CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 13 SEPTEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Eens te meer heeft ons Hof zich uit te spreken over de voorwaarden, waaraan voor toelating tot een algemeen vergelijkend onderzoek moet zijn voldaan. Verzoeker, de heer Szemerey, is een ambtenaar der Commissie van Britse nationaliteit, die verzocht had te mogen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek COM/A/154, in september 1977 aangekondigd met het oog op de vorming van een reserve van administrateurs ter vervulling van posten in de categorie A, rangen 7 en 6 (PB C 213 van 1977). De jury meende hem evenwel niet tot het schriftelijk onderzoek te mogen toelaten, omdat zijn „qualifications” niet aan de gestelde eisen voldeden. De van deelneming uitgesloten kandidaat vond hierin aanleiding tot het indienen van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren, dat evenwel door de Commissie bij brief van 17 april 1978 werd afgewezen op grond dat de aangevochten beslissing geheel overeenkomstig het Statuut was genomen.
Na aldus bij de instelling nul op het rekest te hebben gekregen, wendde hij zich met een op 24 augustus 1978 ter griffie gedeponeerd verzoekschrift tot het Hof van Justitie, stellende dat het vergelijkend onderzoek in strijd met de artikelen 5, lid 1, tweede alinea, en 27 van het Statuut was uitgeschreven, terwijl het besluit hem van deelneming uit te sluiten, niet alleen onvoldoende met redenen was omkleed, doch ook in strijd was met een van de clausules van de publikatie, waarin het onderzoek was aangekondigd. De heer Szemerey concludeerde primair dat de aankondiging — op grond van voormelde bepalingen — zou worden nietig verklaard, en verzocht subsidiair om nietigverklaring van het besluit, hem niet tot het onderzoek toe te laten — en, mitsdien, van het onderzoek zelf. Voorts wenste hij door het Hof te zien uitgesproken dat hij in voldoende mate voldoet aan de eisen, voor deelneming aan het onderzoek gesteld.
2.
Ik zal allereerst ingaan op de redenen, waarom het onderzoek — volgens verzoeker — niet overeenkomstig de voorschriften zou zijn aangekondigd. Verzoeker beklaagt zich erover dat er zowel een universitair diploma als beroepservaring van ten minste een jaar — in de door de sollicitant gekozen sector — is verlangd. Zulk een tweeledige eis zou zich volgens hem niet verdragen met artikel 5, lid 1, tweede alinea, van het Statuut, waarin hetzij kennis op universitair niveau, hetzij een gelijkwaardige beroepservaring wordt verlangd van wie voor een loopbaan in de categorie A in aanmerking wenst te komen.
Verzoeker zoekt steun voor zijn standpunt in artikel 29. lid 2, van het Statuut, waarin voor ambten in de hoogste rangen, dat wil zeggen in de rangen A 1 en A 2, de mogelijkheid is opengesteld ambtenaren ook zonder vergelijkend onderzoek aan te werven, waarbij dus niet ter zake doet of betrokkenen aan de eisen, voor deelneming aan een vergelijkend onderzoek gesteld, zouden hebben voldaan. Als het dus statutair mogelijk is, posten waaraan de zwaarste verantwoordelijkheden zijn verbonden, te doen bezetten door ambtenaren zonder universitair diploma, moet het er volgens verzoeker voor worden gehouden dat a fortiori bij posten waarin langs de weg van een vergelijkend onderzoek wordt voorzien, met een voldoende mate van beroepservaring als bedoeld in artikel 5, lid 1, tweede alinea, van het Statuut kan worden volstaan.
Ik acht deze grief ongegrond. In een soortgelijk geval (men zie mijn conclusie in zaak 117/78, Orlando/Commissie) mocht ik er reeds op wijzen dat een aankondiging als de onderhavige, waarin aan degenen die tot deelneming aan het onderzoek wensen te worden toegelaten, zwaardere of meer restrictieve voorwaarden worden gesteld dan het Statuut van de ambtenaren op zichzelf verlangt, in beginsel als rechtmatig is te beschouwen. Ik heb twee redenen om te menen dat dit het geval is. In de eerste plaats komen in artikel 5 niet rechtstreeks de toelatingsvoorwaarden ter sprake — het artikel houdt alleen maar in, dat de ambten volgens bepaalde criteria in vier categorieën worden ingedeeld. Het gaat mij dus te ver aan lid 1, tweede alinea, van het artikel — waarin de beide eisen door gebruikmaking van het woordje „of” alternatief zijn omschreven — vérgaande consequenties te verbinden voor de aanwerving van personeel, die heel ergens anders, namelijk in de artikelen 27 e.v. van het Statuut is geregeld. Men dient voorts te bedenken dat de administratie zich bij de keuze van haar personeel in beginsel moet laten leiden door het dienstbelang, dat een instelling zeer wel aanleiding kan geven om bij het uitschrijven van een vergelijkend onderzoek condities te stellen die verder gaan dan de minimumvoorwaarden van het Statuut. Het is dit criterium, waardoor de Commissie zich bij het uitschrijven van het onderhavige onderzoek deed leiden en waarnaar de jury zich bij de interpretatie van de aankondiging en bij haar verder beleid heeft gedragen.
Ik geloof ook niet dat men hierin verandering kan brengen door er artikel 29 van het Statuut bij te pas te brengen. In dat artikel wordt alleen maar gezegd dat voor het aanwerven van ambtenaren in de hoogste rangen — en in buitengewone gevallen voor het vervullen van ambten waarvoor „bijzondere kundigheden” vereist zijn —, door de administratie ook zonder vergelijkend onderzoek tot aanwerving kan worden overgegaan. Maar dat het Statuut zulks — overeenkomstig de rechtsorden der Lid-Staten — in beperkte mate mogelijk maakt, staat geheel los van de vraag welke kennis en ervaring tenminste moet zijn vergaard door de deelnemers aan vergelijkende onderzoeken, uitgeschreven ten einde op de gebruikelijke wijze voor de onvergrote meerderheid der beschikbare posten personeel aan te werven.
3.
Een andere grief berust op artikel 27 van het Statuut, volgens welks eerste alinea de aanwerving erop gericht dient te zijn, de instelling „de medewerking te verzekeren van de ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de Lid-Staten der Gemeenschappen zijn aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding”.
Door van de kandidaten te verlangen dat zij niet slechts over een bepaalde beroepservaring beschikken, doch ook een universitair diploma kunnen overleggen, zou de Commissie zonder meer hebben afgezien van de aanwerving van eerste klas medewerkers in het bezit van een langdurige beroepservaring, die op zijn minst genomen met kennis van universitair niveau mag worden gelijkgesteld; daarmede zou zijn gehandeld in strijd met de beginselen die aan het aanwervingsregime van artikel 27 ten grondslag liggen.
Ik kan deze opvatting niet delen. Het moge waar zijn dat in een enkel geval sollicitanten zonder unversitair diploma, maar in het bezit van een degelijke beroepservaring, „meer waard” zijn dan anderen die aan beide eisen voldoen, in de regel is in dit laatste geval het bezit van de nodige bekwaamheid met meer waarborgen omringd, en bij het uitschrijven van een vergelijkend onderzoek zullen de instellingen van het normale geval en niet van uitzonderlijke situaties hebben uit te gaan. Dat in de aankondiging zowel een universitair diploma als beroepservaring werd verlangd, acht ik dan ook niet met artikel 27 van het Statuut in strijd.
Nog in ander verband brengt verzoeker artikel 27 ter sprake: in Engeland zou men, om tot het beroepsleven te worden toegelaten, in de regel slechts over praktijkervaring behoeven te beschikken; bij bepaalde standorganisaties zou men, ook zonder een bepaald diploma te bezitten, kunnen worden ingeschreven wanneer men gedurende een bepaalde tijd de nodige beroepservaring heeft opgedaan. Dat daarentegen in de Gemeenschap de toelating tot bepaalde vergelijkende onderzoeken behalve van beroepservaring van het bezit van een diploma afhankelijk is gesteld, zou volgens verzoeker in het nadeel zijn van sollicitanten uit het Verenigd Koninkrijk. Ook in zoverre zou men in strijd komen met artikel 27 van het Statuut, volgens hetwelk de aanwerving „uit de onderdanen van de Lid-Staten der Gemeenschappen” dient te geschieden „met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding”, en verzoeker meent dat er in ruimere zin zelfs van strijd met het gelijkheidsbeginsel zou kunnen worden gesproken in die zin, dat de instellingen bij de aanwerving ten nadele van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk discrimineren.
Geen van deze argumenten vermocht mij te overtuigen. Een administratie die aan degenen die tot een vergelijkend onderzoek wensen te worden toegelaten, bepaalde eisen stelt, maakt typisch van haar discretionaire bevoegdheden gebruik. Of de maatstaven welke zij daarbij aanlegt, met de in een bepaalde Lid-Staat geldende criteria in overeenstemming zijn, lijkt mij van geen belang.
Het staat de communautaire rechter niet vrij de criteria van standsorganisaties in de Lid-Staten als toetssteen te gebruiken, terwijl het anderzijds ook niet zijn taak is na te gaan of het aanwervingsbeleid der instellingen wel doelmatig mag worden genoemd.
Mijns inziens is er derhalve in casu van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake. Het gaat er maar om, dat de voorwaarden waaraan voor toelating tot het onderzoek moet zijn voldaan, voor de burgers van alle Lid-Staten dezelfde zijn, en wie mocht menen dat het stelsel van een of meer Lid-Staten voor een regeling inzake de toelating tot beroepsuitoefening en overheidsfuncties model heeft te staan, dient te bedenken dat bedoeld evenwicht daardoor niet mag worden verstoord.
4.
Hiermede ben ik toegekomen aan een bespreking van de grieven waarin het besluit van de jury, verzoeker niet tot deelneming aan het examen toe te laten, rechtstreeks wordt aangevochten. De heer Szemerey acht de redengeving van dat besluit onvoldoende duidelijk en derhalve in strijd met artikel 25, lid 2, van het Statuut, volgens hetwelk alle voor de betrokken ambtenaren nadelige beslissingen met redenen dienen te zijn omkleed.
Van het besluit hem niet tot het onderzoek toe te laten, werd betrokkene in kennis gesteld door toezending van een formulier, waarop het vakje voor het tweede van de vier in het formulier omschreven redenen tot afwijzing was aangekruist („your qualifications were not considered adequate”). Verzoeker meent dat in deze algemeen gehouden bewoordingen niet kan worden gelezen dat zijn „papieren” niet voldeden aan de eisen in de aankondiging gesteld, omdat hij niet in het bezit was van universitaire diploma's, waardoor hij zowel tijdens de administratieve behandeling als in rechte in zijn verdediging zou zijn benadeeld.
Het Hof heeft zich te dezen, laatstelijk in de arresten van 30 november 1978 (gevoegde zaken, 4, 19 en 28/78, Sa-lerno e.a.) en 5 april 1979 (zaak 112/78, Kobor/Commissie) in die zin uitgesproken, dat ter motivering van het besluit betrokkenen niet tot het onderzoek toe te laten, met een ongedifferentieerde verwijzing naar een in feite meerledige voorwaarde niet kan worden volstaan (vgl. r.o. 15 van het arrest-Kobor). A contrario kan hieruit worden afgeleid dat het besluit betrokkene niet tot het examen toe te laten, voldoende met redenen is omkleed — en mitsdien in overeenstemming is met artikel 25, lid 2, van het Statuut, —, wanneer het een verwijzing inhoudt naar een voorwaarde die ten duidelijkste op één bepaalde omstandigheid is toegesneden. In zulke gevallen kan betrokkene zeer wel achterhalen in welk opzicht zijn sollicitatie naar het oordeel der jury niet aan de eisen voldeed — en zich, zo nodig, te weer stellen.
Deze laatste situatie doet zich iri casu voor. Als onomstreden staat vast dat verzoeker geen universitair diploma bezit; behalve uit zijn curriculum vitae blijkt het ook uit zijn sollicitatie, waarin vakje 12 („diplomas or degrees obtained and class of degree”), veelzeggend genoeg, oningevuld werd gelaten (vgl. prod. 4 beroepschrift).
Buiten twijfel staat ook dat in de aankondiging, onder de rubriek „certificates, diplomas, etc”, een universitair diploma („University education, with degree or diploma”) voor het vakgebied van betrokkenes voorkeur (in casu: voorlichting) werd verlangd. De eis dat betrokkene over beroepservaring („practical experience”) moest beschikken, werd onder een ander hoofd gesteld. Ook op het imprimé waarbij hem werd medegedeeld dat hij niet tot het onderzoek was toegelaten, werd voor de beroepservaring van een ander nummer — met vakje — gebruikt gemaakt dan voor de diploma's („qualifications”).
Onzekerheid over de betekenis van de op het formulier gebezigde volzin behoefde in casu derhalve niet te rijzen: met onvoldoende „qualifications” kon de jury derhalve alleen maar doelen op het ontbreken van een universitair diploma c.q. certificaat, bedoeld in de eerste eis te dezen in de aankondiging van het onderzoek gesteld (en de term „qualifications” kon alleen hierop slaan). Theoretisch had er ongewisheid kunnen bestaan indien de sollicitant weliswaar een universitair diploma had bezeten, maar niet voor het vakgebied zijner keuze, dan wel papieren had overgelegd die, bij alle begrip voor de bijzondere onderwijsstructuur van het Verenigd Koninkrijk, niet als „degree” of als diploma konden worden aangemerkt. Zulk een bijzondere situatie doet zich te dezen evenwel niet voor: waar betrokkene ontegenzeglijk geen universitair diploma bezat, konden er ook geen misverstanden rijzen.
Op grond van dit een en ander acht ik de redengeving van het besluit, betrokkene niet tot deelneming aan het onderzoek toe te laten, duidelijk en in toereikende mate met redenen omkleed en derhalve met artikel 25 van het Statuut in overeenstemming. Ook in zoverre acht ik het beroep ongegrond.
5.
In de laatste plaats beklaagt verzoeker zich er over, dat de jury bij de beoordeling van zijn papieren de onderwijsstructuur van het Verenigd Koninkrijk, zijn land van herkomst, geen recht zou hebben doen wedervaren.
Volgens het in die aankondiging onder III (voorwaarden voor deelneming aan het vergelijkend onderzoek), B (bijzondere voorwaarden), 2 (vereiste getuigschriften of diploma's en beroepservaring) gestelde zou de jury „rekening houden met de in de Lid-Staten bestaande onderwijsstructuren”. Het komt mij evenwel voor, dat de jury zich in casu niet aan een verzuim als haar wordt verweten, heeft schuldig gemaakt. Dat de jury de bijzondere onderwijsstructuren der verschillende Lid-Staten in aanmerking moet nemen, speelt — in verband gebracht met de eis dat men een „University education” moet hebben genoten —, slechts een rol wanneer betrokkene in het bezit is van een certificaat betreffende gevolgde universitaire studiën, welks gelijkwaardigheid aan een „diploma” of aan een „degree” moet worden beoordeeld.
Het is, naar wij zagen, in casu evenwel zo gelegen, dat verzoeker niet in het be-zit is van enig universitair diploma dan wel van een certificaat dat daarmede op enigerlei wijze kan worden gelijkgesteld. Wij lezen in zijn curriculum vitae dat hij „in 1958 aan de Universiteit van Londen (Holborn College) een aanvang heeft gemaakt met de rechtenstudie, doch die studie heeft laten varen om zich toe te leggen op de journalistiek”. Volgt een opgave van de frequentie van het gevolgde avondonderwijs (vakken: stenografie, dactylografie, filosofie, economie, public relations, vervoerseconomie) en van een vormingscursus, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen in samenwerking van de Universiteit van Leuven georganiseerd. Een en ander maakt niet duidelijk, waarom — en in hoeverre — de jury bij haar beoordeling van verzoekers papieren met de onderwijsstructuur van het Verenigd Koninkrijk rekening had moeten houden.
6.
Op grond van een en ander concludeer ik tot verwerping van het beroep: noch ten aanzien van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek COM/A/154, noch ten aanzien van het besluit der jury, de heer Szemerey niet tot het onderzoek toe te laten, is gebleken van onrechtmatigheden als door verzoeker gesteld. Gezien de aard van het geding, zal elk van beide partijen in de eigen kosten moeten worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy