CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 6 MAART 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Zoals bekend, werd vanaf 1974 de wereldmarkt voor rundvlees gekenmerkt door een te groot aanbod, dat tot een scherpe daling van de marktprijzen leidde en aldus de doelstellingen van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148 van 1968, blz. 24), in gevaar bracht. De Commissie nam derhalve haar toevlucht tot vrijwaringsmaatregelen in de handel met derde landen en schorste allereerst de afgifte van invoer- en voorfixatiecertificaten voor produkten van de sector rundvlees. Toen zich een tendens tot stabilisatie van de rundvleesmarkt begon af te tekenen, achtte de Commissie het dienstig om door middel van verordening (EEG) nr. 1090/75 van 23 april 1975 inzake de afgifte van invoercertificaten voor bepaalde produkten van de sector rundvlees (EXIM) in het kader van de vrijwaringsmaatregelen (PB L 108 van 1975, blz. 1), wederom enig handelsverkeer mogelijk te maken. Deze verordening voorzag in de regulering van de ingevoerde hoeveelheden, hierin bestaande dat enkel nog invoercertificaten werden afgegeven voor de hoeveelheden waarmee de importeur de markt van de Gemeenschap vooraf door exporten had ontlast.
Deze zogenoemde EXIM-regeling was tevens gedacht als alternatief voor de gebruikelijke exportrestituties in geld. Wie rundvlees uitvoerde zonder restitutie, kon een invoercertificaat aanvragen voor een gelijke hoeveelheid vlees; het afzien van de restitutie werd bovendien financieel beloond met een reductie van de — gezien de slechte marktsituatie te hoge — invoerheffingen.
Op grond van verordening nr. 1090/75 werden de invoercertificaten maandenlijks afgegeven via een soort inschrijvingsprocedure, die als volgt verliep. Krachtens artikel 3, lid 1, sub b, en artikel 4, lid 1, moeten de aanvragen voor invoercertificaten aan het begin van iedere maand worden ingediend, met een offerte van de heffing die de betrokkene bereid was te betalen. Ingevolge artikel 3, lid 2, werden alleen aanvragen in aanmerking genomen die betrekking hadden op een minimum-hoeveelheid van 10 ton, waarvoor het bewijs van uitvoer zonder restitutie was geleverd door middel van een verklaring afgegeven door de met de betaling van de restitutie belaste instantie. De Commissie vergeleek de offertes met haar gegevens over de marktsituatie en stelde krachtens artikel 4, lid 3, een minimumheffing vast in rekeneenheden per 100 kg rundvlees, berekend op basis van hele geslachte runderen. Krachtens artikel 4, lid 4, gaven de Lid-Staten dan een certificaat af aan die aanvragers die ten minste het door de Commissie vastgestelde minimumbedrag hadden geboden. Alle aanvragen met een lager heffingbod werden afgewezen, terwijl de aanvragers die een heffingbedrag hadden geboden dat hoger was dan de vastgestelde minimumheffing, hieraan waren gebonden.
Tenslotte kon de Commissie ingevolge artikel 4, lid 4, ook besluiten, de certificaataanvragen niet of slechts voor een gedeelte van de aangevraagde hoeveelheid te honoreren.
Voor zover de aangevraagde invoercertificaten niet werden afgegeven, konden de aanvragers later opnieuw een aanvraag indienen of kiezen voor de gebruikelijke restitutie in geld (artikel 6, lid 2).
Nadat eind 1975 was gebleken dat de tendens tot stabilisatie van de rundvleesmarkt doorzette, verving de Commissie de beschreven EXIM-regeling van verordening nr. 1090/75 door verordening (EEG) nr. 76/76 van 16 januari 1976 tot instelling van een regeling voor de koppeling van de invoer van produkten van de sector rundvlees in het kader van de vrijwaringsmaatregelen aan de verkoop van rundvlees uit interventievoorraden (PB L 10 van 1976, blz. 21). Volgens deze zogenoemde „koppelingsregeling” werd een invoercertificaat afgegeven aan iedere aanvrager die vooraf een zelfde hoeveelheid interventievlees had gekocht, die echter niet behoefde te worden uitgevoerd.
De laatste aanvragen voor invoercertificaten in het kader van de EXIM-regeling konden ingevolge artikel 2 van verordening nr. 3170/75 van de Commissie (PB L 314 van 1975, blz. 13) uiterlijk op 15 december 1975 worden ingediend. Voor de tot dan toe ingediende aanvragen stelde de Commissie bij beschikking van 19 december 1975 (PB L 5 van 1976, blz. 35) de minimumheffing vast op 42,998 r.e. per 100 kg rundvlees, berekend op basis van hele geslachte runderen.
Voor de ondernemers die in het kader van de EXIM-regeling vóór 16 december 1975 rundvlees hadden uitgevoerd zonder restitutie, doch geen invoercertificaat krachtens verordening nr. 1090/75 hadden ontvangen, voorzag artikel 11 van verordening nr. 76/76 in een overgangsregeling. Tot uiterlijk 2 februari 1976 konden zij een invoercertificaat aanvragen, dat hen ook moest worden afgegeven wanneer zij zich verbonden de in artikel 11 van tevoren vastgestelde heffing van 50,320 r.e. per 100 kg rundvlees, berekend op basis van hele geslachte runderen, te betalen.
De firma E. Danhuber te München, die voordien reeds aan de inschrijvingsprocedure van de EXIM-regeling had deelgenomen en ook bij de laatste inschrijving een invoercertificaat had verkregen tegen een heffing van 43 r.e. per 100 kg rundvlees, maakte van deze overgangsregeling gebruik en diende op 29 december 1975, nader gepreciseerd bij brief van 30 januari 1976, bij de destijds bevoegde Einfuhr- und Vorratsstelle für Schlachtvieh, Fleisch und Fleischerzeugnisse aanvragen in voor invoercertificaten voor rundvlees in het kader van de EXIM-regeling, tezamen met de vereiste bewijzen van exporten die zij vóór 15 december 1975 had verricht.
De Einfuhr- und Vorratsstelle gaf daarop twee invoercertificaten af voor „bevroren rundvlees zonder been” en twee invoercertificaten voor levende huisrunderen; met toepassing van het geldende heffingtarief van 50,320 r.e. per 100 kg werd overeenkomstig de overgangsregeling van artikel 11 van verordening nr. 76/76, de heffing daarbij vastgesteld op DM 309,74 respectievelijk DM 95,44 per 100 kg.
Na bij de Einfuhr- und Vorratsstelle vergeefs administratief beroep te hebben ingesteld, wendde de firma Danhuber zich tot het Hessische Finanzgericht met het verzoek de door verweerster vastgestelde heffingbedragen alsmede de beschikking op het administratieve beroep te vernietigen en verweerster te verplichten de heffingbedragen in de invoercertificaten opnieuw vast te stellen op basis van een tarief van 43 r.e. per 100 kg rundvlees.
Ter staving van deze eis voerde verzoekster in het hoofdgeding aan, dat zij haar aanvragen voor de vóór 15 december 1975 in het kader van de EXIM-regeling verrichte exporten niet tijdig had kunnen indienen omdat het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, dat de bewijzen van uitvoer zonder restitutie moest afgeven, dit steeds met veel vertraging had gedaan. Dit was de Commissie bekend geweest, en vandaar dat deze de beschreven overgangsregeling in verordening nr. 76/76 had opgenomen. Verzoekster was daardoor gedwongen geweest, voor de vóór 16 december verrichte exporten de in die verordening vastgestelde heffing van 50,320 r.e. te accepteren. Voor aanvragen die de exporteurs uiterlijk op 15 december 1975 tezamen met de bewijsstukken bij de interventiebureaus hadden ingediend, was de minimumheffing echter op 43 r.e. per 100 kg vastgesteld. In zoverre was verzoekster door omstandigheden buiten haar toedoen in het nadeel ten opzichte van de exporteurs die hun bewijsstukken tijdig hadden ontvangen en derhalve uiterlijk op 15 december aanvragen hadden kunen indienen.
De vaststelling van de litigieuze heffingbedragen, aldus verzoeker, bleef weliswaar binnen de grenzen van artikel 11 van verordening nr. 76/76, doch deze bepaling was in strijd met het discriminatieverbod, daar zij slechter werd behandeld dan degene die vóór 15 december hun aanvragen hadden kunnen indienen. De betrokken bepaling zou echter ook indruisen tegen het beginsel van de rechtszekerheid, daar de Commissie bij de vaststelling van het heffingbedrag misbruik zou hebben gemaakt van de haar toegekende bevoegdheid; in de eerste plaats had zij geen rekening gehouden met de nauwe rekenkundige en financiële samenhang tussen uit- en invoer en in de tweede plaats niet met de omstandigheid dat inmiddels de „koppelingsregeling” in werking was getreden, zodat het aanbod van degenen die hieraan deelnamen, dat toch al goedkoper kon zijn, op de markt van de Gemeenschap concurreerde met het aanbod uit importen in het kader van de EXIM-regeling. Nadat de Commissie onrechtmatig had nagelaten te bepalen dat de exporteurs, wanneer zij hun aanvragen tijdig indienden, de bewijsstukken met betrekking tot de uitvoer achteraf konden overleggen, was zij volgens verzoekster verplicht geweest in de overgangsregeling het heffingbedrag vast te stellen op 43 r.e. per 100 kg rundvlees, berekend op basis van hele geslachte runderen. Ook om deze redenen achtte verzoekster de betrokken bepaling ongeldig.
Verweerster in het hoofdgeding was daarentegen van oordeel dat artikel 11 van verordening nr. 76/76 rechtstreeks toepasselijk was en derhalve door haar moest worden toegepast, zolang het niet uitdrukkelijk was ingetrokken.
Het Hessische Finanzgericht (VIIe Senat) heeft bij beschikking van 17 mei 1978 de procedure geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 177, tweede alinea, EEG-Verdrag de volgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
„Is artikel 11 van verordening (EEG) nr. 76/76 van de Commissie van 16 januari 1976 (PB L 10 van 1976, blz. 21) geldig?”
Hierover wil ik het volgende opmerken.
I —
Zoals ons is meegedeeld, heeft de Commissie zowel de EXIM-regeling van verordening nr. 1090/75 als de koppelingsregeling van verordening nr. 76/76 — in het kader waarvan de betrokken overgangsbepaling moet worden gezien — ingevoerd als vrijwaringsmaatregel op grond van artikel 21, lid 2, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, aangezien de markt in deze sector ernstige verstoringen onderging. Het mag in dit verband bekend worden verondersteld dat de Commissie bij de regulering van de landbouwmarkt, en vooral bij het treffen van dergelijke vrijwaringsmaatregelen, over een bijzonder ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Volgens 's Hofs vaste rechtspraak maakt zij in dergelijke gevallen slechts misbruik van haar bevoegdheid wanneer zij bij haar handelen kennelijk heeft gedwaald en niet in redelijkheid tot haar besluit had kunnen komen.
Het is dus de vraag, of de Commissie haar discretionaire bevoegdheid heeft overschreden door een overgangsregeling in te voeren waarbij, onder vaststelling van een heffing van 50,320 r.e. per 100 kg rundvlees, de ondernemers die nog niet krachtens de EXIM-regeling een certificaat hadden verkegen, de zekerheid werd gegeven dat zij er alsnog een zouden krijgen.
1.
Verzoekster beweert dat de laagste offerte bij de laatste EXIM-inschrijving op 42,988 r.e. lag en dat dit precies de minimumheffing was die de Commissie heeft vastgesteld. Bijgevolg hadden alle deelnemers aan die inschrijving hun invoercertificaat gekregen. Zij was de enige onderneming die niet aan de laatste inschrijving had kunnen meedoen, omdat het haar door omstandigheden buiten haar toedoen niet mogelijk was geweest het bewijs van uitvoer tijdig over te leggen. De overgangsregeling was uitsluitend op dit geval afgestemd en was daarmee in feite een Lex Danhuber.
Daartegenover deelde de Commissie tijdens de hoorzitting mee dat bij de laatste inschrijvingsprocedure zeven offertes onder het door de Commissie vastgestelde heffingbedrag van 42,988 r.e. hadden gelegen en dus niet waren geaccepteerd. In totaal hebben negen ondernemingen alsnog van de betrokken overgangsregeling gebruik gemaakt, waarvan er zes bij de laatste EXIM-inschrijving geen certificaat hadden gekregen omdat zij een te lage heffing hadden geboden.
Indien er dan al een overgangsregeling moest worden getroffen, moest deze derhalve in beginsel worden afgestemd op verscheidene gevallen. Aangezien de Commissie wist dat er nogal wat ondernemingen waren die zonder restitutie hadden uitgevoerd, doch om verschillende redenen geen certificaten hadden gekregen, was er niets op aan te merken dat zij naging hoe de EXIM-procedure bij de overgang naar een andere vrijwaringsmaatregel behoorlijk kon worden afgesloten. Daarbij kan in het midden worden gelaten of zij wel verplicht was een dergelijke overgangsmaatregel te treffen, aangezien immers geen enkele onderneming bij de EXIM-procedure de zekerheid had dat zij een invoercertificaat zou krijgen, en in plaats daarvan altijd om restitutie in geld kon vragen.
Een echte „Wiedereinsetzung in den vorigen Stand”, zoals verzoekster wenst, ware slechts mogelijk geweest wanneer de Commissie een nieuwe inschrijving had gehouden. Dat zou echter in strijd zijn geweest met het doel van artikel 2 van verordening nr. 3170/75, dat ter afsluiting van de EXIM-regeling bepaalde dat de laatste aanvragen tot uiterlijk 15 december 1975 konden worden ingediend. Bovendien zou deze inschrijving onder dezelfde voorwaarden hebben moeten plaatsvinden als de laatste in december, zodat de deelnemende ondernemers evenmin de zekerheid zouden hebben gehad dat hun offerte zou worden geaccepteerd. Derhalve handelde de Commissie slechts consequent door ter afronding van de zaak de betrokken ondernemers de zekerheid te geven dat zij een invoercertificaat zouden verkrijgen. Een dergelijke zekerheid veronderstelde echter wel dat het heffingbedrag vooraf zou worden vastgesteld, en dit was niet in overeenstemming te brengen met de idee van een inschrijving.
De Commissie heeft derhalve niet haar bevoegdheid misbruikt door voor alle ondernemers die bij de laatste inschrijving om welke reden dan ook geen invoercertificaten hadden verkregen, als overgangsmaatregel de hiervoor beschreven bijzondere bepalingen vast te stellen.
2.
Thans wil ik nagaan of de heffing in redelijkheid op het betwiste niveau kon worden vastgesteld.
Op dit punt betoogt verzoekster dat de Commissie misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt door, zonder de marktsituatie in januari 1976 aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, zich te oriënteren aan de inschrijving van 15 december 1975 en de bij die gelegenheid gedane hoogste offerte aan te houden als het heffingbedrag van de overgangsbepaling. Daarbij was niet in aanmerking genomen dat die hoogste offerte vermoedelijk betrekking had op een minieme hoeveelheid, terwijl de offertes voor de kwantitatief belangrijkste importen bij ongeveer 43 r.e. lagen. Evenmin was rekening gehouden met de omstandigheid, dat de importen die onder de koppelingsregeling vielen, gedeeltelijk in de tijd samenvielen met die onder de EXIM-regeling, die tegen hogere prijzen op de markt moeten worden gebracht. Wanneer de Commissie stelt dat een minimumheffing van 50,320 r.e. per 100 kg altijd nog veel voordeliger was dan het betalen van uitvoerrestituties, gaat zij — aldus verzoekster — uit van de normale heffing die bewust prohibitief hoog is vastgesteld, terwijl zij zich bovendien baseert op de heffingbedragen in januari 1976, die toch al ongeveer tien rekeneenheden hoger waren dan die van december 1975. Zo men echter van deze hogere heffingbedragen uitgaat, dan had men ook evenredig hogere restituties voor deze maand moeten berekenen.
Voorts wijst verzoekster erop dat zij bij haar beslissing over inkoop en verkoop vóór 15 december 1975 gecalculeerd heeft volgens de toenmalige marktsituatie en daarbij is uitgegaan van een heffing van 43 r.e. Zij mocht erop vertrouwen een certificaat met dit heffingbedrag te verkrijgen. Zou zij thans tegen een hogere heffing moeten invoeren, dan zou zij ongunstiger worden behandeld dan degenen die zich aan de termijn hadden kunnen houden.
De Commissie heeft aannemelijk gemaakt, dat de toenmalige situatie op de rundvleesmarkt haar dwong tot kwantitatieve regulering van de invoer. Dit was, zoals wij zagen, zowel het doel van de EXIM-procedure als van de koppelingsregeling. Ook de overgangsbepalingen moesten dus wel een heffing vaststellen waarmee dit doel kon worden gediend.
Daarbij is de Commissie terecht ervan uitgegaan dat de normale heffingen, die afhankelijk zijn van de richtprijs, bij de destijds geldende lage prijzen te hoog zouden zijn geweest om importen van enige omvang toe te laten. Anderzijds kon voor een regulering van de hoeveelheid niet een willekeurig minimumbedrag worden gekozen. De heffingbedragen moesten in de EXIM-procedure veeleer op een zo veel lager niveau worden vastgesteld, dat enerzijds het verlies bij de uitvoer, als gevolg van het wegvallen van de restitutie in geld, zou worden gecompenseerd, doch anderzijds het geïmporteerde goedkope vlees zoveel in prijs zou stijgen, dat het kon worden afgezet zonder de stabilisatie van de gemeenschappelijke marktprijzen in gevaar te brengen. Mitsdien was het voor de hand liggend en doelmatig dat de Commissie, ten einde een realistische calculatie te waarborgen, bij de vaststelling van het in de overgangsregeling op te nemen heffingbedrag aansluiting zocht bij de in december geboden heffingen.
Daar de overgangsbepaling was bedoeld om een algemene regeling te treffen voor allen die niet aan de laatste inschrijvingsprocedure hadden deelgenomen, was de Commissie mijns inziens ook niet gebonden aan het tijdens deze procedure voor de maand december vastgestelde minimumheffingbedrag. Zij beschikte veeleer over een beoordelingsvrijheid en kon daarbij ook eventuele wijzigingen van de prijzen in januari in aanmerking nemen. Gezien de marktsituatie, was het tarief van 50,320 r.e. stellig realistisch en niet kennelijk onjuist; dit blijkt hieruit, dat in verschillende offertes in december een minimumbedrag van meer dan 43 r.e. per 100 kg was geboden, en voor hoeveelheden van 200 ton zelfs een bedrag van ongeveer 50 r.e. per 100 kg. Het was ook niet onjuist van de Commissie om in aanmerking te nemen dat ondernemers die bij de laatste EXIM-inschrijving een zo hoog mogelijke heffing hadden geboden ten einde in elk geval een invoercertificaat te verkrijgen, niet mochten worden gediscrimineerd ten opzichte van degenen die thans wellicht voor een lager bedrag de zekerheid zouden krijgen dat zij konden invoeren.
In de loop van de procedure is niet gebleken dat de Commissie rekening had moeten houden met de — door verzoekster gestelde — omstandigheid dat de deelnemers aan de „koppeling” in dezelfde tijd tegen lagere prijzen konden aanbieden. Bovendien wil ik er nogmaals op wijzen dat al deze vrijwaringsmaatregelen ten doel hadden de hoeveelheid te reguleren, doch niet om de invoerhandel bijzondere winstmogelijkheden en voordelige importen te bieden. Het is dus ook niet van belang of de overgangsregeling voor de individuele ondernemer al dan niet noemenswaardig voordeliger was dan de toekenning van uitvoerrestituties. Zelfs bij een theoretisch nadeel had immers nog altijd de mogelijkheid bestaan om terug te vallen op restitutie in geld.
Dit laatste aspect stelt ons ook al in staat een antwoord te geven op de vraag of de Commissie — door voor de overgangsregeling een hogere heffing vast te stellen dan bij de laatste EXIM-inschrijving — inbreuk heeft gemaakt op het door het Hof erkende beginsel van het gerechtvaardigd vertrouwen (zie arresten van 3 juli 1973, zaak 1/73, Westzucker, Jurispr. 1973, blz. 723; 18 maart 1975, zaak 78/74, Deuka, Jurispr. 1975, blz. 421; 1 februari 1978, zaak 78/77, Lührs, Jurispr. 1978, blz. 169). Daar de overgangsbepaling een algemene regeling wilde treffen voor alle ondernemers die vóór 16 december 1975 rundvlees hadden uitgevoerd zonder restitutie, doch hun aanvraag niet tijdig hadden ingediend, kan niet enkel de subjectieve positie van verzoekster de doorslag geven. Het beginsel van de bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen zou slechts dan zijn geschonden, wanneer met de heffing van 50,320 r.e. per 100 kg inbreuk zou zijn gemaakt op het gerechtvaardigde vertrouwen van alle betrokken ondernemers dat een lager bedrag zou worden toegepast. Maar zoals ook de Commissie terecht stelt, kan noch uit de tekst noch uit de opzet van de EXIM-regeling van verordening nr. 1090/75 worden afgeleid, dat een ondernemer, na te hebben uitgevoerd, bij de volgende termijn steeds het overeenkomstige invoercertificaat zou verkrijgen en daarvoor ook enkel de voor deze termijn van afgifte geldende minimumheffing behoefde te betalen. Volgens deze regeling had de exporteur juist geen enkele zekerheid dat hij een invoercertificaat zou krijgen, vooral niet wanneer hij enkel het voor de voorafgaande verdeling vastgestelde minimumbedrag bood, aangezien de marktomstandigheden konden veranderen. Wilde hij volstrekt zeker zijn een certificaat te krijgen, dan moest hij een zo hoog mogelijke heffing bieden, die hij ook dan moest betalen wanneer het minimumheffingsbedrag lager werd vastgesteld. Waar echter degene die aan een bepaalde inschrijving deelnam, al geen enkele zekerheid had ook maar één certificaat te verkrijgen indien hij voor de heffing het voorafgaande minimumbedrag had geboden, kon ook diegene die, zoals verzoekster, om welke reden ook een bepaalde termijn verzuimde, niet een dergelijke zekerheid hebben.
3.
Samenvattend kom ik mitsdien tot de conclusie dat de geldigheid van de overgangsregeling van artikel 11 van verordening nr. 76/76 noch vanuit het oogpunt van het discriminatieverbod, noch van de bescherming van het gerechtvaardigde vertrouwen of van misbruik van bevoegdheid kan worden aangetast.
II —
Verzoekster stelt ook nog het probleem van het motiveringsgebrek aan de orde. De rechtsduidelijkheid ware ermee gediend geweest, indien de Commissie in de considerans van verordening nr. 76/76 duidelijk had gemaakt hoe zij tot de heffing van 50,320 r.e. per 100 kg rundvlees in de overgangsregeling was gekomen. De motiveringsverplichting van artikel 190 EEG-Verdrag is echter een vormvoorschrift dat enkel verlangt dat de motivering de voornaamste feitelijke en juridische gronden bevat. Daarom kan volgens de rechtspraak van het Hof voor de motivering van een verordening worden volstaan met de „vermelding van het geheel der omstandigheden welke tot haar uitvaardiging hebben geleid, en van haar algemene doelstellingen”. In de verordening mag derhalve „geen specifieke opsomming worden verlangd van de soms talrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop zij werd uitgevaardigd, en zeker mag niet een min of meer volledige beoordeling dier feiten worden verwacht” (vgl. arresten van 13 maart 1968, zaak 5/67, Beus, Jurispr. 1968, blz. 119; 20 juni 1973, zaak 80/72, Koninklijke Lassiefabrieken, Jurispr. 1973, blz. 635). Uitgaande van deze criteria kom ik tot de conclusie dat de geldigheid van de betrokken overgangsbepaling ook niet wegens schending van het vormvoorschrift inzake de verplichting tot motivering wordt aangetast.
III —
Mitsdien stel ik voor de vraag van het Hessische Finanzgericht te beantwoorden als volgt:
Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 11 van verordening (EEG) nr. 76/76 van de Commissie van 16 januari 1976 (PB L 10 van 1976, blz. 21) kunnen aantasten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy