CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 29 MAART 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Tribunal d'Instance te Rijsel.
Verzoekster in het hoofdgeding is de Sàrl, Denkavit Loire, producent van veevoeder in Montreuil Bellay, in het departement Maine-et-Loire. Verweerster is de Franse Staat, in de vorm van de Administratie der Douane.
Op 7 oktober 1977 voerde verzoekster, via het douanekantoor Rijsel, uit de Bondsrepubliek Duitsland een partij reuzel van 22400 kg in, bestemd voor de vervaardiging van een produkt dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het voederen van jonge kalveren. De reuzel viel onder post 15.01 van het gemeenschappelijk douanetarief: „reuzel, ander varkensvet en vet van pluimvee, geperst, gesmolten of met behulp van oplosmiddelen geëxtraheerd.”
Verzoekster moest voor deze invoer een bedrag van FF 672 betalen als „heffing terzake van de sanitaire bescherming en de ordening van de vleesmarkten” („taxe de protection sanitaire et d'organisation des marchés de viandes”), ingesteld bij de Franse wet nr. 77-646 van 24 juni 1977. In het geding voor het Tribunal d'Instance vorderde verzoekster terugbetaling van dit bedrag met rente, op grond dat de toepassing van die heffing op uit een andere Lid-Staat ingevoerde reuzel in strijd was met het gemeenschapsrecht. Het bedrag in geding is klein, doch volgens verzoekster gaat het hier om een proefproces, waarvan de uitkomst bepalend zal zijn voor andere, reeds aanhangige en toekomstige zaken.
De betwiste heffing is blijkbaar ingesteld ter vervanging van twee andere Franse heffingen, een „sanitair recht” („taxe sanitaire”) en een „keurings- en stempe-lingsrecht” („taxe de visite et de poinçonnage”), die door de Commissie in een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag in strijd met het gemeenschapsrecht waren verklaard.
Artikel 1 van wet nr. 77-646 bepaalt, dat de daarbij ingestelde heffing in particuliere slachthuizen en bij invoer wordt toegepast ten behoeve van de Staat, en in openbare slachthuizen — in een bepaalde verhouding — ten behoeve van de Staat en van de gemeente die eigenaar is van het slachthuis.
Volgens artikel 2 wordt de hoogte van de heffing per kg vlees nettogewicht jaarlijks bepaald, op basis van bepaalde vastgestelde richtprijzen.
Artikel 3 heeft betrekking op de toepassing van de heffing op vlees van in Frankrijk geslachte dieren. Het bepaalt dat de heffing op het tijdstip van het slachten moet worden betaald door of voor rekening van de eigenaar van het geslachte dier; dat het belastbare feit wordt gevormd door het slachten; en dat de heffing zal worden vastgesteld en geïnd op dezelfde wijze als de BTW.
Artikel 4 daarentegen heeft betrekking op importen. Het bepaalt dat de heffing zal worden toegepast op de invoer van al dan niet bereid vlees; dat zij is verschuldigd door de importeur of degene die de goederen aangeeft in invoer; dat zij wordt geïnd door de douane en met het oog op die inning en alle wettelijke procedures is te behandelen als een douanerecht.
Gedetailleerde uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in decreet nr. 77-889 van 27 juli 1977.
In de artikelen 1 tot 6 van dat decreet wordt bepaald hoe het nettogewicht voor de toepassing van de heffing in Franse slachthuizen moet worden vastgesteld. Ten aanzien van varkens bepaalt artikel 3 dat het nettogewicht het gewicht is van het geslachte dier, vrij van bloed en ingewanden, zonder tong, haren, hoeven en geslachtsorganen, maar met kop en poten.
Volgens artikel 6 dient het wegen plaats te vinden binnen een uur nadat het dier is verdoofd, en op het aldus gevonden nettogewicht een bepaald aantal kilogrammen in mindering te worden gebracht.
De artikelen 9 en 10 van het decreet hebben betrekking op importen. Artikel 9 bevat een lijst van ingevoerde produkten waarop de heffing moet worden toegepast, waarbij wordt verwezen naar tariefposten van het gemeenschappelijk douanetarief. Deze lijst bevat niet alleen vlees — vers, gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt — en niet met behulp van oplosmiddelen geëxtraheerd varkensvet en vet van pluimvee — wederom vers, gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt —, welke produkten alle genoemd worden in verschillende tariefposten van hoofdstuk 2 van het gemeenschappelijk douanetarief (getiteld „vlees en eetbare slachtafvallen”); de lijst omvat echter ook de produkten van tariefpost 15.01, die ik reeds noemde, en een aantal produkten van de posten 16.01 en 16.02, zoals worst en andere bereidingen en conserven van vlees. Volgens artikel 10 dient de heffing te worden vastgesteld op grond van het nettogewicht van het vlees, verminderd met het gewicht van het afval, en moeten produkten van de posten 16.01 en 16.02, betreffende vlees van verschillende soorten van dieren waarvoor de hoogte van de heffing verschillend is, worden belast tegen het laagste tarief.
Decreet nr. 77-899 werd gevolgd door een ministerieel besluit (arrêté) van 9 augustus 1977, waarin de hoogte van de heffing voor het jaar 1977 werd vastgesteld. Voor varkensvlees was dat FF 0,034 per kg. Het douanekantoor in Rijsel schijnt op de hier in geding zijnde invoer bij vergissing slechts FF 0,03 per kilo te hebben geheven, maar dit doet niet terzake.
Vragen die het Tribunal d'Instance aan het Hof heeft voorgelegd en waarin de door verzoekster voor het Tribunal voorgedragen argumenten tot uitdrukking komen, luiden als volgt:
„1.
Is de toepassing van een heffing op uit een andere Lid-Staat ingevoerde reuzel die bestemd is voor gebruik in veevoeder, teneinde een binnen landse, bij de slacht van varkens toegepaste heffing te compenseren, in strijd met het verbod van heffingen van gelijke werking als invoerrechten, als bedoeld in de artikelen 9, 12 en 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap?
2.
Zo neen, is de sub 1 bedoelde heffing dan in strijd met het in artikel 95 van het Verdrag bedoelde verbod van fiscale discriminatie?
3.
Zo neen, is de sub 1 bedoelde heffing dan in strijd met verordening nr. 2759/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees?”
De Commissie heeft het Hof in overweging gegeven te onderzoeken of de bij wet nr. 77-646 ingestelde heffing als geheel wel verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Dit gaat echter de strekking van de vragen van de Tribunal d'Instance ver te buiten. Het is ook geen probleem waarvan de oplossing noodzakelijk is om een beslissing in de onderhavige zaak mogelijk te maken. Ik zou derhalve willen voorstellen dit probleem terzijde te laten en enkel te onderzoeken of de toepassing van de heffing op uit andere Lid-Staten ingevoerde reuzel verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
Het kardinale punt in dit verband is mijns inziens, dat de heffing niet wordt toegepast op in Frankrijk geproduceerde reuzel.
De Franse regering betoogt dat dit niet relevant is, omdat die reuzel afkomstig was van geslachte dieren waarop de heffing in het slachthuis is toegepast, zodat de heffing eigenlijk moet worden beschouwd als een enkele heffing, die zowel op binnenlandse als op ingevoerde produkten van toepassing is. In beide gevallen geldt hetzelfde tarief op dezelfde grondslag (het nettogewicht). De Franse regering concludeert dat de heffing deel uitmaakt van het algemene stelsel van Franse binnenlandse belastingen en niet kan worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als een douanerecht.
Het Hof heeft echter beslist dat een heffing alleen deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen en, voor zover het importen betreft, niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht is te beschouwen, indien zij volgens dezelfde maatstaven en in dezelfde produktiefase wordt toegepast op binnenlandse en ingevoerde produkten. Het is niet voldoende dat binnenlandse produkten een overeenkomstige last te dragen hebben als die welke op andere wijze op importen drukt. Zie met name zaak 87/75 (Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129, r.o. 11). Uiteraard verkeert door middel van oplosmiddelen geëxtraheerde reuzel niet in dezelfde produktiefase als het karkas van een pas geslacht varken.
Ik ben het derhalve eens met de stelling van verzoekster en van de Commissie, dat de toepassing van de hier in geding zijnde heffing op uit andere Lid-Staten ingevoerde reuzel onverenigbaar is met de verdragsbepalingen die heffingen van gelijke werking als douanerechten in de handel tussen de Lid-Staten verbieden.
Gezien deze conclusie, behoef ik geen standpunt te bepalen ten aanzien van een subsidiair argument van verzoekster met betrekking tot vraag 1, namelijk dat, aangezien in de meeste landen voor gezond heidskeuringen in slachthuizen al heffingen worden toegepast, de uitbreiding van de heffing tot importen tot een dubele belasting zou kunnen leiden.
Evenmin hoef ik mij uit te spreken over een andere, ten aanzien van die vraag door verzoekster gemaakte opmerking, gebaseerd op het in een aantal arresten van het Hof neergelegde beginsel, dat een heffing die deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen op nationale en ingevoerde produkten, een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn, indien zij uitsluitend dient ter financiering van activiteiten die specifiek ten goede komen aan het belaste binnenlandse produkt. Onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet nr. 77-646 en de debatten in het Franse parlement over dat wetsontwerp, stelt verzoekster dat de inkomsten uit de hier in het geding zijnde heffing volledig en uitsluitend moesten worden gebruikt ter financiering van activiteiten ten behoeve van de Franse vleesproduktie, namelijk het verzamelen van nauwkeurige gegevens betreffende de Franse veestapel, een beoordeling van de kwaliteit en het stempelen van geslachte dieren en staatstoezicht op de slachthuizen. De Commissie trekt de houdbaarheid van deze bewering in twijfel, deels omdat — wat er ook in het Franse parlement is gezegd — de wet niet vereist dat de opbrengst van de heffing aan die activiteiten wordt besteed, deels omdat deze activiteiten eerder gericht lijken te zijn op het algemene belang dan op de bijzondere belangen van vleesproducenten.
Hoe dit ook zij, om eerder genoemde reden concludeer ik dat het Hof in antwoord op de eerste vraag in het verwijzingsvonnis verklare voor recht, dat het toepassen van een heffing op ingevoerde reuzel uit een andere Lid-Staat, teneinde een binnenlandse, bij de slacht van varkens toegepaste heffing te compenseren, in strijd is met het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten, bedoeld in de artikelen 9, 12 en 13 EEG-Verdrag.
Indien dit juist is, behoeven de vragen 2 en 3 niet meer te worden beantwoord.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy