CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 14 MAART 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze twee zaken komt de ontvankelijkheid om twee redenen aan de orde: de beroepstermijn zou niet zijn inachtgenomen en men zou geen gebruik van de diensten van een advocaat hebben gemaakt. Ik zal deze beide kwesties in de aangegeven volgorde bespreken.
Wat die eerste reden betreft zij eraan herinnerd dat de beschikkingen waarbij de Commissie de beide vennootschappen wegens schending van de EGKS-minimumprijsvoorschriften heeft beboet, op 5 juni 1978 werden betekend. Volgens artikel 39 van het EGKS-Statuut behoorden de verzoekschriften een maand nadien te zijn ingediend.
Op grond van artikel 91 en bijlage II, artikel 1, van het Reglement voor de procesvoering kwamen er in casu tien dagen bij, zodat de termijnen op 15 juli 1978 waren verstreken. Toen moesten de requesten zijn ingediend, immers volgens artikel 37, § 3, van het Reglement voor de procesvoering geldt „voor de berekening van de procestermijnen .. . slechts de dag van nederlegging ter griffie”. Maar de beide verzoekschriften zijn op 15 juli 1978 uit Brescia verzonden en bereikten het Hof op 20 juli. Het lijdt dan ook geen twijfel dat de in genoemde bepaling gestelde termijn niet is geëerbiedigd.
Welke consequenties dienen hieraan te worden verbonden? Verzoeksters hebben betoogd dat het Reglement voor de procesvoering over de gevolgen van aan verzoekschriften klevende gebreken zwijgt. Ik wijs er evenwel op dat de hierbedoelde termijnen in het Statuut van het Hof (EGKS) zijn vastgelegd, in welks artikel 39, derde alinea, duidelijk, zij het stilzwijgend, besloten ligt dat niet-inachtneming der termijnen tot verval van instantie leidt: „verval van instantie wegens het verstrijken van termijnen kan geenszins worden tegengeworpen wanneer de betrokkene het bestaan aantoont van toeval of overmacht.” Hieruit mag mijns inziens worden afgeleid dat het verstrijken van termijnen behalve in de beide genoemde uitzonderingsgevallen het recht tot indiening van verzoekschriften krachtens de artikelen 36 en 37 van het EGKS-Verdrag (waarnaar in genoemd artikel 39 wordt verwezen) doet vervallen. En wat het Reglement voor de procesvoering betreft, zij er op gewezen dat de mogelijkheid tot verlenging slechts is gegeven voor „de krachtens dit reglement bepaalde termijnen” (artikel 82), dus niet voor die van 's Hofs Statuut (logisch, immers het Reglement is, in verhouding tot het Statuut, een secundaire rechtsbron).
Verzoeksters hebben zich onder meer op overmacht beroepen, en wel in tweeërlei zin: het verzoekschrift zou binnen veertig dagen uit Italië zijn verzonden, en het gemeenschapsrecht zou, waar het de dag van indiening ter griffie aanhoudt, in strijd komen met een Italiaans rechtsbeginsel van algemene strekking. Het is zonneklaar dat dit een en ander met overmacht niets uitstaande heeft. Zelfs al zou met het eerste argument op moeilijkhe-den bij de posterijen kunnen worden gedoeld, niet wel is in te zien hoe een op 15 juli 1978 uit Brescia verzonden brief dezelfde dag Luxemburg had kunnen bereiken! Verzoeksters beseffen in feite zeer wel dat zij artikel 37, § 3, van het Reglement voor de procesvoering hebben geschonden en proberen dit nu goed te praten door er een „Italiaans rechtsbeginsel van algemene strekking” bij te pas te brengen, volgens hetwelk het op de dag van verzending van het verzoekschrift zou aankomen. Uiteraard zal ten deze evenwel het gemeenschapsrecht toepassing moeten vinden.
2.
Blijft de vraag welk gewicht aan na de verzending der verzoekschriften — op 15 juli 1978 — ingetreden omstandigheden moet worden gehecht. De adjunct-griffier van het Hof blijkt (na een op 20 juli gevoerd telefoongesprek, waarvan de inhoud niet bekend is) bij brief van 21 juli 1978 de beide verzoekschriften — met een afschrift van het Reglement voor de procesvoering („afin que vous puissiez vous conformer aux dispositions des articles 37 et 38”) aan de betrokken vennootschappen te hebben teruggezonden. Verzoeksters achten die brief geschreven krachtens de in artikel 38, § 7, van het Reglement aan de griffier toegekende bevoegdheid en menen dat aldus de „termijnen zijn verschoven”. Derhalve zijn er op 21 september 1978 nieuwe, gelijkluidende, verzoekschriften, thans door een advocaat ondertekend, verzonden — en op 2 oktober ter griffie gedeponeerd —.
In voormeld artikel 38 (waarin onder meer wordt verwezen naar artikel 22 van het EGKS-Statuut) is bepaald wat de verzoekschriften moeten inhouden en welke stukken erbij moeten worden gevoegd: „Indien het verzoekschrift niet beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in de paragrafen 2 tot 6 van dit artikel”, dan „stelt” volgens § 7 „de griffier de verzoeker een redelijke termijn ten einde de verzuimen in het verzoekschrift te herstellen dan wel de bovenbedoelde stukken over te leggen. Wordt aan deze aanwijzingen binnen bedoelde termijn geen gevolg gegeven, dan beslist het Hof, de advocaat-generaal gehoord, of het niet in acht nemen van genoemde voorwaarden, tot de formele niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift leidt.”
Wij zagen dat het gebrek dat de onderhavige verzoekschriften aankleeft, in niet-inachtneming van de termijn van artikel 39 van het EGKS-Statuut is gelegen. In artikel 38 van het Reglement gaat het evenwel om de formele voorwaarden waaraan verzoekschriften moeten voldoen, niet om termijnen waarbinnen ze moeten worden ingediend. De bevoegdheid welke de griffier in § 7 van het artikel wordt toegekend, strekt zich niet tot de termijnen uit; er is in zoverre geen regularisatie („herstel van verzuimen”) voorzien, zodat het Hof ook niet over de discretionaire bevoegdheid beschikt een niet-geregulariseerd verzoekschrift ontvankelijk te verklaren. Anderzijds heeft de adjunct-griffier daartoe in casu ook geen termijn gesteld; hij heeft partijen er alleen maar op gewezen dat de artikelen 37 en 38 van het Reglement voor de procesvoering moesten worden inachtgenomen (hetgeen in feite alleen maar zin had voor eventueel volgende verzoekschriften van andere strekking).
Door de brief van de griffie van 21 juli 1978 kon dan ook allerminst een niet-eerbiediging van de beroepstermijn inhoudend verzuim worden verholpen en/of de indiening van nieuwe, gelijkluidende verzoekschriften — met nog verdergaande overschrijding van de termijn — worden gerechtvaardigd.
3.
Een tweede reden waarom met betrekking tot de requesten van ALA en ALFER de ontvankelijkheid ter sprake kwam, is dat zij — in originaliniet waren ondertekend door advocaten, maar door de gemachtigden der beide vennootschappen. En, zoals bekend, moeten volgens artikel 20, tweede alinea, van het EGKS-Verdrag van het Hof „ondernemingen en alle andere natuurlijke of rechtspersonen moeten worden bijgestaan door een advocaat, die is ingeschreven bij de balie van een der deelnemende Staten.” Op zijn beurt houdt artikel 37, § 1, van het Reglement voor de procesvoering in dat „het origineel van ieder processtuk wordt ondertekend door de gemachtigde of de advocaat van de procespartij”, terwijl volgens artikel 38, § 3, de advocaat „die een partij bijstaat of vertegenwoordigt, is gehouden ter griffie een legitimatiebewijs te deponeren waaruit blijkt, dat hij bij een balie van een der Lid-Staten is ingeschreven.”
De betrokken vennootschappen betogen dat zij door alsnog onberispelijke, naar behoren door advocaten ondertekende verzoekschriften in te dienen, het gebrek, te weten het ontbreken van rechtsbijstand, hebben verholpen. Maar dat is een ongegronde bewering. Als er vóór het vervallen van de termijn, in voormeld artikel 39 van het EGKS-Statuut gesteld, door advocaten ondertekende nieuwe verzoekschriften waren ingediend, dan zouden die requesten niet wegens het verhelpen van de gebreken die eerdere rechtshandelingen aankleefden, maar uit eigen hoofde ontvankelijk zijn geweest. Wij zagen evenwel dat de nadere verzoekschriften te laat zijn ingediend.
Tot staving van hun standpunt beroepen verzoeksters zich eens te meer op de mededeling van 's Hofs griffie d.d. 21 juli 1978, waarin, naar zij menen, een uitnodiging — en dus gelegenheid — tot „betering” besloten lag. Rechtens beroepen zij zich daartoe voor en na op artikel 38, § 7, van het reglement voor de procesvoering, maar nogmaals: de inhoud van die mededeling biedt aan hun standpunt geen enkele steun. En er zij geheel in het algemeen op gewezen dat het mechanisme van artikel 38, § 7, wanneer er sprake is van — de rechtsbijstand betreffende — formele tekortkomingen van een verzoekschrift, slechts in werking kan treden wanneer de advocaat ter griffie geen bewijs van inschrijving bij de balie van een Lid-Staat heeft gedeponeerd, maar stellig niet wanneer er, bij gebreke van rechtsbijstand van een advocaat, een voorschrift van 's Hofs Statuut is geschonden. Zulk een verzuim kan niet worden hersteld en leidt tot niet-ontvankelijkheid.
4.
Ik concludeer dat het Hof, de door de Commissie opgeworpen excepties gegrond verklarend, de verzoekschriften der vennootschappen ALA en ALFER niet-ontvankelijk zal verklaren.
Wat de kosten betreft dient mijns inziens in aanmerking te worden genomen dat de brief van de griffie van 21 juli 1978 tot misverstand kon leiden: toen de mogelijkheid te worden ontvangen in requesten waarmede zij tegen de besluiten der Commissie van 5 juni 1978 wensten op te komen volkomen uitgesloten moest worden geacht, bestond er ook geen aanleiding de beide vennootschappen uit te nodigen de artikelen 37 en 38 van het Reglement voor de procesvoering na te leven. Ik geef uw Hof dan ook compensatie der proceskosten in overweging.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy