CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 28 JUNI 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in het geding waarin ik heden heb te concluderen, is sinds 1961 werkzaam bij de Europese Gemeenschappen: eerst bij het Parlement, vervolgens bij de Raad en vanaf 1965 bij de talendienst van de Commissie. In 1967 werd hij bevorderd tot de rang LA5 en in 1973 tot de Rang LA4. Sinds 1974 maakt hij deel uit van de vertalersgroep van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers (Commission administrative pour la sécurité sociale des travailleurs migrants — hierna: CASSTM). Deze groep bestaat uit vertalers voor verschillende talen, valt administratief onder Directoraat-generaal IX, doch is in feite ter beschikking gesteld van DG V. Zij maakt deel uit van afdeling IX/D/3 (Vertaling: Algemene Zaken), een onderdeel van Directoraat IX/D (Vertaling, documentatie, vermenigvuldiging, bibliotheek). Bij deze vertalersgroep, die onder leiding staat van een groepshoofd, was verzoeker vertaler en reviseur van vertalingen in het Duits. Sinds 1975 was hij bovendien belast met de coördinatie van het werk van de vijf Duitse vertalers van de rang LA5, die bij de groep waren ingedeeld, terwijl hij tevens het groepshoofd bij diens afwezigheid verving.
Nadat zich tussen verzoeker en de andere leden van de groep herhaaldelijk spanningen en moeilijkheden hadden voorgedaan, deelden de vijf Duitse leden de bevoegde afdelingschef Pignot schriftelijk mee dat zij verzoeker „als collega en als meerdere in iedere vorm, bij voorbeeld in verband met de verdeling der werkzaamheden, afwijzen”. De afdelingschef stelde zich bij de betrokkenen en bij verzoeker op de hoogte van het gebeurde en trachtte hen rond de tafel te krijgen voor een gesprek. Dit mislukte echter, daar verzoeker op het laatste ogenblik liet weten dat hij geen confrontatie met de „samenzweerders” wenste, doch een klacht bij de voorzitter van de Commissie zou indienen. In een „nota voor het archief” van 20 juni 1977 stelde de heer Pignot vast dat zijn bemiddelingspogingen waren mislukt, en dat hij het hoofd van de vertalersgroep van de CASSTM, juffrouw Peppinck, had verzocht zelf zorg te dragen voor de verdeling van de vertalingen in het Duits. Deze nota liet hij mede ondertekenen door alle betrokkenen. In een tweede nota van dezelfde datum deelde Pignot verzoeker desgevraagd schriftelijk mee, dat hij juffrouw Peppinck had verzocht voortaan zelf het werk over de Duitse vertalers te verdelen. Daarbij beklemtoonde hij dat deze maatregel geen strafmaatregel was, doch in het belang van de dienst en voorlopig van aard was, met als enig doel de goede voortgang der werkzaamheden te verzekeren.
Op 21 juni 1977 zond verzoeker een brief aan de voorzitter van de Commissie, waarin hij de Commissie verzocht onverwijld „op te treden tegen ambtenaren die een samenspanning tegen mij op touw hebben gezet; de door de heer Pignot (hoofd van de afdeling IX/D/3) genomen maatregelen waarbij de eisen van de samenzweerders zijn ingewilligd, in te trekken; en ten slotte de nodige maatregelen ten nemen om bij de vertalersgroep van de CASSTM een goed arbeidsklimaat, zonder angst en onrust, te herstellen”.
Op 1 juli 1977 deelde de heer Pignot verzoeker mondeling mee, dat hij het tijdelijk afwezige groepshoofd niet mocht vervangen.
Deze mededeling was voor verzoeker aanleiding ten vervolge op zijn brief van 4 juli 1977 een nieuwe brief aan de voorzitter van de Commissie te schrijven, waarin hij intrekking verzocht van de tegen hem gerichte maatregel, die volgens hem, nu een desbetreffend besluit van de Commissie ontbrak, inbreuk maakte op artikel 26 van het Reglement van orde van de Commissie.
Een hem door zijn directeur Ciancio op 28 juni 1977 voorgestelde detachering bij de „Task Force Portugal”, werd door verzoeker bij brief van 1 juli 1977 geweigerd. Nadat zijn directeur hem nogmaals schriftelijk had verzocht dit voorstel in overweging te nemen, wendde verzoeker zich bij brief van 25 juli 1977 ten derde male tot de voorzitter van de Commissie, met verzoek de verdere behandeling van zijn verzoek van 21 juni 1977 niet over te laten aan directeur Ciancio en zijn afdelingschef Pignot, doch een onafhankelijke instantie op te dragen.
Bij brief van 27 juli 1977 stelde directeur-generaal Baichère verzoeker per 1 september 1977 ter beschikking van de Task Force Portugal. Tevens deelde hij hem mee, dat zijn verzoeken van 21 juni 1977 en 4 juli 1977 nog in behandeling waren.
Toen bleek dat verzoeker bij de Task Force Portugal hoofdzakelijk vertalingen uit het Portugees in het Frans moest maken, diende hij per brief van 24 oktober 1977 een klacht in bij de voorzitter van de Commissie „tegen alle tot dusver door het tot aanstelling bevoegd gezag in deze aangelegenheid in mijn nadeel genomen respectievelijk nagelaten maatregelen”.
Bij brief van 27 oktober 1977, dus na de indiening van de klacht, deelde directeur-generaal Baichère hem mee dat hij zich nogmaals over de situatie wilde beraden, om verzoeker zo snel mogelijk tewerk te kunnen stellen op een nieuwe post die in overeenstemming zou zijn met zijn capaciteiten en met de belangen van het tot aanstelling bevoegde gezag. Inmiddels verzocht hij verzoeker de hem door zijn directeur Ciancio opgedragen bijzondere werkzaamheden te verrichten.
Bij brief van 8 februari 1978, door verzoeker ontvangen op 1 maart 1978, werd hem door het lid van de Commissie Tugendhat meegedeeld, dat de Commissie zijn klacht van 24 oktober 1977 niet kon inwilligen, daar een onderzoek van zijn verzoek van 21 juni 1977 geen aanwijzingen voor het bestaan van een samenspanning aan het licht had gebracht; dat het besluit van de directeur-generaal hem ter beschikking van de Task Force Portugal te stellen, samenhing met de behoeften van deze dienst en met verzoekers bekwaamheden; en ten slotte, dat men hem in het belang van de dienst en met het oog op zijn bekwaamheden de (vorenbedoelde) bijzondere taken had toevertrouwd.
Op 29 mei 1978 stelde verzoeker beroep in bij het Hof van Justitie, waarbij hij concludeerde:
1.
het besluit van de heer Pignot, vervat in de nota van 20 juni 1977, om verzoeker te ontheffen uit zijn functie van coördinator van de Duitse sectie van de vertalersgroep CASSTM, nietig te verklaren;
2.
het besluit van de heer Pignot, dat verzoeker bij afwezigheid van zijn chef deze niet vervangt, nietig te verklaren;
3.
het besluit van directeur-generaal Baichère van 27 juli 1977, waarbij verzoeker van zijn post van reviseur-coördinator bij de vertalersgroep CASSTM werd overgeplaatst naar de Task Force Portugal, nietig te verklaren;
4.
voor zoveel nodig, het besluit van directeur-generaal Baichère van 27 oktober 1977, waarbij verzoeker ter beschikking van directeur Ciancio is gesteld, nietig te verklaren;
5.
de afwijzing, door de wederpartij, van verzoekers verzoek van 21 juni 1977, om hem te beschermen tegen het drijven van een aantal zijner collega's, nietig te verklaren;
6.
de wederpartij te verwijzen in de kosten van het geding.
Daarentegen is de Commissie (verweerster) van mening dat verzoeker op de meeste onderdelen niet kan worden ontvangen. Zij concludeert derhalve tot niet-ontvankelijk- of althans ongegrond-verklaring van het beroep en tot verwijzing van verzoeker in de kosten.
Met betrekking tot de feiten en de conclusies van partijen zou ik het volgende willen opmerken.
I — De ontvankelijkheid
Allereerst wil ik de ontvankelijkheid van de verschillende conclusies onderzoeken.
1.
Verzoekers eerste conclusie strekt tot nietigverklaring van het besluit van zijn afdelingschef van 20 juni 1977, waarbij de verdeling van de vertaalwerkzaamheden in de Duitse sectie, een taak die tot dan toe door verzoeker werd verricht, aan het hoofd van de vertalersgroep werd opgedragen.
Dit verzoek acht de Commissie reeds daarom niet-ontvankelijk omdat de beroepstermijnen niet in acht zouden zijn genomen. Verzoeker heeft bij brief van 21 juni, ingeschreven op 22 juni, bij de Commissie als tot aanstelling bevoegd gezag een klacht ingediend in de zin van artikel 90, lid 2, Abtenarenstatuut. Toen binnen de in artikel 90, lid 2, voorgeschreven termijn van vier maanden geen antwoord was gegeven, gold deze klacht op 22 oktober als stilzwijgend afgewezen. Ingevolge artikel 91, lid 3, van het Statuut had dus uiterlijk op 22 januari 1978 beroep moeten worden ingesteld.
Voorts betwist verweerster de ontvankelijkheid van het verzoek in verband met het rechtskarakter van de litigieuze maatregel. Volgens haar is het besluit van 20 juni 1977 slechts een handeling die onder de interne organisatiebevoegdheid van de instelling valt en verzoekers statutaire positie niet aantast. Het zou dus geen voor beroep vatbare maatregel zijn in de zin van artikel 91 van het Statuut.
Daartegenover stelt verzoeker dat de brief van 21 juni geen klacht in de zin van artikel 90, lid 2, was, doch slechts een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1. Dit zou reeds zijn af te leiden uit de woorden „ik verzoek” en het zou ook worden bevestigd door de brief van directeur-generaal Baichère van 27 juli, waarin wordt gesproken over het „verzoek van 21 juni 1977”. Voor een niet-jurist zou het bovendien niet altijd gemakkelijk zijn, tussen een verzoek en een klacht en de daaraan verbonden consequenties te onderscheiden. Verzoeker meent dat de Commissie hem erop had moeten attenderen dat zijn brief als een klacht moest worden beschouwd en dat hij derhalve binnen een bepaalde termijn bij het Hof in beroep moest gaan.
De litigieuze maatregel, die, anders dan de bewoordingen van de nota suggereren, geen voorlopig karakter had, zou voorts wel degelijk van invloed zijn op zijn positie in de dienst, onder meer omdat — aldus verzoeker — zijn carrièremogelijkheden werden beknot. Ook al was hij hiërarchisch niet boven zijn collega's geplaatst, toch had hij als coördinator stellig een leidende positie ten opzichte van zijn collega's, die erg belangrijk was voor zijn positie in de dienst. Zowel in zijn beoordelingsrapport als in de „Guide pratique de traducteur” zou veel nadruk zijn gelegd op de werkzaamheden van de coördinator.
Wat de kwalificatie van verzoekers brief van 21 juni 1977 aan de voorzitter van de Commissie betreft, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de vaststelling van de aard van een rechtshandeling niet worden gelet op het formele criterium van het uiterlijk aanzien of de door de auteur of derden daaraan gegeven benaming, doch uitsluitend op de objectieve inhoud en de werkelijke betekenis van de handeling. Reeds daarom is niet relevant, wat verzoeker boven de brief heeft gezet of hoe directeur-generaal Baichère deze heeft betiteld.
Veeleer is van belang dat verzoeker in deze brief de Commissie onder meer verzoekt, onmiddellijk „de door de heer Pignot (chef van de afdeling IX/D/3) tegen mij genomen maatregelen in te trekken”. Uit deze formulering blijkt mijns inziens duidelijk dat verzoeker niet wilde vragen om jegens hem een besluit in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut te nemen, doch dat hij het tot aanstelling bevoegde gezag wilde verzoeken om intrekking van een maatregel waardoor hij zich bezwaard achtte, en dat hij dus een klacht indiende in de zin van artikel 90, lid 2.
Vanaf de ontvangst van deze klacht op 22 juni 1977 begonnen derhalve de termijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut te lopen. Uiterlijk op 22 oktober 1977 gold de klacht als stilzwijgend afgewezen en verzoeker had volgens artikel 19, lid 3, uiterlijk op 22 januari 1978 daartegen beroep moeten instellen.
Genoemde termijnen zijn fatale termijnen, die het Hof ambtshalve moet toepassen en die geen ruimte laten voor billijkheidsoverwegingen. Ook behoeft het geen betoog, dat door het afwijzende besluit van de Commissie van 8 februari 1978, genomen na het verstrijken van de termijnen, niet een nieuwe termijn kon aanvangen.
Daar voorts uit de brief van 21 juni duidelijk blijkt dat het verzoekers bedoeling was een klacht in te dienen, bestond er voor de Commissie geen enkele aanleiding om op grond van het beginsel van de goede trouw verzoeker te attenderen op het tijdstip waarop de termijnen begonnen te lopen.
Overigens ben ik het met de Commissie eens, dat het besluit om verzoeker de verdeling der werkzaamheden uit handen te nemen, in casu een maatregel is die uitsluitend onder de interne organisatie bevoegdheid van de instelling valt en dus niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 91 van het Statuut.
In het arrest-Macevicius (zaak 66/75, arrest van 20 mei 1976, Jurispr. 1976, blz. 593) overwoog het Hof dat een handeling die onder de interne organisatiebevoegdheid van de instelling vak, slechts aanleiding kan geven tot een beroep krachtens artikel 91 van het Statuut, wanneer de rechten die de betrokkene aan de artikelen 5 en 7 van het Statuut ontleent, door die handeling zijn aangetast, bij voorbeeld doordat de ambtenaar verplicht wordt werkzaamheden uit te oefenen die niet overeenkomen met zijn ambt en rang. Hiertoe is niet voldoende dat de bevoegdheden van de ambtenaar worden gewijzigd of zelfs ingekrompen: nodig is dat zijn resterend bevoegdheidsterrein naar aard, belang en omvang duidelijk geringer is dan hetgeen overeenkomt met zijn ambt en rang (zie ook de arresten van 11 juli 1968, zaak 16/67, Labeyrie, Jurispr. 1968, blz. 435; en 14 juli 1976, zaak 129/75, Nemirovsky, Jurispr. 1976, blz. 1259).
Wat de feiten betreft, weten wij dat verzoeker, die als reviseur ambtenaar van de rang LA4 is, in de loop van 1975 mondeling de coördinatie der werkzaamheden van de andere vijf Duitse vertalers bij de CASSTM kreeg opgedragen. In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de functie van coördinator niet voorkomt in het overzicht van de standaardfuncties en loopbanen van bijlage I A bij het Statuut. Daarentegen wordt in de door het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer uitgegeven „Guide pratique du traducteur” van oktober 1975 vermeld, dat de werkzaamheden van een coördinator uitsluitend technisch van aard zijn. Daar wordt uitdrukkelijk gezegd dat het hiërarchieke gezag volledig in handen is van de afdelingschef, die ook alleen verantwoordelijk is voor de verdeling der werkzaamheden. De functie van coördinator is dus niet verbonden met de rang en de statutaire rechten van een ambtenaar. Het verlies van deze werkzaamheid leidt weliswaar tot een beperking van verzoekers werkterrein, doch heeft geen invloed op zijn statutaire positie. De ontheffing uit zijn coördinerende functie was dus uitsluitend een interne aangelegenheid en een zaak van administratieve werkwijze, die het hiërarchiek gezag volgens de eisen van de dienst moet kunnen inrichten en veranderen. Het voorlopige of definitieve karakter van de maatregel doet daarbij niet ter zake.
Weliswaar moet aan verzoeker worden toegegeven, dat vermelding van coördinerende werkzaamheden in het beoordelingsrapport van invloed kan zijn op de loopbaan en de promotiekansen. Op zichzelf kan hieraan echter geen recht worden ontleend op behoud van dergelijke werkzaamheden, die om intern-organisatorische redenen zijn opgedragen en geen verband houden met de positie van de betrokken ambtenaar.
Samenvattend kom ik tot de conclusie dat het eerste onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wegen overschrijding van de beroepstermijn en wegens het ontbreken van een te beschermen belang.
2.
De tweede conclusie strekt tot nietigverklaring van het mondeling meegedeelde besluit van de heer Pignot van 1 juli 1977, dat verzoeker zijn hiërarchieke meerdere bij diens afwezigheid niet meer mocht vervangen.
Volgens de Commissie is ook deze vordering niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Zij merkt voorts op dat het litigieuze besluit geen algemene strekking heeft, doch uitsluitend betrekking heeft op de vervanging van het groepshoofd, mej. Peppinck, gedurende haar jaarlijks verlof in 1977. Daarom kan ook dit besluit niet worden beschouwd als een bezwarende maatregel in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut.
Daarentegen is volgens verzoeker de brief van 4 juli 1977 ook enkel als een verzoek en niet als een klacht te beschouwen; hij ziet in het verbod zijn meerdere te vervangen, een maatregel van permanente aard.
Uit verzoekers brief van 4 juli 1977 aan de voorzitter van de Commissie blijkt duidelijk dat verzoeker — ongeacht de benaming die hij daaraan geeft — een klacht tegen een hem bezwarende maatregel wilde indienen. Hij schrijft immers: „Ik verzoek deze tegen mij gerichte maatregel in te trekken …” Ik verwijs hier ook naar mijn opmerkingen over het eerste onderdeel van de vordering. Toen de Commissie op 4 november nog geen antwoord op deze klacht had gegeven, moest zij op die datum worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen, zodat verzoeker daartegen uiterlijk op 4 februari 1978 beroep had moeten instellen. Het op 29 mei 1978 ingestelde beroep is dus ook op dit punt niet-ontvankelijk.
Geloofwaardig lijkt mij voorts hetgeen de Commissie over het litigieuze besluit zegt, namelijk dat het alleen genomen is met het oog op het bijzondere geval van de afwezigheid van het groepshoofd wegens vakantie in 1977. Hiervoor pleit dat verzoeker in zijn brief van 4 juli 1977 zelf zegt, dat de heer Pignot hem had meegedeeld dat „hij had besloten dat ik (verzoeker) het tijdelijk afwezige groepshoofd niet mocht vervangen”. Er kan dus geen twijfel over bestaan dat deze naar tijd strikt beperkte maatregel verzoekers ambtelijke positie niet kon aantasten, doch slechts moet worden beschouwd als een maatregel in het kader van het leiden van de administratieve werkzaamheden, die niet op grond van artikel 91 van het Statuut nietig kan worden verklaard.
Tegen deze opvatting kan ook niet worden aangevoerd dat verzoeker later niet meer met de vervanging van het groepshoofd is belast. Maar zoals ook de Commissie opmerkt, hangt dit niet samen met het litigieuze mondelinge besluit, doch met het feit dat verzoeker op grond van andere besluiten, waarop ik nog nader zal ingaan, niet meer bij de vertalersgroep van de CASSTM werkzaam was.
3.
De derde conclusie ten slotte is gericht tegen het besluit van directeur-generaal Baichère van 27 juli 1977, waarbij verzoeker per 1 september 1977 ter beschikking van de Task Force Portugal werd gesteld.
Volgens verweerster is ook dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk. In de eerste plaats omdat er geen belang mee is gediend aangezien het litigieuze besluit nog vóór de instelling van het beroep ongedaan was gemaakt, en voorts omdat het hier, evenals bij de eerder behandelde besluiten, enkel gaat om een inter-organisatorisch besluit dat in het belang van de dienst is genommen.
Daarentegen betoogt verzoeker dat het besluit niet ongedaan is gemaakt omdat men had ingezien dat het onrechtmatig was. Het besluit was reeds bezwarend door het enkele feit dat hij erdoor uit zijn functie werd ontheven. Ook al is het besluit ongedaan gemaakt, toch zou het morele en materiële gevolgen hebben gehad; daarom zou de nietigverklaring ervan voor hem een vorm van schadevergoeding zijn.
Het litigieuze besluit is inderdaad ongedaan gemaakt bij besluit van directeur-generaal Baichère van 27 oktober 1977, dus na het indienen van verzoekers administratieve klacht van 24 oktober en vóór het instellen van het beroep in rechte. Daardoor heeft dit onderdeel van de vordering in beginsel alle belang verloren (zie arrest van 27 oktober 1977, zaken 126/75, 34 en 92/76, Giry, Jurispr. 1977, blz. 1937). Om niettemin aannemelijk te maken dat er in casu een belang is dat bescherming verdient, zou verzoeker beter gestaafde en objectief relevante aanwijzingen moeten aandragen, waaruit zou kunnen blijken dat hij belang heeft bij nietigverklaring achteraf van een besluit dat geen gevolgen meer heeft. Dit belang zou eventueel kunnen worden aangenomen wanneer het „overplaatsingsbesluit” formeel of materieel gebrekkig was geweest of wanneer het daarbij om een tuchtmaatregel was gegaan.
Zoals reeds uit de tekst van het besluit blijkt, werd verzoeker niet overgeplaatst naar de Task Force — daartoe zou krachtens artikel 7 van het Statuut alleen het tot aanstelling bevoegde gezag bevoegd zijn geweest —, doch enkel ter beschikking gesteld van de Task Force, zodat zijn rang en zijn statutaire rechten daardoor niet werden beïnvloed. Voorts wordt in het besluit uitdrukkelijk gezegd dat de detachering uitsluitend geschiedde in verband met de eisen van de dienst en verzoekers algemeen erkende bekwaamheid als reviseur. Een zo positieve motivering kan als zodanig geen afbreuk doen aan verzoekers carrière en promotiekansen. Bovendien hebben wij gehoord dat de Task Force inderdaad ook vertalers met kennis van het Portugees nodig had.
Ten slotte, ook al verloor verzoeker daardoor zijn functie van coördinator en de mogelijkheid om het hoofd van de vertalersgroep van de CASSTM te vervangen, daardoor wordt het besluit van directeur-generaal Baichère nog niet onrechtmatig. Zoals ik al zei, kunnen in het kader van intern-organisatorische bevoegdheden uitgeoefende functies te allen tijde door een besluit van organisatorische aard aan de betrokken ambtenaar worden ontnomen. De vraag wie mej. Peppinck zou vervangen, was echter na verzoekers detachering bij de Task Force niet meer van belang.
Bij de beoordeling van deze feiten kom ik tot de conclusie, dat verzoeker geen bijzonder belang heeft bij nietigverklaring van een besluit dat volstrekt irrelevant is geworden. Daarom stel ik voor het derde onderdeel van de vordering af te wijzen op grond dat een te beschermen belang ontbreekt.
4.
Verzoekers vierde conclusie ten slotte strekt tot nietigverklaring van het besluit van directeur-generaal Baichère van 27 oktober 1977, waarbij verzoeker ter beschikking van directeur Ciancio werd gesteld voor het verrichten van bijzondere werkzaamheden.
Aangezien dit besluit pas drie dagen na verzoekers klacht van 24 oktober 1977 is genomen, is daartegen geen klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediend. Deze vordering moet daarom wegens het ontbreken van een voorafgaande administratieve klacht eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.
II — Ten gronde
Nu de eerste vier onderdelen van de vordering niet ontvankelijk zijn gebleken, behoeft niet meer te worden onderzocht of zij gegrond zijn. Bovendien blijkt reeds uit mijn opmerkingen over de ontvankelijkheid dat ik deze vorderingen, mochten zij ontvankelijk zijn, ook ongegrond acht, daar alle litigieuze maatregelen zijn genomen in het kader van de interne organisatie, ten einde verstoringen van de goede werking van de dienst op te heffen, hetgeen niet van invloed is op verzoekers tewerkstelling op een ambt dat in overeenstemming is met zijn rang. Dit geldt met name ook voor het laatste besluit van directeur-generaal Baichère, waarbij verzoekers detachering bij de Task Force ongedaan werd gemaakt. Zoals wij hebben gehoord, is hij thans bij dezelfde directie belast met moeilijke vertalingen en revisiewerkzaamheden. Gezien de aard, het belang en de omvang van deze werkzaamheden kan niet worden gezegd dat zij niet in overeenstemming zijn met de rang LA4 en met verzoekers ambt.
Ten slotte hoeft dan alleen nog verzoekers laatste conclusie te worden onderzocht, die is gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek om bescherming tegen het optreden van zijn collega's en die geen vragen oproept met betrekking tot de ontvankelijkheid.
Verzoeker beroept zich op artikel 24, lid 1, van het Statuut, volgens hetwelk „de Gemeenschappen bijstand verlenen aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad …, waaraan hij … uit hoofde van zijn hoedanigheid of zijn functie blootstaat”. Hij beschouwt de brief van zijn collega's van 15 juni 1977, waarbij zij de afdelingschef berichtten dat zij weigerden verder met verzoeker samen te werken, als samenspanning waardoor hij in zijn eer wordt gekrenkt. Bovendien zou zijn afdelingschef Pignot ook niet bevoegd zijn geweest de in artikel 24 van het Statuut bedoelde bijstand te verlenen, daar deze verplichting ten aanzien van LA4-ambtenaren op de Commissie rust, die haar bevoegdheden ten deze niet heeft gedelegeerd.
Hiertegenover verwijst verweerster naar het arrest van 18 oktober 1976 (zaak 128/75, N. tegen Commissie, Jurispr. 1976, blz. 1567). Zij merkt op dat de administratie op grond van artikel 24 Statuut alleen bij ernstige aantasting van de beroepseer moet ingrijpen en alle nodige maatregelen moet nemen. De brief van verzoekers collega's zou echter geen ernstige krenking van diens eer zijn geweest en de heer Pignot zou al het mogelijke hebben gedaan om het conflict op te lossen.
Om te beginnen met de feiten: uit nota's die al vóór 15 juni 1977 zijn gewisseld, blijkt dat in verzoekers dienst spanningen en moeilijkheden bestonden — ik wil niet ingaan op de schuldvraag — waardoor de goede werking van de dienst in gevaar werd gebracht. De vraag of onder deze omstandigheden de litigieuze brief reeds een onrechtmatige aantasting van verzoekers beroepseer in de uitoefening van zijn ambt was, kan naar ik meen buiten beschouwing blijven. In ieder geval heeft de bevoegde afdelingschef na het horen van de betrokkenen een zinvolle maatregel genomen, door de verschillende partijen uit te nodigen voor een gesprek om het conflict bij te leggen. Nu verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan die uitnodiging, kan hem het mislukken van deze verzoeningspoging worden aangerekend. Het staat buiten kijf dat de afdelingschef als hiërarchieke meerdere daartoe ook bevoegd was, want artikel 24 zegt alleen dat de Gemeenschappen bij bepaalde onrechtmatige handelingen bijstand moeten verlenen.
Zo gezien, mocht het bevoegde gezag stellig proberen het conflict op te lossen door verzoeker een andere werkkring te bezorgen en dusdoende de goede werking van de dienst te waarborgen. Ook heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat deze maatregel op een „samenspanning” zouden zijn terug te voeren. Uit de brief van de Commissie van 8 februari 1978 blijkt dat de gehele zaak ook daarna nog is onderzocht.
Ik kom dan ook tot de conclusie dat het vijfde onderdeel van de vordering ongegrond moet worden verklaard.
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van elk der partijen in de aan haar zijde gevallen kosten overeenkomstig de artikelen 69 en 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy