CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 29 MAART 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Met het oog op de in casu te nemen beslissing zal met name moeten worden nagegaan binnen welke grenzen de Gemeenschap krachtens artikel 24 van het Statuut van de Ambtenaren te hunnen aanzien tot bijstand verplicht is.
De feiten welke tot het geding aanleiding gaven, zijn de volgende. Op 7 juli 1976 kwam het tussen mevrouw V., ambtenares van de Gemeenschap, gedetacheerd bij het personeelscomité te Brussel, tot een fel twistgesprek met de hiërarchisch boven haar geplaatste heer T., secretaris van het comité; er ontstond zelfs een handgemeen waarbij mevrouw V. letsel opliep.
De heer T. stelde het hoofd van de afdeling Individuele Rechten, de heer Pratley, van de onverkwikkelijke gebeurtenissen op de hoogte; vervolgens gaf hij dienaangaande ook een schriftelijke verklaring af. Ook mevrouw V. deed terstond mondeling mededeling van het incident en onderwierp zich aan een medisch onderzoek — ter vaststelling van het opgedane letsel —; vervolgens deed ook zij de heer Baichère, directeur-generaal Personeelszaken, een schriftelijke verklaring over het voorgevallene toekomen, daartoe door de assistente van de heer Baichère, mevrouw Delfausse, uitgenodigd. De administratie stelde met de vertegenwoordigers van de vakbonden een onderzoek naar de feiten in en gaf verzoekster in overweging overplaatsing naar een ander bureau te aanvaarden. Naar ons tijdens de mondelinge behandeling door de gemachtigde van de Commissie werd medegedeeld, lieten ook de veiligheidsdiensten van de Commissie zelf zich niet onbetuigd: zij stelden een onderzoek in, waarvan evenwel niets op papier staat. Ten slotte heeft de Commissie, nadat het onderhavige beroep was ingesteld, twee ambtenaressen, de dames Nicaise en Joundy, die het twistgesprek althans ten dele hadden bijgewoond, gehoord.
Bij brief van 10 maart 1977 heeft mevrouw V. de administratie verzocht om mededeling van de resultaten van het onderzoek. De directeur-generaal Personeelszaken heeft haar bij brief van 21 april 1977 geantwoord dat de zaak naar behoren in onderzoek was genomen, doch dat men niet had „kunnen komen tot een nauwkeurige conclusie met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor het voorgevallene, welke conclusie het bevoegde gezagsorgaan aanleiding hadden kunnen geven ten aanzien van een van de beide betrokken ambtenaren een administratieve beslissing te nemen”. Met betrekking tot de overplaatsing van verzoekster naar een ander bureau (waartoe inmiddels werd besloten) werd in diezelfde mededeling gezegd dat het in zoverre ging om een lang tevoren geplande maatregel, geldende voor alle krachtens detachering bij het personeelscomité werkzame ambtenaren. In een tweede brief de dato 27 mei 1977 heeft de directeur-generaal Personeelszaken zijn voren-omschreven standpunt volledig gehandhaafd.
Mevrouw V. diende vervolgens een bezwaarschrift krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de Ambtenaren in, waarin zij de administratie der Commissie verzocht om, ter uitvoering van de verplichtingen welke in artikel 24 van het Statuut besloten zouden liggen, het onderzoek naar de gebeurtenissen van 7 juli 1976 voort te zetten en haar overplaatsing naar een ander bureau ongedaan te maken. Toen zij hiermede geen succes had, maakte mevrouw V. de zaak in rechte aanhangig; zij wenste 1) voor recht te zien verklaard dat de Commissie jegens verzoekster haar verplichting tot bescherming en bijstand niet was nagekomen; 2) haar overplaatsing naar een ander bureau — als onbillijk en vexatoir — te zien nietig verklaard; 3) de Commissie te zien veroordeeld haar de schade te vergoeden, welke haar door het hiervoor onder 1 en 2 omschreven onrechtmatig handelen zou zijn opgekomen.
2.
In artikel 24, eerste alinea, van het Statuut wordt het navolgende bepaald: „de Gemeenschappen verlenen bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie bloot staan”.
In casu heeft verzoekster de bijstand van de Commissie ingeroepen, terwijl er (althans bij indiening van het bezwaarschrift) jegens de „agressor” geen rechtsgeding aanhangig was. Het Hof heeft evenwel uitgemaakt „de verplichting tot het verlenen van bijstand … ook van kracht (is) wanneer de gelaedeerde ambtenaar zelf geen stappen tot vervolging … heeft genomen (arrest van 18 oktober 1976, gewezen in de zaak 128/75, N. t. Commissie, Jurispr. 1976, blz. 1567). Aan deze uitlegging zullen wij ons in casu moeten houden; zij is in overeenstemming met de letter van de bepaling, die de verplichting tot bijstand eerst in algemene bewoordingen omschrijft, om van een ingestelde rechtsvervolging slechts gewag te maken als van één der gevallen — zij het waarschijnlijk het belangrijkste geval — waarin de verplichting tot bijstand geldt. Het ligt ten duidelijkste besloten in de met betrekking tot rechtsvervolgingen gebezigde term „inzonderheid” (Frans: „notamment”).
Anderzijds zij er evenwel op gewezen dat de verplichting tot bijstand eveneens geldt wanneer degenen die zich aan de vergrijpen hebben schuldig gemaakt, ambtenaren van de Gemeenschap zijn: in die zin het arrest van 8 juli 1965, gewezen in de zaak 83/63, Krawczynsky t. Commissie (Jurispr. 1965, blz. 774).
Thans zal moeten worden nagegaan of de Gemeenschappen krachtens deze verplichting tot bijstand ook tot instellen en houden van een administratief onderzoek verplicht zijn.
Die algemene vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Wordt de waardigheid van de ambtenaar door bepaalde voorvallen aangetast en staat zijn lichamelijke ongereptheid op het spel, dan dient de administratie stappen te nemen ter vaststelling hoe een en ander in zijn werk is gegaan. Het is echter wel duidelijk dat de omvang van deze vaststellingsplicht aan de ernst der feiten — en aan de schade welke de feiten hetzij de Gemeenschap hetzij de ambtenaren kunnen berokkenen — geëvenredigd moet zijn. In die zin is de overweging van 's Hofs voormeld arrest van 18 oktober 1976 te verstaan, blijkens welke de administratie volgens „artikel 24 in geval van ernstige aantijgingen welke het beroepňatsoen van een ambtenaar raken”„de nodige maatregelen heeft te nemen om vast te stellen of de beschuldigingen gegrond zijn”. Anderzijds zullen de naspeuringen ook verband houden met maatregelen welke de administratie, naar gelang van de aard en de draagwijdte der feiten, jegens de betrokken ambtenaren zal menen te moeten nemen. Er kan dan ook mijns inziens in geen geval sprake van zijn dat de administratie — zoals de raadsman van verzoekster suggereert — krachtens haar verplichting tot bijstand ook verplicht zou zijn een tuchtrechtelijke procedure in te stellen tegen de ambtenaar die zich aan vergrijpen jegens een andere ambtenaar blijkt te hebben schuldig gemaakt. Hier geldt vooral de overweging dat de administratie tot tuchtrechtelijk optreden nimmer verplicht is, doch steeds over de vrijheid moet beschikken om alle aspecten welke zich in individuele gevallen voordoen discretionair te beoordelen en aan dat oordeel consequenties te verbinden. Het bestaan van zulk een discretionaire marge blijkt ook uit artikel 86 van het Statuut — betreffende de tuchtregeling — volgens hetwelk „de ambtenaar … die … de hem … opgelegde verplichtingen niet nakomt, … zich aan een tuchtmaatregel blootstelt”, elastische formulering welke de administratie bij haar oordeel veel ruimte laat.
3.
Daarmede zijn wij toegekomen aan de bespreking van de specifieke kwesties dat het beroep aan de orde stelt. Dient het er in de omstandigheden welke ik in het begin van mijn conclusie uiteenzette, voor te worden gehouden, dat de Commissie verplicht was een onderzoek in te stellen? En heeft het onderhavig onderzoek beantwoord aan de in artikel 24 onderschreven verplichtingen?
Er kan, wat het eerste punt betreft, enige twijfel rijzen: het twistgesprek betrof in hoofdzaak niet de dienst, doch — blijkens de ingewonnen getuigenverklaringen — kwesties van persoonlijke aard. Man bedenke evenwel dat het gesprek in een echte worsteling is ontaard, waarbij één der twee betrokkenen (mevrouw V.) naar aanstonds door de geneeskundige dienst werd vastgesteld, letsel opliep. Ik ben dan ook van mening dat de administratie verplicht was naar een en ander te rechercheren.
Blijft punt twee. Blijkens de stukken heeft de enquête der Commissie in etappes plaatsgevonden. Mevrouw Delfausse, hoofdassistente op de afdeling Individuele Rechten, heeft mevrouw V. terstond na het incident gehoord en haar uitgenodigd zich aanstonds aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen en daarna haar bevindingen schriftelijk vast te leggen. Verzoekster werd door de in dienst der Commissie werkzame arts onderzocht en deze stelde lichte kwetsuren vast. Wij zagen dat ook de heer T. terstond na het incident de hoofdafdeling Personeelszaken een schriftelijke verklaring deed toekomen. De administratie had in zoverre de beschikking over drie voor een reconstructie der feiten belangrijke stukken: de verklaringen van de beide betrokken partijen en de geneeskundige verklaring.
Toen ze over deze gegevens kon beschikken, nam de administratie twee verdere stappen: enerzijds belastte zij haar eigen veiligheidsdiensten met bepaalde verificaties (de Commissie heeft het gesteld en de wederpartij heeft het niet weersproken), anderzijds had zij ontmoetingen met vertegenwoordigers van de vakbonden — met het oog op het onderzoek van de feiten en een bespreking van eventuele maatregelen — (vgl. te dien aanzien de vertrouwelijke nota van 18 november 1976 van het Directoraat-generaal Personeelszaken, ondertekend door de heer Delauche). Besprekingen met de vertegenwoordigers van de vakbonden waren in casu bijzonder zinvol, omdat het incident zich binnen het personeelscomité had voorgedaan, terwijl de secretaris van dat comité en een krachtens detachering bij het comité werkzame employé erbij betrokken waren. De administratie achtte het vervolgens onnodig jegens de beide direct betrokken ambtenaren disciplinaire of andere maatregelen te nemen: de directeur-generaal Baichière verklaarde in zijn brief van 21 april 1977 dat een nauwkeurige conclusie met betrekking tot de verantwoordelijkheid van beide betrokkenen voor het voorgevallene onmogelijk was gebleken.
Nadat er in maart 1978 beroep was ingesteld, heeft de administratie vervolgens de verklaringen ingewonnen van twee getuigen, de dames Nicaise en Joundy, die gedeeltelijk bij de incidenten aanwezig waren geweest. De raadsman der Commissie stelt dat beide getuigen ten tijde der feiten reeds vanwege de veiligheidsdiensten der Commissie waren gehoord. Het staat te lezen in de memorie van de verweerster de dato 21 augustus 1978 (blz. 2), maar het bewijs is niet geleverd; mocht het evenwel waar zijn dat de beide getuigen terstond na het incident zijn gehoord, dan acht ik het te betreuren dat hun verklaringen niet aanstonds zijn vastgelegd; al even betreurenswaardig is trouwens dat de resultaten van het onderzoek der veiligheidsdiensten niet bekendgemaakt zijn.
Nochtans geloof ik niet dat zulke verzuimen schending van artikel 24 inhouden. De Commissie heeft willen vaststellen hoe de feiten zich hebben toegedragen, en als haar pogingen daarin een beter inzicht te krijgen en vast te stellen in hoeverre de beide hoofdpersonen ten deze verantwoordelijk kunnen worden gesteld hebben gefaald, is dat niet het gevolg van het feit dat de Commissie met bepaalde vaststellingen — of met het verlenen van bijstand aan de beide betrokken ambtenaren — in gebreke zou zijn gebleven. Juist uit de beide alsnog ingewonnen getuigenverklaringen blijkt hoe moeilijk de op ieder der betrokken ambtenaren rustende schuld kan worden bepaald, hetgeen bewijst dat de administratie veeleer redelijk heeft gehandeld door na de enquête een afwachtende houding aan te nemen.
De situatie zou een andere zijn, indien de Commissie een maatregel mocht hebben genomen die met verzoeksters statutaire rechten in strijd komt. Het komt mij evenwel voor dat verzoekster door de gedragslijn der administratie geen enkel nadeel heeft geleden; zij heeft in haar loopbaan geen belemmeringen ondervonden, zij kon bij de Commissie blijven werken en haar overplaatsing naar een ander bureau droeg — zoals ik aanstonds zal uiteenzetten — niet het karakter van een sanctiemaatregel. Anderzijds kan, naar ik meen, aan de administratie niet worden verweten met de in casu geboden maatregelen in gebreke te zijn gebleven: moeilijk is in te zien welke andere maatregelen de administratie ook bij een degelijker onderzoek had kunnen of moeten nemen. De gesignaleerde leemten acht ik dan ook van marginale aard; schending van de bijstandsplicht ligt er mijns inziens niet in besloten.
4.
Verzoekster beklaagt er zich ook over dat de maatregel waarbij zij naar een ander bureau werd overgeplaatst, ofschoon in schijn een gewone roulatiemaatregel, in wezen het karakter zou dragen van een sanctie wegens het op 7 juli 1976 voorgevallene.
Ik ben het daarmede niet eens.
In herinnering zij gebracht dat de overplaatsing alle in juli 1976 bij het personeelscomité werkzame ambtenaren, één uitgezonderd, heeft gegolden. Daaruit blijkt wel dat de administratie verzoekster niet heeft willen straffen, doch het nodig heeft geacht wijziging te brengen in de bezetting van een bureau waar een mate van wantrouwen en spanning was ontstaan welke de normale afdoening van zaken schaadde, althans kon schaden. Vooral met betrekking tot verzoeksters rechtspositie wil ik erop wijzen dat de droevige dagen van juli 1976 in haar verhouding tot alle overige krachtens detachering bij het personeelscomité werkzame ambtenaren wel tot zeer ernstige moeilijkheden moest leiden. De overplaatsing van verzoekster en haar collega's naar andere bureaus was dan ook stellig een maatregel die op grond van objectieve gegevens in het belang van de dienst en van verzoekster zelf was te achten.
Wat ten slotte de schadevordering betreft — ten verhore verklaarde verzoekster zich bereid met een symbolisch bedrag genoegen te nemen —: het moet uitgesloten worden geacht dat zij door de handelwijze der Commissie schade heeft geleden; en in ieder geval kan worden volstaan met de vaststelling dat de Commissie door haar handelwijze geen enkel recht van verzoekster heeft geschonden.
5.
Op grond van een en ander concludeer ik dat het Hof het beroep van mevrouw V. de dato 20 februari 1978 zal verwerpen.
Wat de kosten betreft: de Commissie zal krachtens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten hebben te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy