CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 9 NOVEMBER 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne beren Rechters,
De feiten in de onderhavige prejudiciële zaak zijn de volgende:
Krachtens artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2448/75 van de Commissie van 25 september 1975 tot schorsing van de monetaire compenserende bedragen voor bepaalde wijnen (PB L 250 van 1975, blz. 29) werd de toepassing van de laatstelijk bij verordening (EEG) nr. 2021/75 van de Commissie van 31 juli 1975 tot vaststelling van de monetaire compenserende bedragen en van sommige koersen voor de toepassing daarvan (PB L 205 van 1975, blz. 1) vastgestelde monetaire compenserende bedragen in de sector wijn met ingang van 29 september 1975 voor Duitsland geschorst, behalve voor de volgende wijnen:
„…
—
tafelwijn van de soorten A II en A III in de zin van verordening (EEG) nr. 945/70 alsmede de witte wijnen die bij invoer onder de naam van de wijnstoksoorten Riesling of Sylvaner worden aangeboden.”
Verordening (EEG) nr. 945/70 van de Raad van 26 mei 1970 houdende bepaling van de soorten tafelwijn (PB L 114 van 1970, blz. 1) bepaalt in artikel 2:
„De soorten witte tafelwijn zijn de volgende:
a)
„soort A I”; witte tafelwijn, andere dan die bedoeld sub b) en sub c), met een effectief alcoholgehalte van ten minste 10o en ten hoogste 12o;
b)
„soort A II”: witte tafelwijn afkomstig van wijnstokken van de soorten Sylvaner of Müller-Thurgau;
c)
„soort A III”: witte tafelwijn afkomstig van de wijnstok van de soort Riesling.”
De firma Hermann Kendermann, verzoekster in eerste aanleg, verweerster in cassatie voerde in de periode van 3 tot 15 oktober 1975 wijnen bestaande uit een mengsel van Duitse wijn afkomstig van de wijnstoksoorten Müller-Thurgau en Sylvaner met Italiaanse of Franse wijn naar Canada uit; de wijn had bij de verschillende exporten de volgende samenstelling:
1.
Müller-Thurgau/Sylvaner ca. 70 %; tafelwijn van de wijnstoksoort Cépagne Chenin ca. 30 %;
2.
Müller-Thurgau/Sylvaner 99,9 %; Italiaanse tafelwijn van de wijnstoksoort Trebiano ca. 0,1 %;
3.
Müller-Thurgau/Sylvaner 99,8 %; 0,2 % Trebiano;
4.
Müller-Thurgau/Sylvaner 98,7 %; ca. 1,3 % Franse tafelwijn van de wijnstoksoort Chenin.
Verzoekster vroeg op grond van verordening nr. 2021/75 monetaire compensatie aan voor deze exporten. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, verweerder in eerste aanleg, tevens eiser tot cassatie in het hoofdgeding, wees het verzoek met een beroep op verordening nr. 2448/75 af, op grond dat hier geen sprake was van tafelwijn van de soort A II.
Na hiertegen vruchteloos bezwaar te hebben gemaakt, wendde verzoekster zich tot het Finanzgericht te Hamburg dat verweerder tot betaling van de gevorderde monetaire compenserende bedragen veroordeelde. Laatstgenoemde ging van deze uitspraak in cassatie bij het Bundesfinanzhof.
Bij beschikking van 28 februari 1978 besloot het Bundesfinanzhof de procedure te schorsen en krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen:
1.
Behoren tot wijnsoort A II in de zin van artikel 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 945/70 van de Raad van 26 mei 1970 ook wijnen, die uit een mengsel van tafelwijnen van de soorten A II en A I bestaan, waarbij de soort A II het karakterbepalende bestanddeel is?
2.
Behoort de in vraag 1 genoemde versneden wijn in elk geval tot wijnsoort A II in de zin van artikel 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 945/70, wanneer zijn gehalte aan wijn van de soort A I zeer gering is? Zo ja: onder welke voorwaarden kan het gehalte aan wijn van de soort A I nog als gering worden beschouwd?
3.
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: moet de in vraag 1 genoemde versneden wijn in zijn geheel als wijn van de soort A I in de zin van artikel 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 945/70 worden beschouwd of kan hij, althans voor zover hij wijn van de soort A II bevat, als tafelwijn van de soort A II in de zin van bijlage I, deel 6, van verordening (EEG) nr. 2021/75 van de Commissie van 31 juli 1975 en in de zin van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2448/75 van de Commissie van 25 september 1975 worden beschouwd, waarvoor (voor een evenredig gedeelte) monetaire compenserende bedragen bij de uitvoer uit Duitsland kunnen worden toegekend?
4.
Is verordening (EEG) nr. 2448/75 rechtsgeldig, indien zij aldus moet worden uitgelegd, dat bij de uitvoer van mengsels van de in de vragen 1 en 2 aangeduide soort geen monetaire compenserende bedragen worden betaald, ook niet voor het op zichzelf tot wijnsoort A II behorende gedeelte?
Het lijkt mij zinvol om bij de behandeling van deze vragen allereerst op de principiële problemen in te gaan.
I —
De kernvraag in de onderhavige zaak is of tot wijnen van de soort A II in de zin van artikel 2, sub b) van verordening nr. 945/70 van de Raad ook versneden tafelwijnen van de soorten A II en A I behoren en — zo ja — hoe hoog het gehalte aan A I-wijnen mag zijn om de versneden wijn nog onder de eerstgenoemde rubriek te doen vallen. Ten tijde van de uitvoer van de litigieuze wijnen kon verzoekster ingevolge artikel 1 van verordening nr. 2448/75 van de Commissie namelijk nog slechts voor tafelwijnen van de soort A II, afkomstig uit de Duitse Bondsrepubliek, in het genot van monetaire compenserende bedragen komen.
De door de Commissie opgeworpen, doch wegens het ontbreken van noodzakelijke documentatie niet beantwoorde vraag, of er bij de door verzoekster uitgevoerde versneden wijnen eigenlijk wel gesproken kan worden van „tafelwijn” in de zin van artikel 26 van verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 99 van 1970, blz. 1), kan hier mijns inziens buiten beschouwing blijven. In de eerste plaats wordt dit door partijen niet betwist — wat op zichzelf in het publiekrecht echter niet beslissend is — maar bovendien neemt ook de rechter die over de feiten oordeelt, het Finanzgericht te Hamburg, als vaststaand aan dat het hier „tafelwijn” betreft. Hoe dan ook, dit is een feitelijke vraag die ter beoordeling staat aan de nationale rechter. Bovendien is ons niet om uitlegging van dat begrip verzocht.
Voor ons is de uitlegging van het begrip wijnsoort II, zoals dit voorkomt in artikel 2 aanhef en sub b) van verordening nr. 945/70 van belang.
De in verordening nr. 945/70 gemaakte onderscheiding tussen de verschillende soorten tafelwijn dient blijkens de considerans in de eerste plaats voor de vaststelling van oriëntatieprijzen voor de representatieve soorten tafelwijn overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 816/70. Daarenboven is deze onderscheiding, zoals de Commissie opmerkt, van betekenis voor de overige, in het kader van het gemeenschappelijke interventiesysteem relevante prijzen. Bij de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 945/70 moet daarom worden uitgegaan van het door haar beoogde prijsregulerende doel.
Voor dit doel zijn alleen de voor de prijsvorming bepalende eigenschappen van de afzonderlijke wijnsoorten en wijnstoksoorten van belang, ofwel, zoals de Commissie het — kort gezegd — uitdrukt, de vraag welke wijnen van welke wijnstok-soorten als wijnen van dezelfde wijnsoort in het verkeer gebracht en verhandeld kunnen worden. Een nauwkeurig onderscheid in het tarief naar organoleptische kenmerken in bijzonderheden is daartoe niet noodzakelijk en hoefde in verordening nr. 945/70 daarom ook niet te worden gemaakt. Zo rekent artikel 2, sub b) van deze verordening al twee qua prijs dicht bij elkaar liggende wijnen, te weten Müller-Thurgau en Sylvaner tot wijnsoort A II; uit artikel 3 van de verordening blijkt dat ook deze twee soorten slechts als voorbeeld moeten worden beschouwd. Het was tot dusver aan de individuele Lid-Staten overgelaten te bepalen welke andere wijnstoksoorten wegens hun zuurarmoede en daardoor hun verwantschap met de soorten Müller-Thurgau en Sylvaner tot de wijnsoort A II moesten worden gerekend.
Daar verordening nr. 945/70, zoals ge-' zegd, in nauw verband staat met verordening nr. 816/70, kan men mijns inziens, zoals de Commissie terecht doet, voor de definitie van wijn en de verschillende wijnsoorten teruggrijpen op de redactionele uitgangspunten van laatstgenoemde verordening. In het kader van verordening nr. 816/70 is echter regelmatig explicite bepaald wanneer een wijn uitsluitend van bepaalde wijnstoksoorten afkomstig moest zijn om onder een bepaalde definitie te vallen. Nu verordening nr. 945/70 niet een dergelijke beperking inhoudt, kan er mijns inziens zonder bezwaar van worden uitgegaan dat ook versneden wijnen tot de verschillende wijnsoorten kunnen behoren, zolang hun, voor de indeling van de wijn onder een bepaalde wijnsoort kenmerkende karakter van de hoofdzakelijk gebruikte wijnstoksoort behouden blijft.
De enige vraag die in dit verband nu nog beantwoording behoeft, is tot welke graad de bijmenging met andere wijnen kan gaan zonder dat daardoor de indeling van deze versneden wijn onder de wijnsoort A II in gevaar komt. Sinds 1 september 1976 worden de toelaatbaarheid en het percentage van bijmengingen beheerst door verordening nr. 2133/74 van de Raad van 8 augustus 1974, houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivemost (PB L 227 van 1974, blz. 1), welke een bijmenging met andere wijnen tot 15 % toelaat. Vóór de inwerkingtreding van deze verordening moest men bij gebrek aan communautaire voorschriften te rade gaan met de desbetreffende nationale bepalingen van de betrokken Lid-Staat, in casu § 8 van de Duitse Weinverordnung van 15 juli 1971 (BGB1. I, blz. 926) waarin werd bepaald dat wijn voor ten hoogste 25 % mag worden versneden. Waar verzoekster, die zelf naar deze bepaling verwijst, meent dat bij een wijn met een neutrale smaak de bijmenging een hoger percentage mag bereiken, miskent zij het feit dat het moeilijk is objectieve criteria voor een neutrale smaak aan te leggen, hetgeen de vaststelling van een bepaald percentage van bijmenging onontbeerlijk maakt; dit is dan ook destijds in de Duitse Weinverordnung en thans in verordening nr. 2133/74 gebeurd. Slechts op deze manier kan men tot duidelijke en ondubbelzinnige resultaten komen bij de indeling van versneden wijnen onder de verschillende wijnsoorten van verordening nr. 945/70.
Hiermee heb ik de uitgangspunten voor beantwoording van de vragen 1 en 2 van de verwijzende rechter duidelijk gemaakt. Indien verzoekster op grond van bepalingen uit de douanewetgeving een hogere bijmenging meent te kunnen rechtvaardigen, dan ziet zij over het hoofd dat verordening nr. 2448/75 uitdrukkelijk verwijst naar verordening nr. 945/70, die ingevolge haar doelstelling, slechts op basis van de beginselen van de wijn- en prijsregeling kan worden uitgelegd en aangevuld.
II —
Volgens de tekst van verordening nr. 2448/75 moet de uitgevoerde wijn als zodanig tot de wijnsoort A II behoren om in aanmerking te komen voor monetaire compensatie. Ik deel de mening van de Commissie dat voor een evenredige uitkering evenmin steun te vinden is in artikel 6 van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen (PB L 139 van 1975, blz. 37) juncto artikel 8 van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB L 25 van 1975, blz. 1). Weliswaar zijn, volgens artikel 6 van verordening nr. 1380/75, de bepalingen met betrekking tot de toekenning van restituties bij uitvoer ook op de uitkering van monetaire compenserende bedragen van toepassing, maar volgens artikel 8 van verordening nr. 192/75 wordt restitutie voor een bestanddeel van een produkt slechts toegekend indien een restitutie op basis van één of meer bestanddelen is vastgesteld. Dit is hier echter niet het geval nu voor tafelwijn van de wijnsoort A II, welke als bestanddeel van een versneden wijn met een eigen karakter wordt uitgevoerd, geen monetaire compensatie is vastgesteld.
Het is dan ook duidelijk dat vraag 3 slechts ontkennend kan worden beantwoord.
III —
Tenslotte twijfel ik in de door mij voorgestane uitlegging geenszins aan de rechtsgeldigheid van verordening nr. 2448/75. Deze verordening handhaafde de monetaire compensatie nog slechts voor wijnen van de soorten A II en A III en dit geschiedde — ik moge hiervoor verwijzen naar het arrest in de zaak 136/77 (Firma A. Racke t. Hauptzollamt Mainz, arrest van 25 mei 1978) — door de Commissie in de uitoefening van de haar toekomende ruime discretionaire bevoegdheid met inachtneming van alle relevante economische factoren. De Commissie achtte destijds bescherming van Duitse wijnen van de soorten A II en A III — maar dan ook uitsluitend van de onder deze wijnsoorten vallende wijnen af versneden wijnen — nog noodzakelijk. Welke wijnen dat waren, diende, zoals gezegd, op basis van de beginselen der wijn- en prijzenregeling te worden vastgesteld. Deze regeling kan gezien haar zakelijke rechtvaardigingsgronden niet discriminerend zijn.
IV —
Ik concludeer mitsdien dat de vragen van het Bundesfinanzhof als volgt worden beantwoord:
1.
Tot de wijnsoort A II in de zin van artikel 2, sub b), van verordening (EEG) nr. 945/70 van de Raad behoren ook wijnen die uit een mengsel van de wijnsoorten A II en A I bestaan. In hoeverre het karakter van een dergelijke versneden wijn nog wordt bepaald door de wijnsoort A II, werd tot de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 2133/74 van de Raad vastgesteld aan de hand van de nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot wijn, in casu § 8 van de Duitse „Weinverordnung” van 15 juli 1971 waarin bijmenging van 25 % andersoortige wijnen werd toegelaten.
2.
Een evenredige toekenning van monetaire compensatie voor versneden wijn van de wijnsoort A II is niet mogelijk.
3.
Ten processe is niet gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening (EEG) nr. 2448/75 van de Commissie.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy