CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 13 JULI 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
Ik acht het in de onderhavige zaak niet nodig U om een schorsing te verzoeken om mijn conclusie te kunnen voorbereiden.
U kent de feiten van de zaak.
De eerste vraag die door de Corte Su-prema di Cassazione aan Uw Hof is voorgelegd, komt er kortgezegd op neer of beschikking 66/352/EEG van de Raad van 26 juli 1966 — „de Versnellingsbeschikking” genoemd — tot gevolg had dat de overgangsperiode als bedoeld in artikel 8 van het EEG-Verdrag werd verkort.
Het antwoord op deze vraag is, naar mijn mening, een duidelijk „neen”.
De versnellingsbeschikking regelde drie zaken:
1.
zij versnelde de afschaffing van de douanerechten tussen de Lid-Staten;
2.
zij vervroegde de datum waarop het gemeenschappelijk douanetarief in werking trad;
3.
zij schafte de kwantitatieve beperkingen op de invoer uit de ene Lid-Staat in de andere af.
Dit was alles wat de beschikking deed, zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend. Het Hof heeft dit trouwens duidelijk verklaard in zijn arrest in zaak 94/74 (EGAV t. ENCC), waar het overwoog (Jurispr. 1975, blz. 711):
„dat immers 's Raads beschikking van 26 juli 1966 betreffende de afschaffing van de douanerechten alsmede de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief vanaf 1 juli 1968 (PB 1966, blz. 2971) berust op de gedachte van een selectieve versnelling van acties die tezamen uiterlijk bij het einde van de overgangsperiode moesten worden voltooid; dat in deze omstandigheden de beschikking slechts van toepassing is op de uitdrukkelijk genoemde maatregelen, dat wil zeggen de eigenlijke douanerechten en de kwantitatieve beperkingen”.
Ervan uitgaande dat de eerste vraag van de Corte Suprema di Cassazione ontkennend moet worden beantwoord, is de tweede vraag eigenlijk niet meer aan de orde.
De Commissie echter heeft betoogd dat ten gevolge van de versnellingsbeschikking de Lid-Staten, na de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief op 1 juli 1968, op grond van artikel 115, tweede alinea, van het Verdrag de produkten uit een derde land welke zich in het vrije verkeer in een andere Lid-Staat bevinden niet meer bij wijze van beschermende maatregel met douanerechten mochten belasten. Dit is een aantrekkelijk argument omdat, zoals uitentreuren door het Hof is verklaard, een beroep op artikel 115 enkel mogelijk is zolang er nog geen communautaire voorschriften bestaan met betrekking tot de wijze waarop alle Lid-Staten de invoer van bepaalde produkten uit bepaalde derde landen moeten behandelen. Het is derhalve zeer wel mogelijk dat na de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief de beschermende maatregelen welke een Lid-Staat op grond van artikel 115 kon nemen, tot andere maatregelen dan douanerechten — contingenten bij voorbeeld — werden beperkt. De Italiaanse regering heeft dit punt echter niet aangeroerd en de vraag is ook niet opgeworpen in de verwijzingsbeschikking. Ik zal er dan ook verder niets over zeggen.
De derde vraag van de Corte Suprema di Cassazione luidt of artikel 115, tweede alinea, waar het de Lid-Staat die krachtens deze bepaling beschermende maatregelen neemt, verplicht om „daarvan kennis [te geven] aan de overige Lid-Staten”, deze kennisgeving tot een voorwaarde voor de geldigheid en de werking van die maatregelen maakt.
Bij deze vraag wordt ondersteld dat de Italiaanse Republiek de overige Lid-Staten en de Commissie in feite niet in kennis heeft gesteld van de litigieuze maatregelen (dat wil zeggen die welke in circulaire nr. 292 van de minister van Financiën van 12 juni 1968 werden afgekondigd). De Italiaanse regering verklaart echter dat deze veronderstelling onjuist is, dat de betrokken maatregelen na overleg met de Commissie zijn genomen en dat de Commissie daarvan behoorlijk kennis was gegeven. Daartegenover heeft de Commissie ons juist verteld, dat zij in haar archieven geen spoor van een dergelijke kennisgeving kan vinden.
Hoe dit ook zij, volgens mij kan de werking binnen een Lid-Staat van door deze staat krachtens artikel 115, tweede alinea, genomen maatregelen niet afhangen van de vraag of de vereiste kennisgeving aan de overige Lid-Staten en de Commissie al dan niet heeft plaatsgevonden; het artikel zegt immers duidelijk dat die kennisgeving moest plaatsvinden zodra, maar niet vóórdat de maatregelen waren ingevoerd.
De Italiaanse regering wees ten overvloede op de conclusie van advocaat-generaal Dutheillet de Lamothe in zaak 62/70, Bock t. Commissie. Hij zei toen, en ik citeer in de originele taal:
„Les règles de procédure instituées par l'article 115 du traité fixent les modalités de rapports entre la Commission et les États membres. Il s'ensuit qu'à notre avis elles n'ont pas d'effet direct, n'en-gendrent pas de droits pour les particu-liers et que ceux-ci sont sans intérêt et dès lors irrecevables a s'en prévaloir.”
(Jurispr. 1971, blz. 917).
Hiermee stem ik volkomen in, met het resultaat dat ik met de Italiaanse regering van mening ben dat ook de derde vraag ontkennend moet worden beantwoord.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy