CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 15 MAART 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Tribunal de Grande Instance te Montpellier, als vervolg op het arrest van het Hof van 30 november 1977 (zaak 52/77, Cayrol, Jurispr. 1977, blz. 2262). Daar de feiten in deze zaak het Hof bekend zijn, zal ik ze hier niet herhalen. Wel wil ik eraan herinneren dat zij tot twee procedures hebben geleid.
In de eerste plaats kwam het tot een strafgeding voor het Tribunal de Grande Instance te Montpellier, waarin Cayrol, de drie vennoten in de firma Giovanni Rivoira & Figli s.n.c. en die firma zelf ten laste werd gelegd, dat zij verboden goederen met behulp van onjuiste aangiften van oorsprong in Frankrijk hadden ingevoerd. Op het moment dat zaak 52/77 bij het Hof aanhangig werd gemaakt, waren de verdachten allen schuldig bevonden aan die overtreding en hoofdelijk veroordeeld tot een boete van (i) FF 1000 (ii) een boete van FF 532435 in stede van verbeurdverklaring van in beslag genomen goederen, alsmede (iii) een boete ter hoogte van viermaal de waarde van de in beslag genomen goederen, te weten FF 1064870. Verdachten die, met uitzondering van Cayrol, bij verstek waren veroordeeld (ik zal hen hierna „de Rivoiras” noemen), hadden voor het Tribunal een verzoek tot nietigverklaring van hun veroordelingen ingediend, op grond dat de dagvaarding hen niet op de juiste wijze was betekend. Cayrol had een schikkingsaanbod van de Franse douane aanvaard, waarbij de hem opgelegde boete tot FF 175000 werd verlaagd.
In de tweede plaats stelde Cayrol bij het Tribunale te Saluzzo een vordering tot schadevergoeding in tegen de Rivoiras, op grond dat zijn veroordeling in Frankrijk was veroorzaakt doordat de Rivoiras gebruik hadden gemaakt van het merk en het certificaat van de ICE. Zaak 52/77 betrof een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Tribunale te Saluzzo naar aanleiding van deze actie. Het Hof heeft in deze zaak op 30 november 1977 uitspraak gedaan.
De daarop volgende gebeurtenissen kunnen, voor zover relevant, heel in het kort worden vermeld.
Als gevolg van het arrest van het Hof van 30 november 1977 wees de President van het Tribunale te Saluzzo de vordering van Cayrol op 20 december 1977 af.
Na te hebben kennis genomen van het betoog van de Rivoiras betreffende hun verzoek tot nietigverklaring van hun veroordelingen, besloot het Tribunal de Grande Instance te Montpellier de onderhavige zaak bij vonnis van 5 juni 1978 naar het Hof te verwijzen.
In dit vonnis verzoekt het Tribunal om 's Hofs uitspraak over twee vragen.
De eerste vraag luidt:
„Of volgens de in 1970 en 1971 toepasselijke communautaire voorschriften het feit dat Frankrijk rechtmatig voor tussen 1 juli en 31 december van die beide jaren in Frankrijk geïmporteerde Spaanse druiven een bilateraal contingent had vastgesteld, medebracht dat Frankrijk over diezelfde tijdvakken de invoer van diezelfde Spaanse druiven, afkomstig uit Italië, waar zij zich in het vrije verkeer bevonden, mocht verbieden, zonder tevoren krachtens artikel 115 van het Verdrag machtiging van de EEG-Commissie te Brussel te hebben gevraagd en verkregen.”
Deze vraag moet uiteraard ontkennend worden beantwoord. Ik zal niet herhalen wat ik hierover in zaak 52/77 (Jurispr. 1977, blz. 2288-2289) heb gezegd.
Het is evenwel begrijpelijk dat het Tribunal te Montpellier hierover een duidelijke uitspraak wenst te verkrijgen van het Hof, in de eerste plaats wegens de wijze waarop het arrest van het Hof in zaak 52/77 was geformuleerd, en in de tweede plaats omdat het Tribunal in de onderhavige zaak te maken kreeg met een bijzonder aspect in het betoog van de Franse douane. Het arrest in zaak 52/77 is weliswaar zo geformuleerd dat het onvermijdelijk tot de gevolgtrekking leidt dat Frankrijk de invoer van Spaanse druiven die zich in Italië in het vrije verkeer bevonden niet rechtmatig kon beperken zonder de vereiste machtiging als bedoeld in artikel 115 EEG-Verdrag te hebben verkregen, doch zegt dit in feite nergens met zoveel woorden. Het merkwaardige aan het betoog van de Franse douane voor het Tribunal was dat weliswaar werd benadrukt dat het Hof in zaak 52/77 had erkend dat Frankrijk de invoer van tafeldruiven uit Spanje in de betrokken periodes mocht beperken (uit hoofde van verordening nr. 2513/69 van de Raad, en ondanks de handelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Spanje van 29 juni 1970), doch dat totaal geen acht werd geslagen op het even zo belangrijke feit (hetwelk in zaak 52/77 niet werd bestreden en in de opmerkingen van de Franse regering in casu uitdrukkelijk is erkend) dat Frankrijk voor de betrokken tijdvakken nooit enige aanbeveling of machtiging van de Commissie in de zin van artikel 115 EEG-Verdrag heeft gevraagd of gekregen, op grond waarvan het maatregelen had kunnen nemen betreffende de invoer van Spaanse druiven die zich in andere Lid-Staten in het vrije verkeer bevonden.
De tweede vraag van het Tribunal luidt als volgt:
„Zo neen, of het feit dat de in voormelde tijdvakken uit Italië in Frankrijk ingevoerde Spaanse druiven als Italiaanse druiven werden aangemeld, Frankrijk het recht gaf die aangifte als. een schending van het Franse douanerecht te beschouwen, met toepassing van de strafsancties, in de Code des douanes voorzien voor onjuiste aangiften, die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen”.
Het is duidelijk dat deze vraag door het Hof niet rechtstreeks kan worden beantwoord, want het staat niet aan het Hof om, in het kader van een verzoek krachtens artikel 177 EEG-Verdrag, de Franse douanewetgeving uit te leggen, of deze nu is neergelegd in de Code des douanes of elders, en nog minder om een Franse rechter voor te schrijven wanneer die wetgeving al dan niet moet worden toegepast. De rol van het Hof is bij zulk een verzoek beperkt tot een uitspraak over het betrokken gemeenschapsrecht. Het staat vervolgens aan de nationale rechter diens eigen wetgeving overeenkomstig deze uitspraak toe te passen.
Ook deze door het Tribunal aan het Hof voorgelegde vraag wordt evenwel begrijpelijk indien men het betoog van de Rivoiras voor het Tribunal beziet. Dit betoog, dat er van uitgaat dat de strafvervolging berust op enkele bepalingen van de Franse Code des douanes, hield in dat in de betrokken beslissingen van het Hof, met name in zaak 52/77, een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen een inbreuk op het douanerecht „infraction douanière”) en een inbreuk op het handelsrecht („infraction à la loi commerciale”) of op het recht betreffende de consumentenbescherming (infraction „en matière de protection des consommateurs”). Daaruit werd geconcludeerd dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter in een geval als het onderhavige slechts het opleggen van sancties van administratieve aard „de nature administrative”) toestaat, en hem belet enige in het douanerecht voorziene sanctie („sanction d'ordre douanière”) op te leggen.
Mijns inziens berust dit betoog geheel op een misvatting, ofschoon het kan zijn ingegeven door overweging 36 van het arrest van 15 december 1976 (zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921) en overweging 37 van het arrest in zaak 52/77, waarin het Hof spreekt van „zo een zuiver administratieve overtreding”.
Het is niet de taak van het Hof de overtredingen of sancties die in de nationale wettelijke regelingen van de Lid-Staten kunnen worden erkend, in zulke categorieën in te delen. Er is geen reden om aan te nemen dat in de rechtsstelsels van alle Lid-Staten dezelfde categoriëen worden erkend, en zo ja, dat elke categorie in elk rechtsstelsel dezelfde inhoud heeft. De taak van het Hof is slechts uit te maken binnen welke grenzen de nationale rechter overtredingen als de onderhavige volgens het gemeenschapsrecht mag erkennen en strafbaar stellen. Het staat aan de nationale rechter van iedere Lid-Staat om aan te geven op grond van welke rechtsvoorschriften van die Lid-Staat een dergelijke overtreding, binnen bovengenoemde grenzen, mag worden ten laste gelegd en strafbaar gesteld.
Wat die grenzen in de onderhavige omstandigheden zijn, blijkt duidelijk uit het arrest van het Hof in zaak 52/77, dat ik hier niet meer hoef te herhalen.
De Franse regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen erkend dat de wettelijke regeling in dat arrest op de juiste wijze was weergegeven. Haar voornaamste argument was dat een onjuiste aangifte van oorsprong met het oogmerk van fraude tot zwaardere straffen dient te leiden dan wanneer zulk een aangifte te goeder trouw werd gedaan. De Rivoiras merkten tijdens de mondelinge behandeling hierover op dat een juiste verklaring de Franse douane in casu ertoe zou hebben gebracht de betrokken importen te verbieden, hetgeen een onwettige handeling van de douane zou zijn geweest. In de volgens het Hof bestaande rechtstoestand had de Franse douane slechts belang kunnen hebben bij een juiste aangifte van oorsprong indien zij de invoer in Frankrijk van Spaanse druiven via andere Lid-Staten had willen controleren met het oog op een mogelijke toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag, of indien zij de hand had willen houden aan de communautaire wetgeving betreffende kwaliteitsnormen. Volgens de Rivoiras stond de Franse douane echter het ene noch het andere doel voor ogen.
Naar mijn mening zullen partijen deze argumenten misschien naar voren moeten brengen wanneer het Tribunal de Grande Instance te Montpellier aan zijn definitieve beslissing in deze zaak toekomt doch houden zij geen enkel verband met de vragen die in casu aan het Hof zijn voorgelegd (zie en vergelijk (i) het arrest van het Hof van 3 februari 1977, zaak 53/76, Procureur de la République/Bouhelier, Jurispr. 1977, blz. 197, en (ii) het daaruit voortvloeiende arrest van het Tribunal de Grande Instance te Besançon van 29 september 1978, dat tevens de verwijzingsbeschikking in zaak 225/78 vormt).
Mitsdien concludeer ik de door het Tribunal gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
(1)
Volgens de in 1970 en 1971 geldende communautaire voorschriften bracht het feit dat Frankrijk rechtmatig voor tussen 1 juli en 31 december van die beide jaren in Frankrijk geïmporteerde Spaanse druiven een contingent had vastgesteld, niet mede, dat Frankrijk over diezelfde tijdvakken de invoer van Spaanse druiven vanuit andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, waar zij zich in het vrije verkeer bevonden, mocht verbieden, zonder daartoe tevoren krachtens artikel 115 EEG-Verdrag machtiging van de Europese Commissie te hebben gevraagd en verkregen.
(2)
Het feit dat Spaanse druiven die in bovenvermelde tijdvakken uit een andere Lid-Staat in Frankrijk werden ingevoerd, werden aangemeld als druiven, afkomstig uit die Lid-Staat, geeft Frankrijk niet het recht zulk een aangifte als een inbreuk op het Franse recht te beschouwen of strafbaar te stellen, tenzij binnen de volgende grenzen:
(a)
Frankrijk was in die tijdvakken gerechtigd de importen op haar grondgebied van Spaanse druiven te controleren met het oog op een mogelijk verzoek aan de Commissie krachtens artikel 115 EEG-Verdrag. Te dien einde was het gerechtigd bij de invoer van druiven een aanduiding van de herkomst te verlangen voorzover deze partijen bekend was of redelijkerwijze bekend kon zijn. De niet-nakoming door partijen van hun verplichting de werkelijke herkomst van de druiven aan te geven mocht evenwel niet leiden tot de toepassing van onevenredige straffen zoals verbeurdverklaring van de druiven of een aan de hand van hun waarde vastgestelde geldboete.
(b)
Op grond van artikel 8 van verordening nr. 158/66 van de Raad was Frankrijk gerechtigd en gehouden alle passende maatregelen te nemen om inbreuken op de bepalingen van die verordening strafbaar te stellen. Krachtens dit artikel genomen maatregelen mogen evenwel niet leiden tot enige discriminatie tussen inbreuken met betrekking tot binnenlandse produkten en die met betrekking tot buitenlandse produkten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy