CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 12 DECEMBER 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In deze zaak verzoekt de Cour d'appel te Colmar uw Hof om een prejudiciële beslissing, waarbij het belangrijke vragen aanroert met betrekking tot de uitlegging van de artikelen 52 en volgende EEG-Verdrag betreffende de vrijheid van vestiging.
Dr. Vincent Auer, appellant voor de Cour d'appel, werd in 1924 in Oostenrijk geboren, en bezat oorspronkelijk de Oostenrijkse nationaliteit. Na de oorlog begon hij aan de universiteit te Wenen een studie in de diergeneeskunde, doch kon deze — naar zijn zeggen — wegens financiële problemen niet afmaken. Vervolgens kreeg hij studiebeurzen voor achtereenvolgens de Ecole Nationale Vétérinaire te Lyon en de universiteit van Parma. Aan de laatste universiteit behaalde hij op 1 december 1956 de graad van doctor in de diergeneeskunde en op 11 maart 1957 een voorlopige verklaring van vakbekwaamheid („certificato di abilitazione provvisoria”). De Italiaanse wet nr. 1378 van 8 december 1956 waarbij een staatsexamen voor veterinaire chirurgie is ingesteld, bepaalde als overgangsmaatregel dat een doctor in de diergeneeskunde van Italiaanse nationaliteit, die zijn graad vóór 21 december 1956 had behaald, na overlegging van een dergelijke voorlopige verklaring van vakbekwaamheid, een definitieve kon krijgen. Ware de heer Auer Italiaan geweest, dan had hij zich blijkbaar bevoegd kunnen laten verklaren om in Italië de veterinaire chirurgie uit te oefenen.
In 1958 vestigde de heer Auer zich te Mulhouse, waar zijn vrouw vandaan kwam. Sindsdien heeft hij zijn beroep in Mulhouse uitgeoefend, aanvankelijk als assistent van een Frans veterinair chirurg, doch later zelfstandig. Op 4 oktober 1961 werd hij tot Fransman genaturaliseerd.
Op 27 november 1962 werd in Frankrijk decreet nr. 62/1481 uitgevaardigd, „betreffende de uitoefening van de veterinaire chirurgie door dierenartsen die de Franse nationaliteit hebben verkregen of herkregen”.
Artikel 1 hiervan bepaalt:
„De minister van Landbouw kan dierenartsen die de Franse nationaliteit hebben verkregen of herkregen en die niet het staatsdiploma als doctor als bedoeld in artikel 340 van de, Code Rural' bezitten, bij beschikking machtigen de diergeneeskunde en veterinaire chirurgie uit te oefenen.
Een commissie welke wordt ingesteld door de minister van Landbouw, onderzoekt de bewijsstukken van de kandidaten en stelt een advies op over hun vakbekwaamheid en betrouwbaarheid”.
Ingevolge artikel 3 kan geen machtiging tot uitoefening van de diergeneeskunde of veterinaire chirurgie worden verleend aan iemand die niet in het bezit is van een Frans diploma van dierenarts of „van een in het buitenland behaald diploma van diergeneeskundige, dat als gelijkwaardig aan een Frans diploma is erkend door de onderzoekcommissie die krachtens artikel 1 is ingesteld”.
Vanaf december 1962 heeft de heer Auer herhaaldelijk een aanvraag ingediend om een machtiging als bedoeld in het decreet, om in Frankrijk praktijk te kunnen uitoefenen. Al deze aanvragen werden afgewezen. De heer Auer heeft een gedetailleerd overzicht gegeven van de feitelijke gebeurtenissen rondom deze aanvragen en de redenen waarom ze werden afgewezen. De Franse regering is het hiermee niet op alle onderdelen eens. Natuurlijk dienen de Franse rechterlijke instanties, en niet uw Hof, van deze feiten kennis te nemen. Op één punt bestaat er echter overeenstemming en dat is van wezenlijk belang, te weten dat één van de redenen waarom de aanvragen van de heer Auer zijn afgewezen, de omstandigheid is dat zijn Italiaans diploma door de onderzoekcommissie niet als gelijkwaardig aan een Frans diploma is erkend.
Ten deze stelt de Franse regering met name, dat parasitologie en microbiologie in Italië keuzevakken zijn en dat farmacie er in het geheel niet wordt gedoceerd. Zij voegt hieraan toe dat de richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's van diergeneeskundigen nog steeds niet door de Raad is aanvaard, juist omdat het onderwijsniveau in Italië op een hoger plan moet worden gebracht. Hiertegenover stelt de heer Auer dat hij in Lyon parasitologie heeft gestudeerd en het desbetreffende examen met goed gevolg heeft afgelegd, en in Parma microbiologie en farmacologie (maar blijkbaar geen farmacie); dat de onderzoekcommissie de geldigheid van zijn Italiaanse doctorsgraad en daarmee de „academische gelijkwaardigheid” ervan heeft erkend, en dat in ieder geval rekening moet worden gehouden met zijn vele jaren praktische ervaring te Mulhouse. In dit verband legt hij bewijzen over om aan te tonen dat hij vele tevreden cliënten heeft, hetgeen zijn advocaat omschreef als zijn „Livre d'Or”. Ook het oordeel over deze feiten komt uitsluitend aan de Franse rechterlijke instanties toe. Met name moeten zij uitmaken welke betekenis in de onderhavige omstandigheden de academische gelijkwaardigheid van het Italiaanse diploma van de heer Auer in Frankrijk heeft: vgl. de rechtsoverwegingen 21 en 22 van het arrest in zaak 71/76 (Thieffry, Jurispr. 1977, blz. 765).
De heer Auer is in Frankrijk herhaalde malen vervolgd wegens het onbevoegd uitoefenen van de veterinaire chirurgie en wegens verwante overtredingen. De onderhavige verwijzing vindt zijn oorsprong in de laatste vervolging.
In eerste instantie kwam de zaak voor het Tribunal de Grande Instance te Mulhouse, waar de Ordre National des Vétérinaires de France en het Syndicat National des Vétérinaires praticiens als „burgerlijke partijen” werden toegelaten. Er zijn aanwijzingen dat de vervolging in werkelijkheid op hun klacht is ingesteld.
De heer Auer werd door het Tribunal te Mulhouse schuldig bevonden en veroordeeld tot een voorwaardelijke straf van vier maanden hechtenis. Bovendien moest hij elk der burgerlijke partijen FF 10000 betalen, alsmede alle proceskosten dragen. Het Tribunal weigerde de zaak naar uw Hof te verwijzen, omdat de heer Auer niet een onderdaan van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap was, die zich in Frankrijk wilde vestigen, maar een Frans onderdaan die in Frankrijk een beroep wilde uitoefenen waarvoor hij niet de door de Franse wet van Franse onderdanen verlangde kwalificaties bezat. Omdat hij Frans onderdaan was met een buitenlands diploma, waren de bepalingen van het decreet van 27 november 1962 op hem van toepassing en mocht het Tribunal niet haar eigen oordeel in de plaats stellen van dat van de krachtens dat decreet ingestelde onderzoekcommissie.
Nadat de heer Auer beroep had ingesteld bij de Cour d'appel te Colmar, gingen de burgerlijke partijen op hun beurt eveneens in beroep, stellende dat het Tribunal verder had moeten gaan en de sluiting van Auers kliniek en de inbeslagneming van zijn instrumentarium en voorraad entstoffen had moeten gelasten.
De Cour d'appel merkt in zijn verwijzingsarrest op, dat het, om de waarde van de door Auer ingeroepen verweermiddelen te kunnen beoordelen, van belang is te weten of hij krachtens de beginselen van het vrije verkeer van personen en de vrijheid van vestiging binnen de gemeenschappelijke markt in Frankrijk aanspraak heeft op het recht tot uitoefening van het beroep van veterinair chirurg, „dat hij in Italië heeft verworven”. Zij merkt voorts op dat het Tribunal te Mulhouse ten eerste „uit het oog heeft verloren” dat de heer Auer de Franse nationaliteit heeft verkregen na het behalen van de titels en diploma's waarop hij zich beroept, en ten tweede dat het denkbaar is dat een eigen onderdaan zich op de bepalingen in het EEG-Verdrag mag beroepen tegen belemmeringen die tegen zijn vestiging in zijn eigen land worden opgeworpen.
Onder deze omstandigheden legt de Cour d'appel aan uw Hof de volgende prejudiciële vraag voor:
„Vormt het feit dat iemand die het recht heeft verworven in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen het beroep van veterinair chirurg uit te oefenen en die daarna de nationaliteit van een andere Lid-Staat heeft verworven, een verbod krijgt opgelegd om dit beroep in de nieuwe staat uit te oefenen, niet een beperking van de vrijheid van vestiging, ingesteld bij artikel 52 EEG-Verdrag en — wat betreft de toegang tot beroepen anders dan in loondienst — bij artikel 57 EEG-Verdrag?”
De eerste vraag in deze zaak is dus, of de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de vrijheid van vestiging, kunnen werken ten gunste van een gemeenschapsonderdaan die zich in zijn eigen land wil vestigen. Deze vraag is uitermate actueel in zaak 115/78, (Knoors), waarin advocaat-generaal Reischl zo juist conclusie heeft genomen. Ik ben het ten volle eens met het ten deze door advocaat-generaal Reischl ingenomen standpunt en met zijn argumenten. Aan hetgeen hij heeft gezegd, zou ik slechts het volgende willen toevoegen. Zoals het Hof in het arrest in zaak 1/78 (Kenny, Jurispr. 1978, blz. 1489) heeft beslist, verbiedt artikel 7, eerste alinea, EEG-Verdrag zowel de discriminatie door een Lid-Staat van zijn eigen onderdanen als discriminatie door een Lid-Staat van de onderdanen van andere Lid-Staten. Het is dan ook moeilijk in te zien, hoe artikel 52, dat de beperkingen wil opheffen waardoor in een Lid-Staat de onderdanen van een andere Lid-Staat worden gediscrimineerd, aldus kan worden uitgelegd, dat een Lid-Staat het recht behoudt zijn eigen onderdanen juist op het gebied van de vrijheid van vestiging te discrimineren.
In de onderhavige zaak heeft niemand beweerd dat dat mogelijk is. In tegenstelling tot de Nederlandse regering in de zaak-Knoors, heeft de Franse regering juist haar best gedaan om duidelijk te maken dat in haar opvatting het doel van de artikelen 7, 52 en 57 EEG-Verdrag juist is om dezelfde rechten toe te kennen aan de onderdanen van alle Lid-Staten, en dat het probleem in deze zaak hetzelfde zou zijn als de heer Auer een onderdaan van een andere Lid-Staat was geweest.
De Cour d'appel te Colmar meende dat het relevant kon zijn dat de heer Auer zijn Italiaanse graad heeft behaald voordat hij de Franse nationaliteit verkreeg. Hiermee ben ik het niet eens. Wat telt is dat de heer Auer de Franse nationaliteit bezit en bij gevolg onderdaan van de Gemeenschap is. Zijn vroegere Oostenrijkse nationaliteit kon hem helpen noch hinderen bij het geldend maken van een recht dat hem krachtens gemeenschapsrecht toekomt.
Een tweede, moeilijker vraag heeft betrekking op de eventuele gevolgen in casu van artikel 57, lid 3, EEG-Verdrag, dat bepaalt:
„Wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, zal de geleidelijke opheffing van de beperkingen afhankelijk zijn van de coördinatie van de voorwaarden waaronder zij in de verschillende Lid-Staten worden uitgeoefend.”
Deze vraag is ter zake, omdat er, zoals vaststaat, nog geen richtlijn bestaat ter coördinatie van de voorwaarden waaronder het beroep van diergeneeskundige wordt uitgeoefend.
Ten deze zijn twee punten ter sprake gebracht:
1.
Behoort het beroep van diergeneeskundige tot de beroepen waarop artikel 57, lid 3, van toepassing is? en
2.
Kan artikel 57, lid 3, na het einde van de overgangsperiode nog toepassing vinden?
Ten aanzien van het eerste punt betogen de Franse regering en de burgerlijke partijen, dat het beroep van diergeneeskundige onder de omschrijving „geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen” valt. De Commissie betoogt dat dit niet het geval is. De argumenten die tijdens de hoorzitting naar voren zijn gebracht, waren gebaseerd op definities uit woordenboeken in een aantal talen, op vorm en structuur van de relevante wetgeving in de verschillende Lid-Staten en op geschriften van enkele deskundigen. Ik ben het met de Commissie eens, dat geen enkel argument een duidelijke conclusie oplevert en dat de oplossing moet liggen in de doelstelling welke in artikel 57, lid 3, verborgen ligt. Met de Commissie ben ik eveneens van mening, dat de in deze bepaling genoemde beroepen zijn uitgekozen voor een bijzondere regeling omdat zij direct te maken hebben met het leven en de gezondheid van de mens. Terecht merkt de Franse regering op, dat ook veterinaire chirurgen verantwoordelijk zijn voor het voorkomen van ziekte bij mensen, aangezien sommige ziektes bij dieren besmettelijk zijn voor de mens, bijvoorbeeld tuberculose en brucellose. Ook rabies had zij hieraan kunnen toevoegen, want een van de aanklachten tegen de heer Auer is, dat hij onbevoegd een certificaat heeft afgegeven, waarin werd verklaard dat twee honden die een vrouw hadden gebeten, vrij waren van rabies. Mijns inziens is er in dit opzicht geen verschil tussen het beroep van dierenarts en vele andere beroepen, ambachten en vakken, waarbij een gebrek aan vakbekwaamheid of zorgvuldigheid gevaar kan opleveren voor het leven of de gezondheid van de mens. Het punt waar het om draait, lijkt mij de omstandigheid te zijn dat bij geen van die beroepen en ambachten rechtstreeks in het menselijk lichaam wordt ingegrepen. Weliswaar kan tuberculose door besmet vlees op mensen worden overgebracht, en rabies door de beet van een besmet dier, maar daar staat tegenover dat cholera door slechte riolering wordt veroorzaakt. Toch zal niemand willen beweren dat gemeentelijke technici onder artikel 57, lid 3, vallen. Ik concludeer dan ok dat deze bepaling niet geldt voor het beroep van dierenarts.
Ten aanzien van het tweede punt betoogt de Commissie dat de woorden „de geleidelijke opheffing van de beperkingen” in artikel 57, lid 3, betrekking hebben op een ontwikkeling die ingevolge het Verdrag vóór het einde van de overgangsperiode geheel had moeten zijn voltooid. Ook hier concludeer ik dat de Commissie gelijk heeft.
De relevante artikelen in het Verdrag vertonen de volgende structuur.
Artikel 52 bevat het algemene beginsel, dat beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van de Gemeenschap, „tijdens de overgangsperiode geleidelijk (worden) opgeheven”, met als vanzelfsprekend gevolg dat dusdanige beperkingen sedert het einde van de overgangsperiode in het algemeen onwettig zijn (vgl. arrest in zaak 2/74, Reyners, Jurispr. 1974, blz. 631; het reeds aangehaalde arrest in de zaak-Thieffry, en het arrest in zaak 11/77, Patrick, Jurispr. 1977, blz. 1199).
Artikel 53 was het „standstill”-artikel, dat de Lid-Staten verbood nieuwe beperkingen in te voeren. Bij het einde van de overgangsperiode is het vervangen door de algemene regel van artikel 52.
Artikel 54 bevatte een gedetailleerde procedure „voor de opheffing van de binnen de Gemeenschap bestaande beperkingen van de vrijheid van vestiging”. Deze diende voor iedere soort van werkzaamheid afzonderlijk te worden verwezenlijkt door middel van een algemeen programma en door richtlijnen van de Raad. Gelet op de werking van de algemene regel van artikel 52, zijn de daarvoor bedoelde richtlijnen sedert het einde van de overgangsperiode overbodig geworden.
De artikelen 55 en 56 bevatten uitzonderingen op de algemene regel voor werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag, en voor gevallen waarin, ten aanzien van vreemdelingen, de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid een rol speelt.
Vervolgens komt artikel 57, waarvan lid 1 bepaalt:
„Ten einde de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken, stelt de Raad … richtlijnen vast inzake de onderling erkenning van diploma's, certificaten en andere titels”.
In dit verband kunnen twee opmerkingen worden gemaakt. De eerste is, dat de bevoegdheid (gekoppeld aan een verplichting) die deze bepaling aan de Raad verleent, geenszins beperkt is tot de overgangsperiode. De tweede is, dat het uitdrukkelijk vermelde doel van deze bevoegdheid niet is, de beperkingen op te heffen, doch „de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken.”
Het doel van lid 2 is, zoals aan het begin van dit lid wordt gezegd, hetzelfde. Lid 2 verleent de Raad de bevoegdheid (stellig eveneens gekoppeld aan een verplichting) richtlijnen vast te stellen „inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten betreffende de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan”. Van de Raad werd uitdrukkelijk verlangd dat hij deze bevoegdheid zou uitoefenen „vóór de afloop van de overgangsperiode”. Ingevolge de tweede zin van dit lid is in drie gevallen eenparigheid van stemmen vereist: „voor die onderwerpen welke ten minste in een der Lid-Staten bij de wet zijn geregeld”, „voor maatregelen welke betrekking hebben op de bescherming van de besparingen”, en voor „de voorwaarden waaronder in de verschillende Lid-Staten de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen worden uitgeoefend”.
Het feit dat in de leden 2 en 3 dezelfde woorden worden gebruikt met betrekking tot de „voorwaarden waaronder in de verschillende Lid-Staten de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen worden uitgeoefend”, wijst er mijns inziens op dat deze leden beide betrekking hebben op iets dat krachtens lid 2 vóór het verstrijken van de overgangsperiode gecoördineerd moest zijn. Uit de structuur van de artikelen 52-57 in hun geheel, en uit het contrast tussen de uitdrukking „opheffing van de bestaande beperkingen” in artikel 54, en de wijze waarop het doel van artikel 57, leden 1 en 2, is omschreven, volgt mijns inziens ook dat met de woorden „de geleidelijke opheffing van de beperkingen” in artikel 57, lid 3, wordt gedoeld op de ontwikkeling die krachtens artikel 54 plaats moest vinden, een ontwikkeling dus die aan het einde van de overgangsperiode moest zijn voltooid.
Deze overwegingen brengen mij tot de conclusie, dat de Commissie gelijk heeft wanneer zij zegt dat artikel 57, lid 3, aan het einde van de overgangsperiode zijn werking heeft verloren. Voor deze zienswijze vind ik steun in het feit dat ook de Raad, naar de Commissie meedeelde, deze opvatting deelt.
Om misverstand te voorkomen, meen ik hieraan te moeten toevoegen, dat ik deswege nog niet van mening ben dat de Raad de hem in artikel 57, lid 2, toegekende bevoegdheid na het verstrijken van de overgangsperiode niet meer zou mogen uitoefenen. Uw Hof heeft immers uitdrukkelijk beslist dat de Raad dit nog wel mag doen. Ik ben uitsluitend van mening dat de uitoefening van deze bevoegdheid niet langer een voorwaarde is voor de opheffing van de beperkingen voor de uitoefening van een beroep.
Dan kom ik thans tot de laatste vraag in deze zaak, te weten of, zoals de Franse regering en de burgerlijke partijen hebben gesteld, de omstandigheid dat de onderzoekcommissie het Italiaanse diploma van de heer Auer niet als gelijkwaardig aan een Frans diploma erkent, voldoende reden is om hem het recht te onthouden in Frankrijk zijn beroep uit te oefenen, dan wel of, zoals de heer Auer en de Commissie betogen, hem dit recht uitsluitend mag worden onthouden, indien na onderzoek van al zijn titels — inclusief zijn ervaring — blijkt dat hij niet even vakbekwaam is als de houder van een Frans diploma. Ik stel de vraag in deze vorm, omdat niemand zover is gegaan te beweren dat het enkele feit dat de heer Auer een dusdanig Italiaans diploma bezit dat de houder ervan (afhankelijk van de vervulling van enkele formele vereisten) in Italië zijn beroep kan uitoefenen, op zichzelf reeds voldoende is om hem het recht te geven in Frankrijk zijn beroep uit te oefenen. Ik geloof trouwens niet dat een dergelijke bewering juist zou zijn.
Voor het antwoord op deze vraag bieden de arresten van uw Hof in de zaken-Reyners en Patrick geen richtsnoer, omdat beide betrekking hebben op discriminatie uit hoofde van nationaliteit alleen. Reyerns had en Belgisch diploma, op grond waarvan hij tot de advocatuur kon worden toegelaten; deze toelating werd hem geweigerd omdat hij Nederlander was. Patrick had een Brits diploma dat bij Frans ministerieel besluit uitdrukkelijk als gelijkwaardig was erkend aan het certificaat dat Franse architecten moesten bezitten; zijn probleem was dat hij een Brits onderdaan was en dat het volgens de Franse wettelijke regeling aan de discretie van de bevoegde instantie was overgelaten om in bijzondere gevallen een machtiging tot beroepsuitoefening aan buitenlanders te verlenen.
Evenmin zijn mijns inziens aanwijzingen te vinden in de arresten betreffende het vrij verrichten van diensten (artikelen 59-66 EEG-Verdrag), want zoals het Hof, althans impliciet, in het arrest-Van Binsbergen (zaak 33/74, Jurispr. 1974, blz. 1299, r.o. 13) verklaarde, zijn de eisen die een Lid-Staat kan stellen aan iemand die zich op zijn grondgebied wil vestigen, niet noodzakelijkerwijs dezelfde als die waaraan iemand moet voldoen die op het grondgebied van die staat diensten wil verrichten vanuit een vestiging in een andere Lid-Staat.
Ik meen daarom dat in casu alleen het arrest-Thieffry van rechtstreeks belang kan zijn. Het is dan ook dit arrest waaraan de heer Auer en de Commissie voor anker zijn gegaan. Ook het arrest-Choquet (zaak 16/78, nog niet gepubliceerd) is van enige betekenis, voor zover het aantoont dat het onredelijk en in strijd met het Verdrag is, van iemand te verlangen dat hij twee diploma's (in casu rijbewijzen) bezit.
De beginselen waarop de beslissingen in deze zaken berusten, lijken mij die welke in de rechtsoverwegingen 15-18 van het arrest-Thieffry zijn neergelegd en welke als volgt kunen worden samengevat. Vrijheid van vestiging — onder inachtneming van door het algemeen belang gerechtvaardigde beroepsregels — is een van de doelstellingen van het Verdrag. Voor zover het gemeenschapsrecht in dit opzicht zelf niets naders bepaalt, zijn de Lid-Staten volgens artikel 5 van het Verdrag gehouden alle maatregelen te treffen die geschikt zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken, en zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking ervan in gevaar kunnen brengen. Het daadwerkelijk genot van de vrijheid van vestiging mag derhalve niet worden ontzegd aan of worden bemoeilijkt voor iemand op de enkele grond dat de Raad de voor zijn beroepscategorie bedoelde richtlijnen nog niet heeft vastgesteld. De bevoegde nationale instanties dienen te verzekeren dat de nationale wettelijke regelingen of praktijken worden toegepast overeenkomstig de doelstellingen van het Verdrag.
In de daarop volgende rechtsoverwegingen past het Hof deze beginselen toe op de bijzondere omstandigheden van de zaak-Thieffry, die, zoals bekend, verschilden van de omstandigheden van de onderhavige zaak. Toch zijn ook daar bruikbare aanwijzingen te vinden, met name in rechtsoverweging 24 waarin het Hof verklaart:
„dat het derhalve aan de bevoegde nationale autoriteiten staat om, gelet op bovengenoemde eisen van gemeenschapsrecht, de feitelijke beoordelingen te treffen voor hun beslising of een door een universitaire instantie verleende erkenning naast haar academisch effect ook kon gelden als bewijs van beroepskwaamheid”.
Uit dit arrest leid ik af, dat de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat — hoe de nationale wettelijke regeling krachtens welke zij optreden, ook moge luiden — een onderdaan van de Gemeenschap niet het recht van vestiging mogen ontzeggen op de enkele grond dat de door hem overgelegde buitenlandse diploma's, certificaten of andere titels door hen in algemene zin niet als gelijkwaardig zijn erkend aan de diploma's enzvoort die verlangd worden van degenen die hun opleiding in die Lid-Staat hebben genoten. Zij moeten meer doen en vaststellen of de betrokkene feitelijk beroepsbekwaamheden bezit die gelijkwaardig, althans in wezen gelijkwaardig zijn aan die welke vereist zijn.
Het lijkt mij echter niet dat de bevoegde autoriteiten bij deze beoordeling rekening moeten houden met beroepservaring. Noch het arrest-Thieffry noch dat in de zaak-Choquet spreekt over beroepservaring en artikel 57, lid 1, EEG-Verdrag spreekt uitsluitend over „diploma's, certificaten en andere titels”.
Op grond van zijn bevoegdheid ex artikel 57, lid 2, is het de Raad stellig toegestaan te bepalen dat, waar mogelijk, beroepservaring in aanmerking moet worden genomen. Zulks geschiedde in de richtlijn waarmee uw Hof te maken heeft in de zaak-Knoors, alsmede in een aantal richtlijnen waarnaar in de onderhavige zaak is verwezen, namelijk die betreffende de geneeskundige en paramedische beroepen: bij voorbeeld artikel 9 van richtlijn nr. 75/362/EEG van 16 juni 1975 (het beroep van arts), artikel 4 van richtlijn nr. 77/452/EEG van 27 juni 1977 (het beroep van ziekenverpleger) en artikel 7 van richtlijn nr. 78/686/EEG (tandheelkundigen). In geen van deze gevallen evenwel behoeven de autoriteiten van een Lid-Staat zelf iemands praktijkervaring te evalueren. Hun wordt enkel gevraagd een certificaat te erkennen waaruit blijkt dat de betrokkene gedurende een bepaalde periode (in de latere richtlijnen: „daadwerkelijk en op wettige wijze”) de bedoelde werkzaamheden heeft verricht. Verder zijn in de richtlijnen betreffende de medische en paramedische beroepen de bepalingen die het mogelijk maken rekening te houden met beroepservaring, slechts overgangsbepalingen. Het voorstel van een richtlijn betreffende de veterinaire chirurgie, dat thans bij de Raad ligt (bijlage I bij de opmerkingen van de Commissie) bevat eenzelfde regeling (artikel 4).
Tegen een beslissing van het Hof in die zin, dat in omstandigheden als de onderhavige beroepservaring in aanmerking moet worden genomen, kunnen mijns inziens drie bezwaren worden ingebracht. Ten eerste wordt het door niets in het Verdrag gewettigd. Ten tweede, voor zover zo'n beslissing zou betekenen dat een beoordeling, in elk afzonderlijk geval, van de beroepservaring van de betrokkene door het Verdrag wordt verlangd, zou daarmee twijfel worden gewekt aan de geldigheid van bepalingen in bestaande richtlijnen, die slechts overgangsbepalingen zijn en de duur van de beroepservaring op een willekeurige tijd vaststellen. Ten derde zou het betekenen dat de nationale autoriteiten een onrealistische verplichting tot feitenonderzoek wordt opgelegd.
Op grond van het voorgaande concludeer ik dat uw Hof de vraag van de Cour d'appel te Colmar beantwoorde als volgt: bij ontbreken van een krachtens artikel 57 EEG-Verdrag vastgestelde toepasselijke richtlijn moeten de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat hun nationale wettelijke voorschriften dusdanig toepassen, dat het voor geen enkele onderdaan van een Lid-Staat, die als bewijs van beroepsbekwaamheid een in een andere Lid-Staat verkregen bewijs overlegt, onmogelijk wordt gemaakt, dat beroep in de eerstgenoemde Lid-Staat uit te oefenen, tenzij na een onderzoek van de feiten aangaande zijn beroepsbekwaamheid blijkt, dat deze aanmerkelijk geringer is dan die welke wordt verlangd van personen die hun beroepsopleiding in die Lid-Staat hebben genoten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy