CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 24 JANUARI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Raad, de Commissie en de Duitse regering zijn eenstemmig van oordeel dat deze zaak zich in principe niet onderscheidt van zaak ). Dit is ook mijn mening. Het Hof verklaarde in die zaak dat de uitkeringen waarom het daar ging, geen uitkeringen van „sociale zekerheid” waren in de zin van artikel 51 van het Verdrag of van de op grond van dat artikel vastgestelde verordeningen, zulks vanwege de in de 7e rechtsoverweging van het arrest genoemde omstandigheden. Gezien hun belang vermeld ik ze nogmaals, hoewel de desbetreffende passage ons zojuist is voorgelezen. De omstandigheden zijn: „dat de bevoegde verzekeringsorganen waarbij de in de betrokken bepaling bedoelde personen waren aangesloten, niet meer bestaan of buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland zijn gelegen, en dat de onderhavige Duitse regeling ten doel heeft verlichting te bieden in bepaalde situaties die zijn ontstaan door de gebeurtenissen in verband met het nationaal-socialistisch regime en de tweede wereldoorlog, en ten slotte dat de betaling van de betrokken uitkeringen jegens de eigen onderdanen een discretionair karakter heeft indien zij in het buitenland wonen.” Precies hetzelfde geldt voor de uitkeringen waarom het in deze zaak gaat. Dezelfde drie elementen zijn, zoals de Duitse regering heeft beklemtoond, ook hier aanwezig.
In de zaak-Fossi zag het Hof in het voorbehoud van bijlage G I A bij verordening nr. 3 en bijlage V C 1 b bij verordening nr. 1408/71 een bevestiging van zijn bevindingen (zij het dat in de gepubliceerde tekst van dit arrest laatstgenoemde bijlage anachronistisch nog bijlage V B 1 b wordt genoemd). In deze zaak is niets naar voren gebracht dat mij ervan heeft overtuigd dat dit onjuist was.
Volgens de Italiaanse regering moet deze zaak wel van de zaak-Fossi worden onderscheiden. De desbetreffende redenering evenwel lijkt mij, met permissie, op een aantal misvattingen te zijn gebaseerd.
De eerste en misschien minst belangrijke hiervan is dat de oorspronkelijke tekst van bijlage G IA bij verordening nr. 3 van kracht zou zijn gebleven totdat verordening nr. 1408/71 in werking trad. Dit is niet het geval. De oorspronkelijke tekst is bij verordening nr. 130/63/EEG van 18 december 1963 zodanig gewijzigd, dat de bedoeling om hem in omstandigheden als de onderhavige van toepassing te doen blijven, overduidelijk is.
In de tweede plaats zegt de Italiaanse regering dat bijlage V C 1 b bij verordening nr. 1408/71 de uitkeringen waarop zij betrekking heeft, zelf als uitkeringen van „sociale zekerheid” aanduidt. In werkelijkheid echter duidt bijlage V C 1 b deze uitkeringen heel neutraal aan als „uitkeringen” zonder meer, zonder enige bijvoeglijke bijzin of een andere omschrijving waaruit zou blijken dat de opstellers van de verordening ze als uitkeringen van sociale zekerheid dan wel als een ander soort uitkeringen beschouwden. Het zou trouwens vreemd zijn als in een bepaling die bedoeld is om de toepasselijkheid van de verordening onder bepaalde omstandigheden uit te sluiten, een verruiming van haar werkingssfeer zou moeten worden gelezen.
Ten derde stelt de Italiaanse regering dat het arrest van het Hof in de zaak-Fossi alleen betrekking had op de uitlegging van artikel 8 van verordening nr. 3 en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71. Dit is in zoverre juist, dat het in die zaak uiteindelijk om de uitlegging van deze artikelen ging. Maar het is ook zo, dat het Hof op dit punt tot zijn beslissing is gekomen op grond dat de uitkeringen waarvan daar sprake was, niet als uitkeringen van „sociale zekerheid” konden worden aangemerkt.
In de vierde plaats wijst de Italiaanse regering erop dat de speciale uitkering waarom het in de zaak-Fossi ging, een invaliditeitspensioen was, terwijl het hier een uitkering is in verband met een arbeidsongeval. Dit is ongetwijfeld juist, maar gezien de gronden waarop de beslissing van het Hof in de zaak-Fossi berust, kan dit onderscheid niet ter zake dienend zijn.
Ten slotte beroept de Italiaanse regering zich op de arresten van dit Hof in de „Algerijnse zaken”, in het bijzonder zaak 112/75 (Hirardin, Jurispr. 1976, blz. 553) en zaak ). In geen van deze zaken werd echter betwist dat de uitkering welke daar in geding was, een uitkering van sociale zekerheid was. Dus is geen ervan hier werkelijk relevant.
Samenvattend concludeer ik dat Uw Hof voor recht verklare, dat bij onderzoek van de door het Landessozialgericht Baden-Württemberg aan het Hof gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van een van de daarin genoemde bepalingen zou kunnen aantasten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy