CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 7 JUNI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het Hof zal zich in de onderhavige zaak hebben te buigen over kwesties, de indeling volgens het tarief betreffende. Uitgemaakt zal moeten worden of uit Oost-Europa op het grondgebied van de Gemeenschap geïmporteerd „Verarbeitungsfleisch” (= in stukken gehakt vlees), ingevroren in blokken en gekruid, bestaande uit 10 % varkensvlees en 90 % rundvlees, in de zin van het tijdens de feiten geldend gemeenschappelijk douanetarief (ofwel drie jaar geleden) onder de onderverdeling 16.02 B III a) 1 cc) dan wel onder de onderverdeling 16.02 B III a) 3 moest worden gebracht.
De feiten die aan het geding ten grondslag liggen zijn de navolgende.
In mei 1976 deed de firma Intercontinentale Fleischhandelsgesellschaft mbH & Co KG, verzoekster in het hoofdgeding, bij het Hauptzollamt te München-West plus minus 80 ton uit Roemenië afkomstig „Verarbeitungsfleisch”, gekruid en ingevroren in blokken, blijkens factuur en aangifte bestaande uit 10 % varkensvlees en 90 % rundvlees, inklaren. Na douanecontrole werd de waar gebracht onder de onderverdeling 16.02 B III a) 1 cc) van het tarief, waarvoor een heffingspercentage van 133,45 DM/100 kg en een monetair compensatiepercentage van 41,24 DM/100 kg gold.
Verzoekster in het hoofdgeding reclameerde tegen beide heffingen en maakte, toen het Hauptzollamt haar bezwaren verwierp, de zaak aanhangig bij het Finanzgericht te München, dat in zijn beschikking van 11 juli 1978 overwoog dat de beslissing van het geschil van de uitlegging van een post van het tarief afhankelijk was; het schorste het geding en stelde ons Hof de prejudiciële vraag of onder „vlees” in tariefpost 16.02 B III a) onder 1, 2 en 3 bedoeld, slechts varkensvlees dan wel ook ander vlees (bij voorbeeld rundvlees) is te verstaan.
2.
Ik zou eerst een ogenblik bij de omstreden tariefposten willen stilstaan.
Boven post 16.02 van het tarief, die het onderhavig indelingsprobleem deed rijzen, staat „Andere bereidingen en conserven, van vlees of van slachtafvallen”. Daaronder vielen, zoals de bepaling destijds luidde, alle bereidingen en conserven als voormeld, voor zover post 16.01 („worst van alle soorten, van vlees, van slachtafvallen of van bloed”) er niet op van toepassing was, terwijl zij ook niet onder hoofdstuk 2 („vlees en eetbare slachtafvallen”) moesten kunnen worden gebracht, omdat het blijkens de Italiaanse tekst van de algemene opmerkingen die onmiddellijk na de titel van het desbetreffend hoofdstuk der toelichtingen op het tarief te vinden zijn, daarbij alleen gaat om „vlees en … slachtafvallen, rauw (niet gekookt), gehakt maar niet anderszins bereid”.
Genoemde tariefpost 16.02 omvat op zijn beurt weer een aantal onderverdelingen. Zo vallen onder de onderverdeling 16.02 B III a) (die ons voor de omstreden keus stelt) de „overige” bereidingen, „vlees of slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevattend”. Tot die „overige” bereidingen behoren andere bereidingen dan van levers (16.02 A) of pluimvee, wild of konijn (16.02 B I en II). De onderverdeling is zelf weer, naar gelang van het percentage „vlees of slachtafvallen, ongeacht van welke soort, spek en vet ongeacht van welke aard en herkomst daaronder begrepen, in drieën verdeeld: bereidingen met onderscheidenlijk 80 of meer gewichtspercenten vlees of slachtafvallen, 40 of meer, doch minder dan 80 gewichtspercenten vlees of slachtafvallen en minder dan 40 gewichtspercenten vlees of slachtafvallen; de eerste categorie wordt dan nogmaals in drieën verdeeld: aa) ham, filets en carbonadestreng met halscarbonade, alsmede delen daarvan; bb) schouders en delen van schouders; cc) andere (sc. bereidingen en conserven).
Uw Hof zal zich nu moeten uitspreken over de vraag of genoemde voor de tariefpositie binnen de onderverdeling 16.02 B III a) bepalende minimum percentages alleen voor het varkensvlees (maar niet ook voor slachtafvallen, spek en vet) moeten worden vastgesteld dan wel voor alle soorten vlees, met name rundvlees, die er naast varkensvlees in wellicht geringe hoeveelheden in mochten voorkomen. Naar gelang men de ene of de andere maatstaf aanlegt zal de omstreden waar onder deze dan wel onder gene onderverdeling moeten worden gebracht, en wel onder nummer 16.02 B III a) 3 voor zover er minder dan 40 % varkensvlees in voorkomt dan wel onder nummer 16.02 B III a) 1 cc) voor zover er meer dan 80 % varkens- en rundvlees in voorkomt.
3.
Verzoekster in het hoofdgeding meent dat onder „vlees of slachtafvallen, ongeacht van welke soort” als onder 16.02 B III a) van het in 1976 geldende tarief onder 1, 2 en 3 bedoeld, alleen varkensvlees valt.
Vooral de bewoordingen der bepaling zouden daarop wijzen. De dadelijk na „vlees of slachtafvallen” tussen komma's geplaatste woorden „ongeacht van welke soort” zouden alleen op slachtafvallen betrekking hebben, zodat met vlees waarvan de gewichtspercenten voor de tariefindeling moeten worden meegerekend, alleen maar „varkensvlees” als onder a) bedoeld kan zijn, terwijl de slachtafvallen van verschillende soorten vlees (varkens-, rund-, schapevlees enz.) afkomstig zouden kunnen zijn.
Methodisch gezien, is het stellig geoorloofd op de letterlijke tekst van het tarief af te gaan; het wordt trouwens in de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (vgl. verordening nr. 2723/76 van de Raad, bijlage, Deel 1, A, 1) met zoveel woorden gezegd. Maar in voormelde gedachtengang is het allerminst duidelijk op welke wijze er met die maatstaf werd omgesprongen, zodat ik het resultaat waartoe verzoekster kwam niet tot het mijne kan maken. Ik wijs erop dat men zich in het tarief voor bepaalde soorten vlees of slachtafvallen van duidelijke bewoordingen bedient; men zie slechts de onderverdelingen 16.02 B III a) en 16.02 B III b) 1; men kan dus niet willekeurig aan de onder a), 1, 2 en 3 gebezigde term „vlees” een beperkte betekenis toekennen en daarvan laten afhangen wat onder a) met „vlees of slachtafvallen van varkensvlees” kan zijn bedoeld. Maar er is meer: onmiddellijk na de algemene term „vlees of slachtafvallen” volgen de woorden „ongeacht van welke soort” die erop schijnen te wijzen dat alle soorten vlees en slachtafvallen (varkens-, rund-, schapevlees en afvallen daarvan enz.) onder de hierbedoelde post vallen. Ook wijs ik erop dat de woorden „ongeacht van welke soort” door komma's van het voorafgegane zinsdeel zijn gescheiden, waaruit men eveneens kan afleiden dat zij zowel op vlees als op slachtafvallen slaan. Ook treffen wij de combinatie van vlees en slachtafvallen zowel onder a) als onder de nummers 1, 2 en 3 aan; het zou dus onlogisch en onjuist zijn, indien men de woorden „ongeacht van welke soort” (1, 2 en 3) alleen op slachtafvallen en de woorden „van varkens (huisdieren)” (a) alleen op „vlees” deed slaan.
Men dient te bedenken dat de zienswijze van de raadsman van verzoekster in het hoofdgeding niet in overeenstemming is met het door diezelfde raadsman overgelegde — en zowel tijdens de schriftelijke als tijdens de mondelinge behandeling meermalen ingeroepen — arrest Dittmar. Op bladzijde 10 van dat arrest is overwogen dat de woorden „ongeacht van welke soort” op vlees en op slachtafvallen slaan; met soorten zouden evenwel geen diersoorten, maar delen van dieren zijn bedoeld. Ik wil echter reeds nu opmerken dat, naar het mij voorkomt, verzoekster ook in dit opzicht het gelijk niet aan haar zijde heeft, omdat zij eraan voorbijziet dat het woord „soort” in verband met tariefpost 16.02 kennelijk ter aanduiding van de diersoort wordt gebezigd en dat het merkwaardig zou zijn als aan dezelfde term in in dezelfde context ook andere betekenissen zouden toekomen.
De zaak nog steeds van de lexicale kant benaderend, wil de raadsman van verzoekster een argument ten gunste van haar standpunt ontlenen aan de zinsnede „spek en vet ongeacht van welke aard en herkomst”. Dat hier alleen met betrekking tot spek en vet ongedifferentieerd van aard en herkomst wordt gesproken, zou blijkbaar steun geven aan het standpunt dat de woorden „vlees of slachtafvallen” alleen op varkensvlees en -afvallen slaan. Ik wijs er evenwel op dat de raadsman van verzoekster alweer met zichzelf in tegenspraak geraakt als hij de stelling dat het vlees in genoemde tariefpost bedoeld slechts varkensvlees kan zijn ook voor slachtafvallen wil doen gelden (men zie bladzijde 5 van de memorie van 13 oktober 1978) na, zoals gezegd, eerst te hebben betoogd dat de woorden „ongeacht van welke soort” alleen betrekking zouden hebben op slachtafvallen en zouden betekenen: „afkomstig van welke diersoort ook”. Afgezien daarvan acht ik het met betrekking tot spek en vet aan die zinsnede ontleende argument ten enenmale onhoudbaar: de vertegenwoordiger van de Commmissie heeft er (op blz. 11 van zijn memorie van 21 september 1978) terecht op gewezen dat het in zoverre gaat om een speciale kwestie — de uitbreiding van de tariefpost tot spek en vet —, die met de betekenis van de term „vlees en slachtafvallen, ongeacht van welke soort” niets uitstaande heeft.
4.
Ik acht dan ook een uitlegging volgens welke aan het woord vlees, zoals het zonder enigerlei bijvoeglijke bepaling in onderverdeling 16.02 B III a) onder de nummers 1, 2 en 3 wordt gebezigd, de ruimere betekenis van vlees afkomstig vanwelke diersoort ook toekomt, meer met de bewoordingen van het tarief in overeenstemming. Natuurlijk moet er in een onder die post te brengen produkt een desnoods minimale hoeveelheid varkensvlees voorkomen; dit blijkt wel uit de onder a) bij wege van gemeenschappelijke inleiding op de nummers 1, 2 en 3 gebezigde woorden „vlees of slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevattend”.
Ik geloof dan ook niet dat men er ten gunste van de door de raadsman van verzoekster voorgestane opvatting met betrekking tot post 16.02 B III a) de toelichtingen der Commissie bij te pas dient te brengen. Die toelichtingen houden slechts in dat „bij het bepalen van het aantal gewichtspercenten vlees en slachtafvallen, zoals in de onderverdelingen B III a) 2 aa), bb) en cc) vastgesteld, de totale hoeveelheid van het in het produkt aanwezige spek en vet aan het gewicht van het vlees en de slachtafvallen [moet] worden toegevoegd” en dat „andere zelfstandigheden dan vlees, slachtafvallen, spek en vet (bij voorbeeld gelatine en jus) … bij het bepalen van het aantal gewichtspercenten buiten beschouwing [moet] worden gelaten”.
Veelzeggend daarentegen zijn bedoelde toelichtingen wat betreft de onderverdeling 16.02 B III b), waarin er op wordt gewezen dat „produkten welke vlees of slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevatten, ongeacht in welke hoeveelheid, ingedeeld blijven onder de onderverdeling B III a)”. Men wil er aldus de aandacht op vestigen dat onder het (ten deze in 1977 gewijzigde) tarief van 1977 het criterium gold dat onder 16.02 B III a) — en mitsdien onder de gemeenschappelijke ordening van de markt voor varkensvlees — vallen de produkten verkregen door vermenging, zij het in zeer geringe mate, van varkensvlees en andere vleessoorten.
5.
Gaat men te rade met de functie welke in de versie van 1976 aan post 16.02 B III a) van het tarief toekwam, dan komt men temeer tot de overtuiging dat met de gewichtspercenten onder 1, 2 en 3 genoemd de percentages aan varkens-, rund- en ander vlees zijn bedoeld.
Men wilde met het tarief alleen produkten waarin varkens- en rundvlees waren vermengd, aan het voor varkensvlees voorziene invoerregime onderwerpen, zulks ten einde de praktische moeilijkheden uit de weg te gaan waarop men stellig zou zijn gestuit als tussen de percentages van elk van beide onder 16.02 B genoemde vleessoorten in kwantitatief opzicht zou moeten worden onderscheiden. Het bestaan van zulke objectieve moeilijkheden en het belang dat eraan toekomt vinden bevestiging in de considerans van verordening nr. 2333 van de Commissie de dato 25 oktober 1977, waarin (tweede overweging, in fine) uitdrukkelijk wordt gezegd „dat het maken van onderscheid naar de verhouding rund- en varkensvlees niet uitvoerbaar is”. De vaststelling van tariefpost 16.02 B a) voor bereidingen waarin, zij het in zeer beperkte mate, ook varkensvlees voorkomt, en vervolgens de uitbreiding van de gemeenschappelijke ordening voor varkensvlees tot de invoer van zulke produkten (vgl. artikel 1, c), van verordening nr. 805/68) leiden ertoe dat de maatstaven van punt 3 der algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het tarief op dergelijke produkten geen toepassing konden vinden.
Dat het in 1976 geldend systeem logischerwijze geacht moet worden zo in elkaar te hebben gezeten, blijkt ook uit de wijzigingen die er bij verordening nr. 2333/77 in zijn aangebracht. De Commissie heeft vastgesteld dat tariefpost 16.02 de mogelijkheid bood rundvlees aan de voor die sector geldende invoerrestricties te onttrekken: men behoefde er slechts een geringe hoeveelheid varkensvlees in te doen en onderverdeling 16.02 B III a) werd van toepassing, waarmede het produkt wederom onder de gemeenschappelijke ordening der markten voor de sector varkensvlees kwam te vallen. Ten einde te voorkomen dat bepaalde beperkingen, aan de invoer gesteld, aldus listiglijk werden ontdoken — waardoor de van de waren geheven bedragen niet langer met de werkelijke waarde zouden overeenstemmen — heeft de Commissie in haar verordening van 1977 een speciale onderverdeling geïntroduceerd voor produkten, vlees en slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevattend, alsook vlees van runderen niet gekookt of gebakken, voor welke onderverdeling een zeer hoge, op de werkelijke waarde van het produkt afgestemde heffingscoëfficiënt zou gelden. De driedeling — naar gelang van de percentages vlees en slachtafvallen — bleef slechts voor bereidingen zonder rundvlees gelden.
De tarifaire ontwikkeling in deze sector heeft dus enerzijds de invloed ondergaan van de vaststelling dat er niet — naar mate van de erin voorkomende hoeveelheden rund- en varkensvlees — tussen de gemengde bereidingen dienen te worden onderscheiden en anderzijds van de behoefte gemengde produkten waarin rundvlees voorkomt, te onderwerpen aan een heffingsstelsel dat (volgens maatstaven die natuurlijk slechts forfaitair konden zijn) op de grotere waarde van die vleessoorten was afgestemd.
6.
Ik concludeer dat het den Hove behage de prejudiciële vraag, door het Finanzgericht te München bij beschikking van 11 juli 1978 gesteld, als volgt te beantwoorden:
Onder „vlees” in de zin van onderverdeling 16.02 B III a), nummers 1, 2 en 3 van het gemeenschappelijk douanetarief in de versie waarin het in 1976 heeft gegolden, is te verstaan vlees van iedere soort, rundvlees daaronder begrepen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy