CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 17 JANUARI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Artikel 13 van verordening nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB van 1968, L 148, blz. 24), bepaalt in zijn bij verordening nr. 425/77 (PB van 1977, L 61, blz. 1) gewijzigde vorm, dat de heffing die eventueel van toepassing is op jonge mannelijke runderen met een levend gewicht van ten hoogste 300 kg en bestemd om te worden gemest, geheel of gedeeltelijk kan worden geschorst, met inachtneming van de voorzieningssituatie inzake deze jonge runderen en de te verwachten ontwikkeling van de marktprijzen voor runderen in de Gemeenschap. Tot dit doel stelt de Raad elk jaar vóór 1 december een op ramingen berustende balans op betreffende jonge mannelijke runderen die in het kader van de regeling van dit artikel kunnen worden ingevoerd. Elk kwartaal wordt via de procedure van het Comité van beheer zowel de hoeveelheid die mag worden ingevoerd, als het percentage van de schorsing van de heffing vastgesteld. Voor deze importen vereiste invoercertificaten worden afgegeven tot de telkens voor drie maanden vastgestelde hoeveelheid.
Uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld bij verschillende verordeningen van de Commissie. Zo bepaalt artikel 11 van verordening nr. 585/77, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1384/77 (PB van 1977, L 157, blz. 16), dat de aanvraag voor de toekenning van een invoercertificaat kan worden gedaan door natuurlijke- of rechtspersonen die een beroep uitoefenen in de vee- en vleessector en in een openbaar register van een Lid-Staat zijn ingeschreven. In artikel 3 van verordening nr. 612/77 (PB van 1977, L 77, blz. 18) wordt bepaald dat bij de vaststelling van de hoeveelheid die ieder kwartaal kan worden ingevoerd, „rekening kan worden gehouden met de voorzieningsbehoeften van bepaalde gebieden in de Gemeenschap.”
Voor de periode van 1 januari tot 31 maart 1978 werd bij verordening nr. 2902/77 van de Commissie (PB van 1977, L 338, blz. 12) het in artikel 13 van verordening nr. 805/68 genoemde maximum aantal jonge mannelijke mestrunderen met een levend gewicht van ten hoogste 300 kg vastgesteld op 50000. Tevens werd in deze verordening bepaald dat hiervan tenminste 45000 stuks in Italië moesten worden ingevoerd en gemest en dat de heffing met 50 % werd verlaagd. In artikel 1, lid 5, van deze verordening wordt dan nog gezegd:
„Binnen het aan Italië toegewezen aantal kunnen de invoercertificaten voor ten hoogste 30000 dieren rechtstreeks aan landbouwers of landbouworganisaties worden afgegeven.
Daartoe worden de categorieën van de aanvragers door deze Lid-Staat gespecificeerd in de in artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 585/77 bedoelde mededeling.”
Vermelding verdient nog dat verordening nr. 2902/77 is gewijzigd bij verordening nr. 345/78 (PB van 1978, L 49, blz. 9). Artikel 1, lid 1, hiervan luidt:
„In artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2902/77 worden de aantallen ,50000' en, 45000' respectievelijk met, 30000' en, 27000' verhoogd.”
Lid 3 van dit artikel bepaalde bovendien:
„In artikel 1, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2902/77 wordt het aantal ,30000' met ,18000' verhoogd.”
Met betrekking tot het aan Italië voorbehouden aantal bepaalde een circulaire van het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Handel van 28 februari 1978, dat uitsluitend personen die voldeden aan de voorwaarden van de Italiaanse wet van 9 mei 1975 tot uitvoering van de richtlijnen van de Raad nrs. 72/159, 72/160 en 72/161 (PB van 1972, L 96, blz. 1, 9 en 15) van 17 april 1972, als landbouwers in de zin van verordening nr. 2902/77 konden worden aangemerkt. Volgens deze wet komen — afgezien van coöperaties — slechts natuurlijke personen in aanmerking die landbouw als hoofdberoep uitoefenen, mits zij ten minste tweederde van hun arbeidskracht aan de landbouw besteden en daaruit tweederde van hun totale imkomsten uit arbeid verwerven.
Verzoeker in het hoofdgeding, die voornamelijk veevoeder produceert, had kennelijk met verweerster in het hoofdgeding, die zich als commanditaire vennootschap voornamelijk bezig houdt met het mesten van runderen en kalveren op een grote oppervlakte land, een contract gesloten voor de levering van een bepaalde hoeveelheid maïs. De verbintenis zou vervallen als de koper geen invoercertificaten voor 100 kalveren zou krijgen. Op 10 maart 1978 berichtte koper aan verzoeker dat zij de order als vervallen beschouwde nu de genoemde ontbindende voorwaarde was ingetreden. De bevoegde regionale instantie had koper namelijk duidelijk gemaakt dat zij geen invoercertificaten kon krijgen, daar zij een vennootschap was en ook haar vennoten en bedrijfsleiders niet aan de voorwaarden van de ministeriële circulaire voldeden. Zij had daarom helemaal maar geen aanvraag voor een invoercertificaat ingediend.
Verzoeker is van oordeel dat de betrokken invoerregeling geheel door het gemeenschapsrecht wordt beheerst en iedere landbouwer aanspraak geeft op de afgifte van een invoercertificaat. De Lid-Staten hadden op dit gebied nog uitsluitend enkele organisatorische taken en konden met name geen extra beperkende voorwaarden stellen met betrekking tot de kring van de aanvragers.
Daar dit in de genoemde circulaire is gebeurd, moet deze in strijd met het recht en dientengevolge rechtens irrelevant worden geacht. Wanneer verweerster op grond van de ministeriële circulaire heeft nagelaten een aanvraag in te dienen, dan is dit als een fout aan te merken waarvoor zij heeft in te staan. Op grond hiervan maakte verzoeker een vordering tot nakoming van de koopovereenkomst en afname van de overeengekomen partij bij de Pretore te Cecina aanhangig.
De aangezochte rechter heeft bij beschikking van 13 mei 1978 de procedure geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële beslissing verzocht over de navolgende vragen:
a)
Kunnen de nationale autoriteiten in het kader van de in artikel 13 van verordening (EEG) nr. 805/68 voorziene en nadien bij de verordeningen (EEG) nrs. 585/77 en 2902/77 uitgewerkte bijzondere invoerregeling voor jonge mannelijke mestrunderen, de toelatingsvoorwaarden naar eigen goeddunken aanvullen en afronden, met name door de afgifte van importcertificaten te beperken tot bepaalde, eenzijdig aangewezen categorieën van landbouwproducenten, of kennen voornoemde gemeenschapsbepalingen daarentegen aan alle natuurlijke en rechtspersonen die een landbouwbedrijf bezitten, inzonderheid aan de veehouders, het recht toe in elk geval aanvragen om importcertificaten in te dienen, zonder dat daartegenover enige discretionaire bevoegdheid van de nationale autoriteiten der Lid-Staten staat?
b)
Ingeval het aan de Lid-Staten is overgelaten nadere, striktere toelatingsvoorwaarden in te voeren ten aanzien van de categorie van landbouwproducenten, kunnen dan de begunstigde subjecten door de nationale autoriteiten worden aangewezen door verwijzing naar de vereisten gesteld door deze autoriteiten bij de uitvoering van de gemeenschapsrichtlijnen tot modernisering van de landbouwstructuur (richtlijnen 72/159, 160, 161 EEG), dat wil zeggen in het kader van een soort overheidsoptreden dat geheel en al zelfstandig en onafhankelijk is van de instrumenten en doelstellingen betreffende de verhandeling van de afzonderlijke landbouwprodukten, waarbij de vereisten volstrekt geen verband houden met de werkelijke uitoefening van het veehoudersbedrijf en zonder rechtvaardiging talrijke veehouderijen, waaronder alle met een vennootschapsstructuur, uitsluiten?
Mijn standpunt ten aanzien van deze vragen is het volgende:
1.
In haar schriftelijke opmerkingen zegt de Italiaanse regering dat het haar hoogst twijfelachtig voorkomt of de door de Pretore gestelde vragen eigenlijk wel relevant zijn voor de behandeling van de aan hem voorgelegde zaak.
Men kan deze bedenkingen niet zonder meer opzij schuiven. Naar de letter van het contract dat voorwerp van het hoofdgeding vormt, moest de order namelijk als vervallen worden beschouwd wanneer het de koper niet mogelijk zou zijn overeenkomstig de geldende gemeenschapsbepalingen ceritificaten voor de invoer van 100 kalveren uit derde landen te verkrijgen. Daar invoercertificaten volgens de algemene regeling echter zonder meer konden worden aangevraagd en het niet evident is dat het partijen te doen was om import met verlaagde heffingen, valt stellig niet goed in te zien waarom de verwijzende rechter voor de beoordeling van de zaak een interpretatie van het gemeenschapsrecht en met name van het aan het begin genoemde invoerstelsel nodig zou hebben. Anderzijds moet echter worden toegegeven dat het antwoord op die vraag afhangt van de uitlegging van de litigieuze overeenkomst, dus van de beoordeling van een vrag van nationaal recht, waarmee het Hof zich in principe niet bemoeit. Daar bovendien bezwaarlijk kan worden gesproken van een kennelijk onjuiste interpretatie door de nationale rechter, en daarmee van een kennelijk onjuiste beoordeling van het belang dat hij bij de beslissing heeft, zou ik Uw Hof niet willen voorstellen het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 177 EEG-Verdrag.
2.
Met betrekking tot het door de Pretore te Cecina opgeworpen probleem zou ik graag allereerst de standpunten naar voren halen van degenen die bij de procedure betrokken zijn.
Volgens verzoeker is het van belang dat het hier gaat om handel met derde landen in het kader van een bijzondere marktordening, en om een speciaal invoerstelsel dat door de Commissie zelf wordt beheerd. Zo gezien pleit alles ervoor de gemeenschapsregeling, waarbij een communautaire procedure voor de afgifte van certificaten is vastgesteld, als volledig te beschouwen, en is het aannemelijk dat de Lid-Staten geen discretionaire bevoegdheid meer hebben om de kring van de rechthebbenden af te bakenen. De vraag of iemand een aanvraag kan indienen, wordt dus in principe beantwoord in artikel 11 van verordening nr. 585/77, dat als essentieel vereiste de beroepsuitoefening in de vee- en vleessector noemt. Waar artikel 1, lid 5, van verordening nr. 2902/77 in zekere zin een bevoorrechte positie toekent aan landbouwers, moet dit gezien het bijzondere doel dat met deze regeling wordt beoogd — uitbreiding van de veeteelt en vergroting van de vleesproduktie —, aldus worden begrepen, dat eenieder die zich met veeteelt bezighoudt, van deze regeling gebruik mag maken. Nu de Lid-Staten in deze slechts organisatorische bevoegdheden hebben, kan in elk geval niet uit artikel 1, lid 5, van verordening nr. 2902/77 — dat slechts betrekking heeft op de inhoud van door de Lid-Staten aan de Commissie te verstrekken mededelingen — worden afgeleid dat de Lid-Staten daarmee stilzwijgend de bevoegdheid hebben gekregen om bepaalde begrippen te definiëren.
De Italiaanse regering is daarentegen van mening dat artikel 11 van verordening nr. 585/77 slechts de minimum voorwaarden voor deelname aan het bijzondere invoerstelsel heeft vastgelegd. Daarenboven zou in artikel 1, lid 5, van verordening nr. 2902/77, volgens hetwelk „de categorieën van aanvragers” in de in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 585/77 bedoelde mededeling moeten worden gespecificeerd, uitdrukkelijk een discretionaire bevoegdheid aan Italië zijn toegekend om het in het vorige lid genoemde begrip „landbouwer” te definiëren. Bij de uitoefening daarvan had men rekening kunnen houden met de doelstellingen van de regeling, zoals deze volgen uit de considerans van verordening nr. 2902/77. Daar hierin wordt gesproken van een verbetering van de Italiaanse veehouderijstructuren en de rundvleesproduktie, kon Italië zich dus terecht beperken tot veefokkers bij wie een structurele verbetering te verwachten viel. In de aangevallen ministeriële circulaire werd dus terecht verwezen naar definities van de Italiaanse wet tot uitvoering van de gemeenschapsrichtlijnen nrs. 72/159, 72/160 en 72/161.
Zo ver gaat de Commissie niet. Wel is zij van mening dat de gemeenschapsregeling onvoldoende nauwkeurig is; daarom moest, met in achtneming van het doel van de regeling, de onder de regeling vallende kring van rechthebbenden worden vastgesteld. Gelet op dat doel, kan worden gezegd — aldus de Commissie — dat met de uitdrukking „landbouwers” al die bedrijven worden bedoeld die zich met veehouderij en rundvleesproduktie bezighouden en daardoor een bijdrage kunnen leveren aan het opheffen van de moeilijkheden bij de voorziening. Daar echter in de considerans van verordening nr. 2902/77 bovendien uitdrukkelijk wordt gesproken van de verbetering van de Italiaanse veehouderijstructuren en de rundvleesproduktie, waardoor de verordening een instrument van economisch beleid wordt, zou de meest begunstigde Lid-Staat niet kunnen worden verweten dat hij zich, in navolging van de genoemde structuurpolitieke richtlijnen van de Raad, voornamelijk heeft gericht op degenen die de landbouw als hoofdberoep uitoefenen.
3.
Voor de beoordeling van deze discussie en gezien de argumenten van de verschillende partijen bij deze procedure, lijkt het mij eveneens nuttig de ten deze relevante rechtspraak te bespreken.
In die rechtspraak nu valt een tendens te bespeuren om op gebieden die door deels zeer gedetailleerde marktorganisaties worden bestreken, in principe niet ervan uit te gaan dat nationale maatregelen, zelfs als ze het terrein van de zuiver organisatorische en uitvoerende handelingen verlaten, ongeoorloofd zijn. Het punt waarop het aankomt, is veeleer of er sprake kan zijn van strijd met de doelstellingen van de gemeenschapsregeling en of de werking hiervan in gevaar wordt gebracht. Ten deze kan men, evenals de Commissie, wijzen op de arresten van 22 januari 1976 (zaak 60/75 Russo, Jurispr. 1976, blz. 45), 26 februari 1976 (zaak 65/76, Tasca, ibid., blz. 291), 14 juli 1976 (gev. zaken 3, 4 en 6/76, Kramer, ibid., blz. 1279) en 2 februari 1977 (zaak 50/76 Amsterdam Bulb B. V., Jurispr. 1977, blz. 137).
Verder is ook van belang dat in het arrest van 12 december 1973 (zaak 131/73, Grosoli, Jurispr. 1973, blz. 1555), waarop met name verzoeker een beroep heeft gedaan, met betrekking tot beheersmaatregelen ten aanzien van een communautair tariefcontingent voor bevroren rundvlees niet alleen is beklemtoond dat de gemeenschapsinstellingen over de economische bestemming van het geïmporteerde vlees beslissen, maar ook dat zij de Lid-Staten kunnen toestaan hun deel van het contingent overeenkomstig hun eigen belang te benutten. Doet dit laatste zich niet voor, dan is het de Lid-Staten slechts verboden gebruiksvoorwaarden te stellen „gericht op doeleinden van economisch beleid, welke in de bepalingen der Gemeenschap niet zijn voorzien.”
Daarnaast zijn nog twee arresten te noemen waarin de in bepaalde gemeenschapsverordeningen gebruikte begrippen „landbouwbedrijf” en „landbouw” centraal staan. In het arrest van 28 februari 1978 (zaak 85/77, Azienda Avicola Sant'Anna, Jurispr. 1978, blz. 527) heet het dat uit de verdragsbepalingen dan wel uit de regelen van het afgeleide gemeenschapsrecht onmogelijk een algemene en uniforme definitie van de term „landbouwbedrijf” kan worden afgelezen; het ligt veeleer op de weg van de communautaire instellingen om voor de op het Verdrag berustende regelingen telkens een zodanige definitie op te stellen. In dezelfde zin het arrest van 13 juni 1978 (zaak 139/77, Denkavit, Jurispr. 1978, blz. 1317), waarin over het begrip „landbouw” wordt opgemerkt dat het niet nauwkeurig in het Verdrag is omschreven en dan ook nadere precisering in het secundaire recht behoeft, voor de interpretatie waarvan de doelstelling van de regeling en de samenhang van de bepalingen van belang is. Het is niet uitgesloten dat, naar gelang van de gekozen definitie, verschillende sectoren verschillend worden behandeld. De enige voorwaarde is dat men daarbij objectieve criteria hanteert.
4.
Wij mogen dus aannemen dat de bevoegdheden van de Lid-Staten, ook op gebieden waar zeer gedetailleerde gemeenschappelijke regels betreffende de marktordening gelden, niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot zuiver organisatorische en uitvoerende bevoegdheden, doch dat zij stellig ook een zekere discretionaire bevoegdheid kunnen hebben op materieelrechtelijk gebied. Deze behoeft niet per se uitdrukkelijk te zijn toegekend, maar kan onder omstandigheden ook impliciet volgen uit het gebruik van vage begrippen in samenhang met de gegeven doelstelling van de regeling.
Uit de genoemde rechtspraak volgt verder duidelijk dat de context waarin verordening nr. 2902/77 is uitgevaardigd, alsmede haar — niet in de tekst zelf vermelde — doelstelling, die met name uit haar considerans kan worden afgeleid, bepalend zijn voor de oplossing van het probleem dat ons bezighoudt.
Zo is van belang dat het in verordening nr. 2902/77 neergelegde bijzondere invoerstelsel vooral Italië ten goede moest komen. Het betreft hier een maatregel van regionaal beleid, die was getroffen met het oog op het vooral in Italië heersende tekort aan jonge runderen; dit tekort vloeit voort uit de bijzondere geografische gesteldheid van het land, waardoor grote veehouderijen geenszins regel zijn.
Verder is ook duidelijk dat verordening nr. 2902/77, waar zij in artikel 1, lid 5, een bevoorrechte positie voor landbouwers schept, daarbij de veehouders op het oog heeft. In verband hiermee moge worden gewezen op het doel van de regeling, zoals dat uit de considerans blijkt; verder is hier van belang artikel 13 van verordening nr. 805/68, waarin, in verband met de reeds genoemde, door de Raad op te stellen balans, over de behoeften van de veehouders wordt gesproken.
Met de Commissie en de Italiaanse regering ben ik echter van mening dat dit niet de enige elementen zijn die bij de uitlegging moeten worden betrokken, en dat zij evenmin de gevolgtrekking rechtvaardigen dat het de bedoeling van de regeling is iedere veehouder het recht te geven zo'n bijzonder certificaat aan te vragen. Men moet immers niet over het hoofd zien, dat het volgens de considerans van verordening nr. 2902/77 niet alleen om een verbetering van de Italiaanse veehouderijstructuren gaat. Mijns inziens heeft de Commissie gelijk wanneer zij onder verwijzing naar dit aspect — en niet zozeer naar de tweede alinea van artikel 1, lid 5, van de verordening, waarin sprake is van specificatie van de categorieën van aanvragers — tot een zekere begripsbepalende bevoegdheid van de meest betrokken Lid-Staat, Italië, concludeert. Waar het om eisen van structuurpolitieke aard gaat, beschikken de Lid-Staten uiteraard over betere kennis van zaken dan de gemeenschapswetgever. Men kan zeggen dat de Gemeenschap op terreinen waar het om beïnvloeding van de structuren gaat, uit de aard der zaak onvoldoende inzicht heeft in de vraag hoe hieraan de noodzakelijke inhoud kan worden gegeven, en daarom wordt hier dan ook bij voorkeur het instrument van de richtlijn gehanteerd, dat slechts het te bereiken resultaat verbindend vastlegt en de keuze van middelen en wegen aan de Lid-Staten overlaat.
Wanneer men echter tot de slotsom komt dat uit de doelstellingen van de regeling en de in deze context gebruikte begrippen een bevoegdheid van Italië valt af te leiden om het begrip „landbouwer” te definiëren, dan kan men er in principe ook geen bezwaar tegen hebben, dat hiertoe wordt verwezen naar een wet tot uitvoering van richtlijnen die eveneens structuurpolitieke doeleinden nastreven. Dat dit heeft geleid tot bevoorrechting van bedrijven die weliswaar als hulpbehoevend, maar ook als levensvatbaar konden worden aangemerkt, kan men toch moeilijk onverenigbaar achten met het doel van de maatregel. Het moet veeleer als volkomen adequaat worden aangemerkt dat een maatregel zoals die van artikel 1, lid 5, van verordening nr. 2902/77, waarvan men trouwens niet moet vergeten dat hij slechts geldt voor een fractie van de totale invoer, wordt geconcentreerd op bedrijven die zich niet enkel op bijkomstige wijze met landbouw bezighouden en waarvan de beste structuurpolitieke invloed te verwachten is.
5.
Na deze principiële vaststelling moet echter nog worden bezien of een van de, door verzoeker in het hoofdgeding ingebrachte bezwaren tegen het aldus gemotiveerde standpunt van de Commissie tot een ander oordeel dwingen. Dit is — als ik dat zo direct mag zeggen — mijns inziens niet het geval.
Zoals bekend, is gesteld dat de structuurpolitieke richtlijnen waaraan de Italiaanse regering gerefereerd heeft, langdurige hervormingen en een verandering van dimensies beogen — dit zou blijken uit de voorziene vijfjarenplannen —, terwijl het bij het onderhavige bijzondere invoerstelsel om marktbeleid zou gaan, te weten het opheffen van de tekorten aan mestrunderen, iets wat op korte termijn kan worden verwezenlijkt. In dit verband behoeven wij er enkel op te wijzen dat verordening nr. 2902/77 klaarblijkelijk geen fundamentele structuurpolitieke maatregel is, dat integendeel in de considerans ervan slechts sprake is van een bijdrage tot verbetering van de veehouderijstructuur en van de rundvleesproduktie. Maatregelen op korte termijn echter kunnen stellig ook „bijdragen” tot een structureel beleid, zeker wanneer zij herhaaldelijk worden toegepast. De in verordening nr. 2902/77 voorziene actie past dus beslist wel in een structuurpolitiek.
Verder is gesteld dat het twijfelachtig is of de Italiaanse wet van 9 mei 1975, om welks definities het in casu gaat, de structuurpolitieke richtlijnen van de Raad wel op de juiste wijze ten uitvoer legt. Verzoeker wijst er in dit verband op dat volgens artikel 8, lid 1, sub b, van richtlijn nr. 72/159 steun is uitgesloten voor de aankoop van mestkalveren, en hij meent dat genoemde Italiaanse wet, door vennootschappen buiten beschouwing te laten, niet in overeenstemming is met artikel 5 van de richtlijn. Hier dringt zich de vraag op, of een procedure ex artikel 177 nu wel de aangewezen weg is om de opgeworpen problemen te onderzoeken, waarbij nog kan worden opgemerkt dat de Commissie in ieder geval niet te kennen heeft gegeven dat de geuite twijfels gefundeerd waren en dat er termen aanwezig zijn tot instelling van een procedure wegens verdragsschending. Wat de twijfel van verzoeker betreft, moet er bovendien op worden gewezen dat het in het onderhavige geval gaat om door de Gemeenschap zelf vastgestelde invoerverlichtingen en dat waar in artikel 5 gesproken wordt van een aantal samenwerkende bedrijfshoofden, daarmee toch moeilijk vennootschappen zonder meer bedoeld kunnen zijn.
Onder verwijzing naar met name het arrest in zaak 139/77 en naar de eis het discriminatieverbod te respecteren, heeft verzoeker tenslotte nog aangevoerd dat de regeling van de circulaire van 28 februari 1978, die een bijzondere groep landbouwers creëert, niet met dat verbod te verenigen is. Ten deze mag men echter niet vergeten dat van discriminatie geen sprake is wanneer een afwijking objectief gerechtvaardigd is. En dat is hier ongetwijfeld het geval. Ik moge hiertoe nogmaals aan de considerans van verordening nr. 2902/77 herinneren, waarin wordt gesproken van een bijdrage tot verbetering van de Italiaanse veehouderijstructuren. Op grond hiervan moet men aannemen dat een keuze van begunstigden op grond van structuurpolitieke aspecten in overeenstemming is met de doelstellingen van de verordening, temeer daar wordt gestreefd naar een beperking van de kring dergenen die aanvragen kunnen indienen, hetgeen ook in gemeenschapsrichtlijnen juist wordt geacht.
6.
Gelet op het voorgaande kan het antwoord op de vraag van de Pretore te Cecina mijns inziens slechts luiden als volgt:
In het kader van de bijzondere invoerregelingen voor jonge mannelijke mestrunderen, waarin artikel 13 van verordening nr. 805/68 voorziet en die in de verordeningen nrs. 585/77 en 2902/77 zijn vastgesteld, was de Italiaanse overheid bevoegd de kring der begunstigden in de zin van artikel 1, van verordening nr. 2902/77, met inachtneming van het doel van de regeling, te preciseren. Daarbij mocht zij verwijzen naar de vereisten die waren gesteld in verband met de tenuitvoerlegging van de gemeenschapsrichtlijnen betreffende de modernisering van landbouwstructuur (richtlijnen nrs. 72/159, 72/160 en 72/161).
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy