CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 27 JUNI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In de onderhavige zaak wordt het Hof nogmaals verzocht zich bij wege van prejudiciële beslissing uit de spreken over de bevoegdheid van de Lid-Staten met betrekking tot de vaststelling van de prijzen van landbouwprodukten. In de onderhavige zaak gaat het erom, of de Lid-Staten nog bevoegd zijn prijsmaatregelen vast te stellen wanneer er een gemeenschappelijke marktordening bestaat (in casu voor rundvlees); wordt deze vraag bevestigend beantwoord, dan dient nog de omvang van deze bevoegdheid te worden bepaald.
De aan de onderhavige procedure ten grondslag liggende feiten kunnen worden samengevat als volgt.
Bij verordening nr. 2453/76 van de Raad van 5 oktober 1976 werd bepaald dat 40000 ton bevroren rundvlees van de interventiebureaus van de andere Lid-Staten aan het Italiaanse interventiebureau zouden worden overgedragen, om vóór 1 april 1977 op de Italiaanse markt te worden afgezet (deze termijn is vervolgens verlengd tot 31 december 1978). De Gemeenschap wilde op deze manier bijdragen tot stabilisatie van de vleesprijzen in Italië, mede gelet op de moeilijke economische situatie die vooral werd gekenmerkt door een hoog inflatiepercentage (zie de tweede overweging van genoemde verordening)
Een maand later stelde de Commissie uitvoeringsverordening nr. 2697/76 van 5 november 1976 vast, waarin werd bepaald (artikel 3) dat het aan het Italiaanse interventiebureau overgedragen vlees „tegen vooraf forfaitair vastgestelde prijzen” zou worden verkocht. Derhalve werden in verordening nr. 2796/76 van de Commissie van 18 november 1976 de prijzen (artikel 8, lid 1, bijlage I) en de verkoopvoorwaarden (de artikelen 1 tot 5) vastgesteld van het eerste gedeelte van de 40000 ton bevroren rundvlees die ter beschikking waren gesteld van het Italiaanse interventiebureau; opgemerkt zij onder meer dat het betrokken vlees enkel aan detailhandelaren mocht worden verkocht (artikel 3, lid 1, sub c). De afzet van de andere gedeelten van de partij vlees is later geregeld bij andere verordeningen van de Commissie.
Op 26 juli 1977 stelde het interministerieel comité voor de prijzen (CIP) — het bevoegde orgaan voor de regeling van de „prijzen van alle produkten, in elk stadium van de verhandeling…” (zie artikel 4, alinea 1, D.L.Lgt. van 19 oktober 1944, nr. 347) — besluit nr. 35 vast (Gazetta Ufficiale van 29 juli 1977, nr. 207), waarbij voor het gehele nationale grondgebied de maximumverbruikersprijzen werden vastgesteld voor bevroren of diepgevroren vlees van volwassen runderen.
Een onderzoek door de Italiaanse gerechtelijke politie bij detailhandelaren in bevroren vlees in de streek rond Udine, bracht vervolgens aan het licht — door, met behulp van de boeken, de weg van groothandel naar kleinhandel terug te volgen — dat de firma Grosoli te Cadoneghe (Padua) bevroren vlees had verkocht aan detailhandelaren tegen hogere dan de door het CIP vastgestelde prijzen. De Pretore te Padua ging derhalve over tot strafrechtelijke vervolging van de heer Adriano Grosoli, administrateur van de gelijknamige firma, aan wie onder meer overtreding van artikel 1 van wet nr. 63 van 18 april 1977 ten laste is gelegd „door kalfsfilet en kalfsbout te verkopen tegen hogere dan de door het CIP vastgestelde prijzen”. In de loop van het geding verzocht de Pretore bij beschikking van 15 juli 1978 het Hof om een prejudiciële beslissing over „de verenigbaarheid van een enkel voor de kleinhandelsfase geldende regeling van vastgestelde prijzen met de gemeenschapswetgeving, in aanmerking genomen het feit dat in dat geval de vraag betreffende de grondwettigheid van de Italiaanse wettelijke bepalingen op het stuk van de prijzen niet ongegrond zou zijn, zulks gelet op artikel 3 van de Italiaanse constitutie”.
2.
Vooraf zou ik willen opmerken dat de formulering van de vraag in strijd is met uw inmiddels vaste rechtspraak (zie laatstelijk arrest van 29 juni 1978 in zaak 154/77, Dechmann, Jurispr. 1978, blz. 1573), dat het niet aan het Hof staat, zich in een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag uit te spreken over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met gemeenschapsrecht. Wel is het Hof stellig bevoegd communautaire bepalingen zodanig uit te leggen, dat de nationale rechter het voor hem gerezen probleem inzake de verenigbaarheid zelf kan oplossen. Derhalve dient de vraag van de Pretore te Padua in het onderhavige geval aldus te worden verstaan, dat het Hof moet onderzoeken of en in welke mate de Lid-Staten bevoegd blijven op eigen gezag de enkel voor de detailhandel geldende prijsregeling vast te stellen in een landbouwsector waarvoor een gemeenschappelijke marktordening geldt.
Wat vervolgens de opmerking van de verwijzende rechter betreft over de eventuele ongrondwettigheid van de Italiaanse wettelijke bepalingen op het stuk van de prijzen, hoeft nauwelijks te worden gezegd dat dit probleem betrekking heeft op een heel ander terrein dan dat van de uitlegging van gemeenschapsbepalingen.
3.
Laten we thans in het kort de door Grosoli, de Italiaanse regering en de Commissie aangedragen argumenten onderzoeken.
Eerstgenoemde meent dat, wanneer voor een landbouwsector een gemeenschappelijke marktordening met een gemeenschappelijke prijsregeling tot stand is gebracht, de afzonderlijke Lid-Staten iedere bevoegdheid verliezen om de prijzen van de produkten in die sector vast te stellen. Dit beginsel zou moeten gelden voor alle produktie- en verhandelingsfasen, en niet alleen voor die fasen — groothandel of verkoop aan de consument — waarop de gemeenschapsregeling rechtstreeks van toepassing is.
Ter ondersteuning van deze stelling merkt Grosoli op, dat elk eenzijdig ingrijpen van overheidswege in de binnenlandse prijzen de door de Gemeenschap ingevoerde regeling verstoort, voor zover een correctie in een bepaald stadium van de verhandeling gevolgen heeft voor de gehele marktordening en derhalve de doelstellingen en de goede werking van deze ordening in gevaar kan brengen. De Lid-Staten zouden derhalve slechts op een met het gemeenschapsrecht verenigbare wijze tegen prijsstijgingen in de onder een gemeenschappelijke marktordening vallende sectoren kunnen optreden, door de bevoegde gemeenschapsautoriteiten ertoe te bewegen passende maatregelen te nemen.
Wanneer Grosoli deze opvatting verdedigt, is hij zich terdege ervan bewust langs welke lijnen 's Hofs rechtspraak op dit punt zich heeft ontwikkeld, en doet hij zijn best een wijziging daarvan uit te lokken. Immers, in zijn arrest van 23 januari 1975 (zaak 31/74, Galli, Jurispr. 1975, blz. 47) heeft het Hof in beginsel beslist, dat op de gebieden waarvoor een gemeenschappelijke marktordening geldt, in het bijzonder wanneer deze ordening uitgaat van een gemeenschappelijke prijsregeling, de Lid-Staten niet meer door eenzijdig vastgestelde bepalingen kunnen ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme zoals dit uit de gemeenschappelijke ordening voortvloeit. Dit algemene uitgangspunt werd vervolgens echter wat bijgesteld: wanneer een communautaire prijsregeling uitsluitend geldt voor het groothandelsstadium, kunnen de Lid-Staten de prijsvorming in de kleinhandel regelen, mits dit de doelstellingen of de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening niet in gevaar brengt. In latere uitspraken heeft het Hof dit laatste aspect van het arrest-Galli verder uitgewerkt, zodat het, in de benadering van het Hof, het basiscriterium is geworden om te toetsen of de Lid-Staten bevoegd zijn prijsmaatregelen vast te stellen. Van die uitspraken zijn vooral van belang de arresten van 26 februari 1976 (zaak 65/75, Tasca, Jurispr. 1976, blz. 291; gevoegde zaken 88-90/75, SADAM, Jurispr. 1976, blz. 323); hierin overwoog het Hof dat „een nationale regeling voor landbouwprijzen, welke op dezelfde handelsfasen betrekking heeft als de regeling van gemeenschapsprijzen, met deze laatste regeling allicht eerder in strijd zal komen dan een regeling die uitsluitend op andere fasen van toepassing is” (r.o. 13), en het besliste dan ook dat „de eenzijdige vaststelling door een Lid-Staat van maximumverkoopprijzen (voor consumptie) onverenigbaar is met (de gemeenschappelijke ordening in de betrokken sector), zodra zij de doelstellingen en de werking van deze ordening en met name van de prijsregeling in gevaar brengt”.
Grosoli zou nu willen, dat het Hof weer meer het accent zou leggen op het in het arrest-Galli neergelegde beginsel en dit nog zou versterken door prijsmaatregelen van de Lid-Staten in landbouwsectoren waarvoor een gemeenschappelijke marktordening bestaat, volledig uit te sluiten. Daarmee zou dan ook de uit de arresten-Tasca en SADAM voortvloeiende praktische moeilijkheid zijn opgelost, die — volgens Grosoli — hierin bestaat dat de nationale rechter de moeilijke taak krijgt opgelegd om van geval tot geval na te gaan of de nationale maatregelen de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening in gevaar kunnen brengen. Een dergelijk onderzoek, dat specifieke technische kennis en een diepgaande studie van de werking der markten vereist, is voor de nationale rechter immers zeer moeilijk; het gevaar zou derhalve kunnen bestaan dat de uitspraken van de verschillende rechters ten gronde, die eventueel moeten onderzoeken of bepaalde nationale maatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschapsregels, uiteenlopen waardoor uiteindelijk het beginsel van de rechtszekerheid, dat ook in de communautaire rechtsorde wordt erkend en beschermd, zou worden geschonden. Het door Grosoli verdedigde standpunt zou daarentegen het voordeel bieden, dat de nationale rechter niet meer van geval tot geval de verenigbaarheid van nationale bepalingen met de gemeenschappelijke marktordening zou hoeven te onderzoeken; op die manier zou men zowel het gevaar van niet-uniforme uitspraken als de daaruit voortvloeiende onzekerheid ten aanzien van het geldende recht vermijden.
4.
De Italiaanse regering is het met deze opvatting niet eens. Volgens haar houdt het bestaan van een gemeenschappelijke marktordening op zich niet in dat de Lid-Staten niet meer bevoegd zijn de landbouwprijzen in een handelsfase te regelen en staat het aan de nationale rechter in concreto na te gaan of nationale maatregelen in strijd zijn met het gemeenschapsrecht.
De Italiaanse regering merkt op dat de beantwoording van de vraag of bepaalde nationale regelingen verenigbaar zijn met de werking van een gemeenschappelijke marktordening, onder omstandigheden moeilijk kan zijn, doch dat dit niet het zoeken naar andere oplossingen dan in de arresten-Tasca en SADAM zijn gesuggereerd, rechtvaardigt, te meer daar in de nationale rechtsorde voor betrokkenen passende rechtsmiddelen openstaan om op te komen tegen onbillijkheden als gevolg van tegenstrijdige besluiten van de rechters ten gronde.
Wat ten slotte de Commissie betreft, deze betoogt dat over het algemeen elke nationale bepaling waarbij maximumverbruikersprijzen worden vastgesteld, onverenigbaar is met de doelstellingen en de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening, wanneer deze bepaling al dan niet rechtstreeks tot gevolg heeft dat de aanpassing van de marktprijzen aan de richtprijs wordt bemoeilijkt. Er zou in elk geval geen sprake kunnen zijn van verenigbaarheid, wanneer de nationale bepalingen zodanige kenmerken vertonen dat de goede werking van de markt wel in gevaar moet worden gebracht; in zulke gevallen zou de nationale rechter niet de concrete situatie behoeven te onderzoeken teneinde vast te stellen welke gevolgen de nationale bepalingen werkelijk hebben gehad en of de werking van de gemeenschappelijke marktordening in concreto in gevaar is gebracht. Onder deze categorie onverenigbaar geachte maatregelen vallen, volgens de Commissie, bepalingen die ten doel hebben niet alleen de maximumprijzen vast te stellen van waren die het voorwerp zijn van gemeenschapsinterventie (bij voorbeeld waren die door de interventiebureaus van de andere Lid-Staten krachtens gemeenschapsbesluit ter beschikking zijn gesteld van een nationaal interventiebureau), maar ook van alle soortgelijke waren die op de binnenlandse markt worden verhandeld. Onder deze categorie zouden ook bepalingen vallen die de nationale prijzen bevriezen op een zodanig niveau dat de handelaren worden gedwongen de van het interventiebureau gekochte produkten aan de consument te verkopen tegen lagere prijzen dan de aankoopprijs, of tenminste tegen prijzen die niet winstgevend zijn. Buiten dergelijke en analoge gevallen zou de nationale rechter elk afzonderlijk geval moeten onderzoeken en nagaan of een nationale regeling de goede werking van de gemeenschappelijke marktordeningen in gevaar brengt.
5.
Een aspect waarmee mijns inziens bij de beantwoording van de vraag van de nationale rechter uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden, is het specifieke karakter van de maatregelen, waarin de eigen aard van elke landbouwmarktordening tot uitdrukking komt. Er bestaat niet één vast type marktordening, en er bestaan dus ook geen vaste, telkens terugkerende kenmerken in de geleidelijk, sector voor sector, ingevoerde gemeenschapsbepalingen. Integendeel, elke sector heeft zijn eigen technische en economische bijzonderheden, die men terugvindt in een aan de specifieke behoeften aangepaste ordening. De maatregelen welke een gemeenschappelijke marktordening kan omvatten, hebben stellig met elkaar gemeen dat ze alle instrumenten zijn ter bereiking van de doelstellingen van het landbouwbeleid als bedoeld in artikel 39 EEG-Verdrag; het is echter bekend dat ook deze doelstellingen van verschillende aard zijn en dat ertussen geen duidelijke hiërarchie bestaat. Van de betrokken maatregelen worden in artikel 40, lid 3, met name — doch enkel als voorbeeld — prijsregelingen, subsidies zowel voor de produktie als voor het in de handel brengen, systemen van voorraadvorming en opslag en gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie voor de in- of uitvoer genoemd. Hieruit volgt derhalve duidelijk dat de technische middelen met behulp waarvan een gemeenschappelijke marktordening tot stand wordt gebracht, zeer verschillend van inhoud kunnen zijn en dat zij, afhankelijk van hun strekking en inhoud, het marktstelsel meer of minder rechtstreeks en globaal zullen beïnvloeden.
Derhalve dient allereerst de vraag te worden beantwoord, welk verband er bestaat tussen de eigen structuur van een bepaalde marktordening en de eventuele bevoegdheid van de Lid-Staten om op eigen gezag in te grijpen in de prijsvorming. Wanneer men van mening is dat nationale prijsmaatregelen automatisch onverenigbaar zijn met een gemeenschappelijke marktordening, sluit men uiteraard de mogelijkheid uit dat de Lid-Staten nog bevoegd zijn maatregelen inzake prijzen vast te stellen wanneer voor een bepaalde landbouwsector een gemeenschappelijke ordening geldt. Doch het zou kunnen dat deze gemeenschappelijke ordening geen bepalingen bevat op het stuk van de prijzen, of deze beperkt — zoals in feite gebeurt — tot een of twee fasen van het verhandelingsproces. Volgens Grosoli zou men in dergelijke gevallen moeten zeggen dat het enkele feit dat de Gemeenschap gebruik maakt van haar bevoegdheid om een gemeenschappelijke marktordening tot stand te brengen, de Lid-Staten elke bevoegdheid op dat terrein ontneemt. Deze stelling vindt echter geen rechtvaardiging in artikel 5 EEG-Verdrag noch in de tekst van het reeds genoemde arrest-Galli.
Wij hebben gezien dat in dit arrest met name het belang werd onderstreept van een specifiek aspect van de gemeenschappelijke marktordening voor een bepaald landbouwprodukt (granen), namelijk dat van de prijsregeling. Aan het eind van het arrest, in overweging 16, wijst het Hof op het belang van de concrete structuur van de marktordening in een bepaalde sector, overwegende dat „de bij de verordeningen nrs. 120/67 en 136/66 ingestelde prijsregeling uitsluitend geldt voor het produktie- en groothandelsstadium, zodat deze bepalingen de bevoegdheid der Lid-Staten om in het detailhandels- en consumptiestadium passende maatregelen inzake de prijsvorming te nemen …, onverlet laten, mits deze maatregelen de doelstellingen of de werking van de betrokken gemeenschappelijke marktordening niet in gevaar brengen” De latere arresten van het Hof hebben eveneens betrekking op afzonderlijke marktordeningen en bevestigen derhalve de tendens, het verband tussen de structuur van de marktordening en de overblijvende bevoegdheden van de Lid-Staten in concreto te onderzoeken (zie genoemde arresten Tasca, SADAM en Dechmann).
Deze zienswijze is, lijkt mij, alleszins redelijk. Men kan immers niet serieus beweren dat elke nationale prijsmaatregel steeds een ongunstige uitwerking heeft op de werking van de gemeenschappelijke marktordening, welke ook de structuur van deze ordening en de inhoud van de nationale maatregel is. Het Hof heeft in de arresten-Tasca en SADAM terecht overwogen, dat wanneer de communautaire en de nationale maatregel betrekking hebben op hetzelfde stadium van de verhandeling (bij voorbeeld de groothandelsprijzen) de nationale regeling allicht eerder — maar niet onvermijdelijk — in strijd zal komen met de gemeenschapsregeling; wanneer daarentegen de nationale maatregel betrekking heeft op verbruikersprijzen en de communautaire maatregel op groothandelsprijzen, zal de onverenigbaarheid tussen de twee regelingen minder voor de hand liggen. Zo kan men zich ook voorstellen dat de marktordening de groothandels- of detailhandelsprijzen vaststelt van de landbouwprodukten waarop de marktordening betrekking heeft, en dat de nationale maatregel enkel geldt voor een tamelijk klein deel van deze produkten, dat wordt bepaald op grond van bijzondere eigenschappen (te denken valt bij voorbeeld aan bevroren rundvlees ten opzichte van vers rundvlees). Indien het produkt waarop de nationale maatregel betrekking heeft, niet concurreert met het hoofdprodukt, omdat de consumenten toch steeds aan dit laatste de voorkeur geven, zou het in een dergelijk geval onverstandig zijn te beweren dat de vaststelling van tamelijk lage maximumprijzen voor het bijzondere produkt (in ons voorbeeld bevroren vlees) noodzakelijkerwijze een verandering van de consumentenvoorkeur zal teweegbrengen door deze ertoe aan te zetten het bijzondere produkt vaker te vragen en het hoofdprodukt dienovereenkomstig minder te kopen. Het zou namelijk ook kunnen dat een dergelijk geval zich niet voordoet en dat de nationale prijsmaatregel derhalve geen verstoring in de werking van de gemeenschappelijke marktordening kan veroorzaken.
6.
De verwijzingsbeschikking van de Pretore te Padua bevat een aantal overwegingen waarop wij nader moeten ingaan.
Volgens de Pretore is het niet aanvaardbaar dat de nationale rechter bevoegd zou zijn om in elk afzonderlijk geval te beslissen of de nationaal vastgestelde maximumprijzen zodanige gevolgen hebben, dat zij als onverenigbaar met de gemeenschapsvoorschriften moeten worden beschouwd; want doordat dit beginsel een stelsel van vastgestelde prijzen formeel laat voortbestaan, zou het ten slotte ook de onzekerheid in stand houden omtrent de feitelijke rechtsgeldigheid ervan; dit zou leiden tot ernstige discriminatie tussen producenten en handelaars die bereid zijn zich aan de regeling te houden — en het produkt eventueel zelfs met verlies te verkopen —, en degenen die menen niet eraan te zijn gebonden en bijgevolg prijzen toepassen die hoger zijn dan de vastgestelde.
Eenvoudiger gezegd, is de vraag deze: hoe kunnen handelaren precies weten of ze een nationale prijsmaatregel wel of niet in acht moeten nemen, wanneer het voortbestaan van deze bepaling afhangt van het oordeel dat de rechter er van geval tot geval over uitspreekt?
Toegegeven, het zal voor de nationale rechter niet altijd gemakkelijk zijn om vast te stellen of en in hoeverre nationale prijsmaatregelen verenigbaar zijn met de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening. Dit soort onderzoek behoort niettemin tot de taak van de rechter.
Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie terecht opgemerkt, dat de burgerlijke en de strafrechter in alle staten vaak moeilijke onderzoeken van technische aard, ook op economisch gebied, heeft te verrichten. Ik zou er met name aan willen herinneren dat in de zaak-SADAM het Tribunale Amministrativo Regionale (TAR) del Lazio in zijn vonnis van 7 februari 1977 uitgebreid heeft onderzocht of het Italiaanse prijsstelsel voor de suikersector verenigbaar was met de communautaire regeling.
Wat ten slotte het gevaar betreft van uiteenlopende uitspraken van verschillende rechters, lijkt mij dat dit soort bezwaren samenhangt met de aard van de nationale rechtsorde en dat deze problemen, nog afgezien van de kracht van het precedent, veelal kunnen worden opgelost door een goede beroepregeling. Het beroep op het beginsel van de rechtszekerheid kan geen einde maken aan het verschijnsel dat bepalingen of algemene regels verschillend kunnen worden uitgelegd.
7.
Ik heb reeds gewezen op het belang van de specifieke kenmerken en van de strekking van het geheel van maatregelen, die typerend zijn voor elke sectoriële marktordening.
Het lijkt mij daarom dienstig in het kort de belangrijke punten te noemen van de bij verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 tot stand gebrachte gemeenschappelijke marktordening voor rundvlees. Deze omvat een prijsregeling en een handelsregeling. De prijsregeling betreft vooral de vaststelling van een oriëntatieprijs, die de Gemeenschap gedurende een bepaald verkoopseizoen gemiddeld voor een produkt op de communautaire markten wil bereiken. Volgens de geldende bepalingen houdt de Raad bij de jaarlijkse vaststelling van deze prijs (zie artikel 3 van verordening nr. 805/68) rekening met de vooruitzichten voor de ontwikkeling van de produktie en het verbruik van rundvlees, met de toestand op de markt voor melk en zuivelprodukten, en met de ervaring van het afgelopen verkoopseizoen. Om de marktprijs zo dicht mogelijk bij de oriëntatieprijs te houden en met name om sterke prijsdalingen te voorkomen of te beperken, zijn interventiemaatregelen voorzien; hoofdzakelijk in de vorm van steunverlening aan de particuliere opslag en aankopen door de interventiebureaus. Bij verordening nr. 2822/72 van 28 december 1972 is de „voortdurende interventie” ingevoerd, waardoor de nationale interventiebureaus verplicht zijn, op elk moment en ongeacht het peil van de marktprijzen, aankopen te verrichten tegen de interventieprijs (welke over het algemeen gelijk is aan 90 % van de oriëntatieprijs). Het door de interventiebureaus gekochte vlees wordt bevroren, opgeslagen en vervolgens op de markt afgezet overeenkomstig gemeenschapsbesluiten, en altijd op zodanige wijze dat elke verstoring wordt voorkomen, dat aan eenieder gelijke toegang tot de produkten is gewaarborgd en dat de kopers op voet van gelijkheid worden behandeld (zie artikel 7, lid 1, van verordening nr. 805/68).
Verder worden de markten gestabiliseerd door in te grijpen in de regeling van het handelsverkeer met derde landen. Daartoe biedt verordening nr. 805/68 verscheidene instrumenten: het gemeenschappelijk douanetarief (artikel 9), invoerheffingen (artikelen 10-14), invoercertificaten (artikel 15) en uitvoerrestituties (artikel 18). Tenslotte is het intracommunautaire handelsverkeer volledig geliberaliseerd (artikel 22).
Dit vooropgesteld, lijken mij twee opmerkingen mogelijk over het probleem van de verenigbaarheid van nationale prijsmaatregelen met deze bijzondere marktordening. In de eerste plaats, dat er gevaar voor onverenigbaarheid bestaat omdat de betrokken marktordening een prijsregeling omvat, en in de tweede plaats, dat waar deze regeling in twee soorten prijzen voorziet — een interventieprijs en een oriëntatieprijs —, er sprake is van onverenigbaarheid wanneer de nationale bepalingen de goede werking van een van deze prijzen belemmeren.
Als voorbeeld van een negatieve invloed van de nationale maatregelen wordt in het arrest-Tasca het geval genoemd, dat een Lid-Staat „voor het groothandels- of detailhandelsstadium maximumverkoopprijzen op een zo laag peil vaststelt, dat het de producent praktisch niet mogelijk is tegen de interventieprijs te verkopen, daar hij dan de aan de genoemde maximumprijzen gebonden grossiers of detaillisten zou dwingen met verlies te verkopen” (r.o. 23). Hierbij dient in het algemeen te worden opgemerkt, dat de prijzen in de verschillende handelsfasen met elkaar in verband staan: in het arrest-Tasca werd overwogen dat „een prijsregeling in het stadium van de verkoop aan de eindverbruiker kan terugwerken in de prijsvorming in genoemde vorige fasen” (r.o. 12).
Het lijkt me, in het algemeen gesproken, moeilijk hier nog iets aan toe te voegen. Aangezien het uitgesloten is dat het enkele bestaan van een gemeenschappelijke marktordening automatisch leidt tot het wegvallen van elke nationale bevoegdheid om in de prijzen in te grijpen, blijft de noodzaak van controle door de nationale rechter bestaan, teneinde vast te stellen of de nationale regels de werking van de gemeenschappelijke marktordening verhinderen of het bereiken van de doelstellingen ervan in gevaar brengen.
8.
De Commissie is het met dit standpunt niet eens. Zij vindt dat wanneer de gemeenschappelijke marktordening, zoals in casu, is gebaseerd op een gemeenschappelijk prijsstelsel, bepaalde nationale maatregelen wel aanzienlijke verstoringen van de markt moeten veroorzaken. Zij zouden de Lid-Staten dan automatisch verboden zijn, zonder dat in concreto behoeft te worden vastgesteld of er wel of niet sprake is van verstoring. Ik heb reeds twee voorbeelden van dergelijke maatregelen genoemd. In haar uiteenzetting over de gevolgen van een nationale maatregel tot vaststelling van maximumverbruikersprijzen voor de werking van de gemeenschappelijke marktordening van rundvlees, gaat de Commissie met name ervan uit, dat een dergelijke maatregel, om verenigbaar te zijn met de gemeenschappelijke marktordening, „enkel betrekking zou moeten hebben op uit interventie afkomstige produkten waarvan de door de interventiebureaus toegepaste verkoopprijzen reeds zijn vastgesteld”, en in de tweede plaats „een behoorlijke winstmarge moesten laten aan de handelaren in de verschillende handelsfasen, die de produkten van de interventiebureaus kopen en deze vervolgens voor binnenlands verbruik verkopen”. Volgens de Commissie zou het Hof de nationale rechter derhalve deze specifieke toetsingscriteria moeten voorhouden.
Mijns inziens bestaat er geen andere mogelijkheid naast de twee in het begin van deze conclusie genoemde standpunten, namelijk dat elke nationale bevoegdheid om de prijzen vast te stellen van produkten waarvoor een gemeenschappelijke marktordening bestaat, volstrekt is uitgesloten, ofwel dat enkel die nationale maatregelen met het communautaire stelsel verenigbaar zijn, die de doelstellingen en de goede werking van die marktordeningen niet in gevaar brengen. Met name kan mijns inziens uit het ontbreken van een van de twee door de Commissie gestelde voorwaarden niet automatisch worden afgeleid, dat de nationale maatregelen onverenigbaar zijn met de gemeenschapsregeling. Een dergelijk automatisme lijkt mij eerlijk gezegd volkomen willekeurig. Man kan zich heel wel indenken dat de vaststelling van een maximumverbruikersprijs voor een landbouwprodukt geen aanmerkelijke verstoring van de gemeenschappelijke marktordening teweegbrengt. Dat kan zowel het geval zijn wanneer deze prijs gunstig is voor de detailhandelaren, als wanneer hij betrekking heeft op een niet-concurrerend produkt, zoals met name in Italië het geval was voor bevroren vlees ten opzichte van vers vlees. Anderzijds is het mogelijk dat de werking van een gemeenschappelijke marktordening ook niet wordt verstoord door een verbruikersprijs die de verkopers geen winstmarge laat: indien immers de vastgestelde prijs betrekking heeft op een produkt dat niet van belang is voor de markt, hebben de wijzigingen in de vraag naar dat produkt geen noemenswaardige invloed op de prijs van het hoofdprodukt en veroorzaken ze derhalve geen veranderingen in de werking van de marktordening. Het lijkt mij derhalve, dat de aanwijzingen van de Commissie slechts als algemene criteria kunnen worden beschouwd, in het licht waarvan in concreto kan worden onderzocht welke gevolgen de nationale maatregelen kunnen hebben voor de werking van een gemeenschappelijke marktordening. De Commissie heeft haar zienswijze trouwens met zeer veel voorbehoud voorgedragen en herhaaldelijk verklaard niet van 's Hofs rechtspraak te willen afwijken.
9.
Op grond van het vorenoverwogene zou ik derhalve willen concluderen dat het Hof, in antwoord op de door de Pretore te Padua bij beschikking van 15 juli 1978 gestelde vraag, verklare dat „de eenzijdige vaststelling door een Lid-Staat van maximumverbruikersprijzen van een landbouwprodukt waarvoor een gemeenschappelijke marktordening geldt die wordt gekenmerkt door een gemeenschappelijke prijsregeling, slechts verenigbaar is met deze marktordening indien de doelstellingen en de goede werking van deze marktordening en met name de prijsregeling ervan, daardoor niet in gevaar worden gebracht”.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy