CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 14 DECEMBER 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I —
Wij zijn zo vrij in deze beide zaken gelijktijdig te concluderen: het gaat om vragen die u door dezelfde rechterlijke instantie worden gesteld en hun oorsprong vinden in gedingen tussen dezelfde vennootschap en dezelfde overheid, terwijl er voorts één mondelinge behandeling aan werd gewijd en dezelfde nationale regeling ter discussie staat.
Het is, voor zover ons bekend, de eerste maal dat u van de in Frankrijk vigerende economische regeling voor alcohol heeft kennis te nemen. Evenwel kan in het kader van de onderhavige prejudiciële zaken van een uitputtende analyse van de buitengewoon technische bepalingen dier regeling geen sprake zijn, te minder nu de Franse regering in de tweede zaak (119/78) noch schriftelijke noch mondelinge opmerkingen heeft ingediend.
Met het beheer van het stelsel is belast de Service des Alcools, een lichaam waardoor de Staat „de invoer of de uitvoer tussen de Lid-Staten in rechte of in feite rechtstreeks of zijdelings beheerst, leidt of aanmerkelijk beïnvloedt” (artikel 37, lid 1, tweede alinea, van het EEG-Verdrag); het is een „nationaal monopolie van commerciële aard” in de zin van de eerste alinea van genoemd lid 1.
Uiteraard was — en is — de regeling vatbaar voor wijzigingen in het kader van het EEG-Verdrag.
Het aan de Staat toegekende monopolie betreft, anders dan dat voor tabak, niet de vervaardiging van alcohol, doch de aan- en verkoop van bepaalde alcoholsoorten; langs die weg wordt de produktie gecontroleerd en gereglementeerd. De Staat vervaardigt niet zelf ethylalcohol, doch verplicht de producenten hem onder bepaalde voorwaarden hun produktie over te dragen. Daartegenover betaalt de administratie van het monopolie de producenten een prijs wegens „prise en charge”, berekend op grondslag van de basisprijs, die door de administratie zodanig wordt vastgesteld, dat de gemiddelde produktiekosten van een hectoliter alcohol worden gedekt.
Bepaalde alcoholsoorten zijn aan de Staat voorbehouden en kunnen ook alleen door de Staat worden aangekocht; gewoonlijk gaat het om gezuiverde produkten met een hoog alcoholgehalte, industriealcohol, synthetische alcohol, alcohol gewonnen uit druiven, appelen en peren, voor zover niet door stokers uit eigen oogst en voor eigen gebruik vervaardigd of voorzien van een gecontroleerde of gereglementeerde handelsnaam. Er bestaat dus een verplichting de produktie van bepaalde, niet als zodanig voor consumptie geschikte alcoholsoorten over te dragen, welke verplichting op een produktiemonopolie neerkomt.
Deze regeling is vervat in artikel 358 van de Code général des impôts, die teruggaat op een wet van 13 januari 1941; het artikel is een der bepalingen waarmede de verwijzende rechter te maken kreeg, en luidt als volgt:
„Aan de Staat, vertegenwoordigd door de Service des alcools, is voorbehouden de produktie van ethylalcohol, uitgezonderd:
1.
gedistilleerd, niet de kenmerken vertonende van gezuiverde sterke drank;
a)
door stokers uit eigen oogst en voor eigen gebruik of voor hun rekening binnen de grenzen van het vrijgestelde kwantum vervaardigd;
b)
gewonnen door het distilleren van ander vers fruit dan appelen, peren en druiven casu quo hun onderprodukten;
c)
waarvoor betrokkene tot een gecontroleerde of gereglementeerde handelsnaam gerechtigd is;
2.
jenever …”
De Service des alcools koopt, binnen de grenzen van bepaalde contingenten, de voorbehouden alcoholsoorten tegen bij ministerieel besluit vastgestelde prijzen in. Het monopolie betreft ook de verkoop van de alcohol, die de Service des alcools als zodanig dan wel gezuiverd wederverkoopt. Ter uitvoering dezer regeling zijn bepalingen inzake de produktie en het vervoer van alcohol vastgesteld; ondernemingen die alcohol produceren welke onder het monopolie kan vallen, zijn aan toezicht van de „Contributions indirectes” onderworpen.
Krachtens speciaal besluit van de Service des alcools kan evenwel onder na te melden voorbehoud vrijelijk over bepaalde alcoholsoorten worden beschikt. Het gaat daarbij vooral om gedistilleerd, voorzien van een gecontroleerd of gereglementeerd handelsmerk dan wel gewonnen door het distilleren van vers fruit (appels, peren en druiven) of onderprodukten daarvan; bestaat er een verplichting de produktie van bepaalde voor consumptie geschikte alcoholsoorten tegen de gegarandeerde prijs en zonder mogelijkheid van wederinkoop af te staan, dan is behoudens betaling van een heffing, de verhandeling van dezelfde soorten gedistilleerd vrij.
Als aanvulling op het verbod, op de invoer van natuurlijke alcohol gesteld, verbiedt de Franse regeling het distilleren van „alle ingevoerde grondstoffen”; dit verbod is te vinden in artikel 268 van bijlage II van de Code général des impôts (CGI), een uitvoeringsvoorschrift in de vorm van een „décret en Conseil d'Etat” —nr. 74/91 van 6 februari 1974 (artikel 2):
„Verboden is het distilleren van alle ingevoerde grondstoffen, uitgezonderd ander vers fruit dan appels, peren of druiven.”
Dit is de tweede bepaling waarmede de nationale rechter te maken kreeg.
Bezien wij thans de heffingregeling.
Vóór 1974 kende de Code geen uitzondering op de in artikel 358 omschreven verplichting tot afstand van de produktie aan de Staat. Sedert 1 april 1974 — en tot 29 juli 1977 — konden de producenten evenwel van het produktiemonopolie van de Staat worden vrijgesteld en tegen betaling van een heffing de vrije beschikking over bepaalde soorten gedistilleerd behouden.
Bij decreet van 6 februari 1974 is in bijlage II van de Code een artikel 269 opgenomen, luidende als volgt:
„De Service des alcools kan de producenten op daartoe strekkend verzoek de vrije beschikking laten over bepaalde aan de Staat voorbehouden alcoholsoorten, waartoe een heffing dient te worden betaald waarvan het percentage het verschil tussen de hoogste verkoopprijs van staatsalcohol en de laagste aankoopprijs van alcohol van agrarische oorsprong, in het kader van de contingenten voor het voorafgaand seizoen geproduceerd, niet mag te boven gaan …”
Dit voorschrift is bij decreet van 25 juli 1977 per 29 juli 1977 vervangen door de navolgende bepalingen:
„De Service des alcools kan de producenten op daartoe strekkend verzoek de vrije beschikking laten over aan de Staat voorbehouden alcoholsoorten, waartoe een heffing dient te worden betaald waarvan het percentage het verschil tussen de hoogste verkoopprijs van staatsalcohol en de laagste aankoopprijs van alcohol van agrarische oorsprong, in het kader van de contingenten voor het voorafgaand seizoen geproduceerd, niet mag te boven gaan. Deze regelen gelden ook voor importeurs van diezelfde alcoholsoorten, van oorsprong en van herkomst uit Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap of van oorsprong uit derde landen en in een dier Lid-Staten in het vrije verkeer gebracht.”
Volgens artikel 2 van het besluit van 25 juli 1977, houdende verkoopprijzen voor aan de Staat voorbehouden alcoholsoorten zijn
„de gewone tarieven bij verkoop van aan de Staat voorbehouden alcoholsoorten … een basisprijs, verhoogd met een prijstoeslag gelijk aan de heffing voorzien bij artikel 269 van bijlage II van de Code général des impôts.”
De bevoegdheid tot afkoop is dus tot alle voorbehouden alcoholsoorten uitgebreid: de producenten van ethylalcohol kunnen zonder voorafgaande toestemming tegen betaling van een heffing vrijelijk over hun produktie beschikken. Het staat vast dat deze wijziging is aangebracht om artikel 37 EEG-Verdrag recht te doen wedervaren.
II —
De beide bodemgeschillen die het Tribunal de grande instance te Lure aanleiding gaven tot de onderhavige verwijzingen, vonden hun oorsprong in de navolgende omstandigheden: de naamloze vennootschap Distilleries Peureux is niet een „stoker uit eigen oogst en voor eigen gebruik”: zij exploiteert te Fougerolles een belangrijke industriële onderneming, waarin goeddeels uit fruit gewonnen alcohol wordt geproduceerd; voor haar geldt de bijzondere regeling voor „distilleries industrielles de fruits à noyau et de macération de fruits à noyau”. Zij verwerkt grondstoffen van nationale oorsprong dan wel op alcohol getrokken vruchten, herkomstig uit de Lid-Staten van de Gemeenschap of uit andere landen.
De vennootschap Peureux importeert, fabriceert en exporteert tevens „poire William”-gedistilleerd.
Dit produkt schijnt zijn naam te ontlenen aan een soort snijperen (tafelperen), genaamd „Bon-Chrétien William”, in Engeland door enting op een niet reeds eerder geënte stam verkregen. De verhouding tussen deze vrucht en „perenbrandewijn” is niet geheel duidelijk — immers, anders dan perenwijn, wordt deze drank uit wrange peren vervaardigd —, of het moest zijn dat de naam „eau-de-vie de poire William” te maken heeft met het feit dat het bij bepaalde aanbiedingen van deze dranksoort om een op alcohol getrokken „poire William” gaat.
In de handel vindt men met name de volgende specialiteiten — in flessen — : Poire William 45o„La Duchesse”, Poire William „Grundbacher”, Poire William 45o„Klosterwald”, Poire Williamine 43o„Morand” (een Zwitsers produkt).
Het perengedistilleerd dat zich als meer dan 57o alcohol bevattend aandient, wordt voornamelijk in Italië gefabriceerd. In dat land vervaardigt en verhandelt de distilleerderij L. Psenner te Termeno (Bolzano) „Fine Eau-de-vie de Poire William” (40o) in flessen van 0,75 liter, alsook „gedistilleerd poire William” (40o), in flessen van 0,50 liter, een natuurlijke peer bevattende.
Het gaat daarbij blijkbaar om eenvoudige ofwel fantasie-namen die, althans in Frankrijk, niets te maken hebben met de soorten perenbrandewijn welke in bepaalde oostelijke gebieden vanouds door particulieren in eigen bedrijf worden gefabriceerd. In het algemeen bestaat er in Frankrijk geen handelsmerk voor „poire William of Williams”, alleen bepaalde Elzassische specialiteiten vallen onder de voor zulke produkten geldende regeling.
Naar Frans recht is de enkele aanduiding „perengedistilleerd” slechts voorbehouden aan gedistilleerd dat uitsluitend door alcoholische gisting en distillatie van peren is verkregen. Deze aanduiding mag voor zulke sterke drank niet meer worden gebezigd wanneer zij door zuivering na distillatie haar specifiek karakter heeft verloren. Wel geldt zij voor de menging van verschillende soorten gedistilleerd — onderling of met vruchtenalcohol of industriële alcohol —, mits achter de voor het mengsel gebezigde benaming een hoedanigheidsaanduiding voorkomt, die het mengsel onderscheidt van het gedistilleerd welks benaming wordt gebezigd.
Er bestaat geen communautaire definitie van hetgeen onder „perenbrandewijn” is te verstaan. Maar volgens het op 6 maart 1972 door de Commissie bij de Raad ingediende voorstel voor een verordening houdende een gemeenschappelijke ordening van de markt voor ethylalcohol van agrarische oorsprong en aanvullende bepalingen voor ethylalcohol van niet-agrarische oorsprong en bepaalde alcoholhoudende produkten, is gedistilleerd van pitvruchten gedistilleerd, uitsluitend verkregen door het distilleren van de gegiste most dier vruchten, die bij het verlaten van de distilleerketels ten hoogste 80o G.L. mag bevatten en moet voldoen aan de eisen op de lijst der analytische specificaties vermeld. Deze definitie is niet overgenomen in het op 7 december 1976 door de Commissie bij de Raad ingediende gewijzigde voorstel voor een verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ethylalcohol van agrarische oorsprong en aanvullende bepalingen voor bepaalde ethylalcoholbevattende produkten.
De vennootschap Peureux heeft voorts in 1976 „sinaasappelen op alcohol” uit Italië ingevoerd, blijkbaar onder post 20.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief. Wij weten niet precies onder welke benaming of aanduiding zodanige verhandeling heeft te geschieden: volgens de opmerkingen van de vennootschap Peureux wilde zij een likeur „van het type Cointreau” verkrijgen. Naar u weet, wordt de echte Cointreau te Angers gefabriceerd. Toen zij de directie van de bevoegde belastingdienst (Administration des Contributions indirectes) vroeg om bevestiging van haar recht die aanduiding te gebruiken, werd haar op 1 maart 1977 medegedeeld dat artikel 268 van bijlage II van het CGI aan distillatie — op het nationaal grondgebied — van bedoelde grondstof in de weg stond. Toen van haar ter zake van bedoeld distilleren betaling van het tienvoudige der ontdoken rechten (ofwel ruim 17 miljoen FF) werd verlangd, heeft de vennootschap Peureux het Tribunal de Grande Instance te Lure om nietigverklaring van het besluit der administratie verzocht.
Voorts is zij om zo te zeggen tot de tegenaanval overgegaan en heeft de Franse administratie aangesproken tot restitutie van een totaal bedrag van 399435 FF, door haar tussen 6 februari 1970 en 6 oktober 1976 bij wege van heffing betaald wegens het distilleren van door haar vervaardigde „poire William” gedistilleerd, waarover zij krachtens op aanvraag verleende vergunning vrijelijk mocht beschikken.
Na te hebben vastgesteld dat verzoeksters vordering voor bedragen welke vóór 31 december 1974 waren voldaan, was verjaard, heeft de Tribunal de Grande Instance te Lure het Hof de vraag gesteld of „… het bestaan van een monopolie ten behoeve van de Franse Staat voor de vervaardiging van bepaalde brandewijnen zoals poire William-gedistilleerd, waarbij ten behoeve van de Staat een overdrachtsheffing wordt opgelegd, wanneer aan de producenten de beschikking over dergelijk gedistilleerd wordt gelaten, sinds 1 januari 1975 of een latere datum verenigbaar [is] met het bepaalde in artikel 37 EEG-Verdrag, houdende verbod van elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten der Gemeenschap bij in- en uitvoerverrichtingen” (zaak 86/78).
Dezelfde rechterlijke instantie vraagt in de zaak 119/78 of „… het verbod in Frankrijk van distillatie van ingevoerde grondstoffen, met uitzondering van verse vruchten anders dan appelen, peren en druiven (artikel 268 van bijlage II bij de Code général des impôts) verenigbaar [is] met de artikelen 10 en 37 of enige andere tekst van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van produkten uit derde landen, met name met betrekking tot de distillatie van sinaasappelen op alcohol uit Italië.”
Met betrekking tot deze beide vragen zij voorts opgemerkt:
1.
dat de Commissie op 19 april 1978, in antwoord op een schriftelijke vraag, heeft doen weten dat het onderzoek naar de regeling, in het decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977 vervat — ten aanzien waarvan voorts nog legislatieve maatregelen moesten worden genomen —, nog steeds niet was afgesloten; wij weten niet hoe het met dit onderzoek staat;
2.
dat de Commissie zich in december 1977 heeft uitgesproken over het verbod, gesteld op het distilleren van op alcohol getrokken sinaasappelen en dat zij in het voorjaar van 1977, toen een bevredigend antwoord van de Franse regering uitbleef, heeft besloten de in artikel 169 van het Verdrag voorziene procedure in te leiden. In haar mondelinge opmerkingen heeft de Commissie gereleveerd dat de Franse overheid zich er, blijkens een brief van 2 oktober 1978, van bewust was dat de betrokken regeling de nodige legislatieve wijzigingen had te ondergaan; een wetsontwerp zou in voorbereiding zijn.
III —
Alvorens na te gaan welke gevolgen aan artikel 37 van het EEG-Verdrag verbonden zijn voor de Franse regeling — met haar verplichting tot afdracht aan het monopolie — en als tegenhanger de afkoop dier verplichting door betaling van een heffing — en met het daarin op het distilleren van alle ingevoerde grondstoffen gestelde verbod (uitgezonderd andere verse vruchten dan appelen, peren of druiven) — dient te worden onderzocht of bedoeld verdragsvoorschrift verbiedt hetgeen gewoonlijk „discriminations à rebours” worden genoemd — verzoekster in het bodemgeschil beklaagt zich erover in de eerste zaak het slachtoffer van zulk een discriminatie te zijn geworden — en of artikel 37 nog geldt voor situaties als waarvan de nationale rechter in de beide bodemgeschillen kreeg kennis te nemen.
1.
Artikel 7 verbiedt binnen de werkingssfeer van het Verdrag, en onverminderd de daarin „gestelde” bijzondere bepalingen, elke discriminatie naar nationaliteit.
De vraag rijst of het Verdrag in het algemeen „discriminations à rebours” verbiedt.
U had de gelegenheid u, wat de sociale zekerheid betreft, over dit probleem uit te spreken. In overweging 18 van het arrest-Kenny van 28 juni 1978 hebt u uitgesproken dat de artikelen 7 en 48 „met het verbod aan elke Lid-Staat om binnen het toepassingsgebied van het Verdrag aan zijn recht een verschillende toepassing te geven naar gelang van de nationaliteit, [niet] doelen … op eventuele verschillen in behandeling die van Lid-Staat tot Lid-Staat kunnen voortvloeien uit de verschillen tussen de wettelijke regelingen der onderscheiden Lid-Staten, mits deze regelingen op grond van objectieve criteria en ongeacht de nationaliteit der betrokkenen gelden voor degenen op wie hun voorschriften van toepassing zijn.”
Zelf hadden wij in onze conclusie in de zaak-Thieffry (Jurispr. 1977, blz. 780) als ons oordeel uitgesproken dat artikel 52 van het Verdrag, dat de vrije vestiging betreft, zich niet met dergelijke discriminaties verdraagt, en advocaat-generaal Reischl (in de zaak-Knoors 115/78), alsook — eergisteren — advocaat-generaal Warner (in de zaak-Auer 136/78) hebben een zelfde opvatting verdedigt.
Op het terrein dat de nationale rechter interesseert, vond het verbod van artikel 7 uitwerking in artikel 37, lid 1, subsidiair in artikel 95. Met betrekking tot artikel 37, lid 2, had advocaat-generaal Dutheillet de Lamothe, concluderende in de zaak-Cinzano (Jurispr. 1979, blz. 1105), als zijn oordeel uitgesproken dat het artikel „ofschoon het een verbod van nieuwe discriminerende maatregelen ten nadele van de importeurs inhoudt, niet in de weg staat aan afschaffing van een bestaande discriminatie ten nadele van de nationale producenten.”
Zijnerzijds heeft advocaat-generaal Warner, in zijn conclusie in de zaak-Manghera (Jurispr. 1976, blz. 108), de opvatting verdedigd dat artikel 37, gezien de plaats welke het inneemt in het hoofdstuk over de opheffing van kwantitatieve handelsbeperkingen, betrekking heeft op „discriminatie tussen goederen die door onderdanen van andere Lid-Staten zijn geproduceerd of verhandeld.”
Ten aanzien van artikel 95 hebt u in het arrest-Steinike van 22 maart 1977 uitgesproken „dat … artikel 95 … ten doel heeft om directe of indirecte discriminaties van ingevoerde produkten op te heffen maar niet om ze in een voordeliger fiscale positie te brengen dan de nationale produkten” (Jurispr. 1977, r.o. 30, blz. 615).
Onzerzijds neigen wij tot de opvatting dat waar in artikel 37 sprake is van de voorwaarden van de voorziening en afzet, met de uitsluiting van discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten moet zijn gedacht aan discriminaties naar de plaats van produktie, ongeacht de nationaliteit van het produkt. Gezegd moet worden dat discriminatie naar de oorsprong der produkten niet minder afkeurenswaardig is dan discriminatie naar de nationaliteit der ondernemers; ook al kan zij als „zuiver nationaal” worden aangemerkt, dat wil niet zeggen dat er met de produktiecondities in een andere Lid-Staat geen verband bestaat, met andere woorden, zulk een discriminatie vindt „binnen de communautaire context” plaats. Wij voegen er evenwel aan toe dat aan de „discriminations à rebours” slechts en einde kan worden gemaakt in het raam van een gemeenschappelijke marktordening of door aanpassing of harmonisatie van wetgevingen.
2. Laat ons thans nagaan of artikel 37 nog „werkt”.
In haar schriftelijke opmerkingen verdedigt de Commissie — evenals zij reeds deed in de zaak-Hansen, waarin uitspraak is gedaan op 10 oktober 1978, en in een andere, binnenkort uit te wijzen zaak-Hansen — dat sinds het einde van de overgangsperiode op alle maatregelen die niet exclusieve monopolierechten betreffen, niet langer artikel 37, doch de artikelen 12, 30 t/m 34, 95 en, eventueel, 92, van toepassing zijn. Subsidiair betoogt zij dat artikel 37 geen effect meer sorteert, omdat de Franse regeling, ofschoon zij nog steeds als produktiemonopolie is te beschouwen, geacht moet worden te zijn aangepast en sinds het decreet 77/842 van 25 juli 1977 niet langer als een handelsmonopolie is te beschouwen. Alleen het recht alcohol te produceren blijft gemonopoliseerd, onverminderd het beginsel van het vrije verkeer van goederen tussen de Lid-Staten.
Toch heeft zij, als ik het goed zie, in haar mondelinge opmerkingen verklaard dat, wanneer een nationaal monopolie, artikel 37, lid 1, ten spijt, na afloop van de overgangsperiode exclusieve invoer-, uitvoer- of commercialisatierechten blijft uitoefenen, deze speciale bepaling geldt voor maatregelen welke anders onder de artikelen 12, 30 of 95 zouden vallen.
Deze vraag is door advocaat-generaal Capotorti besproken in zijn conclusie van 4 juli 1978, blz. 10 en 11, genomen in voormelde zaak-Hansen (arrest van 10 oktober 1978).
U hebt zich ten deze, naar het mij voorkomt, nog niet met zoveel woorden uitgesproken ofschoon u in bedoeld arrest wel hebt overwogen (r.o. 13) dat „het dan ook de voorkeur verdient het door de nationale rechter opgeworpen probleem in de eerste plaats te onderzoeken in het licht van het algemene belastingvoorschrift van artikel 95, en niet in het licht van artikel 37, dat een specifieke regeling voor de nationale monopolies geeft; dat dit te meer gerechtvaardigd is, waar artikel 37 op hetzelfde beginsel berust als artikel 95, te weten de afschaffing van iedere discriminatie in het handelsverkeer tussen Lid-Staten”.
Maar in het arrest-Miritz van 17 februari 1976 (Jurispr. blz. 229, r.o. 8) is overwogen „… dat artikel 37, lid 1, niet uitsluitend betrekking heeft op kwantitatieve beperkingen, doch na afloop van de overgangsperiode elke discriminatie tussen de onderdanen der Lid-Staten in de voorwaarden van de voorziening en de afzet verbiedt; dat hieruit volgt dat artikel 37 niet slechts van toepassing is op de rechtstreeks onder het monopolie vallende in- of uitvoer, doch op ieder handelen dat met het bestaan van het monopolie verband houdt en het handelsverkeer tussen Lid-Staten in bepaalde — al dan niet gemonopoliseerde — produkten beïnvloedt” (deze formule is rechtstreeks overgenomen uit overweging 5 van het arrest-Cinzano van 16 december 1970, Jurispr. blz. 1096), „en derhalve ook belastingen betreft waardoor ingevoerde produkten worden gediscrimineerd ten opzichte van nationale — onder het monopolie vallende — produkten.”
Doorslaggevend is ten deze dat aan bepaalde, in samenhang met het bestaan van het monopolie genomen maatregelen gevolgen voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten verbonden zijn. De door verzoekster in het bodemgeschil gewraakte maatregelen hangen rechtstreeks met het monopolie samen. Wij maken dus ten opzichte van het standpunt van de Commissie het grootst mogelijke voorbehoud. Mocht de afschaffing van de discriminaties die rechtstreeks uit de op gemonopoliseerde produkten toepasselijke bepalingen voortvloeien, kunnen worden bereikt door de verdragsbepalingen die belastingen of maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen (artikelen 30-34) of fiscale discriminaties (artikel 95) verbieden, dan zou artikel 37 geen zin hebben. Maar de doelstelling van het artikel omvat meer: het beoogt de aanpassing van monopolies, welke aanpassing volgens lid 3 weer moet worden afgestemd op de afschaffing der kwantitatieve beperkingen voor dezelfde produkten, bedoeld in de artikelen 30 tot en met 34.
De Commissie zelf betoont zich niet geheel zeker als het gaat om de vraag met ingang van welke datum bedoelde „transformatie” een feit is; logischerwijze had het op 1 januari 1970 het geval moeten zijn. Maar volgens de Commissie was het op zijn vroegst in juli 1977 zover. Uit haar antwoord de dato 13 december 1977 op een schriftelijke vraag blijkt dat de aanpassing van de Franse economische regeling voor alcohol op die datum nog niet definitief was geregeld en nog steeds bij de Commissie in onderzoek was.
Wij betwijfelen ten zeerste of alle nationale monopolies van commerciële aard — vooral het Franse alcoholmonopolie, evenals het Duitse, deze opmerking zij ons toegestaan —, voor zover daarin een regeling besloten ligt welke een zelfde werking heeft als een nationale marktordening, zelfs in juli 1977 waren aangepast op de wijze als voorzien in artikel 37, lid 1, en of met de afschaffing van de uitsluitende invoer-, uitvoer- en commercialisatierechten de monopolies als zodanig hebben opgehouden te bestaan.
In haar antwoord op een schriftelijke vraag heeft de Commissie op 21 mei 1976 verklaard dat zij in de omstandigheid dat Frankrijk na de arresten 45/75 (Rewe) en 91/75 (Miritz) nog geen passende maatregelen had genomen om haar alcoholmonopolie met het EEG-Verdrag in overeenstemming te brengen, aanleiding had gevonden tegen die Lid-Staat een procedure wegens niet-nakoming van verplichtingen als bedoeld in artikel 169 van het Verdrag in te leiden. Uit het dossier blijkt nergens hoe het met die procedure staat.
Ik acht het dus bijzonder gevaarlijk artikel 37 in het museum voor nutteloze bepalingen bij te zetten. Hetgeen betekent dat het volledig van toepassing blijft.
3.
Een wezenlijk gezichtspunt dient hier niet uit het oog te worden verloren: het staat vast dat het Franse alcoholmonopolie, afgezien van de nog te bespreken fiscale rol welke het speelt, een regeling ter vergemakkelijking van de afzet of van de valorisatie van landbouwprodukten inhoudt als bedoeld in artikel 37, lid 4. Het blijft verplicht om binnen de begrenzing van bepaalde contingenten, de ethylalcohol te kopen en de afzet en valorisatie ervan te verzekeren — ten einde de producenten een zekere levensstandaard te waarborgen. Op 22 december 1969 verklaarde de Commissie het onmogelijk te achten dat het tot een definitieve aanpassing van het monopolie zou kunnen komen buiten de totstandkoming van de voor ethylalcohol van agrarische oorsprong voorziene gemeenschappelijke marktordening om. In antwoord op een in het Parlement gestelde schriftelijke vraag sprak zij op 28 april 1971 wederom uit dat de definitieve aanpassing van de Franse en Duitse alcoholmonopolies afhing van de totstandkoming van een gemeenschappelijke ordening der markten voor ethylalcohol van agrarische oorsprong.
Er behoeft wel niet aan te worden herinnerd dat bedoelde gemeenschappelijke ordening er nog steeds niet is en dat de Franse alcoholregeling heden ten dage nog steeds niet op zodanige wijze is aangepast, dat zij zich niet langer presenteert als een nationale landbouwordening — met steunmaatregelen voor de export en dergelijke.
Het bewijs wordt reeds geleverd door de beschikkingen waarin de Commissie toestemming verleende tot een heffing ter compensatie van het concurrentienadeel, door soortgelijke produkten uit andere Lid-Staten geleden als gevolg van de nationale en qua werking met een nationale marktordening gelijk te stellen reglementering, die in het Franse monopolie besloten lag.
In de considerans van haar verordening nr. 1407/78 van 26 juni 1978 heeft de Commissie overwogen „dat het verschil tussen de op de Franse markt en de [Duitse, de Belgische, de Luxemburgse en de Nederlandse] markten … waargenomen prijzen met name het gevolg is van het door de Franse autoriteiten gevoerde prijsbeleid, dat erin bestaat voor uitvoer bestemde landbouwalcohol te verkopen tegen een gemiddelde prijs die aanzienlijk lager is dan de prijs voor dezelfde alcohol, bestemd voor binnenlands gebruik; dat dit prijsbeleid evenwel niet wordt toegepast op alcohol die, overeenkomstig de recente aanpassing van de handelsregeling voor alcohol in Frankrijk op verzoek van de producent vrij ter beschikking van laatstgenoemde kan blijven”, om vervolgens vast te stellen dat de Raad „geen besluit als bedoeld in artikel 42 van het Verdrag heeft genomen over de toepasselijkheid van de bepalingen in het Verdrag over steunmaatregelen van de staten voor ethylalcohol verkregen uit landbouwprodukten …” — hetgeen in het gunstigste geval zal geschieden in de verordening waarbij voor dat produkt een gemeenschappelijke ordening zal worden gecreëerd — en dat „indien Frankrijk de steun voor de uitvoer van alcohol handhaaft, de daaruit voortvloeiende moeilijkheden slechts kunnen worden ondervangen door, op grond van artikel 46 van het Verdrag, een heffing ten aanzien van de Franse uitvoer vast te stellen die ten doel heeft het evenwicht te herstellen.”
Ook wij zijn van mening dat het door de Commissie bedoelde prijsverschil een gevolg is van de Franse regeling voor alcohol, welke regeling volgens de Commissie per 1 januari 1970, 1 april 1974 of 29 juli 1977 had moeten zijn geneutraliseerd.
Maar met alle eerbied welke wij aan de Commissie verschuldigd zijn — en in de lijn van haar standpunt — geloven wij niet dat het verlenen van toestemming tot toepassing ener compenserende heffing het juiste middel is om wijzigingen in de situatie te brengen.
Als de belemmeringen of discriminaties als gevolg van de Franse regeling voor alcohol, zoals de Commissie stelt, werkelijk rechtstreeks in strijd zouden zijn met de artikelen 30 t/m 34 en 95 van het Verdrag — en wel sedert 1 januari 1970, 1 april 1974 of 29 juli 1977 —, dan was artikel 46 sedert een dezer drie data niet meer van toepassing. Dat is, althans tot nu toe, de mening der grote commentatoren. In uw arrest van 20 april 1978, gewezen in de zaak-Commissionnaires Réunis, hebt u met zoveel woorden uitgesproken dat de artikelen 45 en 46 „uitdrukkelijk gelden voor het geval van voorlopige handhaving tijdens de overgangsperiode van nationale marktordeningen tot het moment waarop deze door gemeenschappelijke ordeningen worden vervangen.”
Daarentegen sluit artikel 46 helemaal aan bij artikel 37, lid 3, tweede alinea, volgens hetwelk de Commissie, ingeval een produkt slechts in een of in enkele Lid-Staten aan een nationaal monopolie van commerciële aard is onderworpen, „… de overige Lid-Staten [kan] machtigen zolang vrijwaringsmaatregelen toe te passen [met vaststelling van voorwaarden en wijze van toepassing] als de in lid 1 genoemde aanpassing niet is verwezenlijkt.” Hetgeen onzes inziens bewijst dat die verwezenlijking niet heeft plaatsgehad.
Wij voegen hieraan de navolgende overwegingen toe:
In artikel 33 van het op 7 december 1976 door de Commissie bij de Raad ingediende ontwerp-alcoholverordening worden voor landbouwalcohol de produktiemonopolies en voor landbouw- en andere alcohol de commercialisatiemonopolies verboden, waartoe is overwogen dat de produktie van laatstbedoeld produkt geschiedt door concurrerende bedrijven.
Zou de in artikel 37 bedoelde aanpassing zijn geschied, dan ware het nut van zo'n bepaling niet wel in te zien.
Ten slotte heeft de Raad in zijn resolutie van 28 december 1972 goed doen uitkomen dat in zijn gedachtengang maatregelen ter verzekering van de daadwerkelijke verlening — overeenkomstig Protocol 19 bij de Toetredingsakte — van restituties bij invoer van uit granen verkregen sterke drank gelijktijdig met de toekomstige verordening voor de alcoholsector dienden te worden genomen. Dat zodanige maatregelen nog niet zijn genomen, wil niet zeggen dat bedoeld Protocol alle belang heeft verloren.
Wij zijn dus van mening dat artikel 37 als geheel nog steeds van toepassing is en dat er nog altijd alle aanleiding bestaat om „bij de toepassing van [artikel 37, lid 4] … gelijkwaardige waarborgen te … [geven] voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten, gelet op het ritme van de mogelijke aanpassing en van de noodzakelijke specialisatie”, welke formule identiek is aan die welke in artikel 43, lid 3, sub a, wordt gebezigd met het oog op de vervanging van de nationale ordeningen door een gemeenschappelijke. Dit lijkt ons de enige manier om te ontkomen aan de onoplosbare moeilijkheden welke, gezien de verdragsbepalingen betreffende de voorwaarden waaronder steunverlening door de staten (artikelen 92 tot en met 94) als tijdig aan de Commissie medegedeeld is te beschouwen, alsook gezien de bepalingen van fiscale aard, rijzen door de „budgettisering” of „parafiscalisatie” van de steunregeling voor alcohol, welke men in Frankrijk en in de Bondsrepubliek Duitsland in het leven heeft geroepen om — met eerbiediging van de letter van de verbodsbepalingen betreffende kwantitatieve beperkingen — het ontbreken van een gemeenschappelijke marktordening te ondervangen.
Weliswaar hebt u in het arrest-Manghera van 3 februari 1976 (Jurispr. blz. 100) overwogen „dat de in lid 1 (sc. van artikel 37) omschreven verplichting ertoe strekt de eerbiediging te verzekeren van de grondregel van het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt, met name langs de weg van de afschaffing van kwantitatieve beperkingen en van maatregelen van gelijke werking in het handelsverkeer tussen Lid-Staten” (r.o.g), alsook „dat deze doelstelling niet zou worden bereikt indien in een Lid-Staat met een monopolie van commerciële aard het vrije verkeer van uit de andere Lid-Staten komende waren van gelijke aard als die waarnaar het nationaal monopolie zijn bemoeiingen uitstrekt, niet zou zijn verzekerd” (r.o. 10).
Het landbouwmarktordeningsaspect ontbrak in casu echter; advocaat-generaal Warner zei in zijn conclusie (Jurispr. 1976, blz. 106) dat „niets erop wijst dat het Italiaanse tabaksmonopolie er hoe dan ook is — of geweest is — ten behoeve van de Italiaanse tabakstelers”. En die agrarische component speelt in de onderhavige zaken een belangrijke rol.
In het enkele dagen later gewezen arrest-Rewe (Jurispr.1976 blz. 197) hebt u overwogen „dat het verbod van discriminatie met betrekking tot de voorwaarden van voorziening en afzet van door de onderdanen der onderscheiden Lid-Staten geproduceerde en verhandelde Produkten ten deze als een tot een welbepaald resultaat dwingende verplichting is te beschouwen waarvan de nakoming door een geleidelijk verlopende aanpassing diende te worden vergemakkelijkt, zonder evenwel van zodanige aanpassing afhankelijk te zijn gesteld” (r.o. 24).
In het op dezelfde dag gewezen arrest-Miritz (Jurispr. 1976, blz. 229-230) hebt u uitgesproken „dat deze bepaling geen afschaffing van genoemde monopolies verlangt, doch wel een zodanige aanpassing dier monopolies gebiedend voorschrijft dat aan het einde der overgangsperiode van discriminatie in het geheel geen sprake meer is”. Vervolgens hebt u overweging 9 van het arrest-Manghera overgenomen, zij het voor douanerechten en heffingen van gelijke werking in plaats van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking.
Deze vaststellingen golden het Duitse alcoholmonopolie, dat ook een agrarische component (en wel aardappelalcohol) kent. Gaan zij ook op voor een monopolie als het Franse — waar de agrarische component (suikerbietalcohol; verplichte distillatie) onzes inziens een veel grotere rol speelt?
In het arrest-Hansen van 10 oktober 1978 (r.o. 16) hebt u overwogen „dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht en zolang de betrokken bepalingen niet zijn eengemaakt of geharmoniseerd, … de Lid-Staten niet verboden is aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen in de vorm van een ontheffing of vermindering van rechten toe te kennen”. Mijns inziens worden aldus — via artikel 95 — de in artikel 37, lid 4, voorziene aanpassingen wederom geïntroduceerd, en het zij ons vergund uiting te geven aan enige twijfel met betrekking tot de kwaliteit van het aldus verkregen resultaat.
Mijn betoog tot zover samenvattend, meen ik te moeten opmerken dat het verbod van discriminaties en van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen dient te worden getoetst aan de specifieke bepalingen van het Verdrag betreffende monopolies, dat wil zeggen aan artikel 37 in zijn geheel. De toepassing van lid 2 van het artikel, zelfs op een nieuwe maatregel, genomen in het kader van een monopolieregeling die eenzelfde functie vervult als een nationale landbouwmarktordening, dient te geschieden met eerbiediging van de voorwaarden welke in artikel 37, lid 4, zijn opgesomd.
IV —
Zelfs al zou ten tijde van de feiten, die de nationale rechter aangaan, de in artikel 37 verlangde uitsluiting van alle discriminatie (zelfs „à rebours”) „rechtstreeks toepasselijk” zijn, dan zou het nochtans moeten gaan om produkten welke, de regeling betreffende de aanduiding van oorsprong in aanmerking genomen, als „gelijksoortig” zijn te beschouwen.
Het gaat er maar om of het door verzoekster vervaardigde produkt soortgelijk is aan uit de andere Lid-Staten (Italië) afkomstige of herkomstige produkten, ten opzichte waarvan zij zich gediscrimineerd acht.
Hierover is tijdens de pleidooien een duister debat tussen de vertegenwoordigers van verzoekster en de gemachtigden en deskundigen van de Franse regering ontstaan, en evenmin als de rechter-rapporteur zijn wij er zeker van het volledig te hebben begrepen.
Volgens de Franse regering werd poire William-alcohol, zoals zij de distilleerkolf verliet, beschouwd als grondstof — ofwel ruwe alcohol —, zodat het voorbehoud ervoor gold. Wilde zij ter vrije beschikking van de producent worden gesteld, dan moest er een overdrachtsheffing worden betaald. Wij weten niet precies voor welke produkten verzoekster de overdrachtsheffing terugvordert; het gaat blijkbaar om bedoelde alcohol dan wel om een drank aan welke die alcohol ten grondslag ligt, terwijl er voor consumptie water aan toegevoegd wordt dan wel gedistilleerd wordt tot het voor consumptie gebruikelijke percentage is verkregen. Gaat het om „sterke” drank, „zich onderscheidende van ethylalcohol door de aanwezigheid van, principes aromatiques' of typische smaakeigenschappen”, dan zou zij moeten worden gebracht onder post 22.09 C.V., terwijl „niet-gedenatureerde ethylalcohol van minder dan 80o” onder post 22.09 A valt.
Ook de in Frankrijk in bulk uit de EEG-landen geïmporteerde „eau-de-vie de poire William” werd als grondstof — en derhalve aan de compenserende heffing onderworpen — beschouwd. Maar werd hetzelfde produkt gebotteld ingevoerd, dan moest het worden behandeld als alcohol die als zodanig kon worden gebruikt of verbruikt; de overdrachtsheffing die er bij vervaardiging in Frankrijk over had moeten worden betaald, was dan ook niet verschuldigd; wel werd betaling van de compenserende heffing verlangd, omdat het niet als „eau-de-vie de bouche” kon worden aangemerkt.
Tot staving van haar opvatting citeert de Franse regering het „bulletin officiel” van de Franse douane, volgens hetwelk onder „niet als zodanig bruikbare of verbruikbare produkten — ofwel grondstoffen — vallen, produkten welke in hun afzetgebieden de alcohol van de Staat kunnen beconcurreren'. Als zodanig worden beschouwd alcohol en gedistilleerd met een effectief alcoholgehalte van 57o of meer”.
De Commissie acht die maatstaven ongeldig. Het gaat volgens haar niet aan een produkt te klasseren naar gelang van de gebezigde „verpakking”. Zo geformuleerd acht ik haar standpunt niet juist. Het effect van de maat der verpakking op het toepasselijk percentage volgt rechtstreeks uit het gemeenschappelijk douanetarief, dat voor post 22.09 A en C onderscheidt naat gelang het produkt zich bevindt in verpakkingen van niet meer casu quo wel meer dan twee liter.
Het komt ons derhalve voor, dat wij hier te maken hebben met een onderscheid dat, behalve legaal en fiscaal, ook technisch, kwalitatief en lokaal van aard is, en het is niet ongerijmd het ervoor te houden dat de term „als zodanig bruikbaar of verbruikbaar produkt, ethylalcohol bevattende”, niet zonder meer is gelijk te stellen met een „produit destiné à la consommation de bouche”: er bestaan dranken als gin en wodka, die naar gelang van het procédé dat bij hun vervaardiging werd gevolgd, als ethylalcohol van agrarische oorsprong dan wel als sterke drank worden beschouwd, ofschoon de reuk- en smaakgewaarwordingen van de consument dezelfde blijven.
Zaak 86/78 kan slechts tot oplossing worden gebracht als het probleem van de tarief- of douane-indeling van uit de Lid-Staten geïmporteerde „eau-de-vie de poire William” en eventueel door verzoekster geëxporteerde „eau-de-vie de poire William” vooraf is opgelost. Verzoekster acht de discriminatie gelegen in het feit dat de Franse regering „eau-de-vie de poire William” als ruwe alcohol beschouwt wanneer het in Frankrijk wordt vervaardigd, en als sterke drank als wordt geïmporteerd. In ieder geval stelt de nationale rechter u op dit punt geen vragen en tenzij u een eigenlijke instructiemaatregel mocht gelasten, staat het ook aan hem uit te maken of het hierbedoelde produkt ruwe alcohol is dan wel „eau-de-vie de bouche”.
V —
Het is misschien echter ook niet nodig deze moeilijke kwesties een voor een tot oplossing te brengen, en wel om de navolgende redenen:
Er zij aan herinnerd dat het in zaak 86/78 gaat om de vraag of een uitgediende nationale regeling met het Verdrag verenigbaar is wanneer de Commissie zich niet bij het Hof over stilzitten der administratie beklaagt. Verzoekster achtte die regeling discriminerend, omdat alcohol uit de Lid-Staten, die niet tot betaling van de compenserende heffing (of extra heffing) behoefden te worden aangesproken, dan zou zijn bevoordeeld ten opzichte van nationale alcohol, die om van de heffing te worden „vrijgesteld”, aan betaling van een bijslag was onderworpen. In haar aanbeveling aan Frankrijk — de dato 22 december 1969 — had de Commissie dat land gewezen op de discriminerende aard van de compenserende extra heffing op ingevoerde alcohol en om intrekking ervan verzocht. In die aanbeveling die (volgens artikel 189) niet bindend is en die het enige middel is dat in artikel 37, lid 6, ter verwezenlijking van de in dat artikel voorziene aanpassing met zoveel woorden is voorzien en pas na afloop van de overgangsperiode is gepubliceerd, betoogt de Commissie dat men door de Franse markt voor de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening der markten onvoorwaardelijk voor de produkten der andere Lid-Staten open te stellen, … de verkoop van Franse ethylalcohol van agrarische oorsprong, alsook de concurrentiepositie van Frans gedistilleerd — en dientengevolge de werkgelegenheid en de levensstandaard van de producenten van bepaalde grondstoffen — in gevaar zou kunnen brengen. Met verwijzing naar artikel 37, lid 4, verklaarde zij dat het noodzakelijk kon zijn tot aan de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening der markten bijzondere maatregelen te nemen, en erkende zij dat een compenserende heffing bij invoer van alcohol en alcoholhoudende dranken geoorloofd kon zijn.
1.
Volgens verzoekster behoorden producenten in de andere Lid-Staten sinds 1 januari 1970 vrijelijk naar de monopolie-Staat te kunnen uitvoeren — en aldaar verhandelen —, terwijl de onderdanen van die staat verstoken bleven van het recht hun produktie — zowel in de eigen staat als elders — vrijelijk te verhandelen. Zij betoogt dat de importeurs van buitenlandse produkten de — onrechtmatige — compenserende heffing (of extra heffing) niet behoefden te betalen en dat, indien zulks wel het geval mocht zijn geweest, de bijslagheffing ten laste van de Franse producenten als discriminerend was te beschouwen.
Maar indien de positie van de producenten en importeurs van de betrokken produkten al als gelijksoortig is te beschouwen, dan nog is zij, naar het ons voorkomt, niet feitelijk gelijk. Immers, het aan de exporteurs uit de oorspronkelijke Lid-Staten van de EEG toegekende recht op vrije uitvoer van alcohol naar Frankrijk — tegen betaling der voorziene rechten — was puur theoretisch: het had pas na de arresten Rewe en Miritz — die in ieder geval geen reglementair of retroactief effect hebben — kunnen worden gehonoreerd. Alcohol uit de andere Lid-Staten, ten opzichte waarvan verzoekster zich gediscrimineerd acht, nam in ander opzicht een onvrije positie in. Tot 1 april 1974 waren zij onderworpen aan de compenserende extra-heffing bedoeld in de aanbeveling van de Commissie van 1969.
2.
Zelfs sinds 1 april en tot aan 29 juli 1977 moest bij de invoer van ethylalcohol een — onveranderlijke — compenserende extraheffing voor de in het produkt voorkomende zuivere alcohol worden betaald, ten belope van het „verschil tussen de laagste aankoopprijs welke door de Service des Alcools aan het eind van het voorafgaande verkoopseizoen was berekend en de verkoopprijs van alcohol bestemd voor het overeenkomstig gebruik”, formule overeenkomend met die welke later in artikel 269 van bijlage II voor de bijslag is gebruikt. Bij invoer van ethylalcoholbevattende produkten van herkomst uit de Lid-Staten en bestemd voor „consommation de bouche” was, wanneer de minimumverkoopprijs van neutrale alcohol voor „consommation de bouche” in het land van oorsprong lager lag dan de in Frankrijk voor hetzelfde gebruik geldende verkoopprijs, een compenserende heffing te betalen ten belope van het verschil tussen die beide prijzen.
Het is mogelijk dat de vóór juli 1977 voor de producenten geldende verplichting hun hele produktie aan de Staat te leveren, hen belette het produkt te exporteren en althans potentieel het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloedde. Dat de Staat slechts bij aankoop van een gedeelte van de nationale produktie prijzen aanhoudt welke als in economisch opzicht redelijk zijn te beschouwen, te weten het gedeelte dat de Service des Alcools bereid is af te zetten, kan in feite tot contingentering van de nationale produktie leiden. Voorts zou het, indien de EEG-producenten het recht hadden hun alcoholproduktie vrijelijk in Frankrijk te verkopen, tot discriminatie ten nadele van de Franse producenten komen — met vervalsing van de concurrentiële gelijkheid welke in het Verdrag wordt beoogd. Daarvan is echter geen sprake. Het is evenmin uitgesloten dat het binnenlandse produkt, gezien de in 1974 ingevoerde compenserende heffing, wat de eindprijs betreft, in een minder gunstige positie werd gebracht dan het vergelijkbare buitenlandse produkt en dat de compenserende heffing steeg wanneer de administratie van het monopolie, in het kader van zijn verkoopbeleid, de prijs van voor bijzondere doeleinden verkochte alcohol bijzonder laag stelde en de verkoopprijs van „alcool de bouche” bijzonder hoog.
De Franse regering wijst er evenwel op dat tegenover de verplichting tot betaling van een overdrachtsheffing welke alleen ruwe alcohol (en niet als zodanig bruikbare of verbruikbare alcohol) treft, bij gebreke van een gemeenschappelijke ordening der alcoholmarkten voor de Franse fabrikanten en gebruikers van nationale alcohol die bedoelde heffing — tot het verschil met ingevoerde als zodanig bruikbare of verbruikbare alcohol — betalen, een bevoorradingsgarantie staat.
Bezien vanuit de gezichtshoek van het eveneens door de Commissie ter sprake gebrachte artikel 95, is het de Lid-Staten verboden het ingevoerde produkt zwaarder te belasten dan een overeenkomstig nationaal produkt is belast: destijds werd over ingevoerde produkten — terecht of ten onrechte — een overeenkomstige belasting geheven als over nationale produkten moest worden betaald. Feitelijk werd er dus niet gediscrimineerd. Volgens de Franse regering verbiedt dit artikel niet op een ingevoerd produkt en een overeenkomstig produkt eenzelfde belasting toe te passen, zelfs niet wanneer een deel van de last die het nationale produkt te dragen krijgt, wordt besteed ter financiering van een staatsmonopolie en die welke het ingevoerde produkt treft, in de algemene middelen van de Staat vloeit.
3.
De nationale rechter vraagt u echter voorts of het vrijstellen van zuivere alcohol (grondstof) in ingevoerde sterke drank, terwijl alcohol voorkomend in sterke drank uit Frankrijk zelf daarvan niet vrijgesteld is, sedert 29 juli 1977 als discriminerend is te beschouwen. Ofschoon het op die vraag te geven antwoord ons voor de beslissing van het bodemgeschil door de nationale rechter volkomen nutteloos voorkomt — zij kan beter in een procedure wegens „stilzitten” aan de orde komen — wijzen wij op het volgende:
De Commissie stelt vast dat de heffing welke de Service des Alcools oplegt — in ruil voor de mogelijkheid dat Franse producenten over aan de Staat voorbehouden alcohol vrijelijk kunnen beschikken, en die gelijk is aan de in artikel 2 van het besluit van 25 juli 1977 bedoelde prijstoeslag welke door de Service des Alcools bij retrocessie wordt geheven — het equivalent is van de heffing welke in Frankrijk wordt toegepast op alcohol welke in andere Lid-Staten wordt geproduceerd en in Frankrijk gebruikt of verbruikt. Voor zover deze laatste heffing deel uitmaakt van de algemene fiscale regeling voor in Frankrijk gebruikte of verbruikte alcohol, zou zij aan het vrije verkeer van goederen niet in de weg staan en zich met artikel 95 verdragen.
Met andere woorden, de heffing van de nieuwe eerste alinea van artikel 269 zou de tegenhanger zijn van een steunregeling ten gunste van de produktie van of de handel in nationale alcohol van agrarische oorsprong. Wij betwijfelen evenwel ten zeerste of de voorwaarden van artikel 93, derde lid, tweede en derde volzin, zijn inachtgenomen, terwijl er — in de lijn van uw arrest-Miritz — sedert 1 januari 1970 in de oorspronkelijke Lid-Staten een „vrijhandels”-regeling voor ethylalcohol van agrarische oorsprong zou moeten bestaan en ook artikel 4 van 's Raads verordening nr. 26 van 4 april 1962 niet langer behoorde te „werken”.
De „discriminatie” is volgens verzoekster in het bodemgeschil daarin gelegen dat de Franse producenten gehouden blijven om, behoudens betaling van de heffing, hun produktie aan het monopolie af te staan, terwijl de producenten in de andere oorspronkelijke Lid-Staten zich de mogelijkheid tot vrije export naar Frankrijk zagen toegekend. Zelfs al zou het uitsluitend recht tot in- en uitvoer zijn afgeschaft, dan nog zou het monopolie, dankzij de op nationale producenten gelegde leveringsplicht, het handelsverkeer rechtstreeks of zijdelings beïnvloeden. Maar die situatie vindt in de eerste plaats haar oorsprong in de verplichting tot aankoop tegen een gegarandeerde prijs, vergezeld van de op nationale producenten gelegde plicht tot afstand van hun produktie: alleen door intrekking van die verplichting, welke de tegenhanger vormt van het aankoopmonopolie van de Service des Alcools, kan iedere mogelijkheid van discriminatie „à rebours” worden geëlimineerd. Maar onzes inziens zou met die intrekking het bestaan van het monopolie zijn gemoeid; het zou moeten verdwijnen, hoewel het bestaan van monopolies in artikel 222 uitdrukkelijk is voorbehouden.
Overigens maakt deze kwestie nog het voorwerp uit van besprekingen betreffende de totstandkoming van een gemeenschappelijke ordening der markten voor ethylalcohol. Hoewel zij niet de invalshoek van de onderhavige procedures vormt, is de Service des Alcools, zoal niet een „dienst” van algemeen economisch belang, dan toch stellig een onderneming „die het karakter draagt van een fiscaal monopolie” in de zin van artikel 90, lid 2. Zo'n monopolie heeft onder meer tot taak te komen tot de maximum belastingopbrengst welke met een optimaal evenwicht van middelen en behoeften — wat alcohol betreft — verenigbaar is. Door de verplichting tot afstand zonder meer te laten vallen, zou men de vervulling van de taak welke aan die dienst is opgedragen, rechtens of feitelijk onmogelijk maken. Of handhaving van de verplichting de ontwikkeling van het handelsverkeer raakt in een mate welke aan het belang van de Gemeenschap afbreuk doet, blijft natuurlijk de vraag. Maar het is moeilijk te beoordelen, omdat daarbij ook overwegingen betreffende de volksgezondheid een rol spelen. Het gaat er om volkomen aan elkander tegengestelde doelstellingen te verzoenen: enerzijds moet de belastingopbrengst wegens de produktie en het verbruik van alcohol zo hoog mogelijk zijn en dient het vrije verkeer, wat dat produkt betreft, te worden begunstigd, anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat de economische regeling voor alcohol haar uitwerking op het gezondheidsbeleid niet mist en dat een uit de hand lopende ethylalcoholproduktie de moeizame pogingen tot een evenwicht tussen belastingopbrengst en volksgezondheid te komen, zou doorkruisen. Het valt niet te ontkennen dat om het even welke rechten op alcohol, behalve in het streven naar marktordening en een optimale belastingopbrengst, hun rechtvaardiging vinden in eisen van volksgezondheid, met name in de nieuwe Lid-Staten.
Resumerende spreken wij, wat de eerste zaak betreft, als ons oordeel uit dat, wanneer de nationale fabrikanten gedurende het door de nationale rechter terecht in ogenschouw genomen tijdvak 1974-1977 de heffing moesten opbrengen voor als zodanig bruikbare of verbruikbare produkten welke „vrijgestelde” alcohol bevatten, die last althans gedeeltelijk werd gecompenseerd door de heffing welke voor uit andere Lid-Staten geïmporteerde soortgelijke produkten moest worden betaald. Dat dit dwangelement of die voorwaarden met het Verdrag in strijd waren; is een middel dat niet met vrucht door verzoekster in het bodemgeschil kan worden ingeroepen, aangezien de communautaire rechtsgeldigheid van zodanig dwangelement voor het Hof nimmer — noch langs de weg van een rechtstreeks beroep, noch in een prejudiciële vraag — ter discussie werd gesteld.
Dezelfde redenering geldt voor de discriminatie welke besloten zou liggen in de omstandigheid dat Franse „vrijgestelde” alcohol of Franse sterke drank „vrijgestelde” alcohol bevattende, door de invoering van de overdrachtsheffing op de buitenmarkten minder goed konden concurreren: bij uitvoer van die produkten werd de heffing op „vrijgestelde” nationale alcohol, in die produkten voorkomende, niet geheven of terugbetaald.
VI —
1.
Terwijl verzoekster stelt ten achter te worden gesteld bij de nationale importeurs van „distillats de poire William” (zaak 86/78), beklaagt zij zich er in zaak 119/78 over, dat zij vergeleken bij de nationale likeurfabrikanten, producenten van echte Cointreau, wordt benadeeld. Het schijnt — wij bezigen deze „wijze” formule, nu het dossier ons geen verdere opheldering verschaft — dat zij de bedoeling heeft gehad over te gaan tot „repassage d'alcool”, hetgeen meer is dan een eenvoudige verwerking en neerkomt op herdistillatie voor de fabricage van andere produkten in de zin van de Franse regeling, dan wel herdistillatie voor de fabricage of produktie van nieuwe gezuiverde alcohol — met een hoog percentage — De produktie van zulke alcohol is bij artikel 358 van de hiervoor reeds besproken Code général des impôts aan de staat voorbehouden.
Het bodemgeschil doet soms denken aan de zaak-Miritz. Daarin ging het om een partij distillaat van citrusvruchtenschillen of concentraten van verschillende reukstoffen in een alcoholoplossing, ingevoerd uit Italië, produkten in de zin van tariefpost 33.04 en grondstoffen voor de vervaardiging van dranken in de zin van post 22.06. Vóór de wet van 23 december 1970 bestond er in de Bondsrepubliek Duitsland een invoerverbod en had het Duitse monopolie het uitsluitend recht ethylalcohol en produkten waarin ethylalcohol voorkomt, te importeren. Vóór die wet speelde bedoeld uitsluitend recht, dat in de praktijk op een — voor bepaalde produkten niet geldend — invoerverbod neerkwam, de rol van de Duitse compenserende heffing. Maar anders dan in casu was niet het verbod bedoeld produkt in omloop te brengen de inzet van het geding, doch de invordering der compenserende heffing, die bij de Duitse wet in het leven was geroepen (en aan het alcoholpercentage gecorreleerd).
Volgens verzoekster in het bodemgeschil zou het niet om alcoholigene („getrokken”) grondstoffen gaan, doch om alcoholische (getrokken) grondstoffen, bestemd voor de vervaardiging van alcohol- of brandewijnsoorten. Inderdaad zijn vruchten welker gisting is opgehouden doordat ze in „sterke” alcohol zijn gebracht, geen „alcoholigene” grondstoffen; wij hebben dan met vruchten op alcohol te maken. In dat geval zou er aan het produkt evenwel niet-gedenatureerde ethylalcohol van minder dan 80o, van agrarische oorsprong, zijn toegevoegd, zodat wij te maken zouden hebben met een produkt in de zin van post 22.09 B: „samengestelde alcoholische preparaten (geconcentreerde extracten)”, waarvoor regeling in de toekomstige gemeenschappelijke ordening der markten voorzien is.
Evenals in de eerdere zaak rijst er dan een — vooraf te beantwoorden — indelingsvraag.
Er bestaat nog geen communautair begrip alcoholische of alcoholigene „grondstoffen”. Voorts hebt u in het arrest-Hansen van 10 oktober 1978 overwogen:
„dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht en zolang de betrokken bepalingen niet zijn eengemaakt of geharmoniseerd, … de Lid-Staten niet verboden is aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen in de vorm van een ontheffing of vermindering van rechten toe te kennen;
dat immers belastingfaciliteiten als deze ter bereiking van wettige economische en sociale doelen kunnen worden aangewend, zoals het gebruik van bepaalde grondstoffen door de branderijen, het behoud van de produktie van typische gedistilleerde dranken van hoge kwaliteit of het in stand houden van bepaalde categorieën bedrijven, zoals de branderijen in de landbouwsector”(r.o. 16);
„dat zich in dit verband grote moeilijkheden kunnen voordoen bij de vergelijking van de factoren waaraan de verschillende nationale wettelijke regelingen bij de toekenning van bedoelde belastingvoordelen aanknopen, zoals de aard van de grondstoffen, de technische eigenschappen van de installaties, de distillatieprocédés, de wijze van belastingheffing en de toegepaste belastingcontrole” (r.o. 18).
De nationale rechter heeft voor recht verklaard, dat de hierbedoelde „op alcohol getrokken sinaasappelen”, voor zover voor distillatie bestemd, grondstoffen zijn in de zin van artikel 268 van bijlage II; en blijkbaar gaf het feit dat de vruchten zijn verrijkt met andere alcohol dan agrarische alcohol van nationale herkomst, de administratie aanleiding de gevraagde toestemming te weigeren: het zou gaan om alcohol van oorsprong uit derde landen dan wel om alcohol, in een Lid-Staat vervaardigd met grondstoffen van oorsprong uit die Lid-Staat of uit derde landen, maar wij weten niet met stelligheid om welke alcohol, en van welke oorsprong hij is.
2.
Er zij aan herinnerd dat het in Frankrijk volgens artikel 268 van bijlage II bij de Code général des impôts:
a)
is toegestaan andere geïmporteerde verse vruchten dan appelen, peren en druiven te distilleren;
b)
verboden is ingevoerde verse appelen, peren en druiven te distilleren;
c)
verboden is andere ingevoerde „grondstoffen” te distilleren.
Wij moeten al dadelijk in twijfel trekken of het verbod vers fruit te distilleren, althans wat peren betreft, wel te verenigen valt met de door het Italiaanse interventiebureau (AIMA) opengestelde permanente inschrijvingen voor de overneming van uit de markt genomen peren door de distilleerderijen — zoals bedoeld in de kennisgeving in het Publikatieblad van 10 juni 1978 —, ofschoon er in de considerans van verordening nr. 1562/70 van de Commissie van 31 juli 1970, op grond waarvan die inschrijving geschiedde, sprake van was dat aan elke belanghebbende in de Gemeenschap een gelijke behandeling moest worden gesteld een aanbieding te doen — mits het toegewezen produkt tot alcohol van meer dan 80o werd getransformeerd.
3.
Maar de nationale rechter heeft vastgesteld dat, aangezien de op alcohol getrokken sinaasappelen worden ingevoerd, de onmogelijkheid van distillatie het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt en het verbod van discriminatie tussen onderdanen van Lid-Staten (artikel 37) op het spel zet.
Zelfs al mocht verzoekster zich dus het recht tot invoer van het betrokken produkt zien toegekend — en de administratie erkent dat zij theoretisch dat recht heeft —, dan nog kan zij het niet op de gewenste wijze gebruiken.
De vraag is enigszins duister geformuleerd: artikel 10 betreft produkten van herkomst uit derde landen, die zich in een Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden, en wij zien niet goed in welk belang de met betrekking tot dat artikel gestelde vraag voor het bodemgeschil heeft, tenzij er aan een „verkeersverlegging” via Italië zou moeten worden gedacht, bij voorbeeld: de sinaasappelen kwamen in werkelijkheid uit Spanje en in Spanje dan wel in Italië is er uit Italiaanse of buitenlandse grondstoffen gewonnen alcohol aan toegevoegd. De vraag moet dus opnieuw worden geformuleerd, en wel aldus: staan de artikelen 10 en 37 of enige andere bepaling van het Verdrag in de weg aan een nationale maatregel welke verhindert dat in een Lid-Staat grondstoffen van oorsprong uit een andere Lid-Staat dan wel grondstoffen welke in die staat na invoer uit derde landen in het vrije verkeer zijn gebracht, worden gedistilleerd?
Verzoekster in het bodemgeschil leidt uit het arrest-Miritz af dat het verbod (alcoholische) grondstoffen te distilleren, dat aan het bestaan van het monopolie is gekoppeld, de invoer van die grondstoffen uit andere Lid-Staten verhindert en dus discriminatie oplevert, voor zover diezelfde grondstoffen, indien van Franse oorsprong, vrijelijk kunnen worden gedistilleerd. Worden zij na invoer uit derde landen in het verkeer gebracht, dan zijn er rechten of heffingen bedoeld in post 20.06 B I over betaald en verzoekster wenst hetgeen zij „spiritueux composés” noemt, zonder zich aan betaling van het „droit de consommation” te onttrekken, vrijelijk te kunnen distilleren.
Wij vinden hier dezelfde vraag terug: zou de intrekking van het verbod op den duur niet, althans ten dele, tot verdwijning van het monopolie leiden, ofschoon artikel 37 het slechts wenst te zien aangepast — in voege als in lid 4 voorzien? Wij kunnen slechts opnieuw uiting geven aan onze reeds eerder geuite twijfel. Wij herinneren er voorts aan, dat wanneer het gaat om alcohol als zodanig dan wel om alcohol in andere, uit niet-Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen ingevoerde produkten, 's Raads richtlijn 69/74 van 4 maart 1969 inzake de harmonisering van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot het stelsel van douane-entrepots, alsook 's Raads richtlijn nr. 71/235 van 21 juni 1971 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de „gebruikelijke behandelingen” die in douane-entrepots en in vrije zones mogen worden verricht, van toepassing zijn.
Beziet men de zaak, zoals de Commissie voorstelt, vanuit de gezichtshoek van het algemeen regime van de artikelen 30 en volgende van het Verdrag, dan nog zou het verbod, om als niet gerechtvaardigd te kunnen worden beschouwd, niet van toepassing moeten zijn op „gelijksoortige” nationale produkten, en zou men over die produkten vrijelijk moeten kunnen disponeren. Het staat aan de nationale rechter na te gaan of dit het geval is.
Dan zou, indien de hierbedoelde „grondstoffen” niet een „samengesteld alcoholisch preparaat” mochten zijn als bedoeld in post 22.09, het verbod om op alcohol getrokken sinaasappelen van Italiaanse herkomst of van herkomst uit derde landen — en in Italië in het vrije verkeer gebracht — te distilleren, onzes inziens met het gemeenschapsrecht in strijd zijn.
4.
Aanvankelijk vielen met alcohol bereide of verduurzaamde vruchten niet onder de gemeenschappelijke ordening der markten voor groenten en fruit. Zo vielen ook anders bereide of verduurzaamde vruchten — met of zonder toevoeging van alcohol em met toevoeging van suiker — niet onder richtlijn nr. 66/683 van de Commissie van 7 november 1966, houdende opheffing van alle verschillen in behandeling tussen binnenlandse produkten en produkten die krachtens de artikelen 9 en 10 van het Verdrag in het vrije verkeer moeten worden toegelaten. In ieder geval gold die richtlijn naar luid van zijn artikel 3 niet voor bepalingen die onder artikel 37, lid 1, van het Verdrag vallen of een integrerend bestanddeel uitmaken van de nationale ordening ener landbouwmarkt; in dezelfde zin artikel 5 van richtlijn nr. 70/50 van de Commissie van 22 december 1969.
Maar „op alcohol getrokken sinaasappelen” vallen onder 's Raads verordening nr. 516/77 van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten en, behoudens andersluidende bepalingen of afwijkingen waartoe de Raad op voorstel van de Commissie mocht besluiten, verdraagt het hierbedoelde distilleerverbod zich sedert 1 april 1977 niet met artikel 13, lid 2, dier verordening.
Wij concluderen dat de gestelde vragen als volgt dienen te worden beantwoord :
In de maand maart 1977 viel onder „discriminatie” tussen de onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, niet de toepassing — ten profijte van een staatsmonopolie — van een bijslag die bij retrocessie van bepaalde alcoholhoudende grondstoffen wordt geheven wanneer de fabrikanten de vrije beschikking erover wordt gelaten, en ook wordt toegepast op gelijksoortige produkten van oorsprong uit de andere Lid-Staten, noch ook een distilleerverbod dat in een Lid-Staat zonder onderscheid van toepassing is op in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer gebrachte, uit een derde staat herkomstige grondstoffen én op diezelfde grondstoffen, herkomstig uit het eigen land.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy