CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. REISCHL
VAN 13 SEPTEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In het onderhavige geding gaat het in de eerste plaats om verzoeksters recht op betaling van een onder andere aan gehuwde ambtenaren toegekende kostwinnerstoelage in de zin van artikel 67, lid 1, sub a, van het Statuut van de ambtenaren en van artikel 1, van bijlage VII bij het Statuut. In de tweede plaats bestrijdt verzoekster de vordering tot terugbetaling overeenkomstig artikel 85 van het Statuut van een gedurende een bepaalde periode beweerdelijk ten onrechte ontvangen kostwinnerstoelage. Artikel 85 luidt als volgt:
„Een onverschuldigd betaald bedrag wordt teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen.”
In dit verband dient men te weten dat verzoekster, die uit een vroeger huwelijk twee (in 1969 en in 1971 geboren) kinderen heeft, op 16 februari 1974 is gehuwd met een ambtenaar van Eurocontrol, die vanaf september 1962 tot december 1976 in rang B5/1 was ingedeeld en vervolgens de rang B 4 heeft gekregen. Krachtens het Ambtenarenstatuut van Eurocontrol, dat geheel geïnspireerd is door dat van de Gemeenschappen, kreeg verzoeksters echtgenoot vanaf de huwelijksdatum een kostwinnerstoelage en een toelage voor twee ten laste komende kinderen; bovendien werd hem vanaf juni 1975 een eerste en vanaf november 1977 een tweede schooltoelage toegekend.
Op 1 juni 1974 is verzoekster als ambtenaar op proef in rang C 5/3 in dienst van de Commissie getreden. Per 1 december 1974 werd zij tot ambtenaar benoemd en sinds 1 januari 1976 is zij ingedeeld in rang C 4/2. In verband met haar indiensttreding moest zij op 4 juni 1974 een formulier invullen en ondertekenen waarop zij — dit heeft betrekking op de in artikel 67, lid 2, van het Statuut neergelegde verplichting om soortgelijke toelagen uit andere bron op te geven — onder punt 18 een bedrag van 3840 frank opgaf, wat kennelijk de door Eurocontrol aan haar echtgenoot betaalde kindertoelage was. Daarbij liet zij na de bewijsstukken over te leggen die volgens een voetnoot bij het formulier moesten worden gevoegd. Vanaf haar indiensttreding kreeg zij bijgevolg een kostwinnerstoelage en blijkbaar ook — doch dit is verder niet relevant — een gedeeltelijke kindertoelage.
Bij een controle in 1976 werd vastgesteld dat verzoekster haar verklaring betreffende de door Eurocontrol betaalde kindertoelage niet had gewijzigd, ofschoon de toelage met ingang van 1 juli 1974 was verhoogd. Zij werd derhalve verzocht deze wijzigingen te melden, en op 30 september 1976 legde zij daartoe een door Eurocontrol afgegeven verklaring over betreffende de kindertoelagen. Tegelijkertijd nam de administratie van de Commissie contact op met Eurocontrol en vernam zo uit een brief van 21 oktober 1976 dat verzoeksters echtgenoot een kostwinnerstoelage, een kindertoelage en een schooltoelage van Eurocontrol kreeg. Dit was voor de administratie van de Commissie aanleiding om, aangezien verzoeksters echtgenoot van Eurocontrol hogere bedragen ontving dan verzoekster krachtens het gemeenschapsrecht, vanaf december 1976 verzoeksters kostwinnerstoelage alsmede de gedeelte lijk toegekende kindertoelage in te trekken, hetgeen aanvankelijk echter alleen uit de salarisstrook kon worden afgeleid. Bij schrijven van 24 februari 1977 vroeg verzoekster derhalve opheldering over de verlaging van haar salaris. Deze werd haar gegeven bij nota van 4 maart 1977. Bij schrijven van 15 maart 1977, waaraan zij op 20 april 1977 herinnerde, verzocht zij om verdere toelichtingen. Onder verwijzing naar artikel 67, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren werd haar bij nota van 18 mei 1977 meegedeeld, dat de kostwinnerstoelage en de kindertoelage met ingang van 1 december 1976 waren ingetrokken, omdat de overeenkomstige, door Eurocontrol aan haar echtgenoot betaalde toelagen even hoog of hoger waren. Bij dit schrijven werd verzoekster bovendien meegedeeld dat zij de aan haar uitgekeerde kostwinnerstoelage moest terugbetalen, en wel vanaf 1 januari 1975, kennelijk omdat de administratie van de Commissie de brief van Eurocontrol van 21 oktober 1976 verkeerd interpreteerde — pas uit een schrijven van Eurocontrol van 10 oktober 1977 werd duidelijk dat verzoeksters echtgenoot reeds vanaf 1 februari 1974 kostwinnerstoelage had ontvangen.
Hiertegen diende verzoekster op 22 juli 1977 een klacht in, waarover op een bijgevoegd formulier werd vermeld, dat zij betrekking had op „récupération de sommes indûment touchées”. Ten aanzien van genoemde vordering tot terugbetaling werd bij nota van 23 augustus 1977 van het hoofd van de afdeling „Salarissen, pensioenen, dienstreizen, diverse vergoedingen” meegedeeld dat verzoekster een bedrag van BFR 22218 verschuldigd was, terwijl bovendien de wijze van terugbetaling werd geregeld. In maart 1978 was verzoeksters schuld blijkbaar geheel voldaan.
Op haar klacht ontving verzoekster een antwoord, dat door een lid van de Commissie was ondertekend, en waarvan zij — wegens ziekte — eerst op 20 maart 1978 kennis kreeg. Daarin werd beklemtoond dat de Commissie terecht terugbetaling van de kostwinnerstoelage vorderde, omdat verzoekster niet had opgegeven, dat ook haar echtgenoot een kostwinnerstoelage ontving. Vervolgens stelde verzoekster op 19 juni 1978 beroep in bij het Hof van Justitie het het verzoek:
1.
te verklaren dat zij recht heeft op betaling van de kostwinnerstoelage alsmede op nabetaling ervan vanaf het moment van beëindiging van de toelage;
2.
het -besluit van de Commissie van 6 februari 1978 nietig te verklaren;
3.
de Commissie te veroordelen tot betaling van BFR 22218 plus interest vanaf 15 juli 1977;
4.
subsidiair te verklaren dat artikel 85 van het Statuut niet van toepassing is.
De Commissie is van mening dat dit beroep, voorzover het betrekking heeft op het recht op betaling van de kostwinnerstoelage, niet-ontvankelijk is, en dat het in elk geval ongegrond moet worden verklaard.
Met betrekking tot dit geschil zou ik het volgende willen opmerken.
1. Het recht op betaling van de kostwinnerstoelage
Met betrekking tot dit punt heeft de Commissie betoogd dat het beroep niet ontvankelijk is, omdat hieraan niet, zoals in artikel 91 Ambtenarenstatuut verlangt, een klacht betreffende het besluit de kostwinnerstoelage niet meer te betalen vooraf is gegaan. En aangenomen dat verzoeksters klacht ook op dit punt betrekking had, zou men er in elk geval van moeten uitgaan dat de klacht te laat was ingediend, hetgeen eveneens tot niet-ontvankelijheid van het beroep zou leiden.
In navolging van een aantal in ambtenarenzaken gewezen arresten (zaken 126/75, 34 en 92/76, Giry, arrest van 27 oktober 1977, Jurispr. 1977, blz. 1937; zaak 95/76, Bruns, arrest van 15 december 1977, Jurispr. 1977, blz. 2401; zaak 122/77, Agneessens e.a., arrest van 26 oktober 1978, Jurispr. 1978, blz. 2085) zal ik, ofschoon ik daar sterke logische bezwaren tegen heb, de vrijheid nemen het ontvankelijkheidsprobleem voorlopig buiten beschouwing te laten en onmiddellijk overgaan tot de vraag of verzoeksters aanspraak gegrond is.
Daarvoor is in de eerste plaats artikel 67 van het Statuut van belang, waarvan lid 1 en lid 2 luiden als volgt:
„De gezinstoelagen omvatten:
a)
de kostwinnerstoelage, gelijk aan 5 % van het basissalaris; …
b)
de kindertoelage, …
c)
de toelage voor schoolgaande kinderen.
De ambtenaar die de in dit artikel bedoelde gezinstoelagen geniet, is verplicht opgave te doen van soortgelijke toelagen uit andere bron, deze komen in mindering op die welke uit hoofde van de artikelen 1, 2 en 3 van bijlage VII worden uitbetaald.”
Van belang is voorts artikel 1 van bijlage VII bij het Statuut, luidende:
„De kostwinnerstoelage wordt vastgesteld op 5 % van het basissalaris van de ambtenaar, …
De volgende ambtenaren hebben recht op de kostwinnerstoelage:
a)
de gehuwde ambtenaar;
b)
…
c)
…
De ambtenaar die recht heeft op de kostwinnerstoelage en wiens echtgenoot een winstgevende bezigheid als beroep uitoefent die een beroepsinkomen oplevert van meer dan 250000 Belgische frank per jaar voor belasting”, (dit bedrag wordt genoemd in de tekst van het Statuut van april 1977) „geniet deze toelage niet, behoudens bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag. Het genot van de toelage wordt evenwel in elk geval gehandhaafd indien echtgenoten een of meer te hunnen laste komende kinderen hebben.
Indien krachtens bovenstaande bepalingen echtgenoten die in dienst van de Gemeenschappen zijn beiden recht hebben op de kostwinnerstoelage, wordt deze slechts uitgekeerd aan de echtgenoot met het hoogste basissalaris.”
Verzoekster heeft aanvankelijk betoogd dat artikel 67, lid 2, van het Statuut enkel betrekking heeft op toelagen die de ambtenaar zelf ontvangt. Dit standpunt heeft zij in repliek laten varen, omdat zij blijkbaar de onhoudbaarheid ervan had ingezien, nadat de Commissie had gewezen op de wijziging van de Franse tekst van het Statuut bij verordening nr. 1473/72 (PB L 160 van 1972, blz. 1), op zin en doel van de bepaling alsmede op de overwegingen 11 tot 17 van het arrest in zaak 106/76 (Gelders-Deboeck, arrest van 13 oktober 1977, Jurispr. 1977, blz. 1634). Derhalve hoeft hier slechts te worden ingegaan op haar stelling, dat in artikel 67, lid 2, van het Statuut weliswaar een algemeen beginsel is neergelegd, doch dat de bijzondere regeling van bijlage VII, waarin de betalingsvoorwaarden zijn neergelegd, voorrang heeft. Daaruit zou volgens haar volgen dat het recht op kostwinnerstoelage in elk geval bestaat wanneer er een of meer ten laste komende kinderen zijn, en dat het verbod van cumulatie alleen geldt voor het geval dat beide echtgenoten in dienst van de Gemeenschappen zijn.
Ik wil al dadelijk opmerken dat deze opvatting mij volkomen onhoudbaar lijkt.
Men hoeft alleen maar te zien naar de arresten in de zaken 106/76 en 14/77 (Emer-van den Branden, arrest van 13 oktober 1977, Jurispr. 1977, blz. 1683), waarin werd overwogen dat artikel 67, lid 2, kennelijk bedoeld is om te voorkomen dat een echtpaar voor dezelfde kinderen twee maal gezinstoelagen ontvangt, wanneer het gaat om vergelijkbare toelagen die hetzelfde doel hebben. Aangezien hier eenvoudig wordt verwezen naar artikel 67, lid 2, en voor andere toelagen — wat het doel van de regeling betreft — geen afwijkingen kunnen gelden, dient aan deze uitspraken stellig een algemene draagwijdte te worden toegekend.
Van belang is ook dat artikel 67, lid 2, wanneer men het letterlijk neemt, een onvoorwaardelijk en voor alle gevallen geldend beginsel bevat. Daartegenover kan men zich niet beroepen op artikel 1 van bijlage VII, en met name lid 3 ervan, als zou dit een bijzondere bepaling zijn die in de erin genoemde gevallen voorrang zou hebben boven de algemene regel van artikel 67. Waarop het aankomt, is dat genoemd artikel 1, lid 3, in werkelijkheid geen anti-cumulatieregel bevat en dus een heel andere werkingssfeer heeft dan artikel 67 van het Statuut: het bepaalt dat wanneer het inkomen van de echtgenoot van de ambtenaar een bepaalde grens overschrijdt, de kostwinnerstoelage vervalt, en zulks geheel los van de vraag of de echtgenoot een dergelijke toelage ontvangt. Deze bepaling wordt alleen dan niet toegepast wanneer er ten laste komende kinderen zijn. Hieruit kan derhalve niet worden geconcludeerd dat echtparen met kinderen in elk geval twee kostwinnerstoelagen kunnen ontvangen.
Dit zou trouwens — en ook dit is van belang — tot zeer onbillijke resultaten leiden in verband met artikel 1, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, waarin de anti-cumulatieregel is neergelegd voor het geval dat beide echtgenoten in dienst van de Gemeenschappen zijn. Het valt immers niet in te zien waarom in een dergelijk geval slechts één echtgenoot een kostwinnerstoelage zou krijgen, terwijl zonder meer twee toelagen zouden moeten worden betaald indien een echtgenoot buiten de Gemeenschappen werkzaam is. Zoals uit beide genoemde arresten kan worden afgeleid, is het in feite niet de ratio van artikel 67, de Gemeenschappen uitgaven te besparen; aangezien het doel van de kostwinnerstoelage er klaarblijkelijk in bestaat, compensatie te geven voor verhoogde uitgaven tengevolge van een groter huishouden, gaat het er veeleer om bij op zich bestaande dubbele aanspraken in beginsel slechts eenmaal de hoogste toelage uit te keren.
Aangezien in het onderhavige geval echter niet worden betwist dat verzoeksters echtgenoot een gelijksoortige toelage ontvangt — de voor Eurocontrol geldende voorschriften vormen een getrouwe afspiegeling van het gemeenschapsrecht —, en aangezien de aan haar echtgenoot betaalde kostwinnerstoelage wegens zijn hoger basissalaris hoger is dan de aan verzoekster verschuldigde toelage, kan slechts worden geconcludeerd, dat verzoeksters kostwinnerstoelage ingevolge artikel 67, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren terecht is ingetrokken.
Voor zover het beroep hierop betrekking heeft, moet het derhalve worden verworpen. Daarom behoeft in aansluiting op de hiervoor aangehaalde rechtspraak niet te worden ingegaan op de vraag of het beroep in zoverre ontvankelijk is.
Dienaangaande wil ik echter wel kwijt, dat de hieromtrent door de Commissie aangevoerde argumenten mij overtuigender lijken dan het verweer van verzoekster, dat men derhalve kan twijfelen aan de ontvankelijkheid van het beroep, zulks in verband met het vereiste dat het moet worden voorafgegaan door een klacht en — zo de klacht eveneens betrekking mocht hebben gehad op de aanspraak op de kostwinnerstoelage — dat de daarvoor geldende termijnen in acht worden genomen.
2.
Het tweede onderdeel van het geschil betreft het op artikel 85 van het Statuut gebaseerde besluit om de uitbetaalde kostwinnerstoelage te doen terugbetalen, welk besluit — als ik het goed zie — slechts betrekking heeft op een gedeelte van de sinds verzoeksters indiensttreding aan haar betaalde kostwinnerstoelage. Aangezien in dit verband geen exceptie van niet-ontvankelijkheid is opgeworpen en zich ook ambtshalve hieromtrent geen problemen lijken voor te doen, kan ik met een gerust hart onmiddellijk overgaan tot een onderzoek van de gegrondheid van de desbetreffende conclusies van verzoekster.
Verzoekster betoogt dat de voorwaarden die artikel 85 van het Statuut voor de terugvordering stelt, niet zijn vervuld. Volgens haar kan men niet volhouden dat de betaling klaarblijkelijk zonder rechtsgrond is geschied, omdat de door het Statuut geschapen rechtstoestand — artikel 67, lid 2, juncto bijlage VII — niet volstrekt duidelijk is. Men zou haar derhalve geen kwade trouw kunnen verwijten, veeleer zou men van een verschoonbare dwaling moeten spreken. Daarbij ware rekening te houden met haar rang, haar opleiding en met het feit dat zij als gehuwde vrouw met schoolgaande kinderen geen tijd heeft om het Ambtenarenstatuut en daarop betrekking hebbende mededelingen van de administratie te bestuderen. Bovendien was zij voorheen bij het Belgische particuliere bedrijfsleven werkzaam geweest en in de daar geldende Belgische bepalingen betreffende de sociale zekerheid zouden met „allocation familiales” enkel de kindertoelagen worden bedoeld. Tenslotte zou zij in haar rechtsopvatting — aanspraak op kostwinnerstoelage ondanks betaling van een gelijksoortige toelage aan haar echtgenoot — zijn gesterkt door gesprekken met ambtenaren van de Commissie rond het tijdstip van haar indiensttreding.
Daarentegen wijst de Commissie er in de eerste plaats op, dat verzoekster bij haar indiensttreding het hiervóór bedoelde formulier niet correct heeft ingevuld — ondanks de duidelijk geformuleerde vraag heeft zij de door Eurocontrol aan haar echtgenoot toegekende kostwinnerstoelage niet opgegeven — en dat zij ook geen bewijsstukken („pièces justificatives”) heeft overgelegd — bijvoorbeeld een salarisstrook van haar echtgenoot —, waaruit meteen zou zijn gebleken dat haar echtgenoot een kostwinnerstoelage ontving. Verder zou verzoekster ook later niet de juiste gegevens hebben verstrekt, ofschoon regelmatig is herinnerd aan de bepaling van artikel 67, lid 2, van het Statuut, bijvoorbeeld in een mededeling aan het personeel van 13 oktober 1975. Op deze gronden zou zij zich geenszins met een beroep op haar goede trouw aan de verplichting tot terugbetaling kunnen onttrekken.
Het lijkt mij niet nodig bij onderzoek van dit punt op alle denkbare aspecten in te gaan die met het oog op artikel 85 van het Statuut een rol kunnen spelen. In de rechtspraak (zaak 36/72, Meganck, arrest van 30 mei 1973, Jurispr. 1973, blz. 527; en zaak 21/72, Kuhl, arrest van 27 juni 1973, Jurispr. 1973, blz. 705) is reeds uitgemaakt, dat het aankomt op de omstandigheden waaronder de betaling heeft plaatsgevonden, en dat daarom een te late mededeling van gewijzigde gezinsomstandigheden een beroep op de goede trouw verhindert. Ook acht ik de opvatting van advocaat-generaal Mayras in zijn conclusie in zaak 71/72 voor juist, dat het namelijk bij artikel 85 niet alleen hierop aankomt, of de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling dan wel of het om een voor de hand liggende onregelmatigheid ging, doch dat het ook van belang is of de betrokken ambtenaar door een onjuiste verklaring of door het ontbreken van een verklaring de vergissing van de administratie die tot de betaling leidde, heeft uitgelokt.
Bijgevolg wordt verzoekster terecht verweten dat zij op het bij haar aanstelling in te vullen formulier met betrekking tot het punt „gelieve hieronder de kostwinnerstoelage op te geven die u elders ontvangt” (veuillez préciser ci-dessous les allocations familiales que vous percevez par ailleurs), enkel de aan haar echtgenoot betaalde kindertoelage heeft opgegeven en dat zij, ondanks de op het formulier uitdrukkelijk vermelde eis, ook geen bewijsstukken (pièces justificatives) heeft overgelegd.
Hiertegen kan verzoekster niet aanvoeren dat zij vroeger in de privé-sector werkzaam is geweest en dat het begrip gezinstoelage (allocations familiales) in net nationale sociale-zekerheidsrecht een engere betekenis heeft. Het ging immers om een toelage die haar echtgenoot — die ze daarover wel heeft geraadpleegd — ontving van Eurocontrol, waar, zoals reeds gezegd, een uit het gemeenschapsrecht overgenomen regeling bestaat, waarin de term „gezinstoelage” (allocations familiales) ook de kostwinnerstoelage omvat.
Evenmin kan verzoekster zich beroepen op een gesprek met een B-ambtenaar van de Commissie, die — wat de Commissie na ruggespraak met deze ambtenaar ontkent — zou hebben gezegd dat door Eurocontrol betaalde toelagen niet in aanmerking behoefden te worden genomen, omdat Eurocontrol geen gemeenschapsinstelling was. Dit kon namelijk in geen geval zò worden begrepen — en daarom kon van een verhoor van genoemde ambtenaar worden afgezien — dat verzoekster de betrokken toelagen helemaal niet op het vragenformulier behoefde te vermelden; immers, de eveneens door Eurocontrol betaalde kindertoelage heeft zij daarop wel aangegeven.
Tenslotte kan verzoekster zich er ook niet op beroepen dat zij niet op de regelmatig in de Personeelskoerier gepubliceerde mededelingen, zoals bijvoorbeeld die van 13 oktober 1975, heeft gereageerd, omdat zij ervan overtuigd was dat die niet voor haar gold. In deze aanmaningen wordt immers duidelijk gesproken over een verbod van cumulatie met elders ontvangen gezinstoelagen, en gezien de duidelijke tekst van artikel 67 van het Statuut, staat volstrekt buiten twijfel dat daartoe ook de kostwinnerstoelage behoort.
Derhalve kan eigenlijk slechts worden geconcludeerd dat artikel 85 van het Statuut terecht is toegepast op aan verzoekster betaalde kostwinnerstoelage.
Op één punt, dat vooral ter mondelinge behandeling ter sprake is gekomen, zou ik toch nog willen wijzen. Het is inderdaad opmerkelijk dat de administratie niet heeft gereageerd op de klaarblijkelijke onvolledigheid bij het inleveren van het eerder genoemde vragenformulier. Zou de administratie onmiddellijk om overlegging van de bewijsstukken (pièces justificatives) hebben verzocht en deze vervolgens ook hebben gekregen, dan was de kostwinnerstoelage hoogstwaarschijnlijk helemaal niet aan verzoekster uitbetaald. Men kan derhalve van een administratieve fout, van een soort medeschuld van de administratie spreken, en het is mijns inziens niet volstrekt verwerpelijk om ook daarmee in een geval als dit rekening te houden. Daardoor behoeft het recht tot terugvordering weliswaar niet geheel te vervallen, maar het zou wel tot een beperking ervan kunnen leiden. Hiermee schijnt evenwel — op welke gronden dan ook — reeds rekening te zijn gehouden, aangezien — indien ik het goed zie — niet voor het gehele in aanmerking komende tijdvak, doch slechts voor een gedeelte daarvan terugbetaling wordt gevorderd.
Mitsdien kan tot slot worden vastgesteld dat tegen de onderhavige vordering tot terugbetaling niet kan worden opgekomen en dat bijgevolg de daarop betrekking hebbende conclusie van verzoekster moet worden afgewezen.
3.
Tenslotte nog een opmerking over de kosten van het geding. Volgens verzoekster zou de Commissie geheel of gedeeltelijk in de kosten van het geding moeten worden verwezen, omdat zijzelf te goeder trouw zou zijn geweest, dat wil zeggen buiten haar schuld zou hebben aangenomen dat zij, ondanks een soortgelijke betaling door Eurocontrol aan haar echtgenoot, recht had op kostwinnerstoelage.
Na alles wat ik hierboven over de onvolledige invulling van het vragenformulier door verzoekster, en over het niet overleggen van bewijsstukken heb betoogd, kan ik mij hier moeilijk bij aansluiten.
Hoogstens zou men zich kunnen afvragen of in zoverre verzoeksters opmerking van belang is, dat zij door een ambtenaar van de administratie in haar rechtsopvatting is gesterkt en derhalve als het ware tot instelling van een uitzichtsloos beroep is aangezet. Ook dit zou ik echter willen ontkennen. Voor zover verzoekster zich beroept op iets wat mevrouw Nicora in het voorjaar van 1977 haar zou hebben verklaard, is niet enkel van belang dat het daarbij gaat om een ambtenaar van lagere rang; bovendien zou slechts zijn gezegd — en ook dit bestrijdt de Commissie na ruggespraak met de betrokken ambtenaar — dat verzoekster geen aanspraak op kostwinnerstoelage had omdat Eurocontrol als een tot de Gemeenschappen behorende instelling zou moeten worden beschouwd. En wat verzoeksters verklaring betreft, als zou de heer Campey in een gesprek na het indienen van de klacht haar hebben gezegd dat haar opvatting juist was: uit het verhoor van deze ambtenaar aan het begin van de mondeling behandeling is wel duidelijk geworden, dat hij iets dergelijks niet heeft verklaard doch dat er veeleer een misverstand moet zijn geweest — blijkbaar doordat het gesprek in het Frans plaatsvond.
Aangezien er geen andere redenen zijn om van de normale beslissing inzake de kosten af te wijken, zal deze slechts overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering kunnen luiden.
4.
Concluderend zou ik derhalve willen voorstellen, het beroep in zijn geheel te verwerpen en te verstaan dat beide partijen de eigen kosten hebben te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy