CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 8 MAART 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De beide prejudiciële procedures waarin ik vandaag conclusie neem, hebben betrekking op de gemeenschappelijke 16021 marktordening voor granen, zoals geregeld in verordening nr. 120/67 van de Raad van 13 juni 1967 (PB 1967, blz. 2269).
Deze marktordening wil de producenten in de Gemeenschap zekere inkomsten garanderen. Daartoe worden richtprijzen vastgesteld op een niveau waarop de marktprijzen zich moeten stabiliseren. Zij worden vastgesteld voor Duisburg „in het stadium van de groothandel, geleverd franco-magazijn zonder lossing”. Ten einde het gemeenschappelijke prijsniveau te garanderen, worden de prijzen van de importen uit derde landen middels heffingen op het gemeenschapsniveau gebracht, waartoe van de richtprijzen zogenoemde drempelprijzen worden afgeleid, die niets anders zijn dan de richtprijzen voor Rotterdam, de voornaamste plaats van invoer. Men komt tot de drempelprijzen, door van de richtprijzen de overslagkosten in Rotterdam, de vervoerkosten Rotterdam-Duisburg en een handelsmarge voor de importeurs af te trekken. De heffing komt dan overeen met het verschil tussen de cif-prijs Rotterdam en de drempelprijs (artikel 13 van verordening nr. 120/67). Dit geldt voor in de Gemeenschap geproduceerde graansoorten.
Aangezien voor andere, in de Gemeenschap weinig of in het geheel niet voortgebrachte produkten die — zoals bij voorbeeld sorgho — met binnenlandse produkten concurreren, geen richtprijzen worden vastgesteld, kunnen de desbetreffende drempelprijzen, op grond waarvan de heffing wordt vastgesteld, niet aldus van deze richtprijs worden afgeleid.
Daarom bepaalt artikel 5, lid 2, van verordening nr. 120/67 dat de drempelprijs voor dergelijke produkten op zodanige wijze wordt vastgesteld, dat de prijzen voor de binnenlandse graansoorten die met deze produkten in concurrentie staan, op de markt van Duisburg het niveau van de richtprijs bereiken. Dit betekent dat de drempelprijs voor sorgho zo moet worden vastgesteld, dat de markt voor gerst en maïs in Duisburg niet wordt verstoord.
In het hoofdgeding gaat het erom of de in 's Raads verordening nr. 1173/75 van 28 april 1975 (PB L 117 van 1975, blz. 6) voor zachte tarwe en in 's Raads verordening nr. 1427/74 van 4 juni 1974 (PB L 151 van 1974, blz. 1) voor sorgho vastgestelde drempelprijs juist berekend is. Dit is voor verzoekster in het hoofdgeding daarom van belang, omdat zij in augustus 1975 invoercertificaten voor zachte tarwe met voorfixatie van de heffing voor de maanden augustus, september en oktober 1975 heeft ontvangen (zaak 131/78), en in juli 1974 invoercertificaten voor sorgho met voorfixatie van de heffing voor de maanden juli, augustus en september 1974 (zaak 150/78). Zij is van oordeel dat de drempelprijzen in beide gevallen te hoog zijn vastgesteld, doordat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de in de considerans van beide genoemde verordeningen bedoelde „voorkosten” (vervoerkosten Rotterdam-Duisburg, overslagkosten te Rotterdam en een handelsmarge van de importeur). Daarom maakte zij bezwaar tegen de heffingnota's en ging zij, nadat dit ongegrond was verklaard, in beroep bij het Hessische Finanzgericht. Dit heeft bij beschikkingen van 3 mei en 6 juni 1978 de procedures geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd :
1.
In zaak 131/78:
„Is verordening (EEG) nr. 1173/75 van de Raad van 28 april 1975 houdende vaststelling van de drempelprijzen voor granen voor het verkoopseizoen 1975/1976 (PB L 117 van 1975, blz. 6), voor zover betrekking hebbende op zachte tarwe, wegens strijd met artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 120/67 van de Raad van 13 juni 1967 (PB 1967, blz. 2269), zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 85/75 (PB L 11 van 1975, blz. 1) ongeldig en derhalve niet toepasselijk?”
2.
In zaak 150/78:
„Is verordening (EEG) nr. 1427/74 van de Raad van 4 juni 1974 houdende vaststelling van de drempelprijzen voor granen voor het verkoopseizoen 1974/1975 (PB L 151 van 1974, blz. 1), voor zover betrekking hebbende op sorgho, wegens strijd met artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 120/67 van de Raad van 13 juni 1967 (PB 1967, blz. 2269), zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1125/74 (PB L 128 van 1974, blz. 12), ongeldig en derhalve niet toepasselijk?”
Naar aanleiding van deze vragen wil ik het volgende opmerken.
I — De geldigheid van verordening nr. 1173/75, voor zover betrekking hebbende op de vaststelling van de drempelprijs voor zachte tarwe
1.
Laat ik, alvorens deze vraag te onderzoeken, eerst een overzicht geven van de desbetreffende rechtspraak, opdat duidelijk is welke beginselen reeds als vaststaand kunnen worden beschouwd.
In het arrest van 12 mei 1971 (zaak 76/70, Ludwig Wünsche & Co, Jurispr. 1971, blz. 393) werd bij voorbeeld verklaard, dat voor de berekening van de drempelprijs de commercialisatiekosten tussen de plaats van invoer aan de grens en de plaats van toepassing van de basisrichtprijs in aanmerking moeten worden genomen. Aangezien het in casu echter om een algemeen heffingstelsel ging, dienden deze niet te worden berekend op basis van de voor een bepaalde levering werkelijk gemaakte kosten, doch door forfaitaire berekening van de kosten die de importeur onvermijdelijk moet dragen.
Deze opvatting werd bekrachtigd en gedeeltelijk gepreciseerd in het arrest van 12 juli 1973 (zaak 11/73, Getreide-Import GmbH, Jurispr. 1973, blz. 919), volgens hetwelk het aankomt op de commercialisatiekosten die elke importeur bij de verrichtingen en formaliteiten bij invoer onvermijdelijk moet voldoen. Met name ten aanzien van de vervoerkosten werd benadrukt dat de normale kosten in aanmerking zijn te nemen, hetgeen betekent dat van de gunstigste wijze van vervoer kan worden uitgegaan.
2.
Verzoekster in het hoofdgeding is van mening dat bij de vaststelling van de drempelprijs voor zachte tarwe in het jaar 1975 de overeenkomstig de rechtspraak in aanmerking te nemen commercialisatiekosten onjuist zijn berekend, met name wat betreft de vervoerkosten Rotterdam-Duisburg, de overslagkosten te Rotterdam en de handelsmarge voor de importeur, daaronder begrepen een aantal kleinere posten zoals het tarief voor de douane-afhandeling, de kosten van de waarborg en de kosten voor de controle bij ontvangst. Ten deze moet het volgende worden opgemerkt.
a) De vervoerkosten
aa)
Wanneer ik de verklaringen van verzoekster tijdens de hoorzitting juist heb begrepen, dan berust haar twijfel aan de juistheid van de in aanmerking genomen vervoerkosten vooral op een te harer kennis gekomen werkdocument voor een zitting in mei 1974, waarin de drempelprijs zou worden vastgesteld. Uit dit document, dat bestemd was voor de Duitse delegatie, kon worden afgeleid dat de Italiaanse delegatie een hoger vrachttarief voor ogen stond dan de Commissie had voorgesteld — namelijk 3,10 in plaats van 1,02 rekeneenheden — en dat ook de Deense delegatie een hoger vrachttarief (1,80 rekeneenheden) juist achtte dan waarop de Raad zijn beslissing toen baseerde (1,25 rekeneenheden).
Dit kan echter voor de onderhavige procedure niet de doorslag geven. Ten eerste kan uit het genoemde document niet worden afgeleid, of de door de Italiaanse en Deense delegatie voorgestelde hogere bedragen gebaseerd waren op concrete onderzoekingen op de vervoermarkt. Het is zelfs niet uitgesloten dat zij op grond van handelspolitieke overwegingen zijn voorgesteld, aangezien beide genoemde staten belang hadden bij goedkopere importen, die juist door een verlaging van de drempelprijs en een vermindering van het verschil met de cif-prijs mogelijk zouden worden. Voorts mag men niet over het hoofd zien dat de genoemde tarieven betrekking hadden op het verkoopseizoen 1974/1975, terwijl het in het hoofdgeding om het verkoopseizoen 1975/1976 gaat. De tarieven voor dat jaar zijn echter — zoals Raad en Commissie verzekeren — unaniem vastgesteld; er was dus geen enkele delegatie die meende dat de vervoerkosten, die op een iets hoger bedrag dan in het voorgaande jaar worden vastgesteld (1,30 in plaats van 1,25 rekeneenheden), te laag waren.
bb)
Vervolgens maakt verzoekster in algemene zin aanmerkingen op het feit dat bij de vaststelling van de richtprijs niet voldoende rekening zou zijn gehouden met de voorzienbare inflatie.
Ter terechtzitting is echter gebleken dat ook dit argument van geen enkel belang is voor de vervoerkosten. In de eerste plaats kan daartoe worden verwezen naar bijlage I van de memorie van de Commissie, waarin een overzicht wordt gegeven van de bedragen die vanaf het verkoopseizoen 1969/1970 in aanmerking zijn genomen. Hieruit blijkt dat de tarieven niet ongewijzigd zijn gebleven, doch in zekere mate zijn verhoogd, en wel juist ook van het seizoen 1974/1975 op het seizoen 1975/1976. Overtuigend klinkt voorts het argument van de Commissie, dat in de Rijnscheepvaart, met haar overcapaciteit, niet in de laatste plaats vanwege de dumpingpraktijken van Oostblokstaten een wilde concurrentieslag woedt die de vrachttarieven voortdurend laag houdt. Aldus valt te verklaren waarom de hier te constateren ontwikkeling geen gelijke tred houdt met de algemene kosteninflatie, en het is dan ook niet verrassend dat, zoals de Commissie onweersproken heeft verklaard, nog in 1978 vrachttarieven golden die tussen DM 4,75 en DM 5 per ton lagen.
cc)
Haar stelling dat de vervoerkosten op een te laag niveau zouden zijn vastgesteld, baseert verzoekster voorts op een berekening waarbij het vervoertarief voor het binnenlandse traject Emmerik-Duisburg, ontleend aan de „Frachten- und Tarifanzeiger der Binnenschiffahrt” van 20 juni 1975, wordt opgeteld bij het vervoertarief voor het buitenlands deel van het traject (Rotterdam-Emmerik), berekend op grond van het tarief per kilometer, vermeld in de bindende richtlijnen inzake de vervoerprijssubsidie voor het jaar 1975/1976 van het Bondsministerie van Voedselvoorziening. Op die wijze komt zij tot vervoertarieven van DM 8,86 per ton, waarmee vergeleken de DM 4,76 per ton waarop de drempelprijsverordening is gebaseerd, veel te laag zou zijn.
Zoals verzoekster zelf toegeeft, gaat het bij de genoemde bedragen om een theoretische berekening met een heel bijzonder doel, die niets te maken heeft met de werkelijke vervoerkosten. Doch alleen op deze laatste komt het hier aan. In feite kent men op de Rijn in het grensoverschrijdend vervoer niet een dusdanig uitgesplitste berekening, maar enkel internationale, vrij overeengekomen tarieven. De geldigheid van de drempelprijsverordening kan dus niet worden beoordeeld op grond van een dergelijke theoretische berekening, doch enkel op grond van het werkelijk in rekening gebrachte vervoertarief.
Daarvoor kan ik verwijzen naar een door verzoekster zelf overgelegde berekening, afkomstig van het binnenscheepvaartbedrijf Rhenus AG, volgens hetwelk bij jaarcontracten voor graanvervoer van Rotterdam naar Duisburg de binnenscheepvaarttarieven begin 1975 voor hoeveelheden van 300 tot 500 ton ongeveer DM 4,80 per ton bedroegen.
Daartegenover heeft de Commissie verklaard dat zij voor de door haar voorgestelde en bij het vaststellen van de drempelprijs in aanmerking genomen vervoerkosten voortdurend contact heeft gehad met het betrokken bedrijfsleven (de Nederlandse particuliere Rijnvaart Centrale en Petersons Havenbedrijf), alsmede onder meer met twee ondernemingen die een groot aantal schepen op de Rijn exploiteren. Daarbij moet wel in acht worden genomen dat het als grondslag genomen bedrag van DM 4,76 per ton betrekking heeft op ladingen tussen 500 en 1500 ton.
Stelt men echter deze bedragen van DM 4,76 en DM 4,80 per ton tegenover elkaar, dan blijft er in feite slechts een miniem verschil over, dat gemakkelijk kan worden verklaard op grond van de omstandigheid dat de verschillende vrachttarieven verschillende scheepstonnages betreffen. Met de door haar zelf overgelegde berekening heeft verzoekster mitsdien aangetoond dat de gemeenschapsinstellingen van juiste bedragen zijn uitgegaan. Bij gevolg is het mijns inziens ook niet van belang of de Commissie haar berekeningen had moeten baseren op het gemiddelde van de twee gunstigste maanden van de referentieperiode dan wel op het jaargemiddelde; ook dit laatste bedrag week, zoals de Commissie aan de hand van de voor het jaar 1974 samengestelde vrachttarieven heeft aangetoond, niet noemenswaardig af van het eerstgenoemde.
Op de factor vervoerkosten valt dus bij het onderzoek van de onderhavige drempelprijs weinig aan te merken.
b) Overslagkosten in de haven van Rotterdam
Hierbij zijn de gemeenschapsinstellingen uitgegaan van een bedrag van DM 1,83 per ton, terwijl dit volgens verzoekster DM 3,15 per ton had moeten zijn. Daarvoor beroept verzoekster zich op het tarief van de Vereniging van Nederlandse Graanfactors en Graanexpediteurs en betoogt dat rekening moet worden gehouden met het feit dat krachtens de voorwaarden van de Rotterdamse graanbeurs de importeurs in de haven van Rotterdam volgens handelsgebruik een expediteur moeten inschakelen. De Commissie is daarentegen uitgegaan van de transshipment tariffs van Grainwave BV, volgens welke de feitelijke overslagkosten voor zachte tarwe vanaf 1 juli 1974 HFL 1,43 per ton bedroegen en vanaf 1 mei 1975 HFL 1,64.
Ik heb de indruk dat ook op dit punt de kritiek van verzoekster ongegrond is.
De door haar aangevoerde hogere bedragen kunnen namelijk gedeeltelijk worden verklaard omdat in de prijzen in de desbetreffende tabellen zijn inbegrepen het „overladen, wegen, ontvangen en controleren, met inbegrip van avond-, nacht-, zaterdag- en zondagwerk”. Bijzondere prestaties, die niet steeds behoeven te worden verricht en die derhalve niet als „onvermijdelijk” kunnen worden beschouwd, vallen dus ook daaronder. Voorts zijn daarin ook kosten van verrichtingen begrepen — zoals de kosten voor wegen en controleren — die de Commissie onder de handelsmarge heeft opgenomen. Voor zover deze bedragen overigens echter te rechtvaardigen zijn door de noodzakelijke inschakeling van een expediteur in de Rotterdamse haven, moet in aanmerking worden genomen dat, zoals de Commissie verzekerd heeft, Nederlandse importeurs in Rotterdam geen tussenpersoon nodig hebben, zodat ook deze kosten niet onvermijdelijk zijn. Daarnaast kon de Commissie aantonen dat de reeds in het verkoopseizoen 1974/1975 gevolgde sterke verruiming van de handelsmarge toereikend is om ook deze kostenfactor te dekken.
Er kan dus ook geen sprake van zijn dat onvoldoende rekening is gehouden met de overslagkosten.
c) Handelsmarge en andere voorkomende kosten
Het door verzoekster in dit verband genoemde bedrag (DM 4,55) wijkt slechts in geringe mate af van het door de gemeenschapsinstellingen vastgestelde bedrag (DM 4,40). Een dusdanig verschil kan de rechter bij zijn beoordeling zonder meer buiten beschouwing laten, al was het alleen maar vanwege de aanmerkelijke, door de Commissie tijdens de hoorzitting besproken schommelingen van de cif-prijs. Bovendien heb ik niet de indruk dat het verschil daarop kan worden teruggevoerd, dat de gemeenschapsinstellingen enkele door verzoekster genoemde posten niet in aanmerking hebben genomen. Verzoekster is in elk geval tijdens de hoorzitting daarop niet verder ingegaan en evenmin heeft zij de opvatting van de Commissie bestreden, dat het verschil in wezen kan worden teruggevoerd op verschillende opvattingen ten aanzien van de omvang van de winstmarge. Ten deze hebben de gemeenschapsinstellingen echter stellig een zekere beleidsvrijheid. Voorts kan uit het verschil van 15 pfennig per ton moeilijk een détournement de pouvoir worden afgeleid.
3.
Samenvattend moet dus worden geconcludeerd dat bij onderzoek niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1173/75 kunnen aantasten.
II — De geldigheid van verordening nr. 1427/74, voor zover betrekking hebbende op de vaststelling van de drempelprijs voor sorgho
Met betrekking tot dit probleem heeft verzoekster in zaak 150/78 in wezen dezelfde argumenten naar voren gebracht als met betrekking tot de verordening tot vaststelling van de drempelprijs voor zachte tarwe. Bij gevolg acht ik ook de kritiek van verzoekster met betrekking tot de vaststelling van de drempelprijs voor sorgho ongegrond, zowel wat betreft haar algemene opmerking dat rekening moest worden gehouden met de voorspelbare inflatoire ontwikkeling, als wat betreft de berekening van de vervoerkosten Rotterdam-Duisburg; verzoekster splitst dit traject op en beroept zich op de Duitse richtlijnen inzake vervoerprijssubsidie, op de overslagkosten in Rotterdam en op de handelsmarge.
Nu zaak 150/78 betrekking heeft op een eerder verkoopseizoen, kan voorts ook niet bewezen worden geacht dat in het verkoopseizoen 1974/1975 hogere vrachttarieven golden dan in het daaropvolgende verkoopseizoen. Het reeds genoemde werkdocument van mei 1974, waarin Italiaanse en Deense opvattingen ten aanzien van de vervoertarieven zijn vermeld, is daartoe net zo min voldoende als de door verzoekster overgelegde verklaringen van Rhenus AG, volgens welke bij jaarcontracten voor graanvervoer van Rotterdam naar Duisburg de scheepvaarttarieven voor partijen van 300 tot 500 ton begin 1974 ongeveer 6 DM per ton bedroegen.
Ten slotte kan ik dit echter in het midden laten om redenen die verband houden met de beginselen voor de vaststelling van de drempelprijs voor een graansoort als sorgho (artikel 1, sub a, van verordening nr. 120/67), die niet wordt geproduceerd in de Gemeenschap.
Zoals ik reeds in het begin heb uiteengezet, wordt voor dergelijke graansoorten geen richtprijs vastgesteld, aangezien een inkomensgarantie niet nodig is. Bij gevolg wordt ook de drempelprijs niet als het ware mathematisch afgeleid van de richtprijs, zoals voor zachte tarwe. De drempelprijs wordt in casu echter krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 120/67 op zodanige wijze vastgesteld, dat voor binnenlandse voerdergranen — zoals maïs en gerst — waarmee sorgho wegens zijn vergelijkbare voedingswaarde in concurrentie staat, op de markt van Duisburg het niveau van de richtprijs wordt bereikt, om te voorkomen dat de prijs ervan wordt gedrukt en de afzetmogelijkheden ongunstig worden beïnvloed. Op dit punt is er dus stellig ruimte voor een economisch-politieke beleidsvrijheid.
Mijns inziens zijn er echter geen aanknopingspunten voor de opvatting dat deze beleidsvrijheid verkeerd zou zijn gebruikt. Ten deze heeft de Commissie ons verteld dat zij bij haar door de Raad aanvaarde voorstellen is uitgegaan van de concurrentieverhouding tussen sorgho enerzijds en gerst en maïs anderzijds, zoals weerspiegeld in de prijzen op de wereldmarkt en de voor Rotterdam vastgestelde cif-prijzen. De sorghoprijzen lagen nu eens onder dan weer boven het prijsniveau voor gerst en maïs; zij schommelen tussen 83 % en 107 % van laatstbedoelde prijzen. Op grond hiervan was het dus zonder meer te verdedigen geweest, de drempelprijs voor sorgho op een hoger niveau dan die voor gerst en maïs vast te stellen. In het verkoopseizoen 1974/1975 lag de drempelprijs voor maïs echter in feite op 106,60 rekeneenheden en die voor gerst op 107,55 rekeneenheden, terwijl voor sorgho slechts de — gunstiger — prijs van 105,55 rekeneenheden van toepassing was.
Zo gezien kan inderdaad niet worden gesteld dat de drempelprijs voor sorgho in verordening nr. 1428/74 niet overeenkomstig de beginselen van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 120/67 is vastgesteld.
III —
Mitsdien kan ik slechts voorstellen, de prejudiciële vragen van het Hessische Finanzgericht te beantwoorden als volgt:
Bij onderzoek van de vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen nrs. 1173/75 en 1427/74 kunnen aantasten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy