CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 3 MEI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Voor de tweede maal is deze zaak door de Centrale Raad van Beroep te Utrecht ter prejudiciële beslissing naar het Hof verwezen. De eerste keer had zij nummer 117/77 en heeft het Hof arrest gewezen op 16 maart 1978. Dat arrest is gepupliceerd in de Jurisprudentie van 1978, op blz. 826
Daar is ook een volledig feitenrelaas te vinden, en het lijkt ons overbodig dit thans te herhalen.
1.
In het kader van de vragen die de vorige keer zijn gesteld in verband met het geschil tussen mevrouw Pierik, rechthebbende op een invaliditeitspensioen, of juister gezegd, tussen de Bedrijfsvereniging waaronder zij ressorteert, en het Algemeen Ziekenfonds Drenthe-Platteland, was het voor het Hof niet nodig zich uit te spreken over de vraag of het begrip „rechthebbende op een pensioen of rente” in de zin van artikel 31 van 's Raads verordening nr. 1408/71 beperkter van omvang is dan het begrip „werknemer” zoals dat met name in artikel 1, sub a, wordt gebezigd.
Dit punt wordt thans uitdrukkelijk aan de orde gesteld in de eerste vraag die het Hof is voorgelegd. Een antwoord erop is, naar het mij voorkomt, enkel van belang indien het bij artikel 31 om andere rechten gaat dan die welke door artikel 22 worden toegekend. Hierover heeft de nationale rechter evenwel niets gevraagd en wij zullen de eerste vraag dus in abstracto moeten beantwoorden.
Ofschoon de termen „actieve” en „niet-actieve” bevolking in hoofdstuk 1 van titel III van de verordening niet voorkomen, is het hoofdstuk niettemin verdeeld in afdelingen die betrekking hebben op verschillende categorieën van potentiële gerechtigden. Uit deze opbouw blijkt dat bij de toepassing van de bepalingen betreffende de regeling bij ziekte en moederschap moet worden onderscheiden tussen „actieve” personen en hen die een pensioen of rente ontvangen, zodat wanneer deze laatsten of hun gezinsleden in een andere Lid-Staat dan die van hun woonplaats verblijven, zij recht hebben op verstrekkingen in natura en, in voorkomend geval, in geld volgens de modaliteiten van artikel 31 zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte.
Een bijkomend argument voor deze onderscheiding kan worden ontleend aan artikel 34, dat het geval van de pensioen- of rentetrekker tout court onderscheidt van dat van een pensioen- of rentetrekker „die op grond van de wettelijke regeling van een Lid-Staat wegens het verrichten van beroepswerkzaamheden recht op verstrekkingen (heeft)”, en die „in dat geval . . . voor de toepassing van dit hoofdstuk als werknemer . . . (wordt) beschouwd.
Eerlijk gezegd lijkt dit argument ons van geen belang wanneer, zoals bij voorbeeld in Nederland, cumulatie van een rente wegens een arbeidsongeval of beroepsziekte met een loon uit arbeid nagenoeg onmogelijk is, omdat er ofwel vanwege voortgezette arbeid geen recht op uitkering ontstaat, ofwel het bedrag van de rente of het pensioen op het loon in mindering wordt gebracht. Het lijkt dus uitgesloten dat een pensioen- of rentetrekker, althans in die Lid-Staat, er belang bij zou hebben om te blijven werken.
Zoals gezegd, ook wanneer men dit onderscheid aanvaardt, is daarmee nog geen antwoord gegeven op de vraag of de rechten die door artikel 31, respectievelijk artikel 22 worden toegekend, een materieel verschillende inhoud hebben. De Commissie weigert uitdrukkelijk zich daarover uit te laten; ook de Nederlandse rechter onthoudt zich ervan, vragen daaromtrent te stellen, en wij geloven niet dat het Hof in een procedure krachtens artikel 177 zich dan ambtshalve op dit punt dient uit te spreken. Overigens kan het niet uitgesloten worden geacht dat, wil de Centrale Raad van Beroep volledige opheldering verkrijgen, hij zich nog een derde keer tot het Hof zal moeten wenden.
2.
In de tweede plaats vraagt de nationale rechter of het bevoegde orgaan ingevolge artikel 22, lid 2, tweede alinea, ook verplicht is de vereiste toestemming te verlenen, wanneer de betrokken „passende” behandeling welbewust niet is opgenomen in het verstrekkingenpakket van de wettelijke regeling die door dat orgaan wordt toegepast.
In het arrest van 16 maart 1978 (Jurispr. 1978, blz. 839) heeft het Hof reeds geantwoord dat „de woorden, verstrekkingen welke voor rekening van het bevoegde orgaan van de woon- of verblijfplaats worden verleend', niet enkel doelen op de door de Lid-Staat van de woonplaats verleende verstrekkingen, maar ook op de verstrekkingen die het bevoegde orgaan kan verlenen”.
Zoals de Britse regering in haar memorie opmerkt, gaat het erom vast te stellen of die machtiging moet worden beoordeeld volgens de nationale regeling van het bevoegde orgaan, dan wel of het voldoende is dat zij rechtstreeks voortvloeit uit verordening nr. 1408/71.
Ten deze heeft het Hof gepreciseerd dat die verplichting in elk geval bestaat
1)
wanneer de „passende” behandeling niet op het grondgebied van de Lid-Staat van de woonplaats kan worden gegeven,
2)
wanneer de behandeling in de Staat van de tijdelijke verblijfplaats doeltreffender is dan die waarvoor de betrokkene in de Staat van de woonplaats in aanmerking komt.
De enige beperking die door artikel 22, lid 1, sub c-ii, wordt gesteld, is dat het tijdvak gedurende hetwelk de verstrekkingen worden verleend, wordt bepaald door de wettelijke regeling van de bevoegde Staat. Met dit voorbehoud wordt de behandeling in de Lid-Staat van de verblijfplaats (of van de woonplaats) gegeven overeenkomstig de wettelijke regeling van die Staat, want het zou niet redelijk zijn, van de sociale-zekerheidsorganen van elke Staat te verlangen dat zij rekening houden met de sociale-zeker-heidsregelingen van elk der andere Staten.
Inzonderheid zou het rechtstreeks indruisen tegen het beginsel van het vrije verkeer van werknemers wanneer het bevoegde orgaan een verzekerde een bij zijn toestand passende behandeling zou weigeren die hij — ware hij in zijn land van herkomst gebleven — zonder meer wel zou hebben gekregen, ook al is zo'n behandeling — aangenomen dat zij technisch mogelijk is — om administratieve of opportuniteitsredenen niet opgenomen in het verstrekkingenpakket van het bevoegde orgaan. Een eventuele omgekeerde discriminatie van de eigen verzekerden kan geen reden zijn om de werknemer een recht te ontzeggen dat hij wel zou hebben gehad als hij niet „gemigreerd” was.
Aan dit antwoord valt, dunkt ons, niets meer toe te voegen, behalve misschien dat een uitzondering moet worden gemaakt voor behandelingen die kennelijk in strijd zijn met de openbare zedelijkheid van de Staat van de gewone verblijfplaats. Maar het lijkt ons onnodig en zelfs gevaarlijk om in het kader van deze zaak in algemene en abstracte zin in te gaan op verschillende medisch-ethische overwegingen die ertoe kunnen leiden dat een bepaalde behandeling welbewust niet in het verstrekkingenpakket van een ziekenfonds is opgenomen. Mevrouw Pieriks geval — behandeling van een rheumatische aandoening — behoort duidelijk niet tot die gevallen.
3.
In de derde plaats vraagt de nationale rechter of de formulering van artikel 22, lid 1, sub c-i, zonder meer doelt op het geval waarin het orgaan van de Lid-Staat van de tijdelijke verblijfplaats vrij is de betrokken behandeling toe te staan of te weigeren, dan wel of het bevoegde orgaan, alvorens toestemming te verlenen, moet nagaan of het orgaan van de Lid-Staat van de tijdelijke verblijfplaats de kosten van de behandeling voor zijn rekening zou nemen indien de betrokkene bij laatstbedoeld orgaan was verzekerd. Met andere woorden, de Centrale Raad van Beroep wenst te weten of het orgaan van de Staat van de tijdelijke verblijfplaats jegens een persoon die uit een andere Lid-Staat komt om daar een behandeling te ondergaan, dezelfde bevoegdheden bezit als jegens degenen die rechtstreeks bij dat orgaan zijn verzekerd.
Luidens de genoemde bepaling heeft de betrokkene recht op behandeling overeenkomstig de wetgeving van de Staat van verblijf (of van woonplaats), volgens de door het orgaan van die Staat toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten. Wel te verstaan: de werknemer moet toestemming van het bevoegde orgaan hebben om zich naar een andere Lid-Staat te begeven, maar de bevoegdheid om die toestemming te weigeren, kan enkel worden uitgeoefend binnen de genoemde, in artikel 22, lid 2, omschreven grenzen. Er bestaat dus een recht om een passende behandeling te ontvangen, en wel in dezelfde omvang als waarin het orgaan van de verblijfplaats (of de woonplaats) die behandeling aan zijn eigen verzekerden zou toestaan. Een andere oplossing zou uitlopen op een ingevolge artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie uit hoofde van nationaliteit. Maar zoals de Britse regering opmerkt, geen bepaling van gemeenschapsrecht belet het bevoegde orgaan om, alvorens toestemming te geven, zijn licht op te steken bij het orgaan van de Staat van verblijf of woonplaats.
Wij concluderen dat het Hof de gestelde vragen beantwoorde als volgt:
1.
De verstrekkingen ter zake van medische verzorging en ziektekosten, verschuldigd aan degene die pensioen- of rentetrekker krachtens de wettelijker regeling van een Lid-Staat is en zich naar een andere Lid-Staat begeeft, worden beheerst door artikel 31 van verordening nr. 1408/71.
2.
Het bevoegde orgaan is gehouden, de ingevolge artikel 22, lid 1, sub c, vereiste toestemming te verlenen voor elke passende behandeling van de ziekte of aandoening waaraan de betrokkene lijdt.
3.
De verstrekkingen in natura, bedoeld in artikel 22, lid 1, sub c-ii, doelen eveneens op verstrekkingen wegens een behandeling die doeltreffender is dan die waarvoor de betrokkene in aanmerking komt in de Lid-Staat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft en die in laatstbedoelde Staat niet kan worden gegeven.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy