CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 24 JANUARI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (verordening nr. 805/68 — PB 1968 L 148 van 28 juni 1968, blz. 24) bracht — in het belang van de concurrentiepositie, van de verwerkende industrieën van de Gemeenschap en hun bevoorrading met bevroren vlees een speciale invoerregeling — geheel of gedeeltelijke schorsing van de heffing bij invoer uit derde landen — Aanvankelijk kon men op grond van deze regeling voor conservering als corned beef bestemd vlees zonder betaling van een heffing — en zonder dat er te dien aanzien kwantitatieve beperkingen golden — invoeren. Voor vlees dat ter vervaardiging van andere produkten bestemd was, werd de heffing geheel of gedeeltelijk geschorst, in het kader van de hoeveelheden die in een op ramingen berustende balans moesten worden vastgesteld; hadden de bij de interventiebureaus opgeslagen voorraden een zekere omvang bereikt, dan kon de schorsing van de aankoop van bepaalde hoeveelheden interventievlees afhankelijk worden gesteld.
In het jaar 1974 dwong een crisis-achtige marktsituatie — op de markt van de Gemeenschap vormden zich grote overschotten — tot beschermende maatregelen, die ook voor de genoemde geprivilegieerde importen golden. Tot 1 april 1977 bleef het daarbij.
In 1977 werden — ter bescherming van de gemeenschappelijke markt — de voorschriften voor de handel met derde landen, alsook het speciale, voor bevroren vlees verwerkende industrieën geldende, invoerregime wezenlijk gewijzigd. In artikel 14, lid 1, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 425/77 van 14 februari 1977 (PB 1977 L 61 van 5 maart 1977, blz. 1), is nu onder a) een gehele schorsing van de heffing voorzien „voor vlees, bestemd voor de vervaardiging van conserven, dat geen andere kenmerkende bestanddelen omvat dan rundvlees en gelei” (corned beef), en onder b) een gehele of gedeeltelijke schorsing van de heffing voor vlees, bestemd voor de verwerkende industrie ter vervaardiging van andere produkten. De Raad stelt daartoe jaarlijks vóór 1 december een op ramingen berustende balans op betreffende vlees dat in het kader van de speciale regeling kan worden ingevoerd, in welke balans de hoeveelheden vlees naar gelang van voormelde bestemmingen worden gespecificeerd. Voorts wordt in artikel 14, lid 3, het volgende bepaald:
„Voor vlees, bedoeld in lid 1 :
a)
wordt de invoer met volledige of gedeeltelijke schorsing van de heffing afhankelijk gesteld van de overlegging van een invoercertificaat dat is afgegeven binnen de grenzen van de per kwartaal vastgestelde hoeveelheden;
b)
kan de invoer met volledige schorsing van de heffing, voor zover noodzakelijk, afhankelijk worden gesteld van het overleggen van een overeenkomst, betrekking hebbende op de aankoop van bevroren vlees in het bezit van een interventiebureau”.
Naar luid van artikel 14, lid 4, worden volgens de procedure van artikel 27 vastgesteld :
„a)
elk kwartaal, de hoeveelheden die mogen worden ingevoerd, afzonderlijk voor vlees, bedoeld in lid 1, sub a en b, alsmede het percentage van de schorsing van de heffing voor vlees bedoeld in lid 1, sub b;
b)
de verhouding tussen de hoeveelheden die mogen worden ingevoerd en de hoeveelheden waarop de in lid 3, sub b, bedoelde koopovereenkomsten betrekking hebben”.
Uitvoeringsvoorschriften zijn in verschillende verordeningen van de Commissie te vinden. Zo geeft de bij verordeningen nrs. 1384/77 (PB 1977 L 157 van 28 juni 1977, blz. 16) en 2901/77 (PB 1977 L 338 van 28 december 1977, blz. 9) gewijzigde verordening nr. 585/77 inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector rundvlees (PB 1977 L 75 van 23 maart 1977, blz. 5) een omschrijving van de categorie dergenen die tot het aanvragen van certificaten gerechtigd zijn, alsook voorschriften over de verplichting tot verwerking van het geïmporteerde vlees. In artikel 11 bis wordt, voorzover ten deze van belang, het navolgende bepaald:
„1. Voor de toepassing van de in artikel 14, lid 3, sub b, van verordening (EEG) nr. 805/68 bedoelde bijzondere invoerregeling, gelden de volgende voorschriften :
a)
aan elke certificaataanvraag of aan de door dezelfde belanghebbende ingediende certificaataanvragen moet het origineel zijn toegevoegd van het koopcontract voor bevroren rundvlees uit interventievoorraden, dat in het kwartaal waarin de aanvraag is ingediend overeenkomstig het bepaalde in verordening (EEG) nr. 2900/77 werd afgesloten, alsmede het bewijs dat de in genoemd contract vermelde koopprijs betaald is; …
…
2. De certificaataanvragen zijn slechts ontvankelijk, indien:
a)
de aanvrager een natuurlijk of rechtspersoon is die sedert minstens twaalf maanden een beroep uitoefent in de vee- en vleessector en ingeschreven is in een openbaar register van een Lid-Staat;
b)
in het in artikel 9 bedoelde geval, de aanvrager ten genoegen van de bevoegde instanties van de Lid-Staat waar de aanvraag wordt ingediend, het bewijs levert dat de vervaardiging van de conserven in het in de aanvraag vermelde bedrijf de goedkeuring van het hoofd van dat bedrijf heeft gekregen.
…
5. Bij de indiening van de certificaataanvragen verbindt de aanvrager zich er schriftelijk toe in de Lid-Staat welke in de verbintenis is aangegeven en waar de produkten ter verbruike zullen worden ingeklaard, naar gelang van het geval over te gaan, of onder zijn verantwoordelijkheid te doen overgaan tot
a)
de verwerking als bedoeld in artikel 14, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 805/68;
b)
de verwerking als bedoeld in artikel 14, lid 1, sub b, van genoemde verordening.
…”
Uit verordening nr. 597/77 van de Commissie (PB 1977 L 76 van 24 maart 1977, blz. 1) „houdende uitvoeringsbepalingen inzake de bijzondere invoerregeling voor bepaalde soorten voor verwerking bestemd bevroren rundvlees” zij gewezen op artikel 2, volgens hetwelk het bepaalde in artikel 14, lid 3, sub b, van verordening nr. 805/68 kan worden toegepast, wanneer wordt geconstateerd dat de hoeveelheden bevroren vlees in voorraad bij een interventiebureau 10000 ton overschrijden of vermoedelijk zullen overschrijden. Vermelding verdient ook verordening nr. 2900/77 van de Comissie, houdende de bepalingen betreffende de verkoop van rundvlees dat in het bezit is van de interventiebureaus ten einde de invoer, met totale schorsing van de heffing, van bevroren rundvlees bestemd voor de verwerking mogelijk te maken (PB 1977 L 338 van 28 december 1977, blz. 6). Volgens artikel 1 van die verordening
„1. moet, voor invoer met volledige schorsing van de heffing als bedoeld in artikel 14, lid 3, sub b, van verordening (EEG) nr. 805/68 … een overeenkomstig het bepaalde in deze verordening gesloten koopcontract voor bevroren vlees uit interventievoorraden worden overgelegd;
2. vindt, de verkoop … plaats via openbare inschrijvingen overeenkomstig verordening (EEG) nr. 216/69 en met name de artikelen 6 tot en met 14 daarvan”.
In artikel 2 wordt het volgende bepaald :
„1. Uiterlijk op de datum van bekendmaking van de eerste bijzondere inschrijving wordt een algemeen bericht van openbare inschrijving gepubliceerd.
2. Op grond van de inschrijvingsregeling houden de interventiebureaus ieder kwartaal een bijzondere inschrijving
…”
Volgens artikel 3 van deze verordening kunnen offertes de eerste maal uitsluitend van 20 tot 30 januari 1978 worden ingediend; de offertes moeten betrekking hebben op een totale hoeveelheid van minstens 5 en hoogstens 100 ton. Volgens artikel 4 verstrekken de Lid-Staten de achttiende dag van elk kwartaal (voor het eerst op 6 februari 1978) een lijst van de inschrijvers en van de hoeveelheden produkt waarvoor offertes zijn ingediend. Ten slotte kunnen er volgens artikel 5, naar gelang van de bestemming van het vlees, uiteenlopende minimumprijzen worden vastgesteld.
De in artikel 14 van verordening nr. 805/68 bedoelde op ramingen berustende balans van de Raad „betreffende voor de verwerkende industrie bestemd rundvlees voor het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 1978” werd geplaatst in het Publikatieblad van 23 december 1977 (L 330, blz. 30). Volgens die balans moest voor het jaar 1978 van een geraamd tekort van 50000 ton vlees voor verwerking worden uitgegaan. „In het licht van de ervaring verworven in 1977” werd deze hoeveelheid aldus verdeeld, dat „a) 20000 ton vlees, bestemd voor de vervaardiging van conserven die geen andere kenmerkende bestanddelen bevatten dan rundvlees en gelei, onder de gehele schorsing van de heffing en b) 30000 ton vlees, bestemd voor de verwerkende industrie ter vervaardiging van andere produkten dan de sub a) bedoelde conserven, onder een gehele of gedeeltelijke schorsing van de heffing valt”.
Een „algemeen bericht inzake periodieke inschrijvingen voor de verkoop van bevroren rundvlees dat in het bezit is van de interventiebureaus ten einde de invoer, met totale schorsing van de heffing van bevroren rundvlees voor de verwerking mogelijk te maken” werd geplaatst in het Publikatieblad van 13 januari 1978 (C 11, blz. 16). Het bericht geeft de „juridische grondslag” voor de verkoop, alsook de mededeling dat de produkten aan de meestbiedende worden verkocht. Voorts is onder 6 b) het volgende bepaald :
„Indien de geboden prijs lager is dan de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde minimumprijs, wordt het bod afgewezen”,
en onder 6 d) :
„Iedere inschrijver wordt door het interventiebureau onverwijld in kennis gesteld van het resultaat van zijn deelneming aan de inschrijving . .”
Op bladzijde 34 van hetzelfde nummer van het Publikatieblad vinden wij „bericht van inschrijving It. P 1 — Verordening (EEG) nr. 2900/77” betreffende de verkoop van bepaalde hoeveelheden bevroren rundvlees, met been, uit de voorraad van het Italiaanse interventiebureau”, waarin onder meer de door het Italiaanse interventiebureau te verkopen hoeveelheid rundvlees is aangegeven.
Aan de inschrijving werd deelgenomen door verzoekster, de firma Simmenthal, een sinds 1923 bestaande, in de vervaardiging van corned beef gespecialiseerde conservenfabriek, die volgens haar eigen opgaven per jaar gemiddeld 20000 ton rundvlees verwerkt. Zij kwam evenwel niet aan bod, omdat de door haar geboden prijs lag beneden het minimum, dat door de Commissie in een beschikking van 15 februari 1978 (PB 1978 L 69, blz. 36) was vastgesteld — met vermelding van de hoeveelheid rundvlees welke in het eerste kwartaal von 1978 ten hoogste mocht worden ingevoerd —. Verzoekster werd hiervan in een brief van het Italiaanse interventiebureau AIMA dd 23 februari 1978 in kennis gesteld.
Verzoekster acht de beschikking der Commissie — en het eraan ten grondslag liggend systeem — in meer dan een opzicht onrechtmatig en wendde zich op 13 april 1978 tot het Hof van Justitie. Aanvankelijk vorderde zij de nietigverklaring van een hele reeks rechtshandelingen, te weten
—
de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978,
—
inschrijving „It. P 1 — verordening (EEG) nr. 2900/77”,
—
het algemeen bericht inzake periodieke inschrijvingen voor de verkoop van bevroren rundvlees dat in het bezit is van de interventiebureaus ten einde de invoer, met totale schorsing van de heffing van bevroren rundvlees voor de verwerking mogelijk te maken,
—
verordening nr. 585/77, en wel met name artikel 11 dier verordening, zoals bij verordening nr. 1384/77 gewijzigd, alsook het bij verordening nr. 2901/77 ingelaste artikel 11 a,
—
verordening nr. 2900/77 en
—
verordening nr. 2901/77, voor zover zij de volledige schorsing der heffing in het kader van de bijzondere invoerregeling voor bevroren rundvlees betreft.
Enige dagen na de indiening van haar beroepschrift heeft zij haar vordering in die zin gecorrigeerd, dat zij genoemde rechtshandelingen thans wenst te zien ingetrokken of niet-toepasselijk verklaard; bij repliek lichtte zij haar bedoeling in die zin toe, dat zij alleen om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978 vraagt, welke nietigverklaring dan — overeenkomstig artikel 184 van het EEG-Verdrag — tot niet-toepasselijkheid van de in het beroepschrift genoemde rechtshandelingen behoort te leiden.
Ik meen ten deze als volgt mijn standpunt te moeten bepalen :
I — De ontvankelijkheid
Zoals U weet, heeft de Commissie de ontvankelijkheid van het beroep om meer dan een reden aangevochten.
1.
Voor zover verzoekster aanvankelijk niet alleen nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978, doch ook van een aantal andere rechtshandelingen van algemene strekking vorderde, zou het beroep, naar door de Commissie terecht is betoogd, inderdaad niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, en wel zulks om de eenvoudige reden dat — van het rechtskarakter der handelingen afgezien — de beroepstermijnen verstreken waren, ook al mocht men de termijnen wegens afstand erbij willen opstellen.
Men bedenke evenwel dat voormelde correctie enkele dagen na de indiening van het beroepschrift en — voor zover de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978 betreft — nog binnen de beroepstermijn heeft plaats gehad. Verzoekster heeft — in kort geding en bij repliekverklaard dat het haar alleen om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978 begonnen is, terwijl zij de verder genoemde rechtshandelingen alleen maar niet-toepasselijk wenst te zien verklaard. Op deze verklaring valt mijns inziens niets af te dingen. Wij zullen ons dus aan de bij repliek gekozen formulering van het petitum moeten houden — en nagaan of er gronden tot niet-ontvankelijkverklaring van dat petitum bestaan —.
2.
Dit kan zeker niet worden gezegd van de vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978, althans niet voor zover men zich beperkt tot de vragen of de beroepstermijn werd geëerbiedigd en of verzoekster door die beschikking rechtstreeks en individueel werd geraakt.
Met betrekking tot het eerste punt behoeft slechts te worden te rade gegaan met de data waarop de beschikking werd genomen en gepubliceerd — 15 februari 1978 en 11 maart 1978 —, waarnaast kan worden volstaan met de vaststelling dat het beroep op 13 april 1978 bij het Hof van Justitie aanhangig werd gemaakt. Met betrekking tot het tweede punt kunnen wij volstaan met een verwijzing naar de sub factis weergegeven gang van zaken. De offertes naar aanleiding van de in het Publikatieblad van 13 januari 1978 aangekondigde inschrijving moesten uiterlijk op 30 januari 1978 worden ingediend. De belangrijkste gegevens — naam van de bieder, hoeveelheid en prijs — werden vervolgens aan de Commissie medegedeeld. De Commissie bepaalde dan op grond van alle offertes de minimumprijzen en de hoeveelheden in te voeren rundvlees. Daarmede stond vast dat offertes beneden het niveau van de minimumprijs, zoals die van verzoekster, niet in aanmerking kwamen en dat er aan zulke bieders geen invoercertificaten konden worden verstrekt. Ook als was deze beschikking volgens haar artikel 3 tot de Lid-Staten gericht, buiten twijfel staat dat verzoekster er, omdat men de Lid-Staten geen enkele speelruimte had ingeruimd, rechtstreeks door werd geraakt. Zij is echter ook individueel geraakt, immers de beschikking gold alleen voor gegadigden die tijdig hadden geboden, dat wil zeggen voor een gesloten kring van te individualiseren personen, waarvan de omvang ten deze niet ter zake doet. Meer hoeft hierover, gezien de door verzoekster aangehaalde jurisprudentie niet te worden gezegd. Met name het arrest, gewezen in de zaken 41 t/m 44/70 (NV International Food Company e.a. tegen Commissie, arrest van 13 mei 1971, Jurispr. 1971, blz. 411) is te dien aanzien volkomen duidelijk. Ook in die zaak waren er beschermende maatregelen — bij invoer van tafelappelen — genomen en moesten er voor een bepaalde datum invoercertificaten worden aangevraagd, waarvan de Commissie vervolgens in kennis werd gesteld om, op grond van de marktsituatie en de ingediende aanvragen in aanmerking genomen, over de maximaal toelaatbare importen te beslissen. Waar het Hof van Justitie destijds, op grond van het feit dat, toen de Commissie haar beschikking nam, het aantal aanvragen vaststond, terwijl de Lid-Staten in de beschikking geen speelruimte was gelaten, de verzoekers, die ook certificaten hadden aangevraagd, individueel en rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 173 van het EEG-Verdrag — heeft geacht, zal in casu natuurlijk hetzelfde moeten gelden.
3.
Het is de Commissie met haar excepties dan ook in feite om iets anders begonnen. In de eerste plaats is zij van mening, dat verzoekster bij nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978 geen belang heeft. Verzoekster zou met zodanige nietigverklaring niet zijn gebaat, omdat op toewijzingen die reeds werden afgewikkeld, niet kan worden teruggekomen en offertes waarop niet werd ingegaan „zonder voorwerp” zijn geraakt als de inschrijving achter de rug is. De Commissie betoogt voorts dat het verzoekster alleen om bestrijding van voormelde algemene rechtshandelingen, dat wil zeggen om een wijziging van het bijzondere invoerregime, gaat. Dienaangaande meent zij evenwel enerzijds te moeten opmerken dat verzoekster in geen geval een niettoepasselijkheid van genoemde voorschriften inhoudende uitspraak kan uitlokken; immers artikel 184 van het EEG-Verdrag opent geen zelfstandige beroepsweg, doch maakt het alleen mogelijk om zich in een aanhangig geding — accessoir — te bedienen van middelen, ontleend aan de algemene rechtshandelingen die aan een individueel besluit ten grondslag liggen. Anderzijds zou er zonder meer van misbruik van procesrecht mogen worden gesproken, nu verzoekster — met ontduiking van artikel 173, dat haar het recht onthoudt algemene verordeningen rechtstreeks aan te vechten — zulke verordeningen nochtans met behulp van artikel 184 op de korrel wil nemen, terwijl zij bovendien niet zozeer voor persoonlijke belangen als wel voor die van de verwerkende industrie opkomt. Ten slotte zou — afgezien nog van de mogelijkheid rechtsbescherming te zoeken in een geding voor de nationale rechter, dat dan via artikel 177 van het EEG-Verdrag de gelegenheid tot een ruimere, meer efficiënte toetsing van gemeenschapsrechtelijke voorschriften zou bieden — moeten worden gezegd dat verzoekster ook bij een bestrijding van genoemde algemene rechtshandelingen geen voor bescherming in aanmerking komend belang heeft: met nietigverklaring van de bijzondere invoerregeling zou zij niet gebaat zijn, terwijl langs processuele weg ook geen concrete instructies betreffende de vorm van handelspolitieke beslissingen kunnen worden gegeven, zodat zij in de toekomst niet de zekerheid zou hebben dat zij over haar importen geen heffingen heeft te betalen.
Ik zou over deze excepties het volgende willen zeggen.
a)
De stelling dat verzoekster bij nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978 geen belang zou hebben omdat het effect dier beschikking nadat de eerste inschrijving is afgewikkeld, niet ongedaan kan worden gemaakt en van een herhaling dier inschrijving, wederom met deelneming van verzoekster, geen sprake kan zijn, overtuigt mij geenszins. Als men zulke factoren in zijn overwegingen zou betrekken, zou beroep tegen zulke beschikkingen nimmer mogelijk zijn, hetgeen onaanvaardbaar ware. Men dient betrokkenen dan ook de mogelijkheid te bieden hun procesbelang op andere wijze te staven. Te denken valt bij voorbeeld aan schadevergoedingsacties, waarover verzoekster evenwel, in aanmerking genomen haar geringe kans na de eerste inschrijving, niets zegt. Of men zou eenvoudig genoegen moeten nemen met het feit dat met verdere dergelijke inschrijvingen te rekenen valt, hetgeen in zulk een voor langere duur opgezet en periodiek toegepast systeem stellig het geval is.
b)
Irrelevant voor de beoordeling der gemeenschapsrechtelijkeberoepsmogelijkheden zijn stellig ook eventuele beroepsmogelijkheden naar nationaal recht — en daarmede samenhangende prejudiciële procedures ex artikel 177 van het EEG-Verdrag —.
Het communautaire rechtsbeschermingsstelsel is zonder enige twijfel autonoom; de mogelijkheden welke het biedt dienen dan ook alleen aan het gemeenschapsrecht te worden getoetst. Niets in het Verdrag wijst erop dat hier ten opzichte van de door het nationale recht geboden bescherming een soort subsidiariteitsprincipe zou moeten gelden. Een dergelijk beginsel zou ook op de allergrootste bezwaren moeten afstuiten. Want ofwel het zou medebrengen dat uw Hof ook over nationale beroepsmogelijkheden zou hebben te oordelen of nationaal recht zou moeten uitleggen — een dikwijls hachelijke opgave —. Ofwel — indien men daar niet aan zou willen — zou er bij gerezen twijfel eerst nationaalrechtelijk naar klaarheid moeten worden gestreefd — zodat dit Hof eerst zou kunnen worden geadieerd wanneer, wellicht geuime tijd later, definitief blijkt dat beroepsmogelijkheden naar nationaal recht inderdaad ontbreken. Dat van het een noch van het ander sprake kan zijn, lijkt mij zonder meer duidelijk. De ten processe gestelde vraag of AIMA's antwoord van 23 februari 1978 had kunnen worden aangevochten dan wel of de onderhavige problematiek op andere wijze, bij voorbeeld langs de weg van beroep tegen de heffingsaanslagen, tot inzet van een nationaal geding had kunnen worden gemaakt, behoeft dan ook niet verder te worden besproken. Wel wil ik in dit verband nog zeggen dat ik geheel kan meegaan met hetgeen verzoekster en de vertegenwoordigers van de Italiaanse regering — met verwijzing naar de jurisprudentie van de Italiaanse Raad van State — hebben gezegd over de mogelijkheid om door AIMA in verband met de inschrijving verrichte handelingen, uitsluitend bestaande in de mededeling van de gevolgen ener op communautair niveau getroffen discretionaire beslissing, voor een Italiaanse rechterlijke instantie aan te vechten.
c)
Gaan wij van de ontvankelijkheid van een tegen de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978 ingesteld beroep uit, dan staat daarmee echter in principe vast, dat de algemene aan de beschikking ten grondslag liggende rechtshandelingen en verordeningen mochten worden gewraakt. Dat men zich kennelijk allereerst tegen de algemene regeling keert, wil niet zeggen dat er van misbruik van procesrecht mag worden gesproken dan wel dat het verzoekster aan procesbelang zou ontbreken.
Terecht heeft verzoekster in dit verband — met een beroep op de jurisprudentie — betoogd dat wanneer in een bestreden beschikking een algemene regel rechtstreeks tot toepassing komt, een ten exceptieve gedaan beroep op de onrechtmatigheid van die algemene regel aan een algemeen rechtsbeginsel beantwoordt. Men denke slechts aan de arresten, gewezen in de zaken 9/56 (Meroni & Co., Industrie Metallurgiche, tegen Hoge Autoriteit van de EGKS, arrest van 13 juni 1958, Jurispr. 1958, blz. 9), 15/57 (Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse tegen Hoge Autoriteit van de EGKS, arrest van 13 juni 1958, blz. 167), 18/62 (Emilia Barge tegen Hoge Autoriteit van de EGKS, arrest van 16 december 1963, Jurispr. 1963, blz. 555) en 32/65 (Regering van de Italiaanse Republiek tegen Raad en Commissie van de Europese Gemeenschappen, arrest van 13 juli 1966, Jurispr. 1966, blz. 580). Anderzijds dient men te bedenken dat wie zulk een exceptie — die niet anders dan een bijzondere beroepsgrond is — opwerpt, niet speciaal behoeft te bewijzen dat hij er belang bij heeft (vgl. het arrest in de zaken 41 tot en met 44/70). Anders zou er inderdaad van een onbegrijpelijke discriminatie moeten worden gesproken, in die zin dat er in zaken die langs de weg van rechtstreeks beroep aanhangig worden gemaakt minder „kan” dan in prejudiciële procedures, uit nationale gedingen resulterend; en wij weten dat in een prejudiciële procedure, ook wanneer er naar de rechtsgeldigheid van algemene regelingen gevraagd wordt, niet wordt nagegaan of zulk een toetsing met het oog op het voor de nationale rechter gevoerde geding werkelijk nodig is.
Bovendien kan ook werkelijk niet worden gezegd dat verzoekster bij een toetsing van de genoemde algemene rechtshandelingen en vaststelling hunner niettoepasselijkheid geen belang heeft. Het is er immers geenszins om begonnen het gehele systeem van „geprivilegieerde” importen te ondergraven, er wordt alleen maar kritiek op bepaalde toepassingsmodaliteiten uitgeoefend. Mocht die kritiek gegrond blijken, dan is een wijziging als door verzoekster gewenst zeer wel mogelijk. Daarentegen denkt niemand eraan in zodanig geval de hele invoerregeling — waarvan de principiële noodzaak in artikel 4 van verordening nr. 805/68 met het oog op het effect van de gemeenschappelijke marktordening en het GATT-invoerregime op de verwerkende industrie erkend werd — te doen kelderen.
d)
Geen der tot nu toe besproken gronden blijkt dus tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek te kunnen leiden; de enige vraag die in dit verband nog moet worden besproken, is of de vaststelling van de niet-toepasselijkheid van een of meer der hierbedoelde verordeningen eventueel in het dictum van het arrest kan geschieden. Met de Commissie zullen wij die vraag ontkennend moeten beantwoorden, immers bij de exceptie van onrechtmatigheid van algemene rechtshandelingen hebben wij slechts met een bijzonder soort beroepsgrond te maken. Dat wil evenwel geenszins zeggen, dat het beroep — dat op zulk een in het dictum te treffen vaststelling gericht schijnt — niet ontvankelijk dient te worden verklaard; hoogstens kan uw Hof aanleiding vinden om in zijn arrest — op de plaats welke zich daar uws inziens het meest voor leent — de consequenties te bespreken die aan de keuze van een dergelijke beroepsgrond zijn verbonden.
II — De zaak ten principale
Wij kunnen dan thans overgaan tot een bespreking der grieven, en het lijkt mij het beste eerst de aan het materiële recht ontleende bezwaren te bespreken die verzoekster tegen de bestreden beschikking — en tegen het systeem dat die beschikking mogelijk maakte — heeft ingebracht, om pas daarna de gestelde vormen procedurefouten te behandelen.
1.
Verzoekster maakt vooral bezwaar tegen de omschrijving van de categorie dergenen die tot het bijzondere, aan het afnemen van interventievlees gekoppelde, invoerregime zijn toegelaten. Doordat men zich niet beperkt heeft tot de verwerkende industrie — waarvoor de bijzondere regeling bij invoer bedoeld was —, terwijl ook niet bepaald werd dat het bij de interventiebureaus te betrekken vlees moest worden verwerkt, zou de vleesverwerkende industrie, die eigenlijk moest worden begunstigd, in het nadeel zijn gebracht. Deze uitbreiding van de kring der deelnemers heeft er ook toe geleid dat iedere bieder zich slechts zeer beperkte hoeveelheden zag toegewezen. Het ware volgens verzoekster juister de regeling tot de verwerkende industrie c.q. de begunstiging van de verwerkende industrie te beperken en, uitgaande van het bestaande goederenverkeer, het beschikbare vlees met inachtneming van de verwerkingscapaciteit der ondernemingen te verdelen. Een verdere grief van verzoekster — die in samenhang met haar kritiek ten aanzien van de kring der deelnemers moet worden bezien — is dat de Commissie zich ten onrechte vooral zou hebben laten leiden door de offertes van handelaren die ten dele uit puur speculatieve overwegingen inschrijven — en zo tot te hoge minimumprijzen zou zijn gekomen —. Op die manier zou zij het doel van de bijzondere regeling bij invoer — het scheppen van gunstige voorwaarden voor de bevoorrading van de verwerkende industrie met vlees uit derde landen — hebben miskend. Volgens verzoekster dient men ervan uit te gaan, dat het voordeel van de vrijstelling der heffing door te hoge minimumprijzen zogoed als ongedaan gemaakt wordt, en in ieder geval zou men het doel van de begunstiging van de verwerkende industrie al te zeer uit het oog hebben verloren en in de eerste plaats op het afbouwen van de interventievoorraden bedacht zijn geweest, waardoor nadelen die eigenlijk ten algemene laste hadden moeten komen, op de verwerkende industrie werden afgewenteld. Ten slotte zou het ook niet door de beugel kunnen dat de Commissie voor de verschillende Lid-Staten ongelijke minimumprijzen heeft vastgesteld, hetgeen tegen de gedachte van de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht zou indruisen.
a)
In verband met deze grieven zij om te beginnen opgemerkt, dat het beginsel van de hierbedoelde regeling — het koppelen van voordelige importen uit derde landen aan de afname van interventievlees — door verzoekster niet wordt aangevochten. Een andere houding zou ook, gezien de rundvleesoverschotten in de Gemeenschap, waar naar wij vernamen begin 1978 450000 ton lag opgeslagen, nauwelijks te begrijpen geweest zijn.
Wie dit beginsel evenwel aanvaardt, neemt de beperkingen van geprivilegieerde importen op de koop toe en erkent daarmede de noodzaak het verlenen van invoerfaciliteiten van bepaalde, in het algemeen belang gestelde voorwaarden (tegenprestaties) afhankelijk te stellen. Dat het orgaan der Gemeenschap bij afweging van het een tegen het ander over een ruime mate van discretionaire bevoegdheden beschikt, is zonneklaar. Het is a priori geenszins uitgesloten dat men, van die bevoegdheden gebruik makende, op grond van een afweging van alle omstandigheden en met name de marktsituatie in aanmerking genomen, tot drastische beperkingen der importprivileges heeft moeten overgaan. In zodanig geval zal bij de beoordeling van de vraag of men de verwerkende industrie voldoende recht deed wedervaren, ook in aanmerking moeten worden genomen dat zij, in het kader van het hele systeem, ook belangrijke andere voordelen geniet. Men denke bij voorbeeld aan van heffingen vrijgestelde importen in het kader van de GATT-douanecontingenten, of aan de op produkten uit de ACP-landen toegepaste invoerquota. Ook het verstrekken van subsidies wegens opslag bij particulieren dient hier te worden vermeld, en niet te vergeten speciale verkopen van interventievlees tegen gereduceerde prijzen, juist aan de verwerkende industrie, zoals die bij voorbeeld in november 1977 en in augustus 1978 hebben plaatsgevonden, waarbij de Italiaanse verwerkende industrie 4000 respectievelijk 3000 ton tegen de bijzonder voordelige prijs van 950 r.e. per ton kon afnemen.
b)
Dan is er het probleem van de omschrijving van de kring dergenen die tot de hierbedoelde bijzondere campagne werden toegelaten. De Commissie wees, zoals bekend, op het beginsel, in artikel 7 van verordening nr. 805/68 opgesteld voor de afzet van door de interventiebureaus opgekochte produkten, volgens hetwelk moet worden gewaarborgd dat „allen gelijke toegang tot deze produkten hebben en dat de kopers op voet van gelijkheid worden behandeld”. Volgens verzoekster had men er evenwel in de eerste plaats op bedacht moeten zijn geweest dat er aan de verwerkende industrie voordelen werden ingeruimd. Dat zou, indien men niet ten nadele van de industrieën had willen discrimineren, hebben betekend dat men ook alleen aan haar gedacht had. Daarmee zou ook niet zijn gezondigd tegen het door de Commissie ter sprake gebrachte beginsel. Een authentieke uitlegging van dat beginsel zou worden geleverd door verordening nr. 98/68 (zoals zij sinds verordening nr. 429/77 — PB 1977 L 61 van 5 maart 1977, blz. 18 — luidt). Volgens die verordening mag er — volgens objectieve criteria — stellig worden gedifferentieerd, en met name zou er — ook bij de hierbedoelde koppeling — van de regel mogen worden afgeweken wanneer het gaat om de afzet van produkten waaraan verordening nr. 2902/77 — een bepaalde bestemming is toegedacht. Voorts zou van belang zijn, dat men in het kader van een soortgelijk bijzonder invoerregime (de invoer van jonge mannelijke mestrunderen overeenkomstig artikel 13 van verordening nr. 805/68 —, anders dan in verordening nr. 2900/77, waarin in feite aan de handel een voorrangspositie wordt ingeruimd, de belangen der fokkers duidelijk heeft doen prevaleren.
Ik zou er met betrekking tot dit punt van geschil allereerst op willen wijzen dat het laatste argument stellig faalt, omdat het voor jongvee geldende invoerregime tot een gehele of gedeeltelijke schorsing van de heffing beperkt blijft (artikel 13 van verordening nr. 805/68, zoals het is komen te luiden sinds verordening nr. 425/77 — PB 1977 L 61 van 5 maart 1977, blz. 1) en geen koppeling met de afname van interventievlees, als in artikel 14 van verordening nr. 805/68 voorzien, inhoudt.
Ik houd mij er voorts van overtuigd dat de regeling niet tot de verwerkende industrie beperkt kon blijven, omdat het om de import van vlees gaat en veel verwerkende industrieën — ook in Italië, tenminste de kleinere — niet rechtstreeks, doch via de handel importeren. Zulke belanghebbenden zouden volgens de door verzoekster gewenste regeling niet aan hun trekken zijn gekomen — en dat ware stellig discriminerend —, immers volgens artikel 11 van verordening nr. 585/77, zoals zij is komen te luiden sinds verordening nr. 1384/77 is het verstrekken van invoercertificaten aan zulke belanghebbenden en overdracht aan importeurs niet mogelijk.
Voorts dient te worden bedacht, dat een koppeling als bedoeld in artikel 14 van verordening nr. 805/68 — bij gebreke van duidelijke restricties — zonder meer geoorloofd is; van heffingen vrijgestelde importen kunnen dan ook niet slechts worden gekoppeld aan de afzet van interventievlees dat zich slechts voor verwerking leent, doch ook met die van interventievlees tout court, maar dat wil zeggen ook van interventievlees dat voor de algemene consumptie bestemd is. In casu heeft men kennelijk zijn keuze op deze tweede mogelijkheid bepaald. Het ligt besloten in een uitlating van verzoekster, volgens welke het niet om interventievlees voor de verwerkende industrie zou gaan. In dezelfde richting wijst ook de reeds genoemde geraamde balans van de Raad van 13 december 1977, die aan de inschrijving van januari 1978 ten grondslag lag. Daarin werd de behoefte van de verwerkende industrie gesteld tegenover de in de Gemeenschap beschikbare hoeveelheid, zoals die onder meer uit de bij bureaus en particulieren opgeslagen voorraden, douanecontingenten en importen uit ACP-staten resulteert. Komt men zo tot een deficit van 50000 ton voor de verwerkende industrie, dat de noodzaak van bijzondere importen medebrengt, dan kan dat alleen maar betekenen dat men het niet nodig heeft geacht het aan die invoer gekoppelde interventievlees ook voor de verwerkende industrie te reserveren. Als het evenwel om een dergelijke koppeling gaat, kan natuurlijk niet — zoals verzoekster wil — worden verlangd dat het betrokken interventievlees wordt verwerkt. Precies zo zinloos is het dan de afzet van zulk vlees te reserveren voor de verwerkende industrie, die op die manier nolens volens de haar niet passende rol van handelaar zou moeten spelen. Veel voor de hand liggender is het dan het accent op het in artikel 7 van verordening nr. 805/68 verankerde beginsel te leggen en alle belanghebbenden op voet van gelijkheid tot deelneming in staat te stellen, zoals de Commissie ook heeft gedaan.
Dat aan de Commissie niet kan worden verweten dat zij haar discretionaire bevoegdheden heeft misbruikt, blijkt ten overvloede uit het feit dat er in werkelijkheid niet van een volkomen gelijke behandeling van alle belanghebbenden kan worden gesproken en dat men de geprivilegieerde positie van de verwerkende industrie zeker recht deed wedervaren. Er was namelijk op passende wijze voor gezorgd, dat andere tot de geprivilegieerde importen toegelaten belanghebbenden aan het ingevoerde vlees de eraan toegedachte bestemming, industriële verwerking, gaven. Ik herinner in dit verband aan artikel 9 van verordening nr. 585/77, zoals het is komen te luiden sinds verordening nr. 1384/77, volgens hetwelk in het certificaat moet worden aangegeven in welk bedrijf de conservering plaatsvindt, terwijl de aanvrager zich volgens artikel 11 moet verplichten de vervaardiging van de conserven zelf — of onder zijn verantwoording — te doen geschieden en heeft te bewijzen dat de conserven in het bedrijf dat in de aanvraag werd vermeld, door de in dat bedrijf verantwoordelijke zijn goedgekeurd. Gewezen zij voorts op het overeenkomstig geredigeerde artikel 11 a, dat bij verordening nr. 2901/77 in verordening nr. 585/77 werd opgenomen.
Het gaat dan ook niet aan te zeggen dat de regeling slechts als rechtmatig ware te beschouwen, indien zij aan verzoekster's voorstellingen zou hebben beantwoord. Juist omdat zij zowel het beginsel dat betrokkenen op voet van gelijkheid tot afname van interventievlees in staat moeten worden gesteld als het beginsel dat begunstiging van de verwerkende industrie verlangt gelijkelijk recht doet wedervaren, moet de regeling in overeenstemming met de regels betreffende de marktorganisatie voor rundvlees — en geenszins in strijd met het discriminatieverbod — worden geacht.
c)
Vervolgens zal moeten worden nagegaan, of het in principe in aanmerking nemen van de aanbodsprijzen en van de op grond daarvan vastgestelde minimumprijzen, alsook het aanhouden van een en hetzelfde maximum voor alle inschrijvers, terecht werden gewraakt. Men had er volgens verzoekster beter aan gedaan de beschikbare hoeveelheid naar rato van de capaciteit der verwerkende industrieën te verdelen. Ook vraagt het systeem haars inziens om prijzen op of omstreeks het niveau van de wereldmarktprijzen. Daarvan zou echter geen sprake kunnen zijn wanneer alle mogelijke offertes in aanmerking worden genomen, namelijk die van verwerkende industrieën die zich om redenen van „diversificatie” of vanwege de door hen vervaardigde produkten voor geringere kosten geplaatst zien, alsook die van andere belanghebbenden, die interventievlees op voor hen voordelige voorwaarden aan de detailhandel kwijt kunnen en importvlees met aanzienlijke winst aan de verwerkende industrie verkopen.
Ik zou met betrekking tot deze problematiek willen opmerken, dat de opvatting volgens welke de beschikbare hoeveelheid naar rato van de capaciteit der verwerkende industrieën zou moeten worden opgedeeld, kennelijk berust op de — onjuist gebleken — gedachte dat het bijzondere invoerregime er alleen voor de verwerkende industrie zou zijn. De Commissie heeft voorts met klem van redenen betoogd dat ook bij een beperking tot de verwerkende industrie, zeer ernstige moeilijkheden, met de bepaling van de verwerkingscapaciteiten verband houdende, niet zouden zijn uitgebleven. Gezien de aanwezigheid van grotere bedrijven in andere Lid-Staten, zou dit bovendien — ten detrimente van het evenwicht tussen de regio's — juist tot benadeling van de kleinere Italiaanse ondernemingen leiden.
Het gaat, wat de wijze van prijsvaststelling betreft, kennelijk niet aan te zeggen dat de prijzen in het algemeen die op de wereldmarkt behoren te benaderen. Dit desideratum is, wat importvlees betreft, juist en bij inschakeling van handelaren en berekening van een passende marge ook in hoofdzaak bereikbaar, immers de plicht tot verwerking doet de industrie een sterke positie innemen en maakt dat de importeurs geen overdreven eisen kunnen stellen. Het geldt evenwel niet voor het — niet per se voor verwerking bestemde — interventievlees. Dan mag er zeker op worden toegezien dat de prijs een bepaald niveau bereikt. Dit is om te beginnen gerechtvaardigd met het oog op het belang van de interventiebureaus, dat via het koppelingssysteem tot gelding kan komen. Anderzijds dient men te bedenken, dat een „atomisering” der beschikbare hoeveelheden als in 1977 door toepassing van een ander regime jammer genoeg was ingetreden, slechts kan worden voorkomen wanneer men de hoogste biedingen in aanmerking neemt.
Opmerking verdient in dit verband ook, dat niet valt in te zien waarom slechts handelaren voor interventievlees dat niet a priori voor verwerking is bestemd, hogere prijzen kunnen maken. Er is niets tegen dat verwerkende indstrieën bij inschrijving zich overeenkomstig gedragen — zodat de overneming van interventievlees hun geen verlies berokkent —.
Op grond van een en ander kan ook de beperking der per bieder toe te wijzen hoeveelheden moeilijk als onrechtmatig worden aangemerkt. Zonder zulk een beperking zou het beschikbare vlees grotendeels gaan naar de economisch sterkere ondernemingen, die tot de hogere offertes in staat zijn. Gelet op het belang van een evenwichtige verdeling, is een beperking als hierbedoeld dan ook stellig als passend en gerechtvaardigd te beschouwen.
d)
Het is nu nog maar de vraag of er in casu te hoge minimumprijzen zijn vastgesteld, zodat het voordeel dat de verwerkende industrie bij het bijzondere invoerregime had, vrijwel opgeheven of al te zeer beperkt werd. Voorts moet worden nagegaan of de Commissie terecht wordt verweten dat zij voor de onderscheiden Lid-Staten verschillende minimumprijzen heeft vastgesteld.
Verzoekster heeft zich er, wat de prijsvaststelling betreft, op beroepen dat de prijzen op de wereldmarkt destijds bij ± 900 r.e. per ton lagen, terwijl interventierundvlees voor ongeveer 1300 r.e per ton kon worden afgenomen, maar de door de Commissie vastgestelde minimumprijs 1600 r.e. per ton bedroeg. Zij vergeet dan echter om te beginnen, dat interventierundvlees niet behoefde te worden verwerkt, maar door de verwerkende industrie zo goed als door de handelaren ook voordelig op de markt kon worden afgezet. Er bestaat dus geen enkele reden om uit de prijs voor interventievlees, zoals die bij inschrijving tot stand komt, en uit de prijs voor importvlees een gemiddelde inkoopsprijs voor tot verwerking bestemd vlees te construeren. Anderzijds dient, zelfs wanneer men van verwerking van het uit de interventievoorraden te betrekken rundvlees uitgaat, te worden bedacht dat tegenover het betrokken quantum — dat, zoals bekend, ten hoogste 100 ton bedroeg — in den regel — ik herinner aan verzoeksters verklaring dat ze vóór 1974 uit derde lande jaarlijks ongeveeer 10000 ton importeerde — een veel grotere hoeveelheid importvlees staat, dat eventueel, want in zoverre bestaat er wel een verwerkingsplicht, door andere inschrijvers, die niet zelf tot verwerking overgaan, extra aangekocht wordt. Berekent men dan evenwel de aankoopsprijzen, dan kon wel eens blijken dat de transactie voor de betrokken verwerkers, die de heffing van ruim 1000 r.e. per ton niet behoeven te betalen, zelfs wanneer men de handelsmarge in zijn berekening verdisconteert — maar dat zij normaliter bij 20 % ligt, werd ons niet bewezen —, ook bij aankoop van een geringe hoeveelheid interventievlees tegen een prijs die ± 300 r.e. per ton boven de normale aankoopsprijs van interventievlees ligt, nog altijd zo voordelig uitpakt, dat het niet aangaat te stellen dat de bedoeling hen met behulp van de bijzondere invoerregeling te begunstigen, al te zeer uit het oog werd verloren.
Met betrekking tot de vaststelling van gedifferentieerde minimumprijzen voor de onderscheiden Lid-Staten zij er allereerst op gewezen dat die prijzen, omdat voor Italië het laagste niveau werd aangehouden, juist tot een begunstiging van Italiaanse ondernemingen hebben geleid. Bovendien heeft de Commissie aangetoond, dat dit beleid objectief gerechtvaardigd was en dat er derhalve niet aan discriminatie mag worden gedacht. Zo gelden er reeds van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillende interventieprijzen, er moeten kwalitatieve verschillen in aanmerking worden genomen en er dient op de verschillende markt- en mededingingsomstandigheden te worden gelet, factoren welke in de Lid-Staten ook de normale verkoopsprijzen voor interventievlees niet uniform doet zijn. Zou hiermede geen rekening zijn gehouden en zou men bij de inschrijving niet in aanmerking hebben genomen dat de marge tussen de minimumprijs en de normale verkoopsprijs voor interventievlees in de verschillende Lid-Staten ongeveer dezelfde is — in Italië was zij zelfs kleiner dan in andere Lid-Staten —, dan zou het evenwicht tussen de verschillende regio's verstoord zijn en dat zou juist voor Italiaanse afnemers, met gegadigden uit andere Lid-Staten vergeleken, een kwantitatief nadeel hebben opgeleverd. Maar voor de stelling dat er aanleiding zou hebben bestaan de minimumprijzen voor Italië op een nog lager niveau vast te stellen, zijn ten processe geen klemmende argumenten voorgedragen. In werkelijkheid zou bedoeld evenwicht ten nadele van de andere Lid-Staten ernstig verstoord zijn, en vooral omdat er dan voor de andere Lid-Staten minder was overgebleven, hadden er voor die Lid-Staten nog hogere minimumprijzen moeten worden vastgesteld.
e)
Op grond van een en ander concludeer ik dat de door verzoekster tegen het systeem ingebrachte grief — discriminatie en miskenning van het evenredigheidsbeginsel — evenzeer faalt als de overeenkomstige grief welke zij met betrekking tot de rechtstreeks bestreden beschikking heeft voorgedragen.
2.
Daarmee ben ik toegekomen aan verzoeksters bezwaar tegen de gevolgde procedure. Het beginsel dat de administratie zich onpartijdig heeft te gedragen, bracht haars inziens mede dat er voor anonymiteit der offertes moest worden gezorgd; men had dus dezelfde weg moeten bewandelen die in richtlijn nr. 71/305 voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken werd aangegeven. Maar zowel de nationale administratie — wier vertegenwoordigers ook in het comité zitten- als de Commissie was van de namen der bieders en hun offertes op de hoogte, waardoor men er bij de vaststelling van minimumprijzen en hoeveelheden voor kon zorgen dat ongewenste bieders werden uitgesloten.
Al dadelijk zij echter opgemerkt dat het systeem waarin — volgens artikel 3 van verordening nr. 2900/77 — de mogelijkheid dat een onderneming in de verschillende Lid-Staten meermalen aan bod komt, in het belang van een juiste verdeling wordt uitgesloten, medebrengt dat de namen der inschrijvers ter kennis van de Commissie — die de nodige controles heeft te verrichten — moeten komen. Bovendien kregen wij uit hetgeen wij ten processe vernamen de indruk dat de procedure een correct verloop heeft gehad, in zoverre dat er twee lijsten blijken te zijn opgesteld, een lijst waarin de offertes zonder vermelding van namen naar omvang werden vermeld, en een andere lijst waarin de bieders in alfabetische volgorde waren opgesomd. Mocht echter bovendien — via de vertegenwoordigers van de nationale overheden in het comité — werkelijk bekend zijn geworden „welke bieders welke biedingen hebben gedaan”, dan kan daartegen al evenmin principieel bezwaar worden gemaakt. Van gevaar van manipulatie door de Commissie is in feite niet gebleken; kennelijk heeft zij zich in haar beschikking vooral door objective criteria — de hoogte der biedingen en een voor alle Lid-Staten ongeveer even grote marge ten opzichte van de normale verkoopsprijzen van interventievlees — laten leiden.
Dat er geen bijzondere maatregelen zijn genomen ter verzekering van de anonymiteit der biedingen, zoals die verzoekster voor ogen staat, behoort dan ook mijns inziens geen aanleiding te geven de bestreden beschikking nietig te verklaren.
3.
Wij zullen thans nog moeten spreken over verzoeksters grief dat de aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende verordeningen en algemene besluiten, alsook de beschikking zelf niet behoorlijk met redenen zouden zijn omkleed. Waar in de basisverordening nr. 805/68, zonder vastlegging der desbetreffende criteria, slechts gerept werd van de mogelijkheid de toelating tot importen met vrijstelling van de heffing van het betrekken van vlees van de interventiebureaus afhankelijk te stellen, terwijl in verordening nr. 597/77 voor zulk een koppeling slechts een minimumbestand aan interventievoorraden werd vastgesteld, had haars inziens het communautaire besluit waarbij voor 1968 zulk een koppeling voor het eerst werd bevolen, nadere desbetreffende voorschriften moeten bevatten. Met name had de omvang der interventievoorraden en die van de voor industriële verwerking geschikte partijen als bedoeld in artikel 9 van verordening nr. 1896/73 (PB 1973 L 193 van 14 juli 1973, blz. 18) moeten worden gepreciseerd, terwijl ook nader had moeten worden ingegaan op de verhouding tussen de import-„massa's” en de bij de interventiebureaus te betrekken voorraden — die in de bijlage bij verordening nr. 2901/77 is vastgelegd —. Ook meent zij dat in de bestreden beschikking, waarin de import-„massa” en de minimumprijzen zijn vastgelegd, had moeten zijn aangegeven welke factoren bij de bepaling der minimumprijzen in aanmerking worden genomen — en wel zulks afzonderlijk voor de verschillende verwerkingsregimes en de onderscheiden Lid-Staten. Last but not least had haars inziens moeten worden gepreciseerd hoe de import-„massa's” voor de verschillende tijdvakken worden vastgesteld en hoe zij over de verschillende Lid-Staten en naar gelang van de desbetreffende verwerkingsregimes worden verdeeld.
Toegegeven: erg uitvoerig zijn de verschillende rechtshandelingen, die in casu een rol spelen, niet gemotiveerd. Anderzijds leert de jurisprudentie — ik herinner slechts aan het recente arrest 87/78 (firma Welding/Hauptzollamt Hamburg-Waltershof, arrest van 30 november 1978) — dat er, wat de motivering van algemene besluiten betreft — waartoe in zekere zin ook de beschikking tot vaststelling der minimumprijzen moet worden gerekend — niet al te hoge eisen mogen worden gesteld. Zo behoeft er niet op ieder detailpunt een motivering te worden gegeven; vaak kan, gezien de normatieve samenhang, worden volstaan met een verwijzing naar de algehele situatie en naar hetgeen er met de regeling als geheel wordt beoogd.
Beziet men verzoeksters grieven tegen deze achtergrond, dan dient met betrekking tot het eerste deel van haar grieven allereerst te worden opgemerkt dat het tot toepassing komen van het koppelingssysteem kennelijk afhangt van de ernst der op de gemeenschappelijke markt heersende moeilijkheden, ofwel vooral van de omvang der interventievoorraden. Dit blijkt wel uit artikel 2 van verordening nr. 597/77, volgens hetwelk het koppelingssysteem kan worden toegepast wanneer de voorraden der interventiebureaus een bepaald minimum overschrijden. Het komt mij voor dat in de verordening die het systeem tot toepassing brengt, niet bovendien de feitelijke omvang dier voorraden behoeft te zijn aangegeven; van die voorraden wordt geregeld verslag uitgebracht, zodat men in de betrokken kringen volledig op de hoogte is. Ik acht het ook niet per se nodig dat er over de verhouding tussen de import-„massa” en de af te nemen hoeveelheid interventievlees meer wordt gezegd. Ook dit hangt uiteraard af van de omvang der voorraden, terwijl voorts van belang is wat dienaangaande in de bij artikel 14 van verordening nr. 805/68 voorziene balans van de Raad te lezen valt.
Voor de vastlegging van de minimumprijzen is anderzijds van belang, dat in het algemeen bericht inzake periodieke inschrijvingen (PB 1978 C 11 van 13 januari 1978, blz. 16) de voor de verkoop van interventievlees geldende juridische grondslagen worden genoemd, terwijl er ook in de considerans van verordening nr. 2900/77 sprake is van inschrijvingen als bedoeld in verordening nr. 216/69 (PB 1969 L 28, van 5 februari 1969, blz. 10). Volgens laatstgenoemde verordening dient de inschrijving om, de werkelijke marktsituatie in aanmerking genomen, de meest gunstige prijzen te bereiken. Daarnaast is in de considerans van verordening nr. 2900/77 ook sprake van de mogelijkheid van uiteenlopende minimumprijzen. Dit maakt, met genoemd algemeen bericht, duidelijk dat de minimumsprijzen zich richten naar de gedane offertes, waarvoor wederom de marktsituatie en de beschikbare hoeveelheden van belang zijn, alsook dat vervolgens ook de verdeling over de verschillende regimes en de verschillende Lid-landen zich daarnaar richten. Dat daarnaast geen bijzonderheden over de omslag der deficits over de vier kwartalen van 1978 worden medegedeeld, wil blijkbaar zeggen dat de Commissie van een betrekkelijk gelijkmatige marktontwikkeling is uitgegaan, zodat een verdeling in vieren haar het eenvoudigst voorkwam. Wellicht had men daarnaast nog overwegingen mogen verwachten betreffende het streven om langs de weg van ongelijke minimumprijzen tot een evenwichtige verdeling over de landen der Gemeenschap te komen, immers in zekere zin wordt daarmede afgeweken van het beginsel dat de hoogste biedingen in aanmerking moeten worden genomen. Ik acht het ontbreken van bedoelde overwegingen evenwel niet onoverkomelijk; de kwaliteiten en marktcondities in de Lid-Staten — die natuurlijk mede in aanmerking moeten worden genomen — zijn nu eenmaal niet dezelfde, terwijl men anderzijds het in casu wezenlijke feit dat de differentiatie der minimumprijzen juist ten gunste van de Italiaanse gegadigden, waaronder verzoekster, heeft gewerkt, in zijn beschouwingen dient te betrekken.
Al is de motivering der beschikking dus niet geheel onberispelijk — zij het dat van „bezwarende” fouten niet kan worden gesproken —, ik meen dat de materieel onbedenkelijke regeling — en de erop berustende beschikking der Commissie — niet wegens vormfouten niet toepasselijk — c.q. nietig — behoren te worden verklaard.
III —
Op grond van een en ander concludeer ik dat het beroep van de firma Simmenthal, voor zover op nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 februari 1978 gericht en voor zover op onrechtmatigheid van bepaalde verordeningen en algemene besluiten berustend, ontvankelijk doch ongegrond zal moeten worden verklaard. Verzoekster zal derhalve in de kosten van het geding moeten worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy