarrest, heeft het Oberlandesgericht Köln de procedure bij beschikking van 23 januari 1978 geschorst en het Hof de volgende vragen voorgelegd:
1.
Dienen de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag aldus te worden verstaan, dat zij de in het Duitse recht geldende gebrekkigheid wegens spel en weddenschap („Differenzeinwand”) (paragrafen 764, 762 BGB; 61, 58, 50 Börsengesetz; BGH NJW 75, 1600; 72, 382) uitsluiten voor het geval dat een Franse bank van haar cliënt van Duitse nationaliteit op grond van het Franse recht terugbetaling vordert van een krediet voor krachtens overeenkomst verrichte termijntransacties op de Parijse beurs?
2.
Doet het voor de beantwoording van vraag 1 ter zake, of de Duitse cliënt naar Duits recht overeenkomstig paragraaf 53 Börsengesetz bekwaam was tot het verrichten van beurstermijntransacties?
Over deze vragen wil ik het volgende opmerken:
I —
In de eerste plaats dient mijns inziens te worden onderzocht of in de onderhavige zaak sprake is van het verrichten van diensten in de zin van de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag en zo ja, waarin deze dienstverrichting bestaat.
De Commissie heeft met name tijdens de mondelinge behandeling haar ernstige twijfel erover uitgesproken of aan de voorwaarden van artikel 59 is voldaan. De reden waarom deze vraag nader onderzoek verdient, is dat enerzijds eiseresse aan verweerder meer dan alleen maar een prestatie heeft geleverd, en anderzijds het „grensoverschrijdende moment” in het onderhavige geval niet zonder meer duidelijk is.
1.
Aangezien bij banktransacties de door de kredietinstellingen verrichte diensten in de regel gepaard gaan met kapitaalverplaatsingen, is het van meet af aan moeilijk geweest om tot een juiste afbakening te komen tussen enerzijds de verdragsbepalingen betreffende het vrij verrichten van diensten en anderzijds die betreffende het vrije kapitaalverkeer. Men is daarom gaan onderscheiden tussen „zuivere” en „verbonden” bankdiensten, waarbij alleen de eerste als dienstverrichtingen in de zin van de artikelen 59 en 60 worden beschouwd en onderworpen zijn aan de bepalingen van het hoofdstuk over de diensten, terwijl de vrijmaking van de „verbonden” bankdiensten overeenkomstig artikel 61, lid 2, EEG-Verdrag slechts dient te worden verwezenlijkt in overeenstemming met de geleidelijke liberalisatie van het kapitaalverkeer. Of het om zuivere of verbonden bankdiensten dan wel om zuiver kapitaalverkeer gaat, hangt in beginsel af van de omstandigheid of de contractuele betrekkingen tussen partijen al dan niet hoofzakelijk op een kapitaalverplaatsing betrekking hebben. Indien een kapitaalverplaatsing als bedoeld in de richtlijnen voor de uitvoering van artikel 67 EEG-Verdrag centraal staat, dan moet alleen van kapitaal verkeer worden gesproken; dit is bij voorbeeld het geval bij „kortlopende en middellange kredieten, betrekking hebbende op handelstransacties waaraan een ingezetene deelneemt” (zie lijst A van bijlage I bij de eerste richtlijn voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag van 11 mei 1960, PB 1960, blz. 921). De daarmee gepaard gaande verrichtingen van de bank (zoals overschrijvingen en renteberekening) worden niet beschouwd als zelfstandige dienstverrichtingen, zodat de liberalisatie van deze kapitaalverplaatsingen alleen overeenkomstig artikel 67 EEG-Verdrag wordt verwezenlijkt.
Daarentegen is er sprake van zuivere bankdiensten bij transacties die niet gepaard gaan met kapitaalverplaatsingen, zoals deposito-overeenkomsten, marktonderzoeken en gelijksoortige verrichtingen.
Van verbonden bankdiensten in de zin van artikel 61, lid 2, EEG-Verdrag is ten slotte sprake indien de kapitaalverplaatsing een noodzakelijke dan wel kenmerkende aanvulling vormt. Een volledige opsomming van de te liberaliseren verbonden bankdiensten is te vinden in richtlijn nr. 73/183/EEG van de Raad van 28 juni 1973 betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van banken en andere financiële instellingen (PB L 194 van 1973, blz. 1). Blijkens deze opsomming gaat het daarbij doorgaans om onzelfstandige verrichtingen, die enkel een accessoir karakter hebben ten opzichte van de eraan ten grondslag liggende kapitaalverplaatsing.
Bij de vraag of in het onderhavige geval de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag inderdaad op de verrichtingen van eiseresse van toepassing zijn, komt het er dus op aan of en zo ja welke van haar verrichtingen als zuivere bankdiensten voor verweerder kunnen worden beschouwd. Mijns inziens is er bij de bemiddeling bij termijntransacties en het bijhouden van een desbetreffende bankrekening sprake van zuivere bankdiensten, die vallen onder de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag. Het in dit kader verleende overschrijdingskrediet is dan ook een kortlopend krediet dat, in de zin van lijst A van bijlage I bij de eerste richtlijn voor de uitvoering van artikel 67 EEG-Verdrag, „berekking heeft op” deze dienstverrichtingen. Men kan in ieder geval niet staande houden, dat de bemiddeling bij termijntransacties een noodzakelijk of ook maar kenmerkend bestanddeel van het verlenen van een overschrijdingskrediet is. Juist in deze onzelfstandigheid is het beslissende kenmerk gelegen voor een „verbonden” bankdienst in de zin van artikel 61, lid 2, EEG-Verdrag.
Steun voor een andere opvatting is ook niet te vinden in lijst B van bijlage I bij bovengenoemde richtlijn, voor zover het daarin gaat om „verwerving … van ter beurze verhandelde … effecten (met uitzondering van aandelen in gemeenschappelijke beleggingsfondsen)”. Tot de met deze soort kapitaalverplaatsing „verbonden” bankdiensten behoort volgens de richtlijn van 1973 weliswaar ook „het in ontvangst nemen van aan- of verkooporders”, maar hierbij moet men in het oog houden dat de transacties van verweerder niet zijn te beschouwen als handel in effecten in de zin van laatstgenoemde richtlijn. Effectenverkeer in de zin van deze richtlijn omvat namelijk volgens de definitie in lijst B van bijlage I van de richtlijn van 1960 alleen de verwerving van binnenlandse of buitenlandse ter beurze verhandelde effecten alsmede de repatriëring of aanwending van liquidatie-opbrengsten van deze effecten. Het staat echter vast dat de transacties waarbij eiseresse heeft bemiddeld, niet tot een dergelijk effectenverkeer hebben geleid; de effecten waren slechts het verwisselbare middel voor het behalen van speculatiewinsten, zonder dat het ooit tot een daadwerkelijkse „verwerving” van „stukken” of een „liquidatie” is ge komen. De bemiddeling door eiseresse bij de termijntransacties kan dan ook niet als een met effectenverkeer „verbonden” bankdienst in de zin van artikel 61, lid 2, EEG-Verdrag worden beschouwd.
2.
Het is echter in de eerste plaats het „grensoverschrijdend moment” waaraan mijns inziens beslissende betekenis toekomt, aangezien de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag enkel toepassing kunnen vinden indien het kapitaalverkeer inderdaad grensoverschrijdend is. Zoals ik hierboven heb uiteengezet, vormt de bemiddeling door eiseresse bij de beurstermijntransacties een zuivere bankdienst, gepaard gaande met een kredietverlening. Deze zuivere bankdienst ware te beschouwen als iets wat zich feitelijk volledig binnen de Franse binnenlandse sfeer afspeelt, indien verweerder — en van deze veronderstelling dienen wij hier uit te gaan — gedurende de gehele duur van de termijntransacties zijn woonplaats in Frankrijk had gehad. Dit zou anders kunnen zijn als de vergoeding voor de zuivere bankdienst, dat wil zeggen provisie en kosten, nog niet zou zijn betaald. In dit geval zou men kunnen verdedigen dat het vereiste grensoverschrijdende moment achteraf is ontstaan, doordat verweerder vóór de definitieve afwikkeling van de uit zuivere bankdiensten voortvloeiende verbintenissen, van woonplaats is veranderd. Dit kan naar mijn mening echter in het midden worden gelaten. In het hoofdgeding immers gaat het weliswaar overduidelijk alleen om de terugbetaling van het verleende kortlopende krediet, dus om een kapitaalverplaatsing, die niet onder, de artikelen 59 en volgende doch onder artikel 67 EEG-Verdrag valt, maar bij deze afwikkeling van de kredietverhouding in een andere Lid-Staat grijpt verweerder terug op de oorspronkelijke bankdienst om daaruit tot de niet-afdwingbaarheid van eiseresses vordering te concluderen. Hieruit blijkt wel dat de bemiddeling bij termijntransacties als een zuivere bankdienst niet kan worden beschouwd als iets wat zich uitsluitend in de Franse sfeer heeft afgespeeld. Zelfs wanneer men aanneemt dat verweerder alleen in Frankrijk woonplaats had en daar alle orders heeft geplaatst, is het doorwerken van de oorspronkelijke zuivere bankdienst voldoende om de zakenrelaties van partijen onder de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag te brengen.
II —
In het onderhavige geval is de beperking, waarvan moet worden onderzocht of ze verenigbaar is met de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag, gelegen in de omstandigheid dat een ten gunste van eiseresse naar Frans recht geldig tot stand gekomen aanspraak in de Bondsrepubliek Duitsland niet in rechte kan worden geldend gemaakt omdat de Duitse rechter, ondanks de ook door hem erkende in beginsel doorslaggevende betekenis van het Franse recht, bepaalde beginselen van het Duitse materiële recht over het niet in rechte geldend kunnen maken van vorderingen zoals die waarom het in casu gaat, rechtstreeks of met een beroep op de Duitse openbare orde (artikel 30 EGBGB) toepast.
De verwijzende rechter stelt in de eerste plaats de vraag of het feit dat de vordering niet in rechte afdwingbaar is op grond van gebrekkigheid wegens spel en weddenschap („Differenzeinwand”), in een geval als het onderhavige in strijd is met de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag.
Voor de beantwoording van de vraag of de toepassing en de uitlegging van het Duitse recht door de verwijzende rechter een verboden beperking van het vrij verrichten van diensten in de eerste plaats beslissend het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten van 18 december 1961 (PB 1962, blz. 32), waaraan ten aanzien van de hier van belang zijnde gevallen van het vrij verrichten van diensten voor zelf standige activiteiten van kredietinstellingen uitvoering is gegeven bij richtlijn nr. 73/183/EEG van de Raad van 28 juni 1973 (PB L 194 van 1973, blz. 1).
Voor de zuivere bankdiensten (vgl. artikel 2, eerste alinea, van de richtlijn) verwijst artikel 1, eerste alinea, van de richtlijn naar de in Titel III van het Algemeen Programma vermelde beperkingen, welke de Lid-Staten verplicht zijn op te heffen.
1.
Systeem en doelstelling van het Algemeen Programma vallen het beste af te leiden uit Titel III, sub A, eerste alinea, sub B, sub C en sub D, eerste alinea. Titel III, sub A, verbiedt „elk verbod of elke belemmering van werkzaamheden anders dan in loondienst van degene die de dienst verricht, bestaande in een verschil in behandeling ten opzichte van de eigen onderdanen …”. Dit wordt vervolgens nader omschreven. Voorts wordt sub A, derde alinea, gezegd: „Hetzelfde geldt voor bepalingen en handelwijzen die alleen voor vreemdelingen de bevoegdheid om de rechten uit te oefenen die gewoonlijk aan het verrichten van diensten zijn verbonden, uitsluiten …”
Volgens Titel III, sub B, is ongeoorloofd „ieder verbod of iedere belemmering van de verplaatsing van het voorwerp waarop de dienstverrichting betrekking heeft, of van de daarvoor benodigde gereedschappen, werktuigen, apparaten en andere hulpmiddelen”.
Titel III, sub C en D, verbiedt beperkingen van de overmaking van de voor de verrichting van de dienst nodige financiële middelen of van de betaling van de dienstverrichting, wanneer de beperkingen in het dienstenverkeer slechts gelegen zijn in de daarmee verband houdende betalingen.
Deze voorschriften tonen duidelijk aan dat primair de in het vreemdelingenrecht neergelegde beperkingen van het vrij verrichten van diensten moeten worden opgeheven. Ik bedoel dus bepalingen, die vreemdelingen anders behandelen dan eigen onderdanen, dan wel beperkingen — zoals bedoeld sub B tot D — van de economische betrekkingen met het buitenland, en in het bijzonder die van deviezenrechtelijke aard.
Het is volstrekt duidelijk dat het in casu niet om dergelijke beperkingen gaat, daar de omstandigheid dat eiseresse een buitenlandse rechtspersoon is, totaal onbelangrijk is.
2.
Het Algemeen Programma bevat voorts onder III, sub A, laatste alinea, een generieke bepaling volgens welke „als beperkingen worden beschouwd de voorwaarden waarvan de dienstverrichting … afhankelijk wordt gesteld en die, hoewel van toepassing zonder onderscheid naar nationaliteit, uitsluitend of in hoofdzaak het verrichten van deze diensten door vreemdelingen belemmeren”. Het is de vraag of de beperking waarom het in casu gaat, een in deze alinea bedoelde feitelijke discriminatie van vreemdelingen vormt. De Duitse beurswetgeving bevat mijns inziens geen voorwaarde waarvan de dienstverrichting afhankelijk wordt gesteld en die uitsluitend of in hoofdzaak het verrichten van diensten door vreemdelingen belemmert. Voorzover de Duitse wetgeving de gebrekkigheid wegens spel en weddenschap („Differenzeinwand”) ook van toepassing verklaart op handelingen op buitenlandse beurzen, worden natuurlijk voornamelijk vreemdelingen erdoor getroffen. De bepaling in Titel III, sub A, kan evenwel niet aldus worden uitgelegd, dat zij voorschrijft buitenlandse transacties van vreemdelingen op een lijn te stellen met binnenlandse transacties van eigen onderdanen. Uit de plaats van deze bepaling in het systeem van Titel III blijkt veeleer, dat de verboden beperkingen betrekking moeten hebben op binnenlandse transacties van vreemdelingen. Het voorschrift bevat geen universeel non-discriminatiegebod.
3.
De voorts door de Commissie geciteerde richtlijn nr. 63/340/EEG van de Raad van 31 mei 1963 tot opheffing van ieder verbod of iedere belemmering van de betaling van de dienstverrichting, wanneer de beperkingen van het dienstenverkeer slechts gelegen zijn in de daarmee verband houdende betalingen (PB 1963, blz. 1609) heeft blijkens haar considerans en bepalingen uitsluitend betrekking op bepaalde publiekrechtelijke beperkingen — in het bijzonder in de regeling van de economische betrekkingen met het buitenland en die van deviezenrechtelijke aard — met betrekking tot de betaling van de dienstverrichtingen, en niet op vragen van de civielrechtelijke werking of afdwingbaarheid van aanspraken die voortvloeien uit overeenkomsten tot het verrichten van diensten. De „in het oog springende parallelie”, waarover de Commissie in haar memorie spreekt, bestaat in werkelijkheid dus niet.
4.
Blijkbaar wil de Commissie de bepalingen van het Algemeen Programma en van laatstgenoemde richtlijn niet direct toepassen. Zij citeert deze voorschriften slechts als aanwijzingen om haar standpunt, dat de uit het Duitse recht voortvloeiende beperkingen in strijd zijn met artikel 59 EEG-Verdrag, direct op deze verdragsbepaling te doen steunen.
In werkelijkheid evenwel vormt de door de Duitse rechtspraak bewerkte ongelijke behandeling geen door de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag verboden beperking, omdat deze bepalingen enkel en alleen — hooguit — de gelijke behandeling als eigen onderdanen beogen. In casu gaat het hier echter helemaal niet om. Aan een Duitse bank zou in een vergelijkbare situatie net zo goed als aan een Franse de gebrekkigheid wegens spel en weddenschap worden tegengeworpen. Omgekeerd zou de speculant zich bij geldige binnenlandse termijntransacties niet op gebrekkigheid wegens spel en weddenschap kunnen beroepen, ook al zou hij die transacties over het binnenlandse filiaal van een buitenlandse bank hebben doen lopen.
Zoals zeer duidelijk blijkt uit zowel artikel 60, derde alinea, als het Algemeen Programma uit 1961, verlangen de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag niet dat aan vreemdelingen wordt toegestaan diensten te verrichten die aan de eigen onderdanen zijn verboden. Uit het specifieke discriminatieverbod van de artikelen 59 en volgende dat een concretisering is van het algemene discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag, vloeit geen gebod voort om buitenlandse dienstenverlenende personen of instellingen gunstiger te behandelen; dit laatste zou immers op zijn beurt weer leiden tot een discriminatie van binnenlandse dienstenverlenende personen of instellingen.
Dit standpunt stemt overeen met de algemeen heersende mening in de literatuur.
In het commentaar op het EEG-Verdrag van Groeben-Boeckh-Thiesing (opmerking I 2 b bij artikel 59) wordt bij voorbeeld gezegd dat de absolute vrijheid van het verrichten van diensten, namelijk de mogelijkheid om diensten in binnen- en buitenland in dezelfde vorm aan te bieden — en dat is wat eiseresse hier uiteindelijk vordert —, niet kan worden verwezenlijkt door middel van liberalisering, doch alleen door middel van het nader tot elkaar brengen van de rechtsstelsels. In zijn boek over Europees gemeenschapsrecht schrijft Ipsen (blz. 645) dat de verwezenlijking van de vrijheden tot doel heeft discriminaties op te heffen, en niet die beperkingen af te schaffen die binnen een bepaalde Lid-Staat ook voor eigen onderdanen gelden. De liberalisatie binnen de Lid-Staat elimineert derhalve geen vrijheidsbeperkingen die het nationale recht van zijn kant voor eigen onderdanen bevat. Voor zover dergelijke beperkingen bestaan, mogen zij ook onderdanen van andere Lid-Staten in hun vrijheid beperken, zonder dat daarbij sprake is van discriminatie. Maestripieri (La libre circulation des personnes et des services dans la CEE, 1972, blz. 47-53) komt tot dezelfde slotsom.
III —
Men zou zich nu nog kunnen afvragen of de toepassing van de Duitse beurswetgeving krachtens het Duitse internationaal privaatrecht mogelijk indruist tegen andere verdragsbepalingen dan de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag. Daar artikel 7 niet meer in aanmerking komt na de constatering dat artikel 59 niet van toepassing is, rest alleen nog artikel 5, tweede alinea, EEG-Verdrag, dat bepaalt dat de Lid-Staten zich onthouden van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen.
Het gaat hier ten slotte om de vraag, of de discriminaties die onontkoombaar voortvloeien uit de verschillen in de nationale rechtsstelsels, daaronder begrepen de verschillende stelsels van internationaal privaatrecht, het functioneren van de gemeenschappelijke markt dermate belemmeren, dat de desbetreffende beperkingen zonder meer moeten worden verboden. Dit is evenwel niet het geval. Het Verdrag gaat uit van het bestaan van onderling verschillende nationale rechtsstelsels en voorziet in het bijzonder in het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen (artikelen 100 e.v.), om de uit die verschillen voortvloeiende verstoringen van het functioneren van de gemeenschappelijke markt op te heffen. In het onderhavige geval vloeit de „verstoring” enerzijds voort uit de verschillende administratiefrechtelijke beurswetgevingen van de Lid-Staten en anderzijds uit de omstandigheid dat de Bondsrepubliek Duitsland haar beurswetgeving eenzijdig krachtens internationaal privaatrecht van toepassing verklaart op buitenlandse feitencomplexen. Derhalve kan deze „verstoring” slechts worden opgeheven door een harmonisatie van de beurswetgevingen enerzijds en een eenmaking van het internationaal privaatrecht anderzijds.
Ik wil er overigens op wijzen dat de nationale rechter bij de toepassing van zijn nationale recht en zijn eigen internationaal privaatrecht verplicht is het Verdrag te respecteren. Zo zou bij voorbeeld een te ruime en daardoor niet passende uitlegging van het beginsel van de „openbare orde” uiteindelijk kunnen leiden tot een schending van het EEG-Verdrag, welke aan alle organen van de Lid-Staten, dus ook aan de rechterlijke instanties, volgens de fundamentele bepaling van artikel 5 is verboden. Het Oberlandesgericht Köln zal hiermee bij zijn beslissing rekening moeten houden.
IV —
Samenvattend kan worden geconstateerd, dat de toepassing, krachtens het Duitse internationaal privaatrecht, van de Duitse beurswetgeving en van het Duitse burgerlijk recht, op een geval als het onderhavige op zichzelf niet indruist tegen het discriminatieverbod van de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag. Met de door mij voor de uitlegging van de Duitse bepalingen getrokken grenzen geldt dit ook voor artikel 5 EEG-Verdrag.
Ook de vraag in hoeverre de bekwaamheid tot het verrichten van beurstermijntransacties overeenkomstig paragraaf 53 Börsengesetz een rol zou kunnen spelen, is een vraag van uitlegging van het in beginsel toepasselijke Duitse recht en dient derhalve te worden beantwoord door de Duitse rechter.
Bij gevolg concludeer ik dat op de vragen van het Oberlandesgericht Köln worde geantwoord:
De artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag sluiten op zichzelf de toepassing, krachtens het Duitse internationaal privaatrecht, van de Duitse beurswetgeving en van het Duitse burgerlijk recht op het onderhavige geval niet uit.
( 1 ) Vertaald uil het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy