CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 15 MAART 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Nadat zij, soms reeds sinds 1964 (Angelo Gemelli) of 1967 (Bruno Palombi) in het Onderzoekscentrum voor kernenergie te Ispra werkzaam waren geweest als zogenaamde „appaltati”, werden de verzoekers in het onderhavige geding in de jaren 1970 tot 1974 aldaar aangesteld als plaatselijk functionaris in de zin van artikel 4 van de Regeling andere personeelsleden (RAP) — Angelo Del Grande als aan een inrichting verbonden fuctionaris —, zulks op grond van uit het krediet voor onderzoek gefinancierde overeenkomsten. Behalve verzoeker Del Grande hebben zij blijkbaar een technische opleiding genoten en bezitten zij de desbetreffende diploma's en worden zij dienovereenkomstig tewerkgesteld. Voor de bijzonderheden van hun functies verwijs ik naar de omschrijving daarvan in de beoordelingsrapporten over verzoekers alsmede naar inlichtingen, op uitdrukkelijke aanvraag van het hoofd van de afdeling Personeelszaken te Ispra in 1975 door verzoekers' meerderen verstrekt en bestemd voor een comité dat zich moest bezighouden met de problemen van de zogenoemde „oneigenlijke plaatselijke functionarissen”. Dit zijn personen die wegens het ontbreken van een voldoende aantal ambten op de begroting, niet als aan een inrichting verbonden functionaris konden worden aangesteld.
Bedoeld comité, begin 1976 aangewezen en paritair samengesteld, had tot taak te onderzoeken welke plaatselijke functionarissen het eerst zouden kunnen worden aangesteld als aan een inrichting verbonden functionaris in de zin van het toen nog geldende artikel 4, lid 3, RAP. Op de door het comité opgemaakte lijst stonden op de negende en dertiende plaats ook vier van de verzoekers in het onderhavige geding. Bovendien zijn in het rapport van dat comité van augustus 1976 de personeelsleden genoemd „dont les fonctions et/ou les diplômes paraissent, suite à un premier examen, les situer à un niveau supérieur à la classe 1 (Réf. agents d'établissement).” Onder hen bevinden zich alle verzoekers behalve verzoeker Del Grande die, zoals gezegd, blijkbaar geen technisch diploma bezit. Van zichzelf beweert hij echter, onder verwijzing naar de beoordelingsrapporten voor de jaren 1969 tot 1973, eveneens technisch functionaris of althans — volgens het rapport voor de jaren 1973 tot 1975 — aan dergelijke functionarissen bijna gelijkwaardig te zijn. Op grond van het rapport van dat comité kregen zes andere plaatselijke functionarissen met technische functies nog in de loop van 1976 een overeenkomst als aan een inrichting verbonden functionaris en werden daarna blijkbaar ook nog aangesteld als ambtenaar van categorie B; nog een ander plaatselijk functionaris werd op grond van een vergelijkend onderzoek rechtstreeks als ambtenaar van categorie B aangesteld.
Eveneens in 1976, en wel bij 's Raads verordening nr. 2615/76 van 21 oktober 1976 (PB 1976, L 299, blz. 1), werd verordening nr. 259/68 gewijzigd. Daarbij werd de categorie „aan een inrichting verbonden functionaris” in de RAP geschrapt (artikel 1, laatste streepje; artikel 4, laatste alinea) en aan artikel 2, dat begint met de woorden „Als tijdelijk functionaris in de zin van deze regeling wordt aangemerkt”, een alinea d) toegevoegd die luidt als volgt:
„d)
Het personeelslid, aangesteld om tijdelijk een vast ambt te vervullen dat wordt bezoldigd uit de onderzoeken investeringskredieten en dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de begroting van de betrokken Instelling.”
Bovendien werd aan artikel 8 RAP een nieuwe alinea toegevoegd, luidende:
„Voor de aanstelling van een functionaris als bedoeld in artikel 2, sub d), gelden de volgende voorschriften:
—
een functionaris van categorie A of B, belast met een functie waarvoor wetenschappelijke en technische bekwaamheid vereist is, wordt aangesteld voor ten hoogste vijf jaar; deze aanstelling kan worden hernieuwd;
—
een functionaris van categorie A of B, belast met een administratieve functie, wordt voor onbepaalde tijd aangesteld;
—
een functionaris van categorie C of D wordt voor onbepaalde of bepaalde tijd aangesteld”.
Tenslotte werd nog bepaald dat de artikelen 84 tot en met 98 vervielen.
Daarnaast bevat genoemde verordening in artikel 2 overgangsbepalingen waarin — voor zover hier van belang — het volgende wordt vastgesteld:
„1. De functionarissen verbonden aan een inrichting van het G.C.O.K. en de plaatselijke functionarissen wier bezoldiging ten laste van de onderzoek- en investeringskredieten komt, die in dienst zijn op de dag waarop deze verordening van kracht wordt, worden door het in artikel 6, eerste alinea, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen bedoelde gezagsorgaan uitgenodigd tot het sluiten van een aanstellingsovereenkomst onder de voorwaarden van titel II van die regeling.
Die overeenkomst wordt op de bovengenoemde datum van kracht.
2. De betrokkenen worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van de regeling in een ambt tewerkgesteld.
(…)
5. De overeenkomst van de functionarissen verbonden aan een inrichting van het G.C.O.K. of van de plaatselijke functionarissen die het in lid 1 bedoelde aanbod niet hebben aanvaard binnen een termijn van zes maanden, wordt opgezegd . . .”
Deze bepalingen werden ook op verzoekers toegepast. Hierbij moet worden opgemerkt dat met het oog op de indelingsproblemen in het Onderzoekscentrum voor kernenergie te Ispra een speciaal comité werd opgericht, dat eveneens paritair was samengesteld. Op grond van in juni en juli 1977 gevoerd overleg stelde dit enerzijds vast dat zeven van de verzoekers in het bezit waren van een diploma „donnant vocation à un classement en catégorie B”. Anderzijds werd eenstemmig vastgesteld dat indeling van alle verzoekers in categorie C als correct ware te beschouwen. Daarop werden in juli 1977 aan verzoekers aanstellingsovereenkomsten ter ondertekening voorgelegd, die gedateerd waren op 25 januari 1977 en zouden gelden vanaf de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76. Volgens deze overeenkomsten zouden betrokkenen worden tewerkgesteld in categorie C als tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd. Alle verzoekers hebben ze nog eind juli 1977 ondertekend — een hunner nadat hij de poging om een voorbehoud te maken, had opgegeven.
Toch zijn verzoekers van mening dat de invoering van de nieuwe regeling nadelig voor hen is en dat ook de aard van hun nieuwe overeenkomsten niet in orde is. Derhalve dienden zij op 25 oktober 1977 een formele klacht in bij het tot aanstelling bevoegde gezag. Daarin stelden zij dat zij nl. bij hun indiensttreding onjuist waren ingedeeld en dat zij in ieder geval met hun nieuwe overeenkomst ten onrechte in categorie C waren ingedeeld. Daarmee zouden zij met name worden gediscrimineerd ten opzichte van die plaatselijke functionarissen met technische functies, die nog vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76, en wel voor onbepaalde tijd, in categorie B waren aangesteld. Ook verzoekers' aanstellingsovereenkomsten hadden, bij gelijke duur, indeling in categorie B moeten inhouden. Verder meenden zij dat verordening nr. 2615/76 niet mocht worden toegepast op personeelsleden die reeds in dienst waren. Bovendien zou de verordening onwettig zijn omdat zij voor de categorieën A en B geen overeenkomsten voor onbepaalde tijd mogelijk maakte, zodat personeelsleden van categorie C, die naar categorie B werden bevorderd, hun dienstbetrekking voor onbepaalde tijd moesten opgeven.
Deze klacht had geen succes. In een door een lid van de Commissie ondertekend antwoord van 20 maart 1978 werd erop gewezen dat verordening nr. 2615/76 ongetwijfeld niet alleen toepasselijk was op nieuwe aanstellingen, maar ook gold voor plaatselijke functionarissen die al in dienst waren. Bovendien zou er, gezien de situatie van klagers bij de inwerkingtreding van de verordening en de overgangsbepalingen hiervan, niets zijn aan te merken op het feit dat hun in een overeenkomst voor onbepaalde tijd een C-ambt was toegewezen.
Daarop wendden verzoekers .zich op 17 mei 1978 tot het Hof van Justitie met het verzoek:
1.
vast te stellen dat de aan verzoekers aangeboden overeenkomsten onwettig zijn en moeten worden nietigverklaard, daar zij niet voorzien in een indeling (voor onbepaalde tijd) in categorie B;
2.
de afwijzing van verzoekers' klacht nietig te verklaren;
3.
subsidiair, vast te stellen dat verordening nr. 2615/76 onwettig is, voor zover zij personeelsleden betreft die bij haar inwerkingtreding reeds in dienst van de Gemeenschap waren.
Tegenover deze conclusies neem ik het volgende standpunt in:
1.
De opvatting van verzoekers dat de nieuwe, bij verordening nr. 2615/76 ingevoerde regeling niet zou mogen worden toegepast op personen die reeds in dienst van de Gemeenschap waren, is duidelijk onhoudbaar. Daartoe volstaat het te verwijzen naar de bewoordingen van artikel 2, lid 1, van bedoelde verordening, waarin ondubbelzinnig wordt bepaald dat aan een inrichting verbonden en plaatselijke functionarissen wier bezoldiging ten laste van de onderzoek- en investeringskredieten komt en die in dienst zijn op de dag waarop deze verordening van kracht wordt, door het in artikel 6, eerste alinea, RAP bedoelde gezagsorgaan moeten worden uitgenodigd tot het sluiten van een aanstellingsovereenkomst onder de voorwaarden van titel II van die Regeling. Bovendien bepaalt lid 5 van dit artikel dat de overeenkomst wordt opgezegd ingeval de aan een inrichting verbonden functionaris of de plaatselijke functionaris niet binnen een termijn van zes maanden ingaat op de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitnodiging. Daaruit kan slechts worden afgeleid dat verordening nr. 2615/76 natuurlijk ook gold voor personeelsleden die bij haar inwerkingtreding reeds bij de Gemeenschap in dienst waren.
2.
Verder betogen verzoekers dat zij ten onrechte als plaatselijke functionarissen zijn aangesteld en dat hun indeling reeds toen betwistbaar was. Volgens artikel 4 RAP zouden plaatselijke functionarissen immers worden aangesteld om „handenarbeid of hulpdiensten te verrichten”. Zoals uit de desbetreffende bepalingen van artikel 5, lid 1, vijfde alinea, Ambtenarenstatuut zou blijken, zou dit leiden tot een met categorie D overeenkomende indeling, terwijl verzoekers, gezien hun werkelijke functies, in categorie B hadden moeten worden ingedeeld.
Hoe het daarmee gelegen was, kan thans niet meer worden onderzocht. Daartoe hadden verzoekers eerder een proces aanhangig moeten maken. Dit zou ook met het oog op artikel 81 RAP niet onmogelijk zijn geweest, want in de rechtspraak is al lang duidelijk uitgemaakt (arrest van 11 maart 1975, zaak 65/74, Porrini e.a., Jurispr. 1975, blz. 319) dat het in artikel 152 EGA-Verdrag bedoelde rechtsmiddel niet alleen ter beschikking staat aan ambtenaren en andere personeelsleden, maar ook aan degenen die — zoals verzoekers — op deze hoedanigheid aanspraak maken.
In het onderhavige geding lijken mij derhalve hoogstens twee opmerkingen op hun plaats.
Ten eerste staat vast dat verzoekers destijds enkel een overeenkomst als plaatselijk functionaris hebben gekregen, omdat op de lijst van het aantal ambten niet voldoende plaatsen voorkwamen voor aan een inrichting verbonden functionarissen, wat verzoekers anders zouden zijn geworden. Juist ook om aan deze onbevredigende situatie een einde te maken, is verordening nr. 2615/76 vastgesteld, volgens welke thans aan zulke personeelsleden overeenkomsten voor onbepaalde tijd moeten worden aangeboden.
Ten tweede kunnen verzoekers zich ter staving van hun standpunt, dat zij destijds reeds in categorie B hadden moeten worden ingedeeld, niet beroepen op de conclusies van een in 1964 in het Onderzoekscentrum voor kernenergie te Ispra ingestelde werkgroep. Deze had namelijk enkel tot taak een onderzoek in te stellen naar de gelijkwaardigheid van de diploma's van technische functionarissen uit de verschillende Lid-Staten. Weliswaar heeft deze groep bovendien in zijn rapport de mening verkondigd dat het beslist nodig was alle in de toekomst aan te stellen technici in te delen in categorie B, doch daarbij ging het slechts om een onverbindend voorstel en in geen geval om een richtlijn die de administratie bond en waaruit een recht op een bepaalde indeling voortvloeide. Daarvoor zou — zoals de Commissie ons heeft uiteengezet — trouwens een wijziging van bijlage I B bij het Ambtenarenstatuut nodig zijn geweest.
3.
Met hun derde argument beroepen verzoekers zich hoofdzakelijk op verordening nr. 2615/76. Zij zijn van mening dat artikel 2, waarin voor plaatselijke functionarissen een ander soort contractuele verhouding wordt voorgeschreven, niets anders op het oog had dan een „integratie” in de zin van artikel 120 Ambtenarenstatuut. Derhalve hadden tegenover verzoekers de daarvoor ontwikkelde regels — indeling volgens functie — in acht moeten worden genomen. In elk geval zou men dienen te bedenken dat ingevolge artikel 2 de functionarissen overeenkomstig artikel 10 RAP in een ambt tewerk moeten worden gesteld. Daaruit zou volgen dat — daar volgens artikel 10, vierde alinea, bijlage I B op overeenkomstige wijze van toepassing zou zijn — de daarin aangelegde maatstaf zou moeten worden gerespecteerd. Maar dan zou, ook gelet op de omschrijving van de functies van verzoekers — in de beoordelingsrapporten en de inlichtingen van hun meerderen voor de werkgroep Falsi Agenti Locali —, een indeling in categorie C onjuist blijken.
Wat deze argumenten betreft, heeft de Commissie zeker gelijk wanneer zij erop wijst dat procedures volgens artikel 2 van verordening nr. 2615/76 niet op één lijn kunnen worden gesteld met integratie in de zin van artikel 102 Ambtenarenstatuut, dat wil zeggen de overgang naar de ambtenarenstand van personen met wie vóór de inwerkingtreding van het Statuut slechts arbeidsovereenkomsten waren afgesloten. Artikel 2 bevat inderdaad geen regeling die vergelijkbaar is met de instelling van een integratiecommissie, bestaande uit leidinggevende personeelsleden van de instelling en met de opdracht bindende adviezen uit te brengen over de geschiktheid van de personeelsleden voor de hun opgedragen taken. Het in 1976 vanuit Brussel ingestelde zogenaamde comité-Tugendhat kan met deze integratiecommissie niet worden vergeleken, daar het paritair was samengesteld en enkel tot taak had zich uit te spreken over klachten betreffende indeling. Derhalve kan in het onderhavige geding geen gebruik worden gemaakt van de destijds ontwikkelde rechtspraak inzake de toepassing van artikel 102 Ambtenarenstatuut.
Ook uit artikel 10 RAP en bijlage I B bij het Statuut kan niet zonder meer een recht op indeling in categorie B worden afgeleid. In deze bijlage zijn technische functionarissen immers niet enkel in categorie B, maar ook in categorie C te vinden.
Verder kan men zich de vraag stellen of in het geding andere overtuigende argumenten voor een indeling van verzoekers in categorie B zijn aangedragen, maar ook deze vraag kan slechts ontkennend worden beantwoord.
Zeker onbelangrijk in dit opzicht is de door verzoekers ter sprake gebrachte brief van het hoofd van de afdeling Personeelszaken te Ispra van 20 juli 1977, waarin wordt erkend dat zij op grond van hun diploma's de „idoneità” hebben om in categorie B te worden ingedeeld. Daarmee wordt enkel uitgedrukt wat ook in de antwoorden op de klachten van verzoekers is vastgesteld, namelijk dat zij aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoen om op zekere dag bij wijze van bevordering in categorie B te geraken, dat zij daarvoor dus in aanmerking komen („vocation”).
Hetzelfde geldt voor het feit dat in het rapport van de groep Falsi Agenti Locali van augustus 1976 ook verzoekers, met uitzondering van verzoeker Del Grande, zijn genoemd bij de personeelsleden „dont les fonctions et/ou les diplômes paraissent, suite à un premier examen, les situer à un niveau supérieur à la classe 1 (Réf. agents d'établissement)”. In dit opzicht is het belangrijk dat uit het bedoelde stuk niet kan worden afgeleid dat verzoekers vanwege de hun toevertrouwde functies een hogere indeling verdienen, want het bezit van de desbetreffende diploma's volstaat natuurlijk niet om op een bepaalde indeling recht te hebben.
Voor zover verzoekers zich echter beroepen op de reeds herhaaldelijk vermelde beoordelingsrapporten en de „fiches de renseignement” die ten behoeve van het comité Falsi Agenti Locali waren opgesteld, kan voor een aldus gemotiveerd recht op indeling worden verwezen naar de desbetreffende rechtspraak inzake het ambtenarenrecht, volgens welke het vervullen van taken van een boven zijn rang gelegen ambt geen recht geeft op een hogere indeling, maar wel bij een bevordering in aanmerking moet worden genomen (arrest van 16 juni 1971, zaak 77/70, Prelle, Jurispr. 1971, blz. 561; arrest van 12 juli 1973, zaak 28/72, Tontodonati, Jurispr. 1973, blz. 779). Verder is van belang dat het voornoemde paritair samengestelde comité-Tugendhat, dat zoals gezegd na de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 indelingsklachten moest onderzoeken, zich over dit delicate beoordelingsprobleem — hier doen zich op moeilijke technische gebieden stellig overlappingen en afbakeningsproblemen voor — op deskundige wijze heeft uitgesproken. Wanneer dit voor alle verzoekers eenstemmig — in andere gevallen ontbrak die eenstemmigheid — een indeling in categorie C correct achtte, is er nu geen reden om aan de juistheid van deze indeling te twijfelen, temeer daar verzoekers geen concrete en gemotiveerde aanwijzingen hebben verschaft die aan het oordeel van het comité-Tugendhat zouden kunnen doen twijfelen.
4.
Verzoekers beweren verder dat zij bij de vormgeving van hun nieuwe dienstverhouding zouden zijn gediscrimineerd. Daarbij beroepen zij zich op de omstandigheid dat zes andere plaatselijke functionarissen in een vergelijkbare situatie, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 aan de inrichting verbonden functionarissen zouden zijn geworden en iets later tot ambtenaren van categorie B zouden zijn bevorderd. Deze personeelsleden zouden dus niet alleen een hogere indeling, maar ook een vaste positie als ambtenaar hebben bereikt, terwijl verzoekers bij hun eventuele overgang naar categorie B volgens artikel 8 RAP, laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. 2615/76, hoogstens een tot vijf jaar beperkte overeenkomst zouden kunnen krijgen. Dit zou zeker onverenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling, dat, ook zonder dat artikel 10 RAP verwijst naar lid 3 van artikel 5, ook van toepassing zou zijn op tijdelijke functionarissen met een gelijke loopbaan.
In de loop van het geding hebben wij gehoord dat het in 1976 ingestelde comité Falsi Agenti Locali tot taak had, de situatie van de plaatselijke functionarissen te onderzoeken en een lijst op te maken van de personeelsleden die — vanwege hun diploma's, functies en anciënniteit — het eerst moesten worden aangesteld als aan een inrichting verbonden functionarissen, die volgens de oude versie van artikel 4 RAP tot de categorieën C en D behoorden. Overeenkomstig deze lijst, waarop achteraan ook vier van de verzoekers in het onderhavige geding waren vermeld, werden zes plaatselijke functionarissen benoemd tot aan een inrichting verbonden functionaris van categorie C; later werden zij bevorderd tot ambtenaar van categorie B, zonder tussenkomst van het genoemde comité, maar blijkbaar met toepassing van de regelmatige bevorderingsprocedure waarnaar in artikel 92 RAP wordt verwezen.
Als ik het goed begrijp, zeggen verzoekers niet dat er op deze gang van zaken iets zou zijn aan te merken. Maar voor zover zij zich kritisch hebben uitgelaten — bijvoorbeeld over het feit dat een personeelslid op plaats 13 van bedoelde lijst, vóór anderen aan bod zou zijn gekomen, of over de omstandigheid dat weliswaar vóór de inwerkingtreding, maar toch na de vaststelling van verordening nr. 2615/76 tot de bevorderingen zou zijn overgegaan — , moet hun in elk geval duidelijk worden gemaakt dat daarmee thans geen rekening meer kan worden gehouden, maar dat zij er destijds tijdig tegen hadden moeten opkomen.
In wezen maken verzoekers veeleer voor zichzelf aanspraak op een vergelijkbare behandeling.
Daarbij moet nochtans vooreerst worden opgemerkt dat dat in 1976 niet mogelijk was omdat er niet voldoende ambten beschikbaar waren. Voor de goedgekeurde en niet bezette ambten van categorie B, waarop verzoekers hebben gewezen, moest er namelijk rekening mee worden gehouden dat het aantal goedgekeurde ambten van categorie C was overschreden, zoals blijkt uit bijlage 2 bij de repliek en uit bijlage 2 bij de dupliek, met name voetnoot 3. Bovendien moet verzoekers worden tegengeworpen dat zij een aldus gemotiveerd recht op gelijke behandeling destijds in samenhang met de weergegeven gebeurtenissen geldend hadden moeten maken. Daarbij mag echter niet over het hoofd worden gezien dat er in beginsel geen recht op bevordering bestaat.
Voor zover verzoekers echter spreken van discriminatie na de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 is het voorts van belang dat hun situatie niet vergelijkbaar was met die van de bedoelde zeven andere personeelsleden. Deze waren namelijk op dat ogenblik reeds ambtenaar. Daardoor was het natuurlijk uitgesloten, hun positie als ambtenaar een contractuele vorm te geven met inachtneming van de nieuwe verordening, zoals dat voor verzoekers, wegens hun status na de inwerkingtreding van genoemde verordening, onvermijdelijk was.
Van een discriminatie van verzoekers kan bijgevolg geen sprake zijn.
5.
Verder beroepen verzoekers zich erop dat de Commissie de in artikel 24 Ambtenarenstatuut vastgestelde zorgplicht zou hebben verzuimd en bij de regeling van de dienstverhouding van verzoekers het beginsel van de eerbiediging van verkregen rechten zou hebben miskend; naar dit beginsel zou ook zijn verwezen in een resolutie van het Europees Parlement (PB 1976, C 100, blz. 38).
Wat het eerste punt betreft, moet worden opgemerkt dat er zeker geen sprake kan zijn van schending van artikel 24 — ook wanneer dit aldus wordt begrepen, dat het tot aanstelling bevoegde gezag zou moeten letten op een bevredigende regeling van de loopbanen — wanneer de dienstverhouding van plaatselijke functionarissen wordt geregeld met correcte inachtneming van bepalingen die onder meer ten behoeve van hun regularisering zijn vastgesteld.
Met betrekking tot de beweerde miskenning van verkregen rechten moet men anderzijds bedenken dat verzoekers vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 contracten voor onbepaalde tijd als plaatselijk functionaris hadden, en dat zij hoogstens aanspraak konden maken op aanstelling als aan een inrichting verbonden functionarissen van de categorieën C en D. Wanneer hun dan na de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 krachtens artikel 8 RAP een overeenkomst voor onbepaalde tijd met indeling in categorie C wordt aangeboden, zie ik niet in hoe er van miskenning van verkregen rechten zou kunnen worden gesproken. Wat echter de omstandigheid betreft, dat technische functionarissen van categorie B onder de nieuwe regeling nog slechts — weliswaar verlengbare — overeenkomsten voor vijf jaar kunnen krijgen, terwijl de oude regeling zulk een beperking niet kende, is het eenvoudig beslissend dat verzoekers onder de oude regeling hoogstens voor indeling in categorie B in aanmerking kwamen („vocation”), doch daarop geen recht hadden. Een dergelijk uitgangspunt volstaat zeker niet om te kunnen vaststellen dat verkregen rechten van verzoekers zouden zijn beknot.
6.
Tenslotte dient nog te worden ingegaan op verzoekers' subsidiaire vordering, namelijk onwettigverklaring van verordening nr. 2615/76. Verzoekers maken ten deze in het bijzonder de volgende opmerkingen:
a)
De Commissie zou hebben nagelaten erop te wijzen, en de Raad zou bij de vaststelling van genoemde verordening hebben verzuimd ermee rekening te houden dat verzoekers bij de regularisering van de dienstverhouding der plaatselijke functionarissen met technische functies in het jaar 1976 zouden zijn overgebleven en dat voor hen dus bijzondere bepalingen ter voorkoming van discriminaties op hun plaats zouden zijn geweest.
b)
Volgens de nieuwe verordening zouden verzoekers bij bevordering tot categorie B geen overeenkomst voor onbepaalde tijd meer kunnen krijgen, hoewel zij niet bij de uitvoering van onderzoeksprogramma's werkzaam zijn, maar in het kader van de infrastructuur die eerder tot het gebied van de administratie moet worden gerekend. Dit zou hen in feite ertoe dwingen van een normale loopbaan af te zien.
c)
In elk geval zouden er — en dit zou een achteruitgang betekenen ten opzichte van de oude regeling — onder de nieuwe verordening geen promotiekansen meer zijn. Het in de praktijk ook op plaatselijke functionarissen toegepaste artikel 92 RAP, volgens hetwelk de artikelen 43 en 45 Ambtenarenstatuut, betreffende beoordeling en bevordering, van overeenkomstige toepassing waren op aan een inrichting verbonden functionarissen, is namelijk geschrapt. Nu zou bij het toewijzen van hogere functies nog enkel artikel 10, derde alinea, RAP gelden, luidens welk in een dergelijk geval een aanvullend contract bij de aanstellingsovereenkomst zou zijn vereist.
Daarbij moet mijns inziens nog het volgende worden opgemerkt:
ad a)
Ik ben niet van mening dat in verordening nr. 2615/76 bijzondere bepalingen voor verzoekers hadden moeten worden opgenomen. Zoals wij hebben gezien, konden zij onder de oude regeling hoogstens aanspraak maken op overeenkomsten als aan een inrichting verbonden functionaris met indeling in categorie C. Wat echter een aanstelling tot ambtenaar betreft, en vooral een bevordering tot categorie B zoals in 1976 nog aan een paar andere plaatselijke functionarissen is gegeven, kan met betrekking tot verzoekers hoogstens worden gesproken van een zekere kans, waarvan het wegvallen natuurlijk geen bijzondere compensaties in de nieuwe verordening nodig maakte.
ad b)
Ook de verklaring van de Commissie dat de nieuwe regeling, waaronder personeelsleden van categorie B met technische functies slechts — weliswaar verlengbare — overeenkomsten voor vijf jaar kunnen krijgen, op goede gronden steunt, heeft mij overtuigd. Anders dan personeelsleden van de categorieën C en D die, gezien hun niveau, voor verschillende onderzoeksprogramma's kunnen worden ingezet, en personeelsleden met administratieve functies, kan van technische functionarissen van categorie B — ook wanneer zij tot de zogenaamde infrastructuur (onderhoud van wetenschappelijke apparatuur) behoren — worden gezegd dat zij zo nauw met de overeenkomstig artikel 7 EGA — Verdrag telkens voor vijf jaar vastgestelde onderzoeksprogramma's zijn verbonden, dat een dienovereenkomstige beperking van hun aanstellingsovereenkomsten geboden lijkt, zulks in het belang van een flexibele, op de bijzondere bekwaamheden van de personeelsleden gerichte organisatie van het onderzoekswerk.
Voor het overige moet in dit verband wat de positie van verzoekers betreft, eraan worden herinnerd dat zij nu nog — en, zoals wij hebben gezien, terecht — tot categorie C behoren, en dus in het geheel niet onder de bedoelde bepaling vallen. Zouden zij echter op zekere dag overeenkomsten voor categorie B krijgen, dan zou bij die gelegenheid aanleiding bestaan om te onderzoeken of zij volgens hun — in dat geval opnieuw te omschrijven — functies werkelijk zo nauw aan onderzoeksprogramma's zijn gebonden, dat een beperkte duur van hun contract gerechtvaardigd is, of dat zij — werkzaam bij de infrastructuur — eerder bij de administratie aanleunende taken moeten vervullen.
ad c)
Inderdaad is krachtens de Regeling andere personeelsleden (artikel 10, derde alinea) bij een hogere indeling een aanvullende overeenkomst vereist. In werkelijkheid volgt daaruit, in samenhang met de schrapping van de artikelen 84 tot 98 RAP, geen relevante verslechtering van de rechtspositie, omdat, zoals de Commissie heeft aangetoond, de vanaf 1 januari 1977 toepasselijke algemene bepalingen betreffende bevordering ook gelden voor tijdelijke functionarissen in de zin van artikel 2, sub d, RAP. Ook voor hen wordt jaarlijks in een nauwkeurig geregelde procedure vastgesteld wie het eerst in aanmerking komt voor een overeenkomst met een hogere indeling, en daarmee wordt dus zoveel mogelijk gewaarborgd dat aan objectieve criteria beantwoordende loopbanen mogelijk zijn.
Alles tezamen kan dus slechts worden vastgesteld dat ook de subsidiaire vordering ongegrond is en dat er dus geen reden is om verordening nr. 2615/76 als onwettig aan te merken en de daarop gebaseerde overeenkomsten van verzoekers nietig te verklaren.
7.
Tenslotte nog iets over de proceskosten, die volgens verzoekers door de Commissie zouden moeten worden gedragen ook indien deze in het gelijk zou worden gesteld, zulks overeenkomstig artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering, bepalende dat het Hof de partij die in het gelijk wordt gesteld, kan veroordelen tot vergoeding van de kosten „welke zij ten laste van de wederpartij heeft veroorzaakt en die vergeefs zijn aangewend dan wel van vexatoire aard zijn.”
Ook op dit punt zie ik geen zinnige reden om de opvatting van verzoekers te delen. In wezen beroepen zij er zich namelijk op dat het personeel eerst eind april 1978 van de zojuist genoemde bepalingen betreffende de bevorderingsprocedure in kennis is gesteld. Daarbij moet echter ten eerste worden opgemerkt dat uit het geheel van verzoekers' middelen in het geding blijkt, dat een eerdere bekendmaking van die bepalingen hen nauwelijks van het instellen van beroep zou hebben weerhouden. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat de publikatie toch nog altijd vóór het instellen van het beroep heeft plaatsgehad en dat er reeds in de antwoorden op de klachten van verzoekers uitdrukkelijk op is gewezen, dat een overgang naar een hogere categorie geschiedt in het kader van de voor bevorderingen voorgeschreven procedure. Daar ik in casu ook overigens geen „bijzondere redenen” zie in de zin van artikel 69, paragraaf 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering — de omstandigheid dat verzoekers lange tijd ten onrechte als plaatselijk functionaris waren aangesteld, zal men buiten beschouwing kunnen laten —, moet het dus blijven bij een beslissing over de kosten volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
8.
Derhalve stel ik voor, het beroep ongegrond te verklaren en beide partijen in haar eigen kosten te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy