CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 2 JULI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In het onderhavig geding, wegens beweerdelijk begane overtreding van verdragsbepalingen aanhangig gemaakt, gaat het om de vraag of de Franse regeling inzake de reclame voor alcoholhoudende dranken, verenigbaar is met artikel 30 van het Verdrag, waarin maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen worden verboden.
De wet inzake de verkoop van dranken en maatregelen tot bestrijding van het alcoholisme (decreet van 8 februari 1955, ordonnance nr. 59-107 van 7 januari 1959), onderscheidt in titel I, artikel L 1, naar vervaardiging, verkoop en verbruik, vijf dranksoorten.
Daar zijn in de eerste plaats de niet-alcoholhoudende dranken. In een tweede, bij ordonnance nr. 60-1253 van 29 november 1960 in de regeling opgenomen groep zijn gegiste dranken, niet zijnde gedistilleerd, zoals wijn, bier, appel-, pere- en honigdranken opgenomen. Tot dezelfde groep behoren ook natuurlijke zoete wijnen in de zin van de belastingregeling voor wijn, alsmede crèmes de cassis en gegiste vruchte- of groentesappen met een alcoholgehalte van 1-3°. Tot de derde groep behoren de overige, niet onder de tweede groep vallende natuurlijke zoete wijnen, likeuren, aperitiefs op wijnbasis en aardbeien-, frambozen-, aalbessen- en kersenlikeuren met een alcoholgehalte van niet meer dan 18°. In de bij wet nr. 57-725 van 27 juni 1957 in de regeling opgenomen vierde groep zijn de volgende dranksoorten ondergebracht: rum, taf f ia, alcoholica door distillatie uit wijn, appel- of peremost dan wel ander fruit verkregen, terwijl er geen essences aan zijn toegevoegd, alsook door toevoeging van suiker, glucose of honig verrijkte likeuren. In anijslikeuren moeten per liter ten minste 400 g, in de andere likeuren ten minste 200 g van deze stoffen voorkomen, terwijl zij anderzijds niet meer dan 1/2 g essence per liter mogen bevatten. In de vijfde groep zijn alle verdere alcoholhoudende dranken ondergebracht.
In het tweede hoofdstuk van deze wet, en met name in de artikelen L 17 en L 18, is de reclame voor de consumptie van dranken in dier voege geregeld, dat er voor de groepen 1, 2 en 4 zonder enige beperking reclame mag worden gemaakt, terwijl men zich bij het maken van reclame voor de dranksoorten van groep 3 in dier voege heeft te beperken, dat slechts het produkt, zijn samenstelling, alsmede de namen en adressen van fabrikant en handelaar mogen worden genoemd. Voor de dranken van groep 5, dat wil zeggen voor alle niet met zoveel woorden in de wet genoemde alcoholhoudende dranken, mag in het geheel geen reclame worden gemaakt.
Reeds in haar tot de Franse republiek gerichte aanbeveling nr. 70/125/EEG van 22 december 1969„inzake de wijziging van het nationale monopolie van commerciële aard betreffende alcohol” (PB L 31 van 1970, blz. 29) maakte de Commissie tegen deze regeling bezwaar: zij zou met name nadelig zijn voor bepaalde waren, die vanouds als produkten van andere Lid-Staten zijn beschouwd. Naar aanleiding van deze aanbeveling zijn er tussen de Commissie en de Franse regering nota's gewisseld, waarin de regering zich op het standpunt stelde dat de omstreden regeling inzake de reclame voor het gebruik van alcoholhoudende dranken bedoeld was om het alcoholmisbruik tegen te gaan en dus in het belang van de volksgezondheid moest worden geacht, terwijl de regeling ook niet naar de herkomst der produkten discrimineerde. De Commissie handhaafde evenwel haar opvatting dat de artikelen L 17 en L18 van de hierbedoelde wet de Franse importen van alcoholhoudende dranken uit andere Lid-Staten konden belemmeren en derhalve als een volgens artikel 36 van het EEG-Verdrag niet gerechtvaardigde maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking — in de zin van artikel 30 van het EEG-Verdrag — waren te beschouwen.
In een brief van 4 juni 1976 maakte de Commissie een formele procedure als bedoeld in artikel 169 van het EEG-Verdrag aanhangig. In een brief van haar permanente vertegenwoordiging de dato 9 juli 1976 handhaafde de Franse regering haar standpunt, waarin de Commissie aanleiding vond om, bij brief van 25 januari 1978, met betrekking tot de handelwijze van de Franse republiek een met redenen omkleed advies uit te brengen als bedoeld in artikel 169, eerste alinea, van het Verdrag. De Franse regering deelde toen in een brief van haar permanente vertegenwoordiging de dato 29 maart 1978 aan de Commissie mede grote aandacht aan haar advies te zullen wijden en ten spoedigste opnieuw contact met haar te zullen opnemen, teneinde haar mede te delen wat zij zich voorstelde te doen. Toen de Commissie hierop niets meer van de regering vernam, wendde zij zich op 6 juli 1978 tot het Hof van Justitie; zij wenst door het Hof te zien vastgesteld dat de Franse regering de reclame voor alcoholhoudende dranken op discriminerende wijze heeft geregeld, waardoor er binnen de Gemeenschap belemmeringen voor het vrije handelsverkeer zouden worden gehandhaafd, hetgeen zou betekenen dat de regering de krachtens artikel 30 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; zij wenst de regering voorts in de kosten van de procedure te zien verwezen.
De Franse republiek heeft tot afwijzing van de vordering der Commissie — met veroordeling van de Commissie in de kosten — geconcludeerd.
1.
Willen wij de feiten op hun mérites beoordelen, dan zal allereerst de door het Hof nog niet besproken vraag moeten worden beantwoord of een beperking, in een der staten aan het maken van reclame voor bepaalde alcoholhoudende dranken gesteld, waarbij in het midden blijft of het om ingevoerde dranken gaat of niet, wel ooit als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 van het EEG-Verdrag kan worden beschouwd. Het voorschrift wil een vrij verkeer van goederen tussen de Lid-Staten, onder normale concurrentievoorwaarden, waarborgen. In zijn tot nu toe gewezen arresten heeft het Hof uitgemaakt dat iedere handelsregeling of maatregel der Lid-Staten die ertoe kan leiden dat de handel tussen Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, wordt belemmerd, als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is te beschouwen (men zie de arresten, gewezen op 11 juli 1974 in de zaak 8/74, Procureur des Konings B. en G. Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837; 8 juli 1975 in de zaak 4/75, Rewe-Zentralfinanz eGmbH t. Landwirtschaftskammer, Jurispr. 1975, blz. 843; 20 mei 1976 in de zaak 104/75, Adriaan de Peijper, Jurispr. 1976, blz. 613; 15 december 1976 in de zaak 35/76, Simmenthal SpA t. het Italiaanse Ministerie van Financiën, Jurispr. 1976, blz. 1871 en 15 december 1976 in de zaak 41/76, Suzanne Donckerwolcke en Henri Schou t. Procureur de la République bij het Tribunal de grande instance te Lille en de directeur-général des douanes et droits indirects, Jurispr. 1976, blz. 1921). Uit deze formulering volgt reeds dat de artikelen 30 en volgende niet slechts van toepassing zijn wanneer aan het grensoverschrijdend goederenverkeer, wat een bepaalde waar betreft, belemmeringen in de weg worden gelegd, maar ook wanneer de afzet van dat produkt in de staat van invoer, met die van produkten uit het land zelf vergeleken, wordt bemoeilijkt. Zoals bekend, kunnen zulke maatregelen in alle mogelijke vormen worden gegoten.
Van bijzonder belang voor de oplossing van het onderhavig geschil acht ik 's Hofs rechtspraak met betrekking tot nationale prijscontrolemaatregelen. In de arresten, op 26 februari 1976 gewezen in de zaak 65/75 (Riccardo Tasca, Jurispr. 1976, blz. 291) en in de gevoegde zaken 88-90/75 (Società SADAM e.a. t. Comitato Interministeriale dei prezzi en de minister van Industrie, Handel en Ambacht e.a., Jurispr. 1976, blz. 323) heeft het Hof met betrekking tot een door een nationale overheid gegeven prijsvoorschrift voormelde uitlegging van de term „maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen” bevestigd en vervolgens uitgesproken dat „een zonder onderscheid op nationale en geïmporteerde produkten toepasselijke maximumprijs weliswaar op zichzelf geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt, doch een dergelijke werking wel kan krijgen bij vaststelling op een zodanig peil dat de afzet van de geïmporteerde produkten hetzij onmogelijk, hetzij moeilijker wordt dan die van nationale produkten”.
In dezelfde zin het op 24 januari 1978 in de zaak 82/77 (Procureur-generaal van het Koninkrijk der Nederlanden t. Jacobus Philippus van Tiggele — minimumprijzen voor jenever — Jurispr. 1978, blz. 25) gewezen arrest.
Hetzelfde heeft te gelden voor een beperking, door de overheid gesteld aan het maken van reclame voor bepaalde alcoholhoudende dranken. Er zij in dit verband allereerst aan herinnerd dat het, naar door het Hof van Justitie op 20 januari 1979 in de zaak 120/78 (Rewe-Zentral AG t. Bundesmonopolverwaltung für Branntwein, Jurispr. 1979, blz. 649) werd uitgesproken, bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling betreffende de produktie en commercialisatie van alcohol op de weg der Lid-Staten ligt, voor hun territorium de nodige voorschriften, de vervaardiging en verhandeling van alcohol en alcoholhoudende dranken betreffende, vast te stellen. Voor zover verschillen tussen de nationale regelingen betreffende de commercialisatie dezer produkten tot een beperking van de communautaire binnenhandel leiden, zullen zij dus blijkens bedoeld arrest moeten worden aanvaard, met dien verstande dat zulke bepalingen, of het nu om zonder onderscheid dan wel om gedifferentieerd toepasselijke maatregelen gaat, noodzakelijk moeten zijn om dwingende eisen, bij voorbeeld de behoefte aan bescherming van de openbare gezondheid, recht te doen wedervaren.
Voorts mag blijkens 's Hofs aangehaalde jurisprudentie betreffende nationale prijsvoorschriften worden verlangd dat een door de nationale overheid gegeven, op zichzelf wellicht noodzakelijke, regeling betreffende de commercialisatie der produkten, bij voorbeeld een regeling die een beperking van de reclame inhoudt, er niet toe leidt dat ingevoerde produkten bij soortgelijke nationale produkten ten achter worden gesteld. En het ligt voor de hand dat een beperking van de reclame voor bepaalde, overwegend geïmporteerde produkten, die soortgelijke binnenlandse produkten onberoerd laat, een potentiële beperking van de mededinging ten detrimente van de importeurs inhoudt. In zulk een geval heeft men te maken met een willekeurige discriminatie dan wel met een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten in de zin van artikel 36, tweede volzin, van het EEG-Verdrag, hetgeen wil zeggen dat zulke voorschriften als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen zijn te beschouwen.
2.
In casu moet derhalve nog worden onderzocht of de regeling betreffende de reclame voor alcoholhoudende dranken, zoals die besloten ligt in de Franse wet inzake de verkoop van dranken en maatregelen ter bestrijding van het alcoholisme, noodzakelijk en geschikt is om de dwingende behoefte aan bescherming der openbare gezondheid recht te doen wedervaren, en of deze concrete regeling ingevoerde produkten niet bij soortgelijke nationale produkten ten achter stelt. Dat de strijd tegen het alcoholisme, dat als een gevaar voor de volksgezondheid is te beschouwen, moet worden aangebonden, wordt door beide partijen erkend. Zij zijn het er voorts over eens dat een beperking van de reclame voor alcoholhoudende dranken in beginsel ook als een effectief middel ter bestrijding van dat gevaar is te beschouwen. Zij worden slechts verdeeld gehouden over de vraag of de reclame voor alcoholhoudende dranken in Frankrijk op discriminerende wijze is geregeld, anders gezegd: of het verschil in behandeling zijn rechtvaardiging vindt in een ongelijke mate van „schadelijkheid”.
De Commissie stelt zich te dezen op het standpunt dat aan de omstreden indeling der dranken buiten de zaak zelf gelegen motieven ten grondslag liggen en dat het er in de eerste plaats om begonnen zou zijn geweest niet-Franse dranken minder gemakkelijk aan de markt te doen komen. Als objectieve schadelijkheidscriteria zouden alleen het alcoholgehalte en het gehalte aan suiker en essences kunnen worden gehanteerd. Alle dranken die, aan deze criteria getoetst, dezelfde eigenschappen blijken te bezitten, zouden als soortgelijk — en dus: gelijkelijk schadelijk — zijn te beschouwen.
De Franse regering meent evenwel dat er, ter beoordeling van de schadelijkheid der dranken voor de volksgezondheid, behalve met genoemde criteria, nog met een aantal andere factoren te rade moet worden gegaan. Met name zou zijn te denken aan de verschillende niet-alcoholische samenstellingen, die de smaak der dranken bepalen en derhalve ook tot van land tot land verschillende drinkgewoonten hebben geleid, waarmede bij de bestrijding van het alcoholisme rekening moet worden gehouden. Voorts zou er op moeten worden gelet of een drank als aperitief dan wel als digestiei wordt gebruikt. De consumenten zouden meer en meer tot het gebruik van aperitieven geneigd zijn, waarbij wederom zou moeten worden onderscheiden tussen „zoete”, voornamelijk uit wijn gefabriceerde aperitieven en aperitieven die, uit andere alcohol vervaardigd, puur dan wel met water vermengd, worden geconsumeerd. Gezien dit onderscheid, zouden aperitieven op basis van wijn mogen worden gerekend tot de dranken van de derde groep, waarvoor de reclame slechts beperkt is, terwijl aperitieven op basis van andere alcoholsoorten, zoals anijsbrandewijn, whisky en graanbrandewijn in de vijfde groep, waarvoor alle reclame is verboden, zouden thuishoren. De Franse wetgeving zou in zoverre als een coherente, alomvattende regeling zijn te beschouwen, opgesteld in aansluiting aan de drink- en consumptiegewoonten. Van de consumptie der onderscheidenlijk in groep 3 en groep 4 ondergebrachte dranken zou voor de gezondheid een verschillend effect uitgaan; zij behoren dus logischerwijze in verschillende groepen thuis. Ten slotte zou juist uit de omstandigheid dat in de beide groepen waarvoor de reclame beperkt of verboden is, ook dranken van Franse herkomst voorkomen, blijken dat de bedoeling nietFranse dranken bij dranken uit het land zelf ten achter te stellen, niet heeft voorgezeten.
Dit betoog van de Franse regering vermag mij evenwel om meer dan een reden niet te overtuigen. Wanneer moet worden uitgemaakt of men met een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking te maken heeft, gaat het er namelijk niet om of de omstreden maatregel op belemmering van de handel gericht was, maar moet worden nagegaan of de regeling tot belemmering van de handel kan leiden. De mogelijkheid van belemmering van de invoer wordt voorts niet uitgesloten door de omstandigheid dat het de handel belemmerend effect van een maatregel ook voor binnenlandse produkten geldt. Van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking mag, zoals ik hiervóór reeds aantoonde, reeds worden gesproken, wanneer de ingevoerde produkten bij soortgelijke of concurrerende produkten uit het land zelf ten achter worden gesteld in die zin dat laatstgenoemde produkten in mededingingsopzicht een gunstiger positie innemen.
Nu wij ons zetten tot bespreking van de vraag in hoeverre de onderscheiden dranksoorten als gelijksoortig of concurrerend moeten worden aangemerkt, zij allereerst vastgesteld dat volgens de Franse regeling de reclame voor gedistilleerd uit wijn, fruit, graan en suikerriet niet aan beperkingen onderworpen is, terwijl anderzijds voor gedistilleerd, gewonnen uit melasse, aardappelspiritus en ander basismateriaal, geen reclame mag worden gemaakt. Maar blijkens het arrest, op 27 februari 1980 gewezen in zaak 168/78 (Commissie t. Franse republiek) — inzake de ongelijke belasting, in Frankrijk, van gedistilleerd uit wijn en fruit enerzijds, bessenjenever en ander uit graan verkregen gedistilleerd anderzijds —, kent Frankrijk een aanzienlijke produktie van dranken die tot de eerstgenoemde groep moeten worden gerekend, zoals cognac, armagnac en calvados. Daarentegen heeft de produktie van bessenjenever en andere uit granen verkregen soorten gedistilleerd, zoals aquavit, jenever, gin, korn en whisky er weinig te betekenen; bedoelde produkten worden er goeddeels geïmporteerd. In genoemde zaak heeft de Franse regering de ongelijke belastingdruk eveneens trachten te rechtvaardigen door te stellen dat de regeling, aansluitend bij de verschillende drinkgewoonten en gebruiksdoeleinden, de volksgezondheid zou dienen. Het Hof van Justitie heeft daarvan in zijn arrest van 27 februari 1980 niet willen weten en uitgemaakt dat voor het te dezen relevante artikel 95 van het EEG-Verdrag aan het in de Franse belastingpraktijk gemaakte onderscheid geen objectieve waarde toekwam. Met name heeft het Hof uitgesproken dat de omstreden produkten tezamen, ongeacht hun individuele kenmerken, behoren tot een groep die zich van andere alcoholhoudende dranken door een relatief hoog gehalte aan consumptiealcohol onderscheidt. Uit graan verkregen gedistilleerd, bessenjenever eronder begrepen, heeft evenwei met andere soorten gedistilleerd voldoende eigenschappen gemeen om, tenminste onder bepaalde omstandigheden, de consument een alternatief te bieden. De omstreden dranksoorten lenen er zich kwalitatief voor om onder de meest verschillende omstandigheden te worden gedronken, terwijl zij tegelijkertijd in een concurrentieverhouding staan tot dranksoorten die in de Franse belastingpraktijk als aperitieven en digestieven worden behandeld; voorts kunnen zij ook worden gebruikt voor doeleinden die onder geen van beide groepen vallen. Vanwege hun veelvuldige gebruiksmogelijkheden zouden deze dranken als gelijksoortig, althans concurrerend, zijn te beschouwen. Gezien de aldus tussen de litigieuze dranken bestaande concurrentie- en substitutierelaties, draagt de gewraakte belastingregeling kennelijk een protectionistisch karakter.
De Commissie heeft terecht betoogd, dat deze redenering niet slechts voor artikel 95, maar ook voor de artikelen 30 en 36 van het EEG-Verdrag geldt. Waar alle gedistilleerd zich door een ongeveer gelijk percentage alcohol en suiker onderscheidt, is het tevens in dezelfde mate gevaarlijk voor de volksgezondheid. Juist uit vorengenoemde vele gebruiksmogelijkheden blijkt dat het, zakelijk gezien, ook niet aangaat de hierbedoelde dranken, wat hun schadelijkheid voor de volksgezondheid betreft, verschillend te behandelen. Het protectionistisch karakter der door de Commissie gewraakte gedifferentieerde regeling van de reclame voor de verschillende soorten gedistilleerd, schuilt in de omstandigheid dat er voor een groot deel van de binnenlandse produktie, namelijk voor gedistilleerd uit wijn, fruit en suikerriet, vergeleken met produkten die bijna volledig uit andere Lid-Staten worden ingevoerd, een preferentiële regeling is weggelegd. Anderzijds worden de verschillende gedistilleerde anijsdranken, vanwege het anetholgehalte toch werkelijk een bijzonder groot gevaar voor de menselijke gezondheid, met andere soorten gedistilleerd gelijkgesteld.
Ook het betoog van de Franse regering dat whisky ondanks de geschetste discriminatie zijn marktaandeel zou hebben kunnen vergroten, bewijst niet dat de regeling niet protectionistisch werkt. Er zij slechts op gewezen dat er van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking mag worden gesproken als de handel potentieel wordt belemmerd, terwijl een trend als door de Franse regering bedoeld, naar ik in mijn conclusie in de laatstelijk geciteerde zaak 168/78 heb betoogd, ook andere oorzaken kan hebben.
Ik zou in dit verband ook nog willen ingaan op het door de Commissie gevoerde betoog, volgens hetwelk gedistilleerde anijsdrank, waarvoor geen reclame mag worden gemaakt, een gunstiger concurrentiepositie zou innemen dan de andere in groep 5 ondergebrachte soorten gedistilleerd, omdat de reclame voor de zogenaamde anijslikeuren, die in de vierde groep zijn ondergebracht, geheel vrij is. De in Frankrijk welbekende fabrikanten van dit soort gedistilleerd zouden nu, door de toevoeging „likeur” of „anisette” indirect ook kunnen werven voor produkten waarvoor reclame officieel verboden is. Vanwege de lange traditie dezer firma's, zou de consument de namen der fabrikanten met gedistilleerde anijsdranken in verbinding brengen. Over zulk een mogelijkheid tot indirecte reclame zou bij voorbeeld de whiskyfabrikant niet beschikken.
Dit argument houdt mijns inziens evenwel steek, wanneer de overeenkomstige anijslikeuren op de Franse markt in de ogen van de verbruiker inderdaad niet als een zelfstandige, tot de likeuren te rekenen dranksoort zouden zijn te beschouwen, zodat er verwarring zou kunnen ontstaan. Zouden Franse consumenten inderdaad het verschil tussen anijslikeur en gedistilleerde anijsdrank niet weten, dan zouden niet-Franse fabrikanten van gedistilleerd, die om feitelijke redenen dan wel omdat hun firmanaam op de Franse markt niet voldoende bekend is, niet over deze indirecte reclamemogelijkheid beschikken, bij Franse fabrikanten in het nadeel zijn.
Aan de hand van de criteria die het Hof in zijn jurisprudentie heeft uitgewerkt, is tenslotte ook de opsplitsing van de andere alcoholhoudende dranken in drie groepen zakelijk niet gerechtvaardigd; zij leidt ertoe dat de buitenlandse produkten het moeilijker krijgen dan soortgelijke of concurrerende nationale produkten.
Zo moet worden vastgesteld dat likeuren met een alcoholpercentage van meer dan 18° die met suiker, glucose of honig worden gezoet, bij voorbeeld de typisch Franse produkten Cointreau, Grand Marnier, Chartreuse, onder de vierde groep vallen, waarvoor geen beperking der reclame is voorzien. De aardbeien-, frambozen-, aalbessen- en kersenlikeuren met een alcoholpercentage van minder dan 18° zijn evenwel ondergebracht in de derde groep waarvoor slechts in beperkte mate reclame mag worden gemaakt. Laatstgenoemde likeuren waarin, naar onweersproken vastgesteld, ongeveer eenzelfde suikerpercentage voorkomt en die goeddeels ook in andere Lid-Staten worden gefabriceerd, zijn dus aan een strenger regime onderworpen dan Franse produkten met een hoger alcoholpercentage. Zulk een ongelijke behandeling is echter, naar wij uit het arrest in de zaak 120/78 (Rewe) weten, ook niet met een beroep op de bescherming van de openbare gezondheid te rechtvaardigen. In genoemde zaak weigerde de Bundesmonopolverwaltung für Branntwein onder meer met een beroep op de openbare gezondheid vergunning te verlenen tot de invoer van een partij Cassis de Dijon uit Frankrijk in de Bondsrepubliek Duitsland. De Duitse regering stelde zich op het standpunt dat het vaststellen van een minimumalcoholgehalte in nationale rechtsvoorschriften de nationale markt voor een overstroming met alcoholhoudende dranken, vooral met een matig alcoholpercentage, moest vrijwaren: zulke produkten zouden eerder tot gewenning kunnen leiden dan dranken met een hoger alcoholpercentage. Het Hof van Justitie heeft deze argumenten evenwel met klem van de hand gewezen: de verbruiker zou op de markt voor tal van produkten met een gering of matig alcoholpercentage terecht kunnen, terwijl bovendien de op de Duitse markt vrij verhandelbare dranksoorten met een hoog alcoholgehalte veelal in verdunde vorm worden geconsumeerd. Die redenering heeft ongetwijfeld ook voor de onderhavige casuspositie te gelden.
Volgens de Franse regeling moeten voorts likeurwijnen, zoals porto, malaga, sherry en madeira, worden ondergebracht in de derde groep, waarvoor de reclame aan banden gelegd is, terwijl typisch Franse produkten als Avèze en Suze, waarin onbetwist eenzelfde alcohol- en suikerpercentage te vinden is, terwijl zij ook aan dezelfde drinkgewoonten tegemoet komen, in groep vier zijn ondergebracht, zodat er vrijelijk reclame voor mag worden gemaakt. Het criterium van de tussen deze dranksoorten bestaande smaakverschillen, biedt ons al evenmin geen houvast wanneer er naar de mate van schadelijkheid tussen de litigieuze dranken moet worden gedifferentieerd; naar het Hof in de zaak 168/78 overwoog, vertoont het naar tijd en plaats te grote verschillen dan dat er mee zou kunnen worden gewerkt, als het om de te dezen nodige afgrenzing gaat.
Ten slotte wijst de Commissie er ook terecht op dat men in de tweede groep dranken, waarvoor eveneens geen beperking der reclame voorzien is en die hoofdzakelijk gereserveerd bleef voor alcoholhoudende dranken die op grond van een gistingsproces worden verkregen, zoals bier en wijn, ook de natuurlijke zoete wijnsoorten aantreft, die onder de Franse belastingregeling voor alcohol vallen. Dat wil evenwel zeggen, dat er alleen voor likeurwijnen van Franse herkomst onbeperkt reclame mag worden gemaakt, terwijl de andere likeurwijnen, die volgens alle te dezen relevante criteria als soortgelijk, althans concurrerend, zijn te beschouwen, in de derde groep zijn ondergebracht, zodat er in zoverre aan de reclame beperkingen gesteld zijn. Hetzelfde geldt voor de zogenaamde crèmes de cassis, waaronder blijkens een decreet van 28 juli 1908 tot regeling van de samenstelling en aanduiding van deze dranksoort uitsluitend de zogenaamde cassis de Dijon vallen, dat wil zeggen ook uitsluitend dranken uit het land zelf. Maar voor concurrerende produkten, zoals vruchtenlikeuren uit andere Lid-Staten, die de verbruiker als soortgelijk beschouwt en die in de derde groep worden vermeld, mag slechts in beperkte mate reclame worden gemaakt, zodat wie deze produkten heeft te verhandelen, er slechter aan toe is dan degene die met nationale produkten aan de markt komt, zonder dat gronden, aan hun gevaar voor de openbare gezondheid ontleend, zulk een differentiatie gerechtvaardigd doen voorkomen.
Op grond van een en ander zie ik in de Franse wet betreffende de verkoop van dranken en maatregelen ter bestrijding van het alcoholisme, waarin een gedifferentieerde regeling inzake de reclame voor verschillende alcoholhoudende dranken is voorzien, een in artikel 30 van het EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking, en wel zulks omdat de in die wet gemaakte indeling buitenlandse dranksoorten in een nadeliger positie kan brengen dan produkten uit het land zelf, ondanks het feit dat zij, hun gevaar voor de volksgezondheid in aanmerking genomen, als soortgelijk, althans concurrerend, zijn te beschouwen.
3.
Ik geef het Hof dan ook in overweging uit te spreken dat de Franse republiek de reclame voor alcoholhoudende dranken op discriminerende wijze heeft geregeld, waardoor belemmeringen voor het vrije handelsverkeer binnen de Gemeenschap zijn gehandhaafd, hetgeen wil zeggen dat de regering de krachtens artikel 30 van het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Als het Hof in die zin uitspraak doet, zal de Franse republiek ook de kosten van het geding hebben te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy