CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 22 MAART 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Bij beschikking van 13 juni 1978 heeft het Duitse Bundesfinanzhof drie prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd, voornamelijk om duidelijkheid te verkrijgen over de betekenis en draagwijdte van algemene bepaling 2 a, tweede volzin, voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT).
Deze algemene bepaling 2 a luidt als volgt: „De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het zich in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat bevindt”.
In een geschil tussen een importeur van kogelpennen en de Duitse douane is in twijfel getrokken of een bindend tariferingsadvies — op 15 juni 1977 op verzoek van de betrokken importeur afgegeven door de Oberfinanzdirektion (op grond van paragraaf 23, lid 1, van het Duitse Zollgesetz) — in overeenstemming is met de aangehaalde bepaling. Dit bindende tariferingsadvies had betrekking op de gelijktijdige invoer van verschillende, bij elkaar behorende onderdelen van kogelpennen: namelijk schachten van onedel metaal voor kogelpennen, die alle onderdelen voor het mechaniek van de kogelpen bevatten, vullingen, en doppen, eveneens van onedel metaal. Gewoonlijk bestelde de importeur naast deze partijen onderdelen ook extra vullingen om zijn voorraad aan te vullen.
Volgens het advies van de Oberfinanzdirektion waren de doppen, schachten en het bijbehorende aantal vullingen op grond van het GDT als gedemonteerde kogelpennen (post 98.03 A) aan te merken, terwijl het overschot aan vullingen als onderdelen van kogelpennen onder post 98.03 C II viel. In dit verband zij opgemerkt dat tariefpost 98.03, met als opschrift „penhouders, vulpenhouders, kogelpennen, kogelpotloden en vulpotloden; potloodhouders en dergelijke; onderdelen en toebehoren van deze artikelen”, onder A vermeldt „vulpennen, kogelpennen en kogelpotloden, vilt- en vezelstiften” en onder C „onderdelen en toebehoren”, en dat voor de onder A vallende produkten een hoger invoerrecht is verschuldigd dan voor die onder C.
Voor de vermelde tarifering van de doppen, schachten en het bijbehorende aantal vullingen beriep de Duitse Finanzdirektion zich op algemene bepaling 2 a voor de toepassing van het GDT, alsmede op de Toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douane-raad. Volgens de importeur is deze bepaling echter niet van toepassing wanneer er, zoals in casu, een bijzondere post bestaat voor onderdelen (genoemde post 98.03 C).
In het geding voor het Bundesfinanzhof bestreed de importeur de wettigheid van de bindende uitlegging van de Oberfinanzdirektion, ook op een andere grond; hij beriep zich daarbij op de Duitse versie van algemene bepaling 2 a. In tegenstelling tot de versies in alle overige officiële gemeenschapstalen, spreekt de Duitse tekst niet van „gedemonteerde of niet-gemonteerde” goederen, doch enkel van goederen die zijn „zerlegt”, een term die, op zichzelf genomen, geacht kan worden produkten te omvatten die reeds gemonteerd zijn geweest en vervolgens zijn gedemonteerd. Derhalve betoogde belanghebbende dat alle door hem ingevoerde onderdelen, die eerst na invoer tot kogelpennen worden gemonteerd, krachtens algemene bepaling 2 a als onderdelen moeten worden aangemerkt en derhalve onder onderverdeling C van de desbetreffende tariefpost moeten worden ingedeeld.
2.
In de eerste vraag wordt het Hof verzocht te verklaren of algemene bepaling 2 a, tweede volzin (die, zoals wij zagen, de tarifering van complete en afgewerkte goederen uitbreidt tot hun onderdelen, voor zover deze tezamen het goed vormen, zij het in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat), niet van toepassing is, wanneer het GDT een bijzondere post bevat voor de onderdelen van een produkt, en wel krachtens algemene bepaling 1, tweede zinsdeel, volgens welke voor de indeling de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken wettelijk bepalend zijn.
Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. In de eerste plaats dient men immers te bedenken dat het toepassingsgebied van de tariefposten (en dus de draagwijdte van de post) mede wordt bepaald door algemene bepaling 2 a, doordat gemonteerde of niet-gemonteerde produkten worden gelijkgesteld met complete of afgewerkte produkten. Aldus uitgelegd blijken algemene bepaling 2 a, tweede zin, en bepaling 1, tweede zinsdeel, geheel met elkaar te verenigen. In de tweede plaats is het begrip „onderdelen”, zoals de Commissie heeft opgemerkt, van lagere orde dan de begrippen „compleet of afgewerkt goed”, in die zin, dat wanneer een produkt als compleet of afgewerkt kan worden aangemerkt, het niet meer mogelijk is de delen daarvan als losse onderdelen te kwalificeren. Ingevolge algemene bepaling 2 a is het, om een artikel de hoedanigheid van „compleet of afgewerkt” te verlenen, voldoende dat alle onderdelen aanwezig zijn, ook wanneer deze nog niet zijn gemonteerd.
De juistheid van deze uitlegging wordt bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van de bepalingen van het GDT. De Commissie herinnert eraan dat toen algemene bepaling 2 a nog niet bestond (zij is op 1 januari 1972 vastgesteld overeenkomstig een aanbeveling van de Internationale Douaneraad), er enkel voor de produkten van de Afdelingen XVI en XVII van het GDT een dergelijke bepaling was. Zou echter de regeling voor de tarifering van gedemonteerde of niet-gemonteerde complete goederen inderdaad hebben moeten wijken voor de posten voor onderdelen, die al in die afdelingen voorkwamen, dan ware, zoals de Commissie terecht opmerkt, het naast elkaar bestaan van die posten en van genoemde regeling zinloos geweest. Men kan dus stellen dat in de periode voor de vastelling van algemene bepaling 2 a het bestaan van tariefposten voor onderdelen of van onderverdelingen van dergelijke posten geen beletsel vormde voor de toe passing van voorschriften betreffende in gedemonteerde toestand ingevoerde complete goederen. Met algemene bepaling 2 a werd een reeds bestaande, doch enkel voor goederen van de afdelingen XVI en XVI geldende regeling uitgebreid tot alle waren van het GDT.
Deze uitlegging vindt verder steun in de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van de Internationale Douaneraad. Na een uitdrukkelijke verwijzing naar algemene bepaling 2 a, verklaart de aantekening bij afdeling XVI met betrekking tot niet-gemonteerde machines en toestellen, namelijk het volgende: „Machines en toestellen worden soms, meestal ter vergemakkelijking van het transport, in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat aangeboden. Alhoewel in dit geval losse delen worden vertoond, wordt het geheel niettemin ingedeeld als een gemonteerde machine en niet onder de post (in de veronderstelling dat een dergelijke post bestaat) betreffende delen en onderdelen. Deze regel geldt eveneens voor niet-gemonteerde machines, welke zijn aan te merken als niet-complete machines . . .”
Hiermee lijkt mij voldoende aangetoond dat algemene bepaling 2 a ook van toepassing is wanneer het GDT een bijzondere post voor onderdelen van een produkt bevat.
3.
In de tweede plaats vraagt het Bundesfinanzhof of algemene bepaling 2 a naast gedemonteerde produkten ook nog niet gemonteerde produkten omvat. De twijfel vloeit voort uit de Duitse versie van de bepaling die, zoals wij hiervoor zagen, niet geheel gelijkluidend is met de officiële versies in de overige gemeenschapstalen.
Steeds wanneer het Hof problemen had op te lossen die het gevolg waren vat het naast elkaar bestaan van verschillende, niet geheel overeenstemmende taalversies, heeft het gewezen op de noodzaak van een uniforme uitlegging van de gemeenschapsteksten en zich bij gevolg uitgesproken tegen een geïsoleerde beschouwing van de afwijkende tekst. Deze moet integendeel worden uitgelegd in het licht van de tekst in de andere talen, met inachtneming zowel van de werkelijke bedoeling van de auteur ervan als van het doel dat ermee wordt nagestreefd: zie de arresten van 12 november 1969 (zaak 29/69, Stauder, Jurispr. 1969, blz. 419), 13 maart 1973 (zaak 61/72, Mij PPW Internationaal NV, Jurispr. 1973, blz. 301) en 21 november 1974 (zaak 6/74, Moulin, Jurispr. 1974, blz. 1287). In een meer recente beslissing (arrest van 27 oktober 1977, zaak 30/77, Bouchereau, Jurispr. 1977, blz. 2000) heeft het Hof de grondgedachte van zijn rechtspraak samengevat als volgt: „De verschillende taalversies van een gemeenschapstekst moeten op eenvormige wijze worden uitgelegd en de betrokken bepaling moet derhalve, ingeval deze versies uiteenlopen, worden uitgelegd met het oog op de algemene doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt” (r.o. 14).
Bij de uitlegging van bepalingen inzake de tarifering van goederen moet de douane zich kunnen baseren op objectieve criteria, die gemakkelijk kunnen worden vastgesteld en geverifieerd; dit is door het Hof steeds erkend. In dit verband ben ik het eens met de Commissie, die erop wijst dat bij invoer in het algemeen moeilijk kan worden vastgesteld of een goed dat in onderdelen wordt aangeboden, tevoren gemonteerd is geweest. Daarentegen kan bij onderzoek van de onderdelen bij invoer gemakkelijk worden vastgesteld of deze zo kunnen worden gemonteerd, dat een compleet goed ontstaat. Daarom lijkt mij deze bepaling, mede gezien haar duidelijke en ondubbelzinnige formulering in de overige talen, stellig betrekking te hebben zowel op gedemonteerde als op nog niet gemonteerde artikelen.
4.
In de derde plaats vraagt het Bundesfinanzhof, of algemene bepaling 2 a, tweede zin, ook dan geldt, wanneer bij de aanbieding ten invoer van een groot aantal onderdelen van nog niet gemonteerde produkten niet vaststaat welke onderdelen met welke andere onderdelen tot een produkt zullen worden gemonteerd. In de overwegingen van de verwijzingsbeschikking wordt gezegd dat in casu de geïmporteerde onderdelen worden samengevoegd tot kogelpennen die in uiterlijk en gebruiksdoel verschillen, omdat er diverse modellen doppen en schachten zijn en de vullingen in kleur en schrijfdikte verschillen. Gegeven de verschillende combinatiemogelijkheden van deze onderdelen, konden de afzonderlijke kogelpennen, hoewel alle onderdelen aanwezig waren, bij invoer niet individueel worden geïdentificeerd.
Kan men in zo'n geval zeggen dat de geïmporteerde produkten, in de staat waarin zij zich bij invoer bevinden, de wezenlijke kenmerken vertonen van het complete of afgewerkte goed, als bedoeld in de aangehaalde algemene bepaling?
Het kernpunt lijkt mij dat alle onderdelen van hetzelfde type kogelpen bij het monteren uitwisselbaar (of vervangbaar) zijn. Met andere woorden, waar elke combinatie van deze drie elementen (vullingen, schachten, doppen) altijd een kogelpen oplevert, is het een artikel dat onder post 98.03 A valt.
Zo gezien lijkt het mij met het oog op de in algemene bepaling 2 a gestelde voorwaarde voldoende, dat bij invoer alle onderdelen van elke kogelpen aanwezig zijn, zodat na het monteren een compleet en afgewerkt produkt ontstaat. Ondanks de verschillende combinatiemogelijkheden dient in elk geval uit al deze onderdelen gezamenlijk het voorziene aantal afgewerkte produkten gemonteerd te kunnen worden. Waar het hier gaat om onderdelen die zowel naar soort als naar functie zijn bepaald, kunnen zij overeenkomstig algemene bepaling 2 a onder de betrokken tariefpost worden ingedeeld als onderdelen van niet-gemonteerde produkten.
Ten slotte is het duidelijk dat het overschot aan onderdelen, waarvoor in dezelfde partij aanvullende componenten in de vorm van andere onderdelen, nodig om daarmee het complete goed te vervaardigen, ontbreken, moet worden ingedeeld onder de post voor onderdelen van het betrokken goed.
5.
Concluderend geef ik het Hof in overweging de bij beschikking van 13 juni 1978 gestelde vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
1.
Algemene bepaling 2 a, tweede volzin, voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief is ook van toepassing wanneer het tarief een bijzondere post bevat voor de onderdelen van een goed.
2.
Deze algemene bepaling omvat naast gedemonteerde goederen ook de goederen die nog niet eerder waren gemonteerd.
3.
Met betrekking tot de indeling van onderling vervangbare produkten is genoemde algemene bepaling ook van toepassing wanneer bij de aanbieding ten invoer van de waar de tezamen tot een enkel compleet goed te monteren onderdelen niet afzonderlijk kunnen worden geïdentificeerd.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy