CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 3 OKTOBER 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne beren Rechters,
Inleiding
De onderhavige zaak is een tegen de Commissie gericht beroep ex artikel 173 EEG-Verdrag van twee Duitse ondernemingen, de Kommanditgesellschaft in Firma Hans-Otto Wagner GmbH Agrarhandel (hierna: „Wagner”) en de Kommanditgesellschaft in Firma Schlüter & Maack GmbH & Co. (hierna: „Schlüter”).
Het beroep is een vervolg op zaak 108/77 (Wagner t. HZA Hamburg-Jonas, Jurispr. 1978, blz. 1187), een prejudiciële zaak afkomstig van het Finanzgericht Hamburg. In de procedure voor het Finanzgericht waarin de verwijzingsbeschikking werd gegeven, en die overigens nog steeds aanhangig schijnt te zijn, is Wagner de verzoekende partij.
In het onderhavige beroep betwisten Wagner en Schlüter de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1837/78 van de Commissie van 31 juli 1978, de derde van vier verordeningen die de Commissie naar aanleiding van de beslissing van het Hof in zaak 108/77 heeft vastgesteld. Zij verzoeken het Hof artikel 1 van de verordening nietig te verklaren.
Zoals u weet, ging het in zaak 108/77 erom, of artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1380/75 van de Commissie van toepassing was op restituties bij uitvoer van suiker uit de Gemeenschap, wanneer die restituties via een openbare inschrijving waren vastgesteld. Artikel 4, lid 3, bepaalde — voor zover thans van belang — dat „de in rekeneenheden vastgestelde” uitvoerrestituties moesten worden vermenigvuldigd met een coëfficiënt die was afgeleid van het voor de berekening van de monetaire compenserende bedragen toegepaste percentage. In afwijking van mijn conclusie kwam het Hof tot de uitlegging, dat de destijds geldende wettelijke regeling betreffende de vaststelling van uitvoerrestituties voor suiker via openbare inschrijvingen (voornamelijk verordening (EEG) nr. 2101/75) verlangde dat dergelijke restituties niet in rekeneenheden, maar in nationale valuta werden vastgesteld. Dientengevolge achtte het artikel 4, lid 3, daarop niet van toepassing. Het arrest werd op 24 mei 1978 gewezen.
In het licht van dit arrest besloot de Commissie dat onverwijlde wijziging van de regeling noodzakelijk was. Binnen de Commissie schijnt echter onzekerheid te hebben bestaan over de vraag wat er nu precies moest gebeuren.
Op 31 mei 1978 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 1182/78 vast (PB L 145 van 1978, blz. 46), die volgens het intitulé ten doel had de verordeningen (EEG) nrs. 1634/77 en 1790/77 aan te vullen. Dit waren de verordeningen die destijds golden voor de permanente inschrijvingen voor de bepaling van restituties bij uitvoer van respectievelijk witte suiker en ruwe bietsuiker.
De considerans van verordening nr. 1182/78 is veelzeggend. Zij bevat de volgende overwegingen:
„Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij de behandeling van zaak 108/77 heeft verklaard dat de huidige versie van artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1380/75, in samenhang met verordening (EEG) nr. 2101/75, moet worden geïnterpreteerd in de zin dat de in het kader van een inschrijving in nationale valuta vastgestelde restitutie bij uitvoer in de suikersector niet moet worden vermenigvuldigd met de door de Commissie vastgestelde monetaire coëfficiënt, die is afgeleid van het percentage dat is toegepast voor de berekening van de monetaire compensatie;
Overwegende dat het voor een economisch bevredigende uitvoering van de regeling inzake de monetaire compenserende bedragen nodig is dat de monetaire coëfficiënt eveneens wordt toegepast in de gevallen waarin, in het kader van een inschrijving voor een handelstransactie met derde landen, de in het bericht van toewijzing vermelde bedragen zijn vastgesteld in nationale valuta; dat het om deze reden nodig is in de suikersector snel een maatregel te nemen, die geenszins bindend is voor de regeling die in het algemeen zal worden aangehouden en de verordeningen (EEG) nr. 1634/77 van 19 juli 1977 betreffende een permanente inschrijving voor de bepaling van de restituties bij uitvoer van witte suiker en (EEG) nr. 1790/77 van 2 augustus 1977 betreffende een permanente inschrijving voor de bepaling van de restituties bij uitvoer van ruwe bietsuiker, aan te vullen;
Overwegende dat het dienovereenkomstig en gezien de in de betrokken sector constant toegepaste praktijk dienstig is om deze regel met terugwerkende kracht toe te passen, behalve voor de offertes die na de uitspraak van het Hof en vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn geaccepteerd.”
De opmerking dat het nodig is de monetaire coëfficiënt toe te passen op restituties die via inschrijvingen zijn vastgesteld, doelt op de omstandigheid dat, om redenen die de Commissie ons in zaak 108/77 en ook weer in deze zaak heeft uiteengezet (en die ik in mijn conclusie in zaak 108/77 heb weergegeven), niet-toepassing van de coëfficiënt een ongelijke behandeling tot gevolg zou hebben van handelaren in verschillende Lid-Staten, die in onderlinge concurrentie aan een inschrijving deelnemen. Met „de in de betrokken sector constant toegepaste praktijk” wordt gedoeld op de omstandigheid dat de bevoegde nationale instanties, behalve naar het schijnt in België, altijd monetaire coëfficiënten op dergelijke restituties hebben toegepast.
Bij artikel 1 van verordening nr. 1182/78 werd aan beide verordeningen betreffende de permanente inschrijvingen een nieuw artikel 7 bis toegevoegd, luidende:
„De in artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1380/75 bedoelde coëfficiënt wordt eveneens toegepast op de in nationale valuta vastgestelde restituties die in het kader van deze inschrijving zijn toegewezen.”
Artikel 2 bepaalde dat de verordening op 1 juni 1978 in werking zou treden en van toepassing zou zijn op alle, krachtens de verordeningen nrs. 1634/77 en 1790/77 toegekende restituties, met uitzondering van de restituties waarvoor de offertes tussen 24 mei 1978 en 1 juni 1978 waren geaccepteerd.
Het was dus duidelijk de bedoeling dat de verordening terugwerkende kracht zou hebben; een uitzondering werd slechts gemaakt voor handelaren die, vóór de inwerkingtreding van de verordening, bij het doen van hun offertes mogelijk op het arrest in zaak 108/77 waren afgegaan.
Op 23 juni 1978 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 1392/78 vast (PB L 167 van 1978, blz. 53). Hierin werd aan artikel 4 van verordening nr. 1380/75 een nieuw lid toegevoegd, dat luidde als volgt:
„5. De in lid 3 bedoelde coëfficiënt wordt eveneens toegepast op de in nationale valuta vastgestelde restituties en heffingen die in het kader van een openbare inschrijving zijn toegewezen.”
Artikel 2, lid 1, bepaalde dat de verordening in werking zou treden op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad. Dit werd in casu 24 juni 1978. Artikel 2, lid 2, bepaalde:
„Artikel 4, lid 5, van verordening (EEG) nr. 1380/75 wordt, onder voorbehoud van de in de suikersector bestaande bepalingen en van de vóór 1 augustus 1978 vast te stellen bepalingen, toegepast op de transacties waarvoor de douaneformaliteiten met ingang van de dag van de inwerkingtreding van deze verordening zijn vervuld.”
Op grond van de hierin neergelegde algemene regel maakte, zoals u ziet, het nieuwe lid 5 de toepassing van monetaire coëfficiënten op vóór de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1392/78. vastgestelde uitvoerrestituties mogelijk, mits de douaneformaliteiten voor die exporttransacties niet eerder dan met ingang van die datum waren vervuld. De mate van terugwerkende kracht bij exportrestituties voor suiker, die uit artikel 2 van verordening nr. 1182/78 voortvloeide, werd uitdrukkelijk gehandhaafd.
De derde maatregel in deze reeks was verordening nr. 1837/78 van 31 juli 1978, waarvan de geldigheid thans wordt betwist. Volgens het intitulé diende zij „tot vaststelling van de werkingssfeer van artikel 4, lid 5, van verordening (EEG) nr. 1380/75”. In feite was zij, zoals de Commissie ons meedeelde, het resultaat van een herbezinning op de omvang van de terugwerkende kracht die aan de twee vorige maatregelen met betrekking tot de suikersector was toegekend.
Artikel 1 van verordening nr. 1837/78 luidt:
„Het bepaalde in artikel 4, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 1380/75 is van toepassing op de transacties waarvoor de douaneformaliteiten zijn vervuld
a)
met ingang van 1 juni 1978 in de suikersector,
b)
met ingang van 24 juni 1978 in de andere sectoren,
c)
vóór de bovengenoemde data in de gevallen waarin de betrokken toepas sing resulteert in een verlaging van het geheven of te heffen monetair compenserend bedrag.”
Artikel 2 bepaalt:
„1. Lid 2 van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1392/78 wordt ingetrokken.
2. Artikel 7 bis van de verordeningen (EEG) nr. 1634/77 en (EEG) nr. 1790/77 en verordening (EEG) nr. 1182/78 wordt ingetrokken.”
Artikel 3 bepaalt dat de verordening op de dag van haar openbaarmaking in het Publikatieblad — dat was 1 augustus 1978 — in werking treedt.
De verandering die deze bepalingen in de suikersector brachten, was dat de werkingssfeer van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1380/75 werd beperkt; in plaats van op alle krachtens de verordeningen nrs. 1634/77 en 1790/77 toegekende restituties, was het nog slechts van toepassing op transacties waarvoor de douaneformaliteiten met ingang van 1 juni 1978 waren vervuld. 1 juni 1978 was de datum waarop verordening nr. 1182/78 in werking was getreden. De Commissie heeft uitgelegd dat de uitzondering genoemd in artikel 2 van die verordening, betreffende offertes die tussen 24 mei en 1 juni waren ingediend, niet was gehandhaafd omdat dergelijke offertes niet waren gedaan.
Voor transacties in andere landbouwsectoren bleef de door verordening nr. 1392/78 in het leven geroepen situatie ongewijzigd.
De vierde en laatste verordening in deze reeks was verordening (EEG) nr. 1907/78 van 7 augustus 1978 (PB L 217 van 1978, blz. 13). Zij gold een wijziging van artikel 1, sub c, van verordening nr. 1837/78, die zowel qua uitwerking als qua motivering in casu niet relevant is.
Wagner en Schlüter waren beiden houders van een aantal uitvoercertificaten, die waren toegekend na aanvaarding van offertes die zij op overeenkomstig verordening nr. 1634/77 vóór 1 juni 1978 bekendgemaakte inschrijvingen hadden gedaan; op 1 juni 1978 was van deze certificaten nog niet of slechts ten dele gebruik gemaakt. Enkele van deze certificaten zijn aan het verzoekschrift gehecht (bijlagen 1, 4, 5, 6, 7, 10, 12, 17, 18 en 19). Uit de eveneens aan het verzoekschrift gehechte restitutiebeschikkingen (bijlagen 2, 8, 9, 11, 13, 14, 15 en 16) blijkt dat het verantwoordelijke Hauptzollamt een monetaire coëfficiënt van 0,925 heeft toegepast voor exporten onder dekking van die certificaten. In alle gevallen waarin krachtens verordening nr. 1634/77 vastgestelde restituties aldus waren verlaagd, werden bezwaarschriften ingediend bij het Hauptzollamt, zo werd ons meegedeeld.
Het onderhavige beroep, dat op 28 juli 1978 werd ingesteld, was aanvankelijk gericht tegen de verordeningen nrs. 1182/78 en 1392/78. Nadat de Commissie echter op 31 juli 1978 verordening nr. 1837/78 had vastgesteld, wijzigden verzoeksters hun petitum en richtten zij hun aanval tegen deze verordening. Zij vragen thans nietigverklaring van artikel 1 van verordening nr. 1837/78 voor zover daarbij artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1380/75 van toepassing wordt verklaard — met als gevolg verlaging van op grond van inschrijving in nationale valuta vastgestelde uitvoerrestituties —
1)
op restituties die vóór 1 augustus 1978 zijn vastgesteld;
2)
subsidiair op restituties die vóór 24 juni 1978 zijn vastgesteld;
3)
meer subsidiair, wat de suikersector betreft, op restituties die vóór 1 juni 1978 zijn vastgesteld;
4)
nog meer subsidiair, wat de suikersector betreft, op restituties die vóór 1 juni 1978 zijn vastgesteld en in verband waarmee de relevante douaneformaliteiten vóór 24 juni 1978 zijn vervuld.
1 augustus 1978 is dus de datum waarop verordening nr. 1837/78 in werking is getreden, terwijl 1 juni en 24 juni 1978 in artikel 1 van die verordening worden genoemd als de data waarvóór de douaneformaliteiten met betrekking tot respectievelijk transacties in de suikersector en in andere sectoren moesten zijn vervuld als men onder de toepassing van de monetaire coëfficiënt wilde uitkomen.
De Commissie heeft gesteld dat van de vier vorderingen van verzoeksters alleen de derde mogelijk kan slagen. Ik ben het daarmee eens. De eerste, tweede en vierde komen niet in aanmerking, omdat de feiten waarop verzoeksters zich beroepen, uitsluitend betrekking hebben op de suikersector en verordening nr. 1837/78 wat de suikersector betreft, niet meer heeft gedaan dan de door de, op 1 juni 1978 in werking getreden, verordening nr. 1182/78 in het leven geroepen rechtssituatie ten dele te handhaven, zodat in de toepassing van monetaire coëfficiënten op na die datum via inschrijvingen vastgestelde restituties geen enkel element van terugwerkende kracht schuilt. Ik zal mij dan ook tot de derde vordering van verzoeksters beperken.
Verzoeksters doen deze vordering in wezen steunen op de stelling dat artikel 1, sub a, van verordening nr. 1830/78, door te bepalen dat monetaire coëfficiënten moeten worden toegepast op vóór 1 juni 1978 vastgestelde restituties, met terugwerkende kracht verworven rechten aantast op een wijze die volgens het gemeenschapsrecht ongeoorloofd is.
Alvorens op de inhoud van deze vordering in te gaan, moet ik eerst de ontvankelijkheidsvraag behandelen die de Commissie heeft opgeworpen.
Ik kan dat, dacht ik, tamelijk kort houden.
De ontvankelijkheid
Verzoeksters behoren tot een beperkte en identificeerbare groep handelaren die tussen 22 juli 1977 — de datum waarop verordening nr. 1634/77 in werking trad — en 1 juni 1978 offertes hebben gedaan op overeenkomstig die verordening gehouden inschrijvingen; handelaren wier offertes zijn aanvaard en voor wie dientengevolge overeenkomstig deze offertes uitvoerrestituties zijn vastgesteld en die op 1 juni 1978 de op grond hiervan afgegeven uitvoercertificaten nog niet ten volle hadden benut. Ik zie geen principieel verschil tussen hun positie en die van de houders van uitvoercertificaten met vooraf gefixeerde restituties, wier beroep in zaak 100/74 (CAM, Jurispr. 1975, blz. 1393) en zaak 88/76 (Société pour l'Exportation des Sucres, Jurispr. 1977, blz. 709) ontvankelijk werd geacht.
Dat artikel 1, sub a, van verordening nr. 1837/78 niet uitdrukkelijk onderscheidt tussen handelaren voor wie de restituties vóór 1 juni 1978 waren vastgesteld, en anderen die door de bepaling worden geraakt, lijkt mij niet van belang. Zou dit wel van belang zijn, dan zou het mogelijk zijn handelingen die naar hun aard beschikkingen zijn, in verordeningen om te zetten door de verschillende categorieën personen die erdoor worden geraakt, op één hoop te vegen door gebruik te maken van een formulering die ruim genoeg is. Uit de beslissingen van het Hof in de zaken 113 en 118-121/77 (NTN Toyo Bearing Co. Ltd. e.a., arresten van 29 maart 1979, Jurispr. 1979, blz. 1185 e.v.) blijkt dat een handeling die in andere opzichten een verordening met algemene werking is, voor zover zij bijzondere personen raakt, een beschikking kan zijn die hen rechtstreeks en individueel raakt.
Ik meen daarom dat het beroep ontvankelijk is.
De vraag is echter of het gegrond is.
Ten gronde
De Commissie geeft toe dat de vaststelling van een uitvoerrestitutie op grond van een inschrijving, de betrokken handelaren recht geeft op die restitutie, welk recht hij kan uitoefenen zodra de uitvoer op de voorgeschreven wijze is afgewikkeld. De toepassing van de monetaire coëfficiënt, die in wezen leidt tot de verlaging van een monetair compenserend bedrag dat anders te hoog zou zijn, laat dit recht echter onaangetast, zo stelt zij.
De Commissie wijst op de rechtspraak van het Hof, waaruit blijkt dat handelaren geen enkel recht hebben op handhaving van een bepaald stelsel of bepaalde tarieven van monetair compenserende bedragen en dat geen aanspraak op dergelijke bedragen ontstaat vóórdat de goederen werkelijk zijn uitgevoerd (zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533; gevoegde zaken 95-98/74, 15 en 100/75, Union Nationale des Coopératives Agricoles de Céréales e.a., Jurispr. 1975, blz. 1615; zaak 96/77, Bauche, Jurispr. 1978, blz. 383). Zij concludeert dat artikel 1, sub a, van verordening nr. 1837/78 niet kan worden geacht terugwerkende kracht te hebben, daar het uitsluitend een element in het stelsel van de monetaire compenserende bedragen heeft gewijzigd ten aanzien van transacties waarvoor de douaneformaliteiten na 1 juni 1978 werden vervuld.
Na enige aarzeling ben ik tot de slotsom gekomen dat de Commissie gelijk heeft.
Ziet men alleen naar de bewoordingen van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1380/75, dan lijkt de toepassing van de monetaire coëfficiënt gericht te zijn op een verlaging van de restitutie als zodanig. Men moet deze bepaling echter in haar context zien.
Volgens het intitulé van verordening nr. 1380/75 bevat zij „uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen.” De Commissie heeft deze verordening vastgesteld krachtens haar bevoegdheid om dergelijke bepalingen uit te vaardigen, welke bevoegdheid haar is toegekend bij artikel 6 van verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad, waarbij de monetaire compenserende bedragen zijn ingevoerd. De groep artikelen waarvan artikel 4 deel uitmaakt, draagt het opschrift „Berekening van de monetaire compenserende bedragen” en in artikel 4, lid 3, komt in het eerste zinsdeel het woord „echter” voor, waarmee wordt aangegeven dat het als een voorbehoud werkt ten opzichte van de voorafgaande leden. Deze luiden:
„1.
Voor elke Lid-Staat en voor elk produkt waarvoor aan de toepassingsvoorwaarden voor de monetaire compenserende bedragen wordt voldaan, wordt een monetair compenserend bedrag vastgesteld.
Het bedrag wordt berekend op de grondslag van de gemeenschappelijke prijs, in voorkomend geval verminderd overeenkomstig de bepalingen van de Toetredingsakte.
2.
Het bedrag dat overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid is vastgesteld, is van toepassing in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en in dat met derde landen.”
Het doel van artikel 4, lid 3, is dus verlaging van de monetaire compenserende bedragen. De toepassing van de coëfficiënt op de restitutie is slechts een methode om dit doel te bereiken, en een handelaar kan geen onaantastbaar recht hebben om het bereiken van dat doel te verhinderen. Zoals ik in mijn conclusie in zaak 108/77 heb uiteengezet en de Commissie ook in deze zaak weer in haar opmerkingen heeft toegelicht, is de verlaging noodzakelijk om te voorkomen dat een exporteur in een Lid-Staat met een gerevalueerde munteenheid twee keer zoveel ontvangt, of een exporteur in een Lid-Staat met een gedevalueerde munteenheid twee keer zoveel betaalt als het bedrag overeenkomend met het percentage dat wordt gebruikt voor de berekening van het monetair compenserend bedrag en dat op het bedrag van de restitutie is toegepast.
Conclusie
Concluderend ben ik van mening dat, bij juiste lezing, artikel 1, sub a, van verordening nr. 1837/78 geen enkele terugwerkende kracht heeft en dat het beroep derhalve dient te worden verworpen met veroordeling van verzoeksters in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy