CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 7 MAART 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De zaak waarin ik thans concludeer, is op 3 april 1978 krachtens de artikelen 175 en 178 van het EEG-Verdrag door de Nederlandse firma Granaria aanhangig gemaakt. In deze zaak tekent zich een verdere ontwikkeling af van een situatie waarover ons Hof zich reeds heeft uitgesproken, en wel in het arrest van 19 oktober 1977, gewezen in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77 (Jurispr. 1977, blz. 1753).
Ik zou eerst een ogenblik bij de feiten willen stilstaan. Als fabrikante van quellmehl was Granaria van 1972 tot 1974 in het genot geweest van de produktierestituties als bedoeld in artikel 11, lid 1, van verordening 120/67 van de Raad van 13 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen. Er kwam een einde aan op 1 augustus 1974, datum van inwerkingtreding van 's Raads verordening 1125/74 van 29 april 1974, waarbij genoemd artikel 11 werd vervangen door een nieuwe bepaling, waarin alleen voor de produktie van quellstärke (quellzetmeel), maar niet langer voor quellmehl een restitutie werd voorzien. De intrekking van de gemeenschapssteun voor laatstgenoemd produkt gaf aanleiding tot een geding bij het Finanzgericht te Hamburg dat, na verwijzing naar uw Hof, tot uw voormeld prejudicieel arrest van 19 oktober 1977 leidde. Het Hof verklaarde genoemd artikel 11, zoals het in 1974 was komen te luiden, onverenigbaar met het gelijkheidsbeginsel, voor zover het leidde „tot een verschil in behandeling van quellmehl en quellstärke met betrekking tot de restitutie bij de produktie voor maïs die voor de vervaardiging van die twee produkten wordt gebruikt”. Het Hof sprak voorts uit dat het „aan de ter zake van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bevoegde instellingen [staat] de nodige maatregelen te nemen om die onverenigbaarheid op te heffen.”
Na die uitspraak wendde Granaria zich op 30 januari 1978 schriftelijk tot de Raad en de Commissie met verzoek haar met ingang van 1 augustus 1974 de produktierestituties voor het door haar gefabriceerde quellmehl uit te betalen, terwijl zij van de beide instellingen voorts verlangde dat zij jegens haar hun aansprakelijkheid zouden erkennen voor alle schade welke zij voor de intrekking van de hierbedoelde gemeenschapssteun had geleden. Toen er vervolgens twee maanden waren verstreken zonder dat tot de gevraagde maatregelen was overgegaan, heeft Granaria het onderhavige beroep ingesteld.
Krachtens artikel 175 van het EEG-Verdrag heeft zij het Hof verzocht vast te stellen dat de Raad (en/of de Commissie) wederrechtelijk heeft nagelaten de gevraagde maatregelen te nemen. Subsidiair, namelijk voor het geval het Hof uit het stilzwijgen van de beide instellingen mocht afleiden dat zij het verzoek stilzwijgend hebben afgewezen, vorderde Granaria de vernietiging van die besluiten. Kennelijk wil verzoekster met deze tweeledige vordering een uitspraak uitlokken krachtens welke de Gemeenschap verplicht zal zijn haar met ingang van 1 augustus 1974 restituties voor het door haar gefabriceerde quellmehl te betalen. Ten slotte heeft Granaria krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het EEG-Verdrag gevorderd dat de Gemeenschap zal worden veroordeeld de schade, haar door de beide instellingen — door intrekking van de restituties bij de produktie van quellmehl — veroorzaakt, te vergoeden. Verzoekster behield zich het recht voor later nader op de schadeomvang in te gaan.
Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat de Raad na de indiening van het beroep, en wel op 22 mei 1978, verordeningen 1125 en 1127/78 heeft vastgesteld, waarbij de restituties bij de produktie van voor de broodbakkerij bestemd quellmehl — doch niet bij die van quellmehl gebruikt bij de fabricage van veevoeder — wederom zijn ingevoerd. De restituties kunnen worden verleend met ingang van 19 oktober 1977 (ofwel de datum waarop het Hof voormeld arrest heeft gewezen), doch niet over het tijdvak 1 augustus 1974 — 19 oktober 1977.
2.
De beide gedaagde instellingen beroepen zich ten exceptieve op niet-ontvankelijkheid van punt 1 van het petitum, omdat Granaria de in artikel 175 van het EEG-Verdrag gestelde voorwaarden niet zou hebben vervuld. Volgens dat artikel kan ieder natuurlijk persoon, na de Commissie of de Raad behoorlijk in gebreke te hebben gesteld, zich bij het Hof van Justitie beklagen over het feit dat de instellingen hebben „nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies.” Nu het Hof in zijn voormeld arrest, gewezen in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77, verordening 1125/74 van de Raad niet onrechtsgeldig had verklaard — zodat de vroegere regeling van artikel 11 van verordening 120/67 niet kon herleven —, hadden Raad en Commissie, indien zij Granaria's verzoek hadden willen inwilligen en haar over de tijd na 1 augustus 1974 restituties hadden willen uitkeren, niet rechtsgeldig een individueel besluit van die strekking kunnen nemen. Slechts door wijziging van de situatie rechtens, dat wil zeggen door de vaststelling van een nieuwe verordening, had aan Granaria's verlangens kunnen worden voldaan; het uitblijven van een verordening zou evenwel niet — in de zin van artikel 175 — door de betrokken natuurlijke of rechtspersoon kunnen worden aangevochten. In ieder geval zou dus, afgezien van de mogelijkheid van een nieuwe algemene regeling, een voor Granaria gunstige beslissing ook op het beginsel ener gelijke behandeling hebben moeten afsluiten, want anders zou Granaria ten onrechte bij andere quellmehlfabrikanten zijn voorgetrokken.
Verzoekster brengt hiertegen in, dat het haar alleen maar begonnen was om een individueel besluit, waarbij haar restituties zouden zijn toegekend voor na 1 augustus 1974 door haar gefabriceerd quellmehl. Op die restituties meent zij, uitgaande van de veronderstelling dat 's Hofs voormeld arrest in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77 de aan verordening 1125/74 anterieure rechtstoestand heeft doen herleven, aanspraak te mogen maken: 's Hofs uitspraak dat die verordening met het gelijkheidsbeginsel niet te verenigen viel, betekende dat zij ex tunc buiten werking trad, waarmede de wijziging van artikel 11 van verordening 120/67 kwam te vervallen.
Ik acht deze opvatting onjuist.
In de elfde rechtsoverweging van voornoemd arrest van 19 oktober 1977 is met zoveel woorden verklaard dat de vastgestelde onwettigheid van verordening 1125/74 niet per se een ongeldigverklaring inhield. Het Hof heeft zich daarbij door drie overwegingen laten leiden. In de eerste plaats (r.o. 12) lag de vastgestelde schending van het gelijkheidsbeginsel veeleer in een omissie dan in een bepaling van verordening 1125/74 besloten: in artikel 5 der verordening heeft men de quellmehlrestituties niet met zoveel woorden geschrapt, doch de oude tekst van artikel 11 van verordening 120/67 vervangen door een nieuwe, waarin niet langer van het produkt werd gerept. In de tweede plaats (r.o. 13) was er, om deze onwettigheid weg te nemen meer nodig dan „een uitspraak van het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 177, waarbij de litigieuze bepaling … ongeldig zou worden verklaard.” Ofschoon mijns inziens niet vooruitlopend op een beslissing inzake het moeilijke probleem in hoeverre een prejudiciële uitspraak geschikt is de gevolgen van nietrechtsgeldig verklaarde algemene handelingen erga omnes weg te nemen, houdt deze passage stellig in dat de onwettigheid niet reeds is verholpen wanneer de gevolgen der onwettige handeling zijn opgeheven. De bevoegde communautaire instellingen behoren dan opnieuw maatregelen te nemen; en de derde reden om die weg te bewandelen is dat „er verscheidene mogelijkheden bestaan om weer tot de gelijke behandeling van de twee betrokken produkten te komen en de eventueel aan belanghebbenden berokkende schade te herstellen, en het aan de ter zake van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bevoegde instellingen staat om na beoordeling van de relevante economische en politieke factoren een keuze uit die mogelijkheden te maken” (r.o. 13, in fine).
In zijn arrest van 19 oktober 1977 heeft het Hof er zich dus voor gewacht aan de onwettigheid der verordening haar ongeldigverklaring — i.e. haar ongeldigheid ex tunc — te verbinden. Dit laatste had ik in mijn conclusie in de zaken 117/76 en 16/77 (vgl. Jurispr. 1977, blz. 1773) bepleit, ofschoon ik in ieder geval maatregelen van de Raad noodzakelijk heb geacht „ter bepaling van de modaliteiten en het bedrag van de produktierestitutie voor de quellmehlproducenten gedurende het tijdvak vanaf de inwerkingtreding van verordening 1125/74 …”; het Hof heeft evenwel gemeend de taak maatregelen te treffen om de door de verordening geschapen onrechtmatige situatie te verhelpen, geheel op de Raad te moeten afwentelen. En het verdient opmerking dat ook de door het Hof gebezigde bewoordingen — betreffende de onverenigbaarheid van de door artikel 5 van verordening 1125/74 geschapen rechtstoestand met het gelijkheidsbeginsel — erop wijzen dat er niet één enkele bepaling op het spel stond en dat de zaak met het ongedaan maken van de gevolgen en het automatisch doen herleven van de eerder bestaande rechtstoestand niet was afgedaan, doch dat de communautaire instellingen dienden te worden verplicht om, wat de quellmehlrestituties betreft, de gehele situatie opnieuw te bezien en algemene maatregelen — in de lijn van het geschonden beginsel — te nemen.
In principe behoeft er wel nauwelijks aan te worden herinnerd dat de onrechtmatigheid van een — tegen een hogere rechtsregel indruisend — besluit niet noodzakelijkerwijze medebrengt dat het ophoudt te gelden. De onrechtmatigheid kan worden verholpen, wanneer hetzelfde gezagsorgaan dat het onrechtmatig besluit had genomen een nader besluit neemt, teneinde een situatie te scheppen welke zich wel met de hogere rechtsregel verdraagt — onverminderd de eventuele aansprakelijkheid voor schaden, door de onrechtmatige handeling veroorzaakt —. Nu verordening 1125/74 door het Hof niet ongeldig werd verklaard, behoeft er niet te worden gediscussieerd over de vraag of aan een prejudiciële uitspraak waarin zulk een ongeldigverklaring wel voorkomt, dezelfde gevolgen verbonden zijn als aan een uitspraak houdende nietigverklaring, en ook niet over de vraag of zo'n uitspraak kan worden ingeroepen door een particulier die buiten het geding stond waarin de prejudiciële uitspraak werd gedaan.
Ik geloof dat het er op grond van een en ander voor mag worden gehouden, dat Granaria niet gerechtigd was van Commissie en Raad maatregelen te verlangen waarbij haar met ingang van 1 augustus 1974 restituties werden toegekend, zodat het uitblijven van die maatregelen niet als schending van het gemeenschapsrecht is te beschouwen (noch ook als strijdig met het dictum van het arrest van 19 oktober 1977). Dit brengt evenwel mede dat het beroep „wegens stilzitten” der instellingen ongegrond — en niet: niet-ontvankelijk — moet worden verklaard. Voor de ontvankelijkheid van het beroep was het voldoende dat artikel 175, derde alinea, werd nageleefd — dat wil zeggen dat betrokkene, alvorens de zaak aanhangig te maken, aan de instellingen om een bepaalde maatregel te zijnen aanzien had verzocht, zoals in casu is geschied —. Dat de instellingen tot het treffen van zo'n maatregel niet bevoegd waren en — in de lijn van het reeds meermaal aangehaalde arrest — een algemene voorziening moesten treffen, regardeert de zaak ten principale en niet de ontvankelijkheid; en de stelling dat betrokkene in wezen om een verordening vroeg, omdat zijn bedoeling alleen op die manier te realiseren was, houdt een miskenning in van het feit dat hij in werkelijkheid om een individueel besluit gevraagd heeft. De op artikel 175 van het EEG-Verdrag gebaseerde vordering zal mijns inziens dan ook ontvankelijk, doch ongegrond moeten worden verklaard.
3.
In financieel opzicht wenst zij met haar op de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het EEG-Verdrag berustende (niet-contractuele) aansprakelijkheidsactie hetzelfde te bereiken als met haar beroep wegens „stilzitten”, namelijk de betaling van een som, overeenkomende met het bedrag van de restituties waarop zij in voormelde brief van 30 januari 1978 reeds aanspraak maakte, vermeerderd met moratoire interessen.
Ook hier beroepen de gedaagde instellingen zich ten exceptieve op niet-ontvankelijkheid. In de eerste plaats zou de vordering, nu daarin de aard en het bedrag der schade niet vermeld zijn en ook nergens blijkt van een causale verhouding tussen de handeling van de Raad en de schade, niet voldoen aan artikel 38, § 1, van het Reglement voor de procesvoering.
Dat het juiste bedrag der schade niet is vermeld, leidt mijns inziens nog niet tot niet-ontvankelijkheid van een schadeactie, vooral niet wanneer de verzoekende partij — als in casu — stelt dat bedrag nog niet te kunnen preciseren, omdat verweerders het bedrag der restituties — waarop Granaria's aanspraak maakt — nog niet hebben vastgesteld.
Volgens artikel 38, § 1, c, moet het verzoekschrift het onderwerp van geschil bevatten; en verzoekster heeft het onderwerp van geschil vermeld door het bedrag te vorderen dat haar aan restituties over het sedert 1 augustus 1974 door haar gefabriceerde quellmehl zou zijn toegekomen. Bedoeld bedrag zou moeten worden bepaald met inaanmerkingneming van het beginsel ener gelijke behandeling ten opzichte van quellstärke, en eventueel met de moratoire interessen moeten worden verhoogd. Het komt mij voor dat verzoekster met deze gegevens het onderwerp van geschil — met het oog op haar ontvankelijkheid — voldoende duidelijk heeft omschreven, temeer waar ons Hof in zijn ten deze gewezen uitspraken niet in formalistische richting koerst (vgl. het arrest van 14 mei 1975, gewezen in de zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533, met name r.o. 2-5).
Mocht de causaliteit tussen de handeling van de Raad en de schade niet voldoende boven water komen, dan raakt dat de zaak ten principale en niet de ontvankelijkheid.
Een nadere niet-ontvankelijkheidsgrond acht de Commissie gelegen in de omstandigheid dat ten titel van schadevergoeding het bedrag der niet ontvangen restituties wordt gevorderd. De Commissie beroept zich hier op het arrest van 15 juni 1976, eveneens gewezen in de zaak 74/74, CNTA (Jurispr. 1976, blz. 797). Ik wijs er evenwel op, dat het Hof in dat geval van een gelijkstelling van de voor vergoeding in aanmerking komende schade met het bedrag der ingetrokken monetaire compenserende bedragen niet heeft willen weten om een speciale reden: betrokkene had in zijn eigen nationale munt kunnen betalen en daarmede ieder koersrisico — waartegen zulke importen de ondernemer moesten beschermen — kunnen uitsluiten. Ik meen dan ook niet dat er aan het arrest van 15 juni 1976 algemene en ook in casu geldende criteria ter beoordeling van de ontvankelijkheid van schadeacties kunnen worden afgelezen.
4.
Nog een ander aspect van de door de Commissie opgeworpen vraag moet evenwel worden besproken, namelijk of verzoekster voor dit Hof — langs de weg van een aansprakelijkheidsactie — betaling mag verlangen van de restituties waarop zij in het bestek van het communautaire systeem aanspraak maakt. Het lijdt geen twijfel dat men zulke aanspraken normaliter slechts jegens de nationale bestuursorganen geldend kan maken, eventueel door het instellen van een procedure voor de nationale rechter, geroepen de wettigheid van de besluiten van zulk een bestuursorgaan te beoordelen. Het Hof heeft dan ook beroepen krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag, steeds niet-ontvankelijk verklaard wanneer de verlangde schadeloosstelling werd gevorderd in de plaats van een in het gemeenschapsrecht voorziene uitkering die de verzoeker van de nationale overheid mocht verlangen.
In zoverre werd met name het beginsel bevestigd, dat de naar nationaal recht openstaande beroepsweg ten einde toe moet zijn bewandeld.
In de zaak Haegemann, 96/71, had verzoekster gevorderd dat de Gemeenschap zou worden veroordeeld haar te vergoeden het bedrag van een communautaire invoerbelasting, krachtens een door haar onrechtmatig geachte bepaling voor rekening van de Gemeenschap geheven door de nationale douane. In zijn arrest van 25 oktober 1972 (Jurispr. 1972, blz. 1005) verwierp het Hof, zonder op een beoordeling van de zaak ten gronde te zijn ingegaan, het beroep op grond van de overweging dat „de vraag van een eventuele aansprakelijkheid der Gemeenschap in de eerste plaats verband houdt met die van de wettigheid van de inning der litigieuze heffing”, terwijl „in het kader van de betrekkingen tussen particulieren en de belastingautoriteit die tot de litigieuze heffing is overgegaan” laatstbedoelde vraag „onder de bevoegdheid van de nationale rechter valt”. „In het huidige stadium” meende het Hof derhalve het verzoek om schadevergoeding te moeten verwerpen (r.o. 17). De ontvankelijkheid schijnt dus vooral te zijn afgestuit op het feit dat niet alle naar nationaal recht openstaande mogelijkheden waren benut om de eventuele onwettigheid van de gemeenschapsrechtelijke bepaling die de schade zou hebben veroorzaakt, te doen vaststellen.
In latere uitspraken van het Hof ging het er ook om te voorkomen dat langs de weg van een voor het Hof ingestelde schadeactie van de communautaire instellingen een prestatie werd verlangd waarvan de nationale gezagsorganen zich mogelijkerwijze — krachtens het gemeenschapsrecht — hadden te kwijten. Het ligt ten duidelijkste besloten in het arrest van 27 januari 1976, gewezen in de zaak 46/75, IBC/Commissie (Jurispr. 1976, blz. 65) alsook in dat van 2 maart 1978, gewezen in de gevoegde zaken 12, 18 en 21/77, Debayser e.a. (Jurispr. 1978, blz. 553). In deze laatste zaak verklaarde het Hof een vordering krachtens de artikelen 178 en 215 van het EEG-Verdrag niet-ontvankelijk, omdat zijn „in hoofdzaak … gericht [was] tegen maatregelen welke de nationale autoriteiten hebben genomen krachtens de bepalingen van het gemeenschapsrecht …”
Maar het interessantst voor de onderhavige zaak is wel de vraag naar de ontvankelijkheid van acties tot vergoeding van schaden, ontstaan door de toepassing, door nationale gezagsorganen gegeven aan onwettig geachte communautaire bepalingen, verzoeken die er in de regel toe strekken van Commissie of Raad een uitkering te verkrijgen gelijkwaardig aan die welke betrokkenen zouden hebben ontvangen indien de onwettige bepaling niet zou zijn vastgesteld.
Het traditionele standpunt dat het Hof ten deze inneemt, komt tot uitdrukking in de arresten van 2 december 1971, gewezen in de zaak 5/71, Zuckerfabrik Schöppenstedt, Jurispr. 1971, blz. 975; 13 juni 1972, gewezen in de zaken 9 en 11/71, Compagnie d'Approvisionnement, Jurispr. 1972, blz. 392; 24 oktober 1973, gewezen in de zaak 43/72, Merkur, Jurispr. 1973, blz. 1056; 2 juli 1974, gewezen in de zaak Holtz & Willemsen, Jurispr. 1974, blz. 676; 14 mei 1975, gewezen in de zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 534; 10 december 1975, gewezen in de gevoegde zaken 95-98/74, 15 en 100/75, Coopératives Agricoles de Céréales, Jurispr. 1975, blz. 1615).
In al die arresten heeft het Hof de beroepen ontvankelijk verklaard, zonder te verlangen dat eerst de naar nationaal recht openstaande middelen moesten zijn uitgeput. Dit vindt mijns inziens zijn verklaring in het feit dat het ging om gevallen waarin betrokkene, ook al mocht hij de nationale rechter hebben doen vaststellen dat de communautaire maatregelen welke hem schade berokkenden, onrechtmatig waren, van de nationale overheid de geclaimde uitkering niettemin niet had kunnen verlangen zolang een ingrijpen van de communautaire wetgever achterwege bleef. Daarentegen heeft het Hof in een geval waarin men in het eigen land satisfactie had kunnen verkrijgen van ontvankelijkheid van een ex artikel 215 ingestelde schadeactie niet willen weten. Om die reden werd bijvoorbeeld afwijzend beschikt op het beroep van de Grands Moulins des Antilles (arrest van 26 november 1975, gewezen in de zaak 99/74, Jurispr. 1975, blz. 1531).
Mijns inziens is het Hof ten deze consequent gebleven, ondanks het feit dat het in zijn arrest van 17 maart 1976, gewezen in de gevoegde zaken 67-85/75, Lesieur Cotelle et Associés (Jurispr. 1976, blz. 391), een ogenschijnlijk enigszins afwijkend standpunt heeft ingenomen. In die zaak wilde men de Gemeenschap doen opkomen voor een schade, door de verzoekers beweerdelijk geleden als gevolg van het feit dat in een verordening van de Commissie bepaalde monetaire compenserende bedragen waren ingetrokken. Het Hof achtte de beroepen niet-ontvankelijk, voor zover zij de in een aan de inwerkingtreding van die verordening voorafgegane periode gevraagde en verleende prefixaties betroffen, omdat „verzoeksters in die gevallen in staat waren de beweerde schendingen van een aantal in het Verdrag en het afgeleide recht gegeven regels ter bescherming van de onderdanen van de Gemeenschap aan de bevoegde nationale rechter voor te leggen.” (r.o. 16). Niet wel valt in te zien dat verzoeksters er mee gebaat zouden zijn geweest, indien de nationale rechter de eventuele onwettigheid had vastgesteld van de verordening die aan de schadeveroorzakende nationale besluiten ten grondslag had gelegen. Nochtans meen ik, dat aan het aangehaalde arrest niet kan worden afgelezen dat het Hof, zonder daarvoor overwegingen van algemene aard te hebben aangevoerd, zou hebben willen hebben afwijken van de eerder ingeslagen koers, die redelijkheid en praktijk mee had.
Laat ons thans de maatstaven welke aan de heersende jurisprudentie kunnen worden afgelezen, op het onderhavige geval toepassen. Wij zagen dat ons Hof, in het arrest gewezen in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77, de onwettigheid heeft uitgesproken van de rechtstoestand die door artikel 5 van verordening 1125/74 in het leven was geroepen, doch anderzijds — door de verordening niet ongeldig te verklaren en de communautaire instellingen de keuze te laten van de middelen waarmede de onrechtmatige situatie moest worden verholpen — duidelijk de mogelijkheid heeft uitgesloten dat de eerdere regeling automatisch zou herleven. Daarom was het de nationale overheid, ook na dat arrest, niet mogelijk aan betrokkenen de restituties wegens de produktie van quellmehl over de op 1 augustus 1974 ingegane periode uit te keren: evenals het geval was in de meeste zaken waarop de vele genoemde arresten betrekking hadden, ontbrak het (althans op het tijdstip van de indiening van het beroepschrift) aan de nodige communautaire regelen op grond waarvan de nationale overheid zich tot de verlangde prestaties gemachtigd had mogen rekenen. Om de voor haar nadelige gevolgen van het onrechtmatig handelen der Gemeenschap ongedaan gemaakt te krijgen, bleef verzoekster dan ook geen ander middel over dan een schadeactie krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea.
De ontvankelijkheid van zulk een beroep kan niet worden uitgesloten op grond van de omstandigheid dat verzoekster niet eerst alle haar naar nationaal recht openstaande middelen heeft aangewend; het is wel duidelijk dat zij daarmede niets zou hebben bereikt. Het lijkt mij derhalve niet relevant dat de schadevordering materieel samenvalt met de inhoud van het door verzoekster primair ingeroepen recht, dat haar door de — reeds onrechtmatig verklaarde — communautaire regeling werd ontzegd.
5.
Ten principale zal de schadeactie evenwel moeten worden afgewezen, omdat niet voldaan is aan een wezenlijke voorwaarde, die vervuld moet zijn, wil de Gemeenschap voor als gevolg van haar handelen ingetreden schaden aansprakelijk kunnen worden gesteld, namelijk dat door dat handelen een eigen recht van degene die schadevergoeding vordert, is geschonden. Het lijdt geen twijfel dat verzoekster, zonder verordening 1125/74, ononderbroken de restituties wegens de fabricage van quellmehl zou zijn blijven ontvangen. Maar het feit dat dit voordeel aan Granaria kwam te ontvallen, is nog niet voldoende om de Gemeenschap te verplichten haar wegens het derven van dit voordeel schadeloos te stellen, want het enkele feit dat de verordening een andere regeling bracht, houdt nog niet in dat zij een recht van die onderneming heeft geschonden.
Blijkens de achtste en negende rechtsoverweging van het in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77 gewezen arrest heeft het Hof alleen ten aanzien van quellmehl bestemd voor de „specifieke aanwending waarvoor het van oudsher wordt gebruikt”, dat wil zeggen voor menselijke voeding, vastgesteld dat het beginsel dat een gelijke behandeling verlangt, is geschonden. Ten processe was door Raad en Commissie betoogd dat de afschaffing van de restitutie voor quellmehl haar rechtvaardiging vond in het feit dat grote hoeveelheden aan een bijzondere bestemming op het gebied van de menselijke voeding waren onttrokken en als diervoeder verkocht. Het Hof achtte dit kennelijk van belang en verzocht de Commissie het gebruik van quellmehl voor dierlijke voeding te bewijzen; de Commissie was daartoe evenwel niet in staat. In zijn arrest van 19 oktober 1977 sprak het Hof uit dat „aangenomen zelfs dat zodanig gebruik werkelijk had kunnen worden vastgesteld — en dat gesubsidieerd zetmeel nooit op die wijze was gebruikt —, dit ten hoogste grond had kunnen opleveren voor de afschaffing van de restitutie met betrekking tot de aldus gebruikte hoeveelheden, en niet met betrekking tot de hoeveelheden van het produkt die op het gebied van de menselijke voeding worden aangewend.” Kennelijk is dus, anders dan verzoekster schijnt aan te nemen, in bedoeld arrest het beginsel ener gelijke behandeling alleen geschonden geacht voor zover de restitutie werd afgeschaft voor de produktie van het voor menselijke voeding gebruikte quellmehl.
De beide verweerders hebben in casu betoogd dat de quellmehlproduktie van de firma Granaria voor dierlijke voeding bestemd is. Verzoekster heeft hiertegen ingebracht dat zij niet weet welke bestemming haar afnemers aan de hierbedoelde waar geven. Zij heeft dus niet het — onontbeerlijke — bewijs geleverd dat het door haar vervaardigde quellmehl voor menselijke voeding bestemd is.
Aan haar schadeclaim — ten belope van het bedrag der restituties — heeft de firma Granaria gedurende de gehele schriftelijke behandeling de onjuiste veronderstelling ten grondslag gelegd dat de vóór verordening 1125/74 bestaande regeling zou zijn herleefd. Pas ten verhore heeft zij de mogelijkheid van een schending van het gelijkheidsbeginsel óók voor quellmehl voor dierlijk voedsel in haar overwegingen betrokken en betoogd dat ook maïszetmeel, waarvoor wel restituties worden betaald, voor dierlijk voedsel zou worden gebruikt. Die simpele en geheel onbewezen bewering is door de Commissie evenwel zonder voorbehoud van de hand gewezen: maïszetmeel zou te duur zijn om voor de vervaardiging van veevoeders te worden gebruikt. Het enige voor dierlijk voedsel gebruikte zetmeel is volgens de Commissie zetmeel gewonnen uit goedkope graansoorten, zoals tapioca, maar niet zetmeel van maïs. Op dit verweer van de Commissie is verzoekster niet ingegaan en tot staving van haar tijdens de mondelinge behandeling — tardief — voorgedragen stelling heeft zij geen enkel bewijs geleverd.
6.
Ik concludeer, dat het Hof de vordering van de firma Granaria dd. 3 april 1978 — wat beide onderdelen van het petitum betreft — ongegrond zal verklaren en haar in de op het geding gevallen kosten zal verwijzen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy