CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 11 SEPTEMBER 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne beren Rechters,
Op 9 maart 1977 werd in het Verenigd Koninkrijk de „Fishing Nets (North-East Atlantic) Order 1977” vastgesteld. Dit ter bescherming van bepaalde vissoorten uitgevaardigde besluit, dat op 1 april 1977 in werking is getreden, bevat voorschriften betreffende de maaswijdte van netten die voor bepaalde vissoorten mogen worden gebruikt, en betreffende de omvang van de zogenoemde bijvangsten, te weten vangsten van op zichzelf beschermde vissen die ongewild bij het vissen op toegelaten soorten met toegelaten netten worden meegevangen.
In het najaar 1977 heeft de „Cap Caval”, een Franse trawler die in de Britse visserijzone naar het schijnt vooral op langoestines viste, deze bepalingen over treden. Omdat daarbij netten werden gebruikt waarvan de maaswijdte niet in overeenstemming was met de voorschriften — er bevonden zich uitsluitend netten met geringe maaswijdte aan boord —, en omdat de grenzen van de toegelaten bijvangsten waren overschreden — de kapitein schatte deze op 61 % van de totale vangst, terwijl ingevolge het Britse besluit slechts 20 % geoorloofd was —, werd het schip aan de grens van een gebied voor de langoestinevangst opgebracht en werd de kapitein door een Britse rechtbank tot een geldboete veroordeeld.
Naar aanleiding daarvan heeft de Franse regering, van mening dat het Britse besluit om verschillende redenen, waarop ik later nog terugkom, niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, tegen het Verenigd Koninkrijk een procedure krachtens artikel 170 EEG-Verdrag ingeleid.
De Commissie gaf de Britse regering overeenkomstig artikel 170, derde alinea, gelegenheid opmerkingen te maken met betrekking tot hetgeen haar verweten werd. Ter rechtvaardiging van het besluit beriep de Britse regering zich erop dat de Lid-Staten ingevolge het arrest van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3, 4 en 6/76, Kramer e. a., Jurispr. 1976, blz. 1279) alleszins bevoegd waren maatregelen vast te stellen voor de instandhouding van de visbestanden. Bovendien wees zij erop dat het besluit was genomen ter uitvoering van aanbeveling nr. 5 van de in het kader van het Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (hierna: NEAFC) ingestelde commissie, dus ter uitvoering van een voor de Lid-Staten verbindend besluit. Volgens de Britse regering was het besluit derhalve geen unilaterale maatregel in de zin van bijlage VI bij de resolutie van Den Haag van 3 november 1976, die luidt als volgt:
„In afwachting van de invoering van de thans in voorbereiding zijnde communautaire maatregelen inzake de instandhouding van het visbestand zullen de Lid-Staten geen unilaterale instandhoudingsmaatregelen nemen.
Indien echter in de internationale commissies voor de visserij geen overeen stemming wordt bereikt voor het jaar 1977 en indien vervolgens niet onmiddellijk autonome communautaire maatregelen kunnen worden aangenomen, kunnen de Lid-Staten als conservatoire maatregel en op niet-discriminerende wijze de passende maatregelen nemen ter bescherming van de visbestanden in de viszones die aan hun kusten grenzen.
Alvorens deze maatregelen te nemen, tracht de betrokken Lid-Staat de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen, die in alle stadia van deze procedures moet worden geraadpleegd.
Deze eventueel te nemen maatregelen lopen niet vooruit op de beleidslijnen die zullen worden aangenomen voor de tenuitvoerlegging van de communautaire instandhoudingsmaatregelen”.
Volgens de door de Britse regering juist geachte uitlegging van deze resolutie, zou er dan ook geen aanleiding hebben bestaan te trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen. Niet in de laatste plaats zou ook moeten worden erkend dat de vastgestelde maatregel niet discriminerend is en dat zij vooral ook redelijk kan worden geacht, aangezien zij zou aansluiten bij artikel 6 van 's Raads verordening nr. 350/77 tot vaststelling van bepaalde overgangsmaatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB L 48 van 1977, blz. 28), dat luidt als volgt:
„Het percentage bijvangsten van demer-sale soorten die bij de visserij voor industriële doeleinden zijn toegestaan door de wettelijke bepalingen van de Lid-Staten die zijn vastgesteld overeenkomstig aanbeveling nr. 5 van de North East Atlantic Fisheries Commission wordt met ingang van 1 april 1977 teruggebracht van 25 % tot 20 %.
…”
De Commissie verkondigde daarentegen in een met redenen omkleed advies van 22 maart 1978 de opvatting, dat de Britse regering volgens de Haagse resolutie in werkelijkheid had moeten trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen, aangezien met het gewraakte besluit niet slechts uitvoering werd gegeven aan genoemde aanbeveling nr. 5, doch tevens — zonder de bestemming van de vangst in aanmerking te nemen — verder ging. Bovendien had zij ingevolge artikel 3 van 's Raads verordening nr. 101/76 (PB L 20 van 1976, blz. 19) de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis moeten stellen van de maatregelen die zij voornemens was vast te stellen. Daar het een noch het ander is geschied, moet worden geconcludeerd dat het Verenigd Koninkrijk de gemeenschapsvoorschriften niet is nagekomen.
Daarop heeft de Franse regering zich tot het Hof van Justitie gewend. In haar beroepschrift verzocht zij het Hof vast te stellen dat het Britse besluit van 9 maart 1977 geen maatregel is die de Britse regering gehouden was te nemen op grond van de NEAFC, en tevens vast te stellen dat bedoeld besluit vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt onrechtmatig is.
In de procedure voor het Hof, waarin de Commissie zich ter ondersteuning van de Franse regering heeft gevoegd, heeft de Britse regering de hierboven aangegeven zienswijze bestreden. Wel heeft zij, nadat aan het verzoek van de Britse vertegenwoordiger om goedkeuring van het besluit tijdens de hoorzitting op 2 februari 1978 door de Commissie geen gevolg was gegeven — de Commissie stond erop dat het besluit zou worden aangepast aan haar voorstel de bijvangst tot 40 % te beperken —, de Commissie op 3 juli 1978 officieel om toestemming verzocht het gewraakte besluit te wijzigen. Daarop werd deze wijziging inderdaad doorgevoerd in de „Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1978” van 7 juli 1978, in dier voege dat bij de vangst van langoestines geen beperkingen meer worden gesteld aan de bijvangsten.
In deze zaak zou ik het volgende willen opmerken.
1.
Allereerst wil ik ingaan op bezwaren van de Britse regering tegen de wijze waarop het beroep in de memorieën is geformuleerd.
Deze zijn niet ongegrond. In een procedure als het onderhavige kan ingevolge artikel 170 en 171 EEG-Verdrag enkel worden vastgesteld dat een Lid-Staat ingevolge het Verdrag op hem rustende verplichtingen — waarmee het gemeenschapsrecht als zodanig is bedoeld — niet is nagekomen. Bijgevolg lijkt het mij — met betrekking tot de tweede grief — ondenkbaar, dat het Hof in een dergelijke procedure een nationale bepaling onwettig verklaart. Dit kan hoogstens door de nationale rechterlijke instanties worden gedaan. Evenmin lijkt het mij verdedigbaar dat het Hof in deze procedure een uitspraak doet omtrent de verplichtingen krachtens de NEAFC, of deze nu inhoudt dat de Britse regering ingevolge de NEAFC niet verplicht was het gewraakte besluit vast te stellen, dan wel dat de Britse maatregelen in elk geval niet door de NEAFC worden gedekt. In een procedure als de onderhavige oordeelt het Hof enkel op grond van het gemeenschapsrecht of normen waarnaar dit verwijst, alsmede op grond van voorschriften die door de Gemeenschap zijn overgenomen en daardoor ook voor haar bindend zijn geworden. Daaronder valt niet de NEAFC: deze werd immers door de Lid-Staten van de Gemeenschap die erbij aangesloten waren, aan het einde van 1977, respectievelijk op 7 februari 1978 en 24 februari 1978 opgezegd, met als motivering dat zij aan de nieuwe rechtstoestand — uitbreiding van de visserijzones tot 200 zeemijlen — moest worden aangepast en dat de Gemeenschap als zodanig de gelegenheid moest worden geboden daaraan rechtstreeks deel te nemen.
Kennelijk heeft ook de Franse regering dit ingezien. Zo verklaar ik het tenminste, dat het tijdens de mondelinge behandeling alleen nog maar ging om het verzoek tot vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk de ingevolge het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door het besluit van 9 maart 1977 in werking te doen treden. Bijgevolg hebben wij dus thans uit te gaan van de aldus gewijzigde conclusie.
2.
De Britse regering worden twee zaken verweten:
a)
Zij heeft het betrokken besluit vastgesteld zonder inachtneming van de in het gemeenschapsrecht voorziene procedure, te weten de reeds geciteerde bijlage VI bij de Haagse resolutie van 3 november 1976, alsmede artikel 3 van verordening nr. 101/76, bepalende dat de Lid-Staten de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis moeten stellen van de wijzigingen die zij voornemens zijn aan te brengen in de ter toepassing van het bepaalde in artikel 2 vastgestelde regeling voor de visserij. Het eveneens door de Franse regering vroeger verdedigde standpunt, dat elke nationale regelende bevoegdheid ontbreekt, omdat de Gemeenschap van haar bevoegdheden op het gebied van de instandhouding van het visbestand gebruik heeft gemaakt, werd in de mondelinge behandeling kennelijk niet meer gehandhaafd: de Franse regering gaf immers zelf toe dat de door de Gemeenschap vastgestelde maatregelen fragmentarisch en onvolledig zijn, dat wil zeggen beperkt tot bepaalde zones en vissoorten, zodat de Raad nog geen volledig gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden, ook niet door verordening nr. 350/77 uit te vaardigen.
b)
Daarnaast wordt ook bezwaar gemaakt tegen de inhoud van het Britse besluit. De noodzaak ervan zou bij voorbeeld, voor wat de betrokken visbestanden betreft, niet wetenschappelijk zijn aangetoond; in elk geval zou het voor de bijvangsten vastgestelde percentage als veel te laag moeten worden aangemerkt. Bovendien zou de regeling discriminerend zijn en de doelstellingen en het functioneren van de gemeenschappelijke marktordening voor visserijprodukten — waarbij aan de prijssituatie en het voorzieningsniveau wordt gedacht — in gevaar brengen; daarenboven zou zij een nadelige invloed hebben op de onderhandelingen die de Commissie met derde landen moet voeren over overeenkomsten betreffende instandhoudingsmaatregelen en visserijrechten in de exclusieve visserijzones van de Gemeenschap.
Daartegen heeft het Verenigd Koninkrijk met name aangevoerd — waarbij het de bezwaren betreffende de inhoud van het besluit natuurlijk van de hand wees — dat de Haagse resolutie en artikel 3 van verordening nr. 101/76 enkel gelden voor zuiver unilaterale, op nationaal initiatief genomen maatregelen, doch niet voor maatregelen die — zoals in casu — worden vastgesteld om uitvoering te geven aan internationale afspraken.
Hiertegen heeft de Franse regering op haar beurt betoogd dat de Britse regering zich niet meer op de NEAFC kan beroepen, omdat zij deze zelf gedeeltelijk niet meer naleeft. Tevens is de Franse regering van mening dat de Haagse resolutie in ieder geval betrekking heeft op gevallen waarbij het niet slechts gaat om het louter omzetten van aanbevelingen van de commissie van de NEAFC in nationaal recht.
3.
Alvorens op dit verschil van mening in te gaan acht ik het nuttig de desbetreffende rechtspraak tot nu toe met enige ook in casu interessante principiële conclusies, in herinnering te brengen.
a)
In de eerste plaats wil ik wijzen op het arrest van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3, 4 en 6/76, Kramer e. a.), waarin het ging om Nederlandse bepalingen ter voldoening aan verplichtingen krachtens de NEAFC, te weten een regeling ter uitvoering van een aanbeveling betreffende de visserij op tong en schol, die de Lid-Staten ingevolge artikel 8 van het Verdrag verplicht waren te treffen. Op grond van de overweging dat de Gemeenschap haar opdracht ter zake van de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee nog niet volledig had vervuld, verklaarde het Hof dat de Lid-Staten — natuurlijk slechts gedurende een overgangsperiode — bevoegd waren in het kader van genoemd Verdrag verplichtingen aan te gaan en de nakoming daarvan te verzekeren. Daarnaast achtte het Hof de Lid-Staten echter ook reeds gebonden aan communautaire verplichtingen, te weten die uit artikel 5 EEG-Verdrag. In concreto betekent dit — verder gaat het arrest niet — dat de Gemeenschap niet mag worden gehinderd bij de uitvoering van de taak die haar is opgedragen in artikel 102 Toetredingsakte, volgens hetwelk de Raad, op voorstel van de Commissie, uiterlijk vanaf het zesde jaar na de toetreding de voorwaarden vaststelt voor de uitoefening van de visserij, teneinde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen. Bovendien zijn de Lid-Staten gehouden ervoor te zorgen dat eventuele vangstbeperkingen minimale gevolgen hebben voor de werking van de gemeenschappelijke marktordening voor visserijprodukten.
b)
Voorts is van belang het arrest van 16 februari 1978 (zaak 61/77, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1978, blz. 417). Daarin sprak het Hof eveneens uit dat de Lid-Staten gedurende de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte, en zolang de Gemeenschap geen volledig gebruik had gemaakt van haar bevoegdheid, geëigende instandhoudingsmaatregelen mochten nemen. Ook in dit arrest wordt echter benadrukt dat geen inbreuk mag worden gemaakt op de uit artikel 5 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen tot samenwerking; met betrekking tot bijlage VI van de Haagse resolutie wordt in heel algemene zin gesteld, dat de Lid-Staten op grond daarvan de mogelijkheid hebben in samenwerking met de Commissie geëigende instandhoudingsmaatregelen te nemen.
c)
Ten slotte dient te worden gewezen op de eerste beschikking nr. 61/77 R in laatstgenoemde zaak, op 22 mei 1977 gegeven ingevolge een op artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering gebaseerd verzoekschrift (Jurispr. 1977, blz. 937). Daarin wordt benadrukt dat de in het kader van de Gemeenschap getrooste inspanningen om een gemeenschappelijk beleid in de visserijsector op te zetten niet in gevaar mogen worden gebracht en de positie van de Gemeenschap bij internationale onderhandelingen niet mag worden verzwakt. Daarnaast is met betrekking tot bijlage VI bij de Haagse resolutie de overweging van belang, dat daardoor een procedure wordt geboden waarmee in onderling overleg alternatieve oplossingen kunnen worden uitgewerkt.
4.
Kern van het dispuut in geding — waarop ik nu overga — is duidelijk de vraag welke verplichtingen de Lid-Staten hebben krachtens bijlage VI bij de Haagse resolutie; dat hieruit wettelijke verplichtingen zijn ontstaan, wordt ook door de Britse regering zonder meer erkend. Na al hetgeen naar voren is gebracht, moet namelijk worden onderzocht of de in de Haagse resolutie voorziene procedure, waaraan de Britse regering zich naar zijzelf toegeeft niet heeft gehouden, ook moest worden nageleefd wanneer nationale maatregelen werden vastgesteld tot nakoming van verplichtingen krachtens de NEAFC.
De vraag die daartoe eerst moet worden beantwoord, is of het Verenigd Koninkrijk zich wel op dit Verdrag kan beroepen. De Franse regering acht dit twijfelachtig op grond dat het Verenigd Koninkrijk het Verdrag in het verleden niet meer integraal zou hebben toegepast, doch zich gedeeltelijk ervan zou hebben losgemaakt. In dit verband verwijst zij naar een Britse nota van 27 januari 1977, waarin werd meegedeeld dat de aanbeveling betreffende controlemaatregelen — bepalende dat inbreuken op de NEAFC worden meegedeeld aan de desbetreffende staat, die dan zijn eigen onderdanen vervolgt — wegens de uitbreiding van de exclusieve visserijzones tot 200 zeemijlen, niet meer zou worden toegepast; Groot-Brittannië zou daarentegen direct optreden tegen Franse schepen die de voorschriften van het Verdrag niet nakomen. Ik geloof echter dat op deze vraag niet nader hoeft te worden ingegaan, dat derhalve zowel artikel 13 van de NEAFC — bepalende dat „tout État contractant prendra dans ses territoires et à l'égard de ses nationaux et de ses navires les mesures appropriées …” — als de „Revised Scheme of Joint Enforcement” van de North-East Atlantic Fisheries Commission betreffende de internationale controles buiten de territoriale wateren, niet behoeven te worden uitgelegd. Men kan er namelijk van uitgaan — en daarmee loop ik vooruit op het resultaat van mijn onderzoek — dat zelfs indien het Verenigd Koninkrijk zich nog op de verplichtingen uit de NEAFC kon beroepen — omdat het namelijk alle andere aanbevelingen getrouwelijk is nagekomen, hetgeen doorslaggevend zou kunnen zijn —, het daardoor echter in geen geval is ontslagen van de verplichting tot naleving van de procedurevoorschriften van de Haagse resolutie.
In casu behoeft daarbij ook niet te worden onderzocht hoe het staat met de verplichtingen uit de Haagse resolutie bij een louter omzetten in nationaal recht van aanbevelingen van de in het kader van de NEAFC ingestelde Commissie, waarbij nationale beleidsvrijheid en nationale beoordelingen geen rol spelen; hiervoor kan immers worden aangevoerd — ik beperk mij tot deze opmerking — dat de Commissie goede redenen heeft aangevoerd om ook in dergelijke gevallen te worden ingeschakeld, bij voorbeeld om te verzekeren dat geen essentieel punt over het hoofd wordt gezien of dat in de nationale regeling geen ontoelaatbare additionele bestanddelen worden opgenomen. Blijkbaar hebben wij hier in feite niet te maken met zulk een geval van louter omzetten van visserijaanbevelingen in nationaal recht. Dat blijkt duidelijk uit het verweer van de Britse regering, die zoals bekend vooral refereert aan de aanbevelingen nrs. 2 en 5 van de Fisheries Commission. Aanbeveling nr. 2 bevat kennelijk echter enkel voorschriften betreffende de maaswijdte van netten voor de vangst van bepaalde vissoorten, en geen limieten voor de bijvangsten. Bijgevolg moest de Britse regering voor een conclusie daaromtrent een beroep doen op de uit artikel 13 van de NEAFC voor iedere Lid-Staat voortvloeiende verplichting om de toepassing van deze conventie te verzekeren door middel van passende maatregelen voor een doeltreffende naleving. Zij is van mening dat de door haar ingevoerde regeling — volgens welke men het vervoer van netten met geringe maaswijdte niet meer kan rechtvaardigen op grond dat deze enkel waren bedoeld voor de vangst van bepaalde vissoorten, indien de vangst voor meer dan 20 % uit vis bestaat waarvoor netten met grotere maaswijdte zijn voorgeschreven — duidelijk is aan te merken als een maatregel ter vergemakkelijking van de toepassing van aanbeveling nr. 2. Voor wat aanbeveling nr. 5 betreft, staat weliswaar vast dat zij bepalingen betreffende de omvang van de toegestane bijvangsten bevat, doch deze hebben uitsluitend betrekking op de visserij voor industriële doeleinden, zoals overigens ook verordening nr. 350/77, waarin het in aanbeveling nr. 5 voorziene percentage is teruggebracht tot 20 %. Om dit duidelijke onderscheid op te heffen, moest de Britse regering een beroep doen op de betekenis en het doel van de aanbeveling en betogen, dat zij even zinvol op vangsten voor de menselijke consumptie kon worden toegepast. Daarentegen kan niet worden ontkend — de Franse regering heeft in dit verband getallen over de betrokken bijvangsten genoemd —, dat men over de bedreiging die van de bijvangsten uitgaat, zeer wel een andere opvatting kan hebben wanneer het de visvangst voor menselijke consumptie betreft. Op grond daarvan, en aangezien de Britse regering voor haar uitlegging daarnaast tevens een beroep moest doen op de betekenis en de geest die zij toekent aan alle — ook de niet relevante — visserijaanbevelingen gezamenlijk, kan stellig niet worden gesproken van een louter omzetten in nationaal recht van voorschriften krachtens de NEAFC; het gaat veeleer om een toepassing waarbij gebruik wordt gemaakt van een beoordelingsvrijheid, die andere Lid-Staten op een geheel andere wijze zouden kunnen gebruiken. Kennelijk liep ook de praktijk van de Britse rechterlijke instanties vóór de uitvaardiging van het gewraakte besluit in dit verband van geval tot geval sterk uiteen.
Dit vooropgesteld lijdt het voor mij geen twijfel dat juist ook dergelijke regelingen onder bijlage VI bij de Haagse resolutie vallen, dus niet alleen zuiver nationale maatregelen die worden vastgesteld zonder enig verband met internationale verplichtingen. Voor een dergelijke strikte uitlegging van de Haagse resolutie pleiten verschillende overwegingen. Om te beginnen kan worden gewezen op de hiervoor aangehaalde rechtspraak, die het beginsel van gemeenschapstrouw van de Lid-Staten duidelijk heeft doen uitkomen en daarmee de nadruk heeft gelegd op het vereiste dat er in twijfelgevallen voor wordt gezorgd dat, telkens wanneer dit raadzaam voorkomt, de gemeenschapsbelangen tot hun recht komen. Dat dit bij maatregelen tot instandhouding van de visbestanden uit de aard der zaak volgt, heeft de Commissie duidelijk gemaakt door erop te wijzen dat vele migrerende visbestanden als het ware aan verschillende Lid-Staten gezamenlijk toebehoren en dat bijgevolg in het belang van de doeltreffendheid van de beschermende maatregelen een zo gemeenschappelijk of althans gecoördineerd mogelijk optreden met inschakeling van de gemeenschapsinstellingen, die bij de toepassing van de Haagse resolutie altijd ook de andere Lid-Staten consulteren, raadzaam lijkt. Verder kan er ook op worden gewezen dat in bijlage VI bij de Haagse resolutie het beginsel van het verbod van unilaterale maatregelen voorop staat. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat wanneer in uitzonderlijke gevallen van dit beginsel wordt afgeweken, de daarvoor geldende bepalingen ter bescherming van de gemeenschapsbelangen ruim moeten worden uitgelegd. Zij dienen derhalve overal te worden toegepast waar dit ook maar enigszins nodig blijkt; zulks is stellig het geval bij de uitvoering van internationale verplichtingen die een beoordelingsvrijheid laten, omdat een uiteenlopende toepassing hier het gevaar met zich brengt dat de uitwerking van gemeenschappelijke regels wordt bemoeilijkt en de noodzakelijke onderhandelingen met derde landen worden belemmerd. Ten slotte zou het ook van belang kunnen zijn dat er in november 1976 reeds 23 NEAFC-aanbevelingen bestonden, doch dat hierover in bijlage VI met geen woord werd gerept. Op grond daarvan is stellig de conclusie gerechtvaardigd dat in de zin van deze bijlage alles wat geen communautaire maatregel is, als een „unilaterale maatregel” moet worden beschouwd. Voor mij is het duidelijk dat ook uit de considerans van verordening nr. 350/77 geen ander resultaat kan worden afgeleid. Weliswaar wordt daarin gezegd dat de Lid-Staten in de visserijzones die gelegen zijn langs de kusten van de Noordzee en de Noord-atlantische Oceaan met name uit hoofde van internationale verplichtingen instandhoudingsmaatregelen toepassen, doch met dezelfde nadruk wordt in deze considerans ook verwezen naar de in bijlage VI bij de Haagse resolutie verankerde procedure.
Juist omdat het litigieuze Engelse besluit werd vastgesteld zonder dat de Commissie was ingeschakeld — de Commissie werd niet geraadpleegd en er werd ook niet getracht haar goedkeuring te verkrijgen —, kan mijns inziens slechts worden geconcludeerd dat het besluit in strijd met het gemeenschapsrecht tot stand is gekomen en dat de regering van het Verenigd Koninkrijk bijgevolg terecht wordt verweten haar verdragsverplichtingen niet te zijn nagekomen.
Derhalve hoeft eigenlijk in het geheel niet meer te worden ingegaan op de vraag, wat in concreto moet gebeuren krachtens bijlage VI en inzonderheid of deze verplichting niets anders is dan een concretisering van de verplichtingen uit hoofde van artikel 5 EEG-Verdrag. Omdat dit tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig is besproken, wil ik daarover toch tenminste de volgende korte opmerking maken:
Het gaat daarbij stellig niet alleen om de loutere verplichting de Commissie te informeren, die daarmee de mogelijkheid wordt geboden eventueel een procedure wegens schending van het Verdrag in te leiden. Bijlage VI heeft kennelijk ten doel een minimum aan coördinatie van — soms een groot aantal — nationale maatregelen te waarborgen, zulks met het oog op de nog ontbrekende uitwerking van een gemeenschappelijk beleid en de betrekkingen met derde landen. Derhalve vereist deze regeling — zoals in de rechtspraak reeds werd benadrukt — een samenwerking met de Commissie, die een echte bereidheid impliceert naar oplossingen te zoeken die voor de Gemeenschap aanvaardbaar zijn. De raadplegende staat moet dan ook open staan voor wijzigingen van de maatregelen die hij voornemens is te nemen en stellig mag hij deze maatregelen niet onmiddellijk nadat de Commissie een eerste ontwerp heeft afgewezen, in werking doen treden. Weliswaar wordt in bijlage VI niet het vereiste van toestemming van de Commissie dan wel haar formeel vetorecht vermeld, maar ik ben het toch wel mét de Franse regering eens, dat de inhoud van de regeling dergelijke rechtsfiguren zeer dicht benadert. Deze problematiek zal in een zaak waarin zij werkelijk doorslaggevend is, verder kunnen worden verduidelijkt.
5.
Daarnaast is de Britse regering verweten, inbreuk te hebben gemaakt op artikel 3 van verordening nr. 101/76, dat de Lid-Staten ertoe verplicht de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis te stellen van de wijzigingen die zij voornemens zijn aan te brengen in de ter toepassing van het bepaalde in artikel 2 vastgestelde regeling voor de visserij, dat wil zeggen een nationale regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder de soevereiniteit van de betrokken staat valt. Gezien de resultaten van het onderzoek tot nu toe behoeft ook daarop niet meer te worden ingegaan. Ik wil echter niet verhelen dat ook dit verwijt mij gerechtvaardigd voorkomt.
Daarvoor is het voldoende dat voornoemde bepalingen zeer algemeen zijn geredigeerd. Tekst noch considerans van de verordening geven enige aanwijzing dat daarbij niet kan zijn gedacht aan maatregelen die de uitvoering van NEAFC-aanbevelingen dienen te vergemakkelijken. Ook is het duidelijk dat de verplichting tot kennisgeving in artikel 3 van verordening nr. 101/76 op overwegingen berust analoog aan die van bijlage VI bij de Haagse resolutie, en dat derhalve alle in dat verband gemaakte opmerkingen ook met betrekking tot genoemd artikel 3 kunnen worden aangevoerd. Bijgevolg kan in feite ook worden gesproken van inbreuk op artikel 3 van verordening nr. 101/76, aangezien het Verenigd Koninkrijk de Commissie eerst in kennis heeft gesteld na uitvaardiging van het gewraakte besluit. Dit geldt stellig voor de gehele inhoud van het besluit, dus niet enkel voor artikel 6, lid 3, daarvan, waarop de Franse regering zich oorspronkelijk vooral heeft beroepen.
6.
Vervolgens resteren nog de verwijten betreffende de inhoud van het besluit. Ook deze behoeven mijns inziens, na al hetgeen ik reeds heb gezegd, niet meer te worden onderzocht. Om de opgeworpen vragen niet volledig onbesproken te laten, zou ik daarover hoogstens nog de volgende opmerkingen willen maken:
a)
Men kan moeilijk stellen dat de noodzaak van een regeling als hier in geding in beginsel niet bewezen is. In dit verband kan in ieder geval worden betoogd dat ook in Frankrijk een dienovereenkomstige maatregel (besluit van 31 december 1976), zij het met andere getallen voor de bijvangsten, namelijk een beperking tot 80 %. Bovendien kan worden gewezen op een voorstel van de Commissie van januari 1978, waarin eveneens een andere beperking van de bijvangsten (40 %) was voorzien.
b)
Een definitief oordeel over de vraag of de Britse maatregel als excessief moet worden aangemerkt, is wellicht niet mogelijk. Daartoe ontbreken de noodzakelijke wetenschappelijke bewijsstukken. Het is in elk geval niet voldoende daarvoor te verwijzen naar artikel 6 van verordening nr. 350/77, aangezien dat alleen betrekking heeft op visserij voor industriële doeleinden. Anderzijds kan ook niet eenvoudigweg een argument tegen het Britse besluit worden ontleend aan het reeds genoemde voorstel van de Commissie, waarmee de Britse regering, naar zij stelt, niet heeft ingestemd en dat — aanvankelijk zou zijn gesproken over 20 % — slechts een compromis zonder wetenschappelijke basis zou zijn. In zoverre is het in ieder geval van belang, dat het op een overgangsperiode betrekking hebbende voorstel van de Commissie ook in andere maatregelen voorzag — andere maaswijdte, bepalingen betreffende de grootte van de vissen. Op grond daarvan lijkt het niet mogelijk uit dit voorstel slechts een bestanddeel te nemen en vervolgens de Britse maatregel, die geen minimumgrootte voor vissen kent, daarmee te vergelijken. Verder is van belang dat ook het voorstel van de Commissie voor een definitieve oplossing, en dit is onweersproken betoogd, in zijn totaliteit strenger is dan het gewraakte Britse besluit.
c)
Voor wat betreft de belemmering van de onderhandelingen met derde landen is het van belang, dat de Commissie zelf heeft verklaard dat daarvan in het geval van het Britse besluit moeilijk kan worden gesproken. Met betrekking tot het in gevaar brengen van de doelstellingen en de werking van de gemeenschappelijke ordening der markten voor visserijprodukten — effect van de Britse maatregel op de prijs- en voorzieningssituatie —, werden echter geen verdere bijzonderheden verstrekt op grond waarvan zou kunnen worden gezegd dat het ook vanuit dat oogpunt is geschonden.
d)
Wat ten slotte het verwijt van discriminatie betreft, dat op zijn plaats zou moeten zijn omdat er geen rekening mee zou zijn gehouden dat Franse vissers ingevolge de Franse regeling ook een minimale grootte van de gevangen vissen in acht moesten nemen — hetgeen voor hen, anders dan voor de Britse vissers, noodzakelijkerwijs tot een toename van de bijvangst zou voeren — zou ik slechts willen opmerken dat het mij twijfelachtig voorkomt of op grond daarvan inderdaad kan worden beweerd dat een nationale, algemeen geldende regeling een ontoelaatbare discriminatie inhoudt. In casu behoeft dit probleem echter niet verder te worden uitgediept.
7.
Concluderend ben ik derhalve van mening dat het door de Franse regering ingediende beroep gegrond is. Overeenkomstig het verzoek, zoals dit uiteindelijk is geformuleerd, moet mitsdien worden vastgesteld dat de regering van het Verenigd Koninkrijk, door eenzijdig de „Fishing Nets (North-East Atlantic) Order 1977” uit de vaardigen, inbreuk heeft gemaakt op de ingevolge het gemeenschapsrecht op haar rustende verplichtingen. Aangezien verzoekster in het gelijk is gesteld, dient overeenkomstig haar vordering het Verenigd Koninkrijk ook in de kosten van het geding te worden verwezen, waarbij overigens met betrekking tot de door interveniënte veroorzaakte kosten, omdat op dat punt geen vordering is ingediend, slechts behoeft te worden verklaard dat zij worden gecompenseerd.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy