CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 6 JUNI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De zaak waarin ik heden heb te concluderen, betreft een aantal strafgedingen tegen Nederlandse visserij-ondernemingen en vissers, die ervan worden verdacht te hebben gehandeld in strijd met door de Nederlandse autoriteiten vastgestelde vangstbeperkingen voor de Noordzee. Daarbij is de vraag gerezen of de vaststelling van vangstquota verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, rekening houdende met de verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten enerzijds, en met het in het gemeenschapsrecht verankerde discriminatieverbod anderzijds. Het Hof heeft zich in de gevoegde zaken 3, 4 en 6/76 (Kramer e.a., arrest van 14 juli 1976, Jurispr. 1976, blz. 1279), zaak 61/77 (Commissie t. Ierland, arrest van 16 februari 1978, Jurispr. 1978, blz. 417) en zaak 88/77 (Schonenberg, arrest van 16 februari 1978, Jurispr. 1978, blz. 473) reeds gedeeltelijk met deze problematiek beziggehouden.
Ik hoef er daarom niet meer speciaal op te wijzen dat de Gemeenschap bevoegd is regelingen voor de visserijsector te treffen en dat deze ook maatregelen tot behoud van de visbanken kunnen omvatten. Het Hof heeft in het arrest-Kramer reeds overwogen dat deze bevoegdheid volgt uit het geheel der bepalingen van het EEG-Verdrag inzake de landbouw, uit de verordeningen nrs. 2141/70 en 2142/70 van de Raad van 20 oktober 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector respectievelijk houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten (PB L 236 van 1970, blz. 1, resp. 5), vervangen door de verordeningen nrs. 100/76 en 101/76 van 19 januari 1976 (PB L 20 van 1976, blz. 1, resp. 19), en uit artikel 102 van de Toetredingsakte van 22 januari 1972, bepalende dat de Raad uiterlijk vanaf het zesde jaar na de toetreding, op voorstel van de Commissie, de voorwaarden vaststelt voor de uitoefening van de visserij, ten einde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen.
Maar zoals u weet, is de communautaire regeling voor de visserijsector nog steeds vol leemten, daar de Raad — ondanks zijn verplichtigen te deze — nog geen overeenstemming heeft kunnen bereiken over een volledige regeling ter bescherming van de visbanken. In plaats daarvan werden de Lid-Staten gemachtigd zo nodig tot de inwerkingtreding van een communautaire regeling in overleg met de Commissie de nodige overgangsmaatregelen te treffen (zie bijlage VI bij de resolutie van de Raad van 3 november 1976, vastgesteld ten vervolge op de op 30 oktober 1976 te 's-Gravenhage gehouden conferentie) of de vangsten van hun vissersvloten overeenkomstig reeds bestaande of toekomstige internationale verbintenissen te beperken (zie bijv. verordening (EEG) nr. 811/76 van de Raad van 6 april 1976 houdende tijdelijke machtiging tot het instellen van vangstquotaregelingen in de visserijsector (PB L 94 van 1976, blz. 1).
Een dergelijke internationale verplichting bestond voor de Lid-Staten van de EEG, die tot eind 1977 partij waren bij het op 27 juni 1963 in werking getreden Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan van 24 januari 1959 (UNTS 1964, nr. 7078), dat wil zeggen alle Lid-Staten met uitzondering van het Groothertogdom Luxemburg en Italië. Volgens dit Verdrag kon de Commissie voor de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan — een bij dit Verdrag ingesteld gemeenschappelijk orgaan — tot de verdragstaten bindende aanbevelingen voor onder meer vangstbeperkingen richten, zulks met het oog op de instandhouding van de visbanken in genoemde wateren. Voor 1977 stelde de Visserijcommissie bij aanbeveling nr. 15 A van 25 november 1976 totale vangstquota vast voor tong en schol in de Noordzee — de vissoorten waarom het in het hoofdgeding gaat — en verdeelde deze weer in afzonderlijke quota voor de kuststaten. De aan Nederland toegewezen quota bedroegen voor tong 9200 ton en voor schol 47000 ton.
Nadat genoemd Verdrag ingevolge de resolutie van 's-Gravenhage van 3 november 1976 door Nederland en de andere Lid-Staten tegen eind 1977 was opgezegd, kwam een nieuw verdrag, waaraan de Gemeenschap dan had moeten deelnemen, niet meer tot stand.
Toen tijdens de zitting van de Raad van 5, 6 en 7 december 1977 bleek dat de Lid-Staten geen overeenstemming konden bereiken over een gemeenschappelijke regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbanken, besloot de Raad alle betrokken communautaire bepalingen — die echter geen betrekking hadden op tong en schol — te verlengen tot 31 januari 1978. Tevens werd overeengekomen de desbetreffende nationale beschermende maatregelen, die tot eind 1977 zouden gelden, tot hetzelfde tijdstip te verlengen.
Op 29 december 1977 stelde de Nederlandse minister van Landbouw en Visserij op basis van de artikelen 3, 4 en 6 van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 (Stb. 666) — waarin hij onder meer werd gemachtigd maatregelen ter uitvoering van internationale verdragen of besluiten van internationale organisaties te nemen — twee beschikkingen vast, die op 1 januari 1978 in werking traden.
Volgens artikel 2 van de „beschikking voorlopige regeling vangstbeperking tong en schol 1978” was het vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling verboden de visserij uit te oefenen in bepaalde zeewateren, waaronder de Noordzee, die niet alleen tot het rechtsgebied van Nederland, maar ook tot dat van België, Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen behoort. Bij wijze van uitzondering op dit verbod mochten de Nederlandse vissers ingevolge artikel 3, lid 1, van de beschikking in de Noordzee ten hoogste 765 ton tong en 2950 ton schol vangen. Ter uitvoering van dit artikel 3 bevatte de „beschikking voorlopige regeling contingentering tong en schol Noordzee 1978” nadere bepalingen voor de maandelijkse verdeling van de toegestane contingenten per Nederlands vissersvaartuig.
Verdachten in het hoofdgeding wordt ten laste gelegd dat zij genoemde bepalingen hebben overtreden, door met hun vaartuigen een grotere hoeveelheid tong en/of schol aan te voeren dan volgens het voor de betrokken vaartuigen vastgestelde contingent was toegestaan. Zij beriepen zich op de onverenigbaarheid van bedoelde bepalingen met het gemeenschapsrecht. De Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam besloot daarom bij vonnissen van 18 juli 1978 de procedures te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1.
Op welke datum is de termijn, bedoeld in artikel 102 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der verdragen, verstreken?
2.
Zijn de maatregelen op basis van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 (Stb. 666), zoals neergelegd in de beschikking voorlopige regeling vangstbeperking tong en schol 1978 en de beschikking voorlopige regeling contingentering tong en schol Noordzee 1978 (Stert. 1977 — 255), gebaseerd op besluiten van de Gemeenschap, op door de Gemeenschap aan de Lid-Staten bij verdrag opgelegde verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 5 EEG-Verdrag, of op door de Gemeenschap aan de Lid-Staten verleende bevoegdheden?
3.
Zijn vorenbedoelde maatregelen inhoudelijk verenigbaar met het gemeenschapsrecht?”
Hierover wil ik het volgende opmerken:
Het Hof heeft in het arrest-Kramer reeds overwogen dat de Gemeenschap bevoegd is in de visserijsector maatregelen tot instandhouding van de visbanken te nemen. In zaak 61/77 (Commissies t. Ierland) overwoog het Hof voorts dat, voor zover de Gemeenschap van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, de door haar getroffen regelingen alle afwijkende bepalingen der Lid-Staten terzijde stellen. Zolang de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte niet is verstreken en de Gemeenschap geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid ter zake, mogen de Lid-Staten volgens laatstbedoeld arrest onder bepaalde voorwaarden op nationaal niveau maatregelen tot instandhouding van de visbanken nemen.
1.
Met betrekking tot de eerste vraag leiden de verdachten in het hoofdgeding uit de arresten-Kramer en Commissie t. Ierland af, dat uiterlijk na het verstrijken van de in genoemd artikel 102 bedoelde termijn alleen de Gemeenschap bevoegd is instandhoudingsmaatregelen te nemen. Daar de nieuwe Lid-Staten op 1 januari 1973 tot de Gemeenschap waren toegetreden, hadden de in dat artikel bedoelde maatregelen uiterlijk op 1 januari 1978 door de Raad moeten worden vastgesteld, zodat de Lid-Staten vanaf dat tijdstip hun bevoegdheid hadden verloren. Reeds uit het algemeen spraakgebruik zou zijn af te leiden dat de termijn uiterlijk aan het begin van het zesde jaar was verstreken. Bovendien kon worden vastgesteld dat de Toetredingsakte als overgangstijd in het algemeen perioden van vijf jaren soms ook van tien, doch nooit van zes jaar voorziet.
Daarentegen betogen zowel de Deense, de Franse, de Nederlandse en de Britse regering, die opmerkingen in deze zaak hebben gemaakt, alsook de Commissie, dat de termijn van artikel 102 Toetredingsakte eerst op 31 december 1978 is verstreken.
Ik deel deze mening. Inderdaad kan niet worden ontkend dat de tekst van bedoelde bepaling in alle verdragstalen onduidelijk is. Dit moet worden toegeschreven aan het feit dat het einde van de termijn wordt aangegeven door een periode die zelf ook een jaar bedraagt. Met de letterlijkgrammaticale uitleggingsmethode kan daarom niet met zekerheid worden vastgesteld of de termijn van artikel 102 Toetredingsakte aan het begin of het einde van het zesde jaar eindigt. Uit de tekst kan alleen met zekerheid worden afgeleid dat de termijn uiterlijk op 31 december 1978 eindigt.
Het valt echter op dat de opstellers van het Verdrag hier in afwijking van de gebruikelijke techniek het einde van de termijn niet hebben aangegeven door de vermelding van een exacte datum. Dit is, zoals ook de Commissie benadrukt, zo opvallend dat niet valt aan te nemen dat hier sprake is van een vergissing.
Een verdere aanwijzing dat de termijn pas aan het einde van het zesde jaar verstrijkt, meen ik te kunnen ontlenen aan de plaatsing van de bepaling in de Toetredingsakte. Het artikel maakt deel uit van het vierde deel van de Toetredingsakte, getiteld „Overgangsbepalingen”. Daarom wordt het beheerst door het in artikel 9, lid 2, Toetredingsakte neergelegde beginsel „dat de toepassing van de overgangsmaatregelen aan het einde van het jaar 1977 eindigt, doch onder voorbehoud van de in deze akte vervatte data, termijnen en bijzondere bepalingen”.
Zonder moeite kan worden vastgesteld dat de Toetredingsakte in overgangsmaatregelen voorziet, ten einde voor de nieuwe Lid-Staten de aanpassing aan de in de Gemeenschap geldende regels te vergemakkelijken. Terwijl de Lid-Staten sinds het verstrijken van het jaar 1977 in beginsel verplicht zijn handelend op te treden, richt artikel 102 Toetredingsakte zich niet tot de Lid-Staten, maar tot de instellingen der Gemeenschappen. Daaruit kan reeds worden afgeleid dat het hier gaat om een bijzondere bepaling in de zin van artikel 9, lid 2, waarvoor de daarbedoelde overgangstermijn niet geldt. Bovendien zouden de verdragsluitende partijen stellig naar het verstrijken van de overgangsperiode hebben verwezen, indien hun 31 december 1977 voor ogen had gestaan. Nu dit niet is geschied, doch uitdrukkelijk sprake is van het zesde jaar na de toetreding, neem ik aan dat de in artikel 102 bedoelde termijn eerst op 31 december 1978 is verstreken.
Rekening houdende met de rechtspraak van het Hof, was Nederland bij gevolg op het litigieuze tijdstip nog bevoegd maatregelen tot instandhouding van de visbanken te nemen, daar de Gemeenschap nog geen volledig gebruik van haar bevoegdheid had gemaakt.
2.
In genoemde arresten heeft het Hof echter uitdrukkelijk gesteld — en daarmee kom ik toe aan het in de tweede vraag aangesneden probleem — dat de Lid-Staten nog slechts een restbevoegdheid van tijdelijke aard hebben en dat zij gebonden zijn aan hun communautaire verplichtingen. Op grond daarvan zijn maatregelen van de Lid-Staten alleen toegestaan wanneer zij noodzakelijk, althans passend en niet eenzijdig zijn, doch in overleg met de Commissie en de andere Lid-Staten worden genomen. Ten slotte mogen zij inhoudelijk niet in strijd zijn met het in het gemeenschapsrecht verankerde discriminatieverbod.
Bezien wij de litigieuze Nederlandse maatregelen in het licht van deze criteria, die overigens ook besloten liggen in bovengenoemde bijlage VI bij de resolutie van 's-Gravenhage van 3 november 1976, dan moet allereerst worden vastgesteld dat de litigieuze Nederlandse bepalingen uitdrukkelijk blijk geven van hun tijdelijke aard en dat de noodzaak of de gepastheid van de maatregelen door niemand wordt betwist.
Daarentegen betogen de verdachten in het hoofdgeding dat de verplichting tot instandhouding van de visbanken, die tot eind 1977 voortvloeide uit het Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, slechts bij officieel Raadbesluit had kunnen worden verlengd. Het tijdens de zitting van de Raad van 5, 6 en 7 december 1977 genomen besluit om ook de nationale maatregelen tot instandhouding van de visbestanden te verlengen, is volgens hen slechts een politiek akkoord dat weliswaar in een Raadszitting is bereikt, doch met de EEG zelf niets uitstaande heeft. Bedoeld akkoord voldoet bovendien niet aan de in het EEG-Verdrag neergelegde vormvoorschriften. Weliswaar heeft de Raad tijdens zijn bijeenkomst van 30 en 31 januari 1978 ingestemd met de mededeling van de Commissie dat bij gebreke van een gemeenschappelijk visserijbeleid nationale maatregelen slechts konden worden getroffen wanneer zij aan bovengenoemde voorwaarden voldeden, doch deze — evenmin bekendgemaakte — goedkeuring kan niet worden aangemerkt als goed keuring achteraf van de Nederlandse maatregelen.
Zoals gezegd kan uit 's Hofs rechtspraak met zekerheid worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de in artikel 102 Toetredingsakte genoemde termijn geen formele machtiging van de Raad was vereist voor het nemen van nationale instandhoudingsmaatregelen. Iets anders kan ook niet worden afgeleid uit genoemde bijlage VI bij de Haagse resolutie van de Raad van 3 november 1976, die de Raad in de zitting van 30 en 31 januari 1978 enkel nog eens heeft bevestigd. Dat de Lid-Staten tijdens de bijeenkomst van de Raad in december 1977 — in overleg met de Commissie — hun gedragslijn op elkaar hebben afgestemd, wordt zelfs door de verdachten in het hoofdgeding niet bestreden. Daarom was Nederland voor het einde van de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte reeds uit dien hoofde bevoegd de litigieuze maatregelen te treffen.
Daarnaast hebben de betrokken Lid-Staten en de Commissie evenwel laten weten dat tijdens die zitting van de Raad werd besloten om behalve de communautaire instandhoudingsmaatregelen ook de nationale maatregelen tot 31 januari 1978 te verlengen. Daar het visserijbeleid, zoals gezegd, behoort tot de bevoegdheid van de Gemeenschap, en de Raad ingevolge artikel 4 van verordening nr. 101/76 juncto artikel 102 Toetredingsakte uitdrukkelijk bevoegd is de nodige maatregelen tot instandhouding van de visbanken te nemen, aarzel ik niet de bedoelde overeenkomst te zien als een Raadsbesluit waarbij de Lid-Staten formeel werden verplicht de nationale instandhoudingsmaatregelen te verlengen. Ik hoef er niet speciaal op te wijzen dat de Raad bij de vervulling van zijn taak niet noodzakelijkerwijze aan de vorm voorschriften van artikel 189 EEG-Verdrag is gebonden. Het ontbreken van bekendmaking en motivering van het besluit roept in casu geen bezwaren op, omdat het slechts verplichtingen oplegt aan de betrokken Lid-Staten en aan de gemeenschapsinstellingen, doch niet aan de particulieren.
De door Nederland getroffen instandhoudingsmaatregelen voldeden derhalve aan de vereisten van het gemeenschapsrecht.
3.
Daarmee kom ik toe aan het onderzoek van de derde vraag. Uit de opmerkingen van de verdachten in het hoofdgeding moet worden opgemaakt dat het daarbij gaat om de uitlegging van artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2 van verordening nr. 101/76. Het antwoord op deze vraag dient de nationale rechter in staat te stellen te beoordelen of de litigieuze Nederlandse maatregelen materieel verenigbaar zijn met het in genoemde voorschriften neergelegde beginsel van gelijke behandeling. Terwijl artikel 7 EEG-Verdrag in beginsel iedere discriminatie op grond van de nationaliteit verbiedt, bepaalt artikel 2 van verordening nr. 101/76 dat de in elk van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte van de zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, niet mag leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten, en dat de Lid-Staten dienen te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen van de Lid-Staten gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in bovengenoemd gedeelte der zee.
Volgens de verdachten in het hoofdgeding moet — ongeacht de vraag of Nederland ingevolge het gemeenschapsrecht gehouden was de litigieuze maatregelen te nemen — worden geconstateerd dat de andere Lid-Staten in het betrokken tijdvak geen instandhoudingsmaatregelen hebben genomen, hetgeen op zichzelf reeds nadelig was voor de Nederlandse vissers. Anderzijds echter waren de litigieuze Nederlandse maatregelen zelf ook in strijd met het discriminatieverbod. Aangenomen dat het verbod voor alle vissers gold, dan genoten alleen de Nederlandse vissers vrijstelling daarvan binnen de hun toegekende contingenten, zodat zij zich in een gunstiger positie bevonden dan de vissers uit de andere Lid-Staten. Zou het verbod echter alleen voor de Nederlandse vissers hebben gegolden, dan hadden de vissers uit de andere Lid-Staten onbeperkt mogen vissen, terwijl de Nederlandse vissers aan de contingenten waren gebonden en derhalve werden benadeeld. In de praktijk gold de Nederlandse regeling echter alleen voor de Nederlandse vissers, daar de Nederlandse overheid buiten de visserijzone van 200 mijl geen rechtsmacht heeft over de vissersvaartuigen uit andere staten en de regeling ook binnen deze 200-mijlszone alleen voor Nederlandse vissers gold.
Hiertegen voeren de betrokken regeringen en de Commissie aan dat — zo de litigieuze regeling al discriminerend is — zij tot een „omgekeerde” discriminatie leidt, die niet in strijd is met artikel 7 EEG-Verdrag.
Ikzelf acht de litigieuze maatregelen evenmin in strijd met het communautaire beginsel van gelijke behandeling.
Ik heb er reeds op gewezen dat de Lid-Staten ingevolge het besluit van de Raad van 5, 6 en 7 december 1977 gehouden waren de krachtens aanbeveling nr. 15 A van de Visserijcommissie van 25 november 1976 voor het jaar 1977 genomen beschermende maatregelen tot 1 februari 1978 te verlengen. De Raad overwoog hiertoe dat de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee slechts op zinvolle en rechtvaardige wijze kon worden gewaarborgd door een regeling die waar mogelijk verbindend is voor alle betrokken staten.
Bij de krachtens aanbeveling nr. 15 A genomen instandhoudingsmaatregelen werden de totale vangstquota voor tong en schol in de Noordzee voor de aan de Noordzee grenzende staten voor ieder jaar in afzonderlijke quota verdeeld. Het geografisch toepassingsgebied van de regeling omvat de wateren die tot het rechtsgebied van de Lid-Staten en dat van Noorwegen behoren. Binnen deze zone doet het niet ter zake waar de toegestane hoeveelheid wordt gevangen, als deze maar niet wordt overschreden. Hierop moeten de Lid-Staten controle uitoefenen. Het is duidelijk dat een contingenteringsstelsel als het onderhavige, dat — zoals hierboven bleek — in het gemeenschapsrecht uitdrukkelijk is toegestaan, niet in strijd kan zijn met het discriminatieverbod.
Nadat Nederland in 1977 aan de aanbeveling van de Visserijcommissie gevolg had gegeven door de beschikking vangstbeperking tong en schol 1977 (Stert. 1976, 251), en ter uitvoering daarvan de beschikking contingentering tong en schol Noordzee 1977 (Stcrt. 1976, 251) vast te stellen, werden deze maatregelen — zoals door de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering is meegedeeld — conform het besluit van de Raad van december 1977 bij de beschikkingen van 29 december 1977 verlengd, waarbij de jaarlijkse contingenten gezien hun voorlopige geldigheidsduur werden vervangen door maandquota, die ongeveer een twaalfde van de jaarlijkse contingenten bedroegen.
Uit de litigieuze maatregelen kan echter zonder veel moeite worden afgeleid — al wordt het niet met zoveel woorden gezegd — dat zij alleen voor Nederlandse vissers gelden. Het verbod van artikel 2 van de beschikking voorlopige regeling contingentering schol en tong Noordzee 1978 geldt namelijk niet alleen voor de Noordzee, doch ook voor het Engelse Kanaal, het Kanaal van Bristol en de Ierse Zee, dus voor wateren die volstrekt niet of slechts voor een klein deel tot het Nederlandse rechtsgebied behoren. Een verbod voor alle vissersvaartuigen had op grond van het territorialiteitsbeginsel echter alleen kunnen worden uitgevaardigd voor tot het Nederlandse rechtsgebied behorende zeewateren, terwijl een vangstverbod voor Nederlandse onderdanen op grond van het personaliteitsbeginsel ook mogelijk was voor buiten de visserijzone van 200 mijl gelegen wateren. Afgezien daarvan bestond er echter geen aanleiding om de litigieuze regeling mede te doen gelden voor andere dan Nederlandse vissersvaartuigen. De Nederlandse autoriteiten zijn uiteraard niet bevoegd om in buiten hun rechtsgebied liggende zeewateren regelingen te treffen voor vreemde vissersvaartuigen. Voor onder de Nederlandse rechtsmacht vallende wateren bevat echter artikel 5, lid 1, van de Visserijwet 1963 (Stb. 312) reeds een algemeen vangstverbod voor vreemde vissersvaartuigen. Volgens artikel 5, hd 2, geldt dit verbod echter niet wanneer in een internationale overeenkomst of in besluiten van volkenrechtelijke organisaties iets anders is bepaald. Zo'n afwijkende bepaling wordt gevormd door het besluit van de Raad van december 1977 om de nationale instandhoudingsmaatregelen, die berusten op de quotaregeling van het Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, te verlengen. Volgens dit besluit vallen vissersvaartuigen uit andere Lid-Staten niet onder het verbod van lid 1, zij het slechts voor zover het aan de betrokken Lid-Staat toegewezen contingent niet wordt overschreden, terwijl Nederlandse vissers, zolang zij zich aan de quotaregeling houden, volgens artikel 3 van de beschikking voorlopige regeling contingentering tong en schol Noordzee 1978 zijn vrijgesteld.
Hieruit blijkt duidelijk dat door de litigieuze Nederlandse maatregelen tot instandhouding van het tong- en scholbestand de Nederlandse vissersvaartuigen, die zonder deze regeling bevoordeeld zouden zijn, gelijk worden behandeld als vaartuigen die onder de vlag van andere Lid-Staten varen, mits natuurlijk de andere Lid-Staten ter uitvoering van bedoeld Raadsbesluit de nationale quotaregeling eveneens hebben verlengd.
Gesteld dat de andere Lid-Staten het besluit van de Raad van december 1977 niet ten volle hebben uitgevoerd, dan kan dit weliswaar tot een benadeling van de Nederlandse vissers leiden, doch zodanig, met het gemeenschapsrecht strijdig optreden van de andere Lid-Staten kan niet tot gevolg hebben dat Nederland, dat in overeenstemming met het gemeenschapsrecht heeft gehandeld, overtreding van het discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag of van artikel 2 van verordening nr. 101/76 kan worden verweten.
Ten slotte nog een opmerking over de grief dat de strafvervolgingspraktijken in de verschillende landen uiteenlopen. Zoals bekend moest iedere verdragsluitende partij bij het Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan in haar wetgeving waarborgen dat de toegewezen vangstquota niet werden overschreden. Daarom kan ook in Nederland het Openbaar Ministerie in beginsel zowel Nederlandse als buitenlandse vissers vervolgen wegens overschrijding van de vangstquota. Bij een dergelijke strafvervolging van buitenlanders stuit men tegenwoordig natuurlijk nog op het probleem dat moet worden vastgesteld of de nationale contingenten zijn overschreden. Deze ongelijke behandeling in de praktijk berust derhalve op een verschil in de feitelijke situatie en is dus niet in strijd met het communautaire discriminatieverbod.
Ik concludeer dan ook dat de vragen van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam moeten worden beantwoord als volgt:
1.
De termijn bedoeld in artikel 102 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen, is aan het einde van 1978 verstreken. Ten tijde van de feiten waarover de verwijzende rechter moet oordelen, was Nederland derhalve bevoegd om, met het oog op het behoud van de rijkdommen van de zee, vangstbeperkende maatregelen te nemen zoals vervat in de beschikking voorlopige regeling contingentering tong en schol Noordzee 1978.
2.
Deze maatregelen zijn noch in strijd met het in artikel 7 EEG-Verdrag vervatte verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit, noch met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76, bepalende dat de in elk van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of jurisdictie valt, niet mag leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy