CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 4 JULI 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak gaat het om de verenigbaarheid van een aantal elementen van wat de Franse regering een nationale marktordening voor schapevlees noemt, met de bepalingen van het gemeenschapsrecht.
In haar verzoekschrift heeft de Commissie een gedetailleerd overzicht gegeven van deze Franse regeling, die door het Office national interprofessionnel du bétail et des viandes wordt beheerd en waarvan de invoerbepalingen thans — afgezien van derde landen — praktisch enkel nog van belang zijn ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk. Ik kan naar dit overzicht verwijzen en mij hier beperken tot het vermelden van de volgende elementen, die dienen ter stabilisering van de prijzen op de Franse markt, die uit eigen produktie blijkbaar niet voldoende kan worden bevoorraad.
Zo is, enige uitzonderingen daargelaten, de invoer van bevroren schapevlees in beginsel verboden. Voor zover die invoer geoorloofd is — hetgeen het geval is voor levende dieren, vers vlees en gekoeld vlees —, spelen nationale drempelprijzen een rol en zijn invoervergunningen vereist. Daarbij wordt blijkbaar een globale, naar hoeveelheid en tijd beperkte invoervergunning afgegeven, binnen het kader waarvan dan afzonderlijke invoervergunningen worden verleend. Invoer wordt slechts toegestaan wanneer de prijsnoteringen in Frankrijk de drempelprijs bereiken of overschrijden. Liggen de noteringen in Frankrijk gedurende een week onder de drempelprijs, dan wordt de afgifte van invoervergunningen opgeschort en pas weer hervat, wanneer de drempelprijs in de daaropvolgende week wordt bereikt. Wordt de drempelprijs op de Franse markt in twee opeenvolgende weken niet bereikt, dan gaat men over tot een invoerstop, die pas wordt opgeheven wanneer de drempelprijs gedurende twee opeenvolgende weken wordt overschreden.
Bovendien wordt bij de invoer van levende, voor de slacht bestemde dieren alsmede van vers en gekoeld vlees een heffing toegepast. Daarvoor gelden, naargelang de — wekelijkse — nationale prijsnoteringen, zes verschillende forfaitaire bedragen. Evenals de drempelprijzen worden deze periodiek aan de kostenontwikkeling aangepast; bij de berekening van de heffing wordt met name rekening gehouden met de ontwikkeling van de monetaire situatie in de exportlanden, dus bijvoorbeeld met de devaluatie van het Engelse pond.
Deze regeling is al eens onderwerp geweest van een beroep, ingesteld door de Ierse Republiek (zaak 58/77). In die zaak is het echter niet tot een arrest gekomen omdat de Franse en de Ierse regering waren overeengekomen dat Iers schapevlees — onder bepaalde voorwaarden — per 1 januari 1978 vrije toegang tot de Franse markt zou krijgen.
In verband met de discriminerende behandeling van het Britse bedrijfsleven dat bij de uitvoer van schapevlees belang heeft, diende de Britse regering bij schrijven van januari 1978 een klacht in bij de Commissie, terwijl zij zich een maand later bij de Commissie beklaagde dat de Franse regering een verhoging van genoemde invoerheffing had aangekondigd.
De Commissie, die de Franse regeling, voor zover deze het goederenverkeer belemmert, in strijd met het Verdrag acht, leidde daarop krachtens artikel 169 EEG-Verdrag een procedure in tot vaststelling van een verdragsschending. Nadat het directoraat-generaal Landbouw de Franse regering reeds op 16 januari 1978 per telex had verzocht haar standpunt te bepalen — aan welk verzoek op 21 januari 1978 werd voldaan —, richtte de Commissie op 2 februari 1978 een schrijven aan de Permanente Vertegenwoordiger van Frankrijk. In zijn antwoord van 18 april 1978 wees deze met name op de ernstige economische gevolgen van een onmiddellijke afschaffing van de invoerregeling, zulks vanwege het lage Britse prijspeil en het feit dat er nog geen passende gemeenschapsregeling bestond. Desondanks bracht de Commissie op 22 mei 1978 een met redenen omkleed advies uit, en toen Frankrijk niet binnen de gestelde termijn aan de daarin gedane uitnodiging voldeed, stelde zij tenslotte op 23 oktober 1978 beroep in bij het Hof van Justitie.
In haar verzoekschrift verzocht zij het Hof, vast te stellen dat de Franse Republiek de uit de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet was nagekomen, doordat zij na 1 januari 1978 haar nationale invoerregeling op schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk was blijven toepassen.
Onder verwijzing naar het arrest in zaak 231/78 (Commissie t. Verenigd Koninkrijk, arrest van 29 maart 1979) en met het oog op de in de artikelen 35, 36 en 42 Toetredingsakte gestelde termijnen werd dit verzoek ter terechtzitting in zo verre gewijzigd, dat de verdragsschending ten aanzien van de kwantitatieve invoerbeperkingen vanaf de dag van toetreding, ten aanzien van de maatregelen van gelijke werking vanaf 1 januari 1975, en ten aanzien van de heffingen van gelijke werking als douanerechten vanaf 1 juli 1977 zou hebben plaatsgehad.
Met betrekking tot deze verzoeken, die ook ter terechtzitting met nadruk door de Franse regering zijn bestreden, zou ik het volgende willen opmerken.
1.
Al aanstonds moet worden vastgesteld dat tussen partijen onbetwist is, dat de in de Franse regeling voorziene opschorting van de invoer en de invoerstop als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 30 EEG -Verdrag zijn te beschouwen, dat het vereiste van invoervergunningen een maatregel van gelijke werking is — in dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op het arrest in zaak 68/76 (Commissie t. Franse Republiek, arrest van 16 maart 1977, Jurispr. 1977, blz. 515) — , en dat de invoerheffingen als heffingen van gelijke werking als douanerechten in de zin van artikel 12 EEG-Verdrag zijn aan te merken.
Eveneens onbetwist is dat genoemde maatregelen beschouwd kunnen worden als bestanddelen van een nationale marktordening, zoals die bijvoorbeeld in het arrest in zaak 48/74 (Charmasson, arrest van 10 december 1974, Jurispr. 1974, blz. 1383) is gedefinieerd. Derhalve moet de rechtmatigheid van die maatregelen niet enkel aan de aangehaalde verdragsbepalingen worden getoetst; veel meer komt het erop aan of relevantie moet worden toegekend aan het feit dat de maatregelen zijn geïntegreerd in een nationale marktordening en dat op dit gebied nog geen gemeenschappelijke marktordening tot stand is gekomen.
2.
In zoverre zou artikel 60, lid 2, Toetredingsakte van belang kunnen zijn, dat luidt als volgt:
„Ten aanzien van de produkten die op het tijdstip van toetreding niet onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, zijn de bepalingen van Titel I inzake de geleidelijke afschaffing van de heffingen van gelijke werking als invoerrechten, van de kwantitatieve beperkingen en van de maatregelen van gelijke werking, niet van toepassing op deze heffingen, beperkingen en maatregelen, wanneer zij op het tijdstip van de toetreding deel uitmaken van een nationale marktordening.
Deze bepaling geldt slechts voor zover zulks noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen en totdat de gemeenschappelijke ordening der markten voor deze produkten van toepassing wordt.”
In dit verband rijst de vraag — en hiertoe heeft de Commissie haar onderzoek aanvankelijk beperkt — of een beroep op artikel 60, lid 2, ook mogelijk is na afloop van de in artikel 9, lid 2, Toetredingsakte gestelde termijn — dat wil zeggen na 1977 —, en of dus artikel 60, lid 2, kan worden beschouwd als een „bijzondere bepaling” in de zin van artikel 9, lid 2, luidende:
„Onder voorbehoud van de in deze Akte vervatte data, termijnen en bijzondere bepalingen, eindigt de toepassing van de overgangsmaatregelen aan het einde van het jaar. 1977.”
Dit standpunt wordt door de Franse regering met nadruk verdedigd. Onder verwijzing naar de voorstukken van de Toetredingsakte wijst zij erop dat, anders dan in artikel 8 EEG-Verdrag, hierin in beginsel geen overgangsperiode is vastgesteld. In het Vierde deel van de Toetredingsakte, evenals in de bijlagen en protocollen, worden slechts een aantal overgangsmaatregelen genoemd, waarvoor verschillende termijnen golden of nog gelden. Met name zou van belang zijn, dat in artikel 9, lid 2, niet alleen sprake is van een principiële termijn, maar dat hierin ook voorbehouden zijn opgenomen, waarvoor het vage begrip „bijzondere bepalingen” van belang is. Als zo'n bijzondere bepaling zou artikel 60, lid 2, moeten worden beschouwd. In verband met aanzienlijke structurele verschillen en divergenties in het landbouwbeleid, die zich — zoals uit de prijsverschillen blijkt — juist bij schapevlees doen gevoelen, zou deze bepaling een voor de landbouw belangrijke overgangsmaatregel vormen. Vergelijkt men deze bepaling met artikel 45 EEG-Verdrag en houdt men voor ogen dat in artikel 60, lid 2, — anders dan in andere bijzondere bepalingen die een formele termijn bevatten — geen datum wordt genoemd, dan zou men slechts kunnen concluderen dat de met betrekking tot het EEG-Verdrag zelf ontwikkelde rechtspraak-Charmasson (arrest in zaak 48/74) voor de Toetredingsakte niet relevant is, dat men derhalve ook na afloop van de in artikel 9, lid 2, bedoelde termijn tegenover nationale marktordeningen geen beroep kan doen op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, zolang op het betrokken gebied een gemeenschappelijke marktordening ontbreekt.
Evenmin als in de zaken 118/79 (Meijer, arrest van 29 maart 1979) en 231/78 — betreffende invoerbeperkingen in het kader van de Britse marktordening voor aardappelen —, is de Commissie het ook in de onderhavige zaak niet met deze opvatting eens. Haar standpunt komt hierop neer, dat na het einde van 1977 nationale handelsbelemmeringen in geen geval kunnen worden gerechtvaardigd met een beroep op het bestaan van een nationale marktordening en op artikel 60, lid 2, Toetredingsakte.
Wat dit geschilpunt betreft, hoef ik er slechts aan te herinneren dat het Hof in het arrest in zaak 231/78, waarin dezelfde Franse argumenten werden aangevoerd, aangezien Frankrijk in die procedure had geïntervenieerd aan de zijde van het Verenigd Koninkrijk, het standpunt van de Commissie heeft aanvaard.
Voor het Hof waren daarbij — als ik het juist zie — drie punten van belang: men diende rekening te houden met het algemene stelsel van de Toetredingsakte, met het verband tussen artikel 60 en de algemene verdragsbepalingen inzake de grondslagen en het stelsel van de Gemeenschap en inzake de beginselen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en tenslotte met het beginsel van gelijke behandeling der Lid-Staten waar het de essentiële regels voor het funcioneren van de gemeenschappelijke markt betreft. Hieruit werd het beginsel afgeleid dat de regels betreffende het functioneren van de gemeenschappelijke markt voorrang hadden en dat de betrokken voorbehouden of afwijkingen in geen geval extensief mochten worden uitgelegd. Dit leidde vervolgens tot de conclusie dat — waar bijzondere bepalingen in de zin van artikel 9, lid 2, een duidelijke termijn veronderstellen — artikel 60, lid 2, Toetredingsakte niet als zo'n bijzondere bepaling kon worden beschouwd, hetgeen betekende dat maatregelen die het vrije goederenverkeer belemmeren, na afloop van de in artikel 9, lid 2, bedoelde termijn — dus na 1977 — niet meer konden worden gerechtvaardigd met een verwijzing naar een bijzondere nationale marktordening. Indien — zo stelde het Hof uitdrukkelijk — na dit tijdstip nog leemten in het gemeenschappelijke landbouwbeleid bestaan, dan mogen deze geen belemmering vormen voor de toe passing van de algemene, voor de gemeenschappelijke markt geldende regels; wanneer na het verstrijken van het genoemde tijdvak nog bijzondere maatregelen noodzakelijk waren, konden deze in elk geval niet eenzijdig en met een beroep op nationale marktordeningen worden genomen.
Hiermee is in feite ook de oplossing van het onderhavige geschil gegeven, namelijk dat er per 1 januari 1978 geen rechtsgrond meer bestaat voor het handhaven van de Franse beperkingen voor, onder meer, de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk.
Ik zou echter nog willen ingaan op enkele aanvullende, ter terechtzitting voorgedragen argumenten van de Franse regering, die volgens haar aanleiding geven tot een andere beoordeling.
Zo is betoogd dat de problemen die verband houden met de Franse marktordening voor schapevlees verschillen van die welke in zaak 231/78 aan de orde waren. In de eerste plaats zou van belang zijn, dat de onderhandelingen over een gemeenschappelijke marktordening in een vergevorderd stadium verkeren en dat men op een spoedige afsluiting ervan kan rekenen. Met dit argument wordt gedoeld op bepaalde formuleringen in het arrest 231/78, volgens welke nationale marktordeningen en daarmee verboden handelsbelemmeringen niet gedurende „onbepaalde tijd” kunnen blijven bestaan.
Met dit argument valt echter niets te beginnen. Wanneer namelijk in het arrest in zaak 231/78 als beginsel werd gesteld, dat afwijkingen van de algemene regels krachtens artikel 60, lid 2, na het jaar 1977 niet meer geoorloofd zijn, dan kan — waar in zoverre niet het minste voorbehoud valt waar te nemen — het natuurlijk niet beslissend zijn of een vervanging van de nationale marktordeningen voorlopig volstrekt niet in zicht is dan wel of deze — zoals hoogstwaarschijnlijk het geval is met schapevlees — op betrekkelijk korte termijn na afloop van de in artikel 9, lid 2, Toetredingsakte bedoelde overgangsperiode zal plaatsvinden.
Voorts is gewezen op de ontwikkeling van de prijzen in het Verenigd Koninkrijk enerzijds en Frankrijk anderzijds. Deze komen de laatste jaren steeds dichter bij elkaar te liggen en hieraan werd de verwachting vastgeknoopt, dat de omstandigheden spoedig van dien aard zouden zijn, dat ook bij voortbestaan van de Franse regeling een vrij verkeer van goederen mogelijk zou worden.
Maar ook dit is, gelet op de beginselen van genoemd arrest, niet van belang, want men kan er niet van uitgaan dat de Toetredingsakte voor maatregelen die op zich in strijd zijn met het Verdrag, met het oog op de economische ontwikkeling een extra overgangstermijn toestaat. Nog afgezien van het feit dat de verplichting om een invoervergunning aan te vragen, in elk geval als een ontoelaatbare maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking moet worden beschouwd, mag men niet over het hoofd zien, dat ook thans nog aanzienlijke prijsverschillen kunnen worden vastgesteld en dat geenszins met zekerheid valt te zeggen wanneer deze tot een zodanige omvang zullen zijn terruggebracht, dat de toepassing van een invoerheffing en tijdelijke invoerstops overbodig worden.
Verder herinnert de Franse regering eraan, dat ook in het Verenigd Koninkrijk een nationale marktordening voor schapevlees bestaat, die kennelijk intact zou blijven, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van gelijke behandeling. Zich baserend op ongetwijfeld indrukwekkende cijfers wijst zij erop, dat de afschaffing van de Franse maatregelen een hevige concurrentie van goedkoop Brits schapevlees tot gevolg zou hebben, hetgeen de economie in bepaalde economisch achtergebleven gebieden van Frankrijk ernstig in gevaar zou brengen.
Dienaangaande zij in de eerste plaats opgemerkt, dat het gemeenschapsrecht geenszins verlangt dat de nationale marktordeningen worden afgeschaft, doch enkel dat aan de daarmee verbonden belemmering van het vrije verkeer van goederen een einde wordt gemaakt. Het is derhalve niets bijzonders wanneer met betrekking tot de Engelse marktordening voor schapevlees, die blijkbaar geen invoerregeling omvat, niet dezelfde wijzigingen behoeven plaats te vinden als met betrekking tot de Franse marktordening, die de invoer daadwerkelijk belemmert. Anderzijds, is het geenszins zeker dat, wanneer men het standpunt van de Commissie aanvaardt, genoemde gevolgen voor de Franse economische structuur in de gevreesde omvang zullen optreden. Men mag immers niet vergeten — dit wordt in het arrest 231/78 eveneens duidelijk onderstreept — dat het gemeenschapsrecht na afloop van de overgangsperiode alleen eenzijdige nationale maatregelen uitsluit; doch wanneer de omstandigheden daarom vragen, staat het door de Gemeenschap vastgestelde maatregelen — bijvoorbeeld in de vorm van steun, zoals de Commissie reeds heeft voorgesteld — wel toe.
Tenslotte merkt de Franse regering nog op — en hierin ziet zij een zekere tegenspraak met de strenge uitlegging van artikel 60, lid 2, Toetredingsakte —, dat de gemeenschapsinstellingen ook na het verstrijken van de overgangsperiode een ' elastische toepassing van de gemeenschapsbepalingen op landbouwgebied hebben voorgestaan. Hierbij zou men kunnen denken aan afwijkingen van verordening nr. 1422/78 of aan het goedkoper maken van Britse boter met behulp van steun; ook zou men niet hebben geaarzeld, artikel 102 Toetredingsakte, betreffende maatregelen ter bescherming van de visbanken, ondanks de onduidelijke formulering ervan als een „bijzondere bepaling” te beschouwen, die afwijkingen van artikel 9 mogelijk maakt.
Wat artikel 102 Toetredingsakte betreft, behoeft er slechts op te worden gewezen dat deze bepaling wegens haar duidelijke termijn — en daarop komt het volgens arrest 231/78 aan — zonder meer als een „bijzondere bepaling” in de zin van artikel 9, lid 2, Toetredingsakte kan worden aangemerkt. Bovendien moet enerzijds worden bedacht dat het in geen geval om handelsbeperkingen, dus om een inbreuk op het belangrijke beginsel van het vrije verkeer van goederen ging, terwijl anderzijds van belang is dat wij hier niet met eenzijdig vastgestelde nationale maatregelen te doen hebben, maar met afwijkingen van de communautaire regeling, die met instemming van de gemeenschapsinstellingen zijn vastgesteld.
Derhalve moet ten aanzien van het verzoekschrift van de Commissie in zijn oorspronkelijke versie worden geconcludeerd, dat de Franse Republiek, door na 1 januari 1978 haar nationale regeling op de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk te blijven toepassen, de uit de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.
3.
Ten aanzien van de ter terechtzitting gewijzigde conclusie van de Commissie rijst echter de vraag of ook nog moet worden vastgesteld dat de Franse invoer regeling reeds vóór het verstrijken van de overgangsperiode van artikel 9 Toetredingsakte, en wel sedert de door de Commissie gespecificeerde data, als onverenigbaar met het Verdrag is te beschouwen.
Aangezien het de Commissie in eerste instantie toch wel gaat om een zo spoedig mogelijke aanpassing van de Franse rechtssituatie aan het gemeenschapsrecht, zou men in dit verband kunnen aanvoeren dat er geen belang mee gediend is, het onderzoek tot een verder verwijderd verleden uit te strekken. Men zou derhalve de vraag kunnen openlaten of artikel 60, lid 2, Toetredingsakte slechts een uitzonderingsbepaling ten gunste van de nieuwe Lid-Staten vormt, aangezien met betrekking tot het onderhavige geval slechts hoeft te worden opgemerkt dat deze bepaling in elk geval vanaf 1 januari 1978 niet meer kon worden toegepast en Frankrijk derhalve ook bij een ruime uitlegging van deze bepaling na dat tijdstip geen rechten meer eraan kon ontlenen.
Wil men echter wel op die vraag ingaan, dan wil ik in het kort nog het volgende opmerken.
De Commissie meent vooral in de overwegingen van arrest 231/78 aanknopingspunten voor haar standpunt te vinden. Volgens dit arrest kan de Toetredingsakte immers niet aldus worden uitgelegd, als zou zij de nieuwe Lid-Staten voor onbepaalde tijd een rechtspositie hebben toegekend die, wat de afschaffing van de kwantitatieve beperkingen betreft, verschilt van die welke de oorspronkelijke Lid-Staten ingevolge het Verdrag bezitten. Verder wordt erop gewezen, dat, zo artikel 60, lid 2, als een „bijzondere bepaling” in de zin van artikel 9, lid 2, Toetredingsakte werd aangemerkt, het een blijvende ongelijkheid zou scheppen tussen de oorspronkelijke en de nieuwe Lid-Staten, doordat deze laatste de invoer van bepaalde produkten van oorsprong uit de Gemeenschap zouden kunnen verhinderen of beperken, terwijl de eerste krachtens het Verdrag verplicht zouden zijn zich van iedere invoerbeperking voor deze produkten te onthouden, ook al waren zij afkomstig uit een nieuwe Lid-Staat die zich op artikel 60, lid 2, beroept. Bovendien wordt er in deze overweging van het arrest (r.o. 17) op gewezen, dat de oorspronkelijke Lid-Staten dergelijke ongelijkheden slechts bij wege van overgangsmaatregel hebben aanvaard.
In de eerste plaats lijkt het mij echter zeer twijfelachtig, of uit deze overwegingen werkelijk onontkoombaar volgt dat in 's Hofs opvatting artikel 60, lid 2, Toetredingsakte in elk geval slechts voor de nieuwe Lid-Staten geldt. Men mag bijvoorbeeld niet vergeten dat het arrest betrekking had op de aardappelmarkt, ten aanzien waarvan in de oude Lid-Staten blijkbaar geen nationale marktordeningen bestaan; daarom wordt voor de oorspronkelijke Lid-Staten zo duidelijk van de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen gesproken. Voorts is het inzonderheid in verband met de uitlegging van artikel 60, lid 2, als niet aan de overgangsperiode gebonden „bijzondere bepaling”, dat in dit — niet beslissende — gedeelte van het arrest over „ongelijke behandeling” wordt gesproken; voor de verhouding tussen de oorspronkelijke Lid-Staten onderling staat echter al sinds het arrest-Charmasson vast, dat zij zich na afloop van de overgangsperiode voor de handhaving van invoerbeperkingen niet meer op nationale marktordeningen kunnen beroepen. Bovendien lijkt het niet misplaatst, „tijdelijke ongelijkheden” in verband te brengen met het feit dat gedurende de overgangsperiode van artikel 9, lid 2, Toetredingsakte, toen de in het Verdrag be doelde overgangsperiode reeds was verstreken, alleen nog tussen de oude en de nieuwe Lid-Staten handelsbeperkingen mogelijk waren, doch niet — ten aanzien van dezelfde produkten — tussen de oude Lid-Staten.
In de tweede plaats zou men bij een dergelijke uitlegging — nog afgezien van het feit dat in genoemd arrest ook de noodzaak van gelijke behandeling van oude en nieuwe Lid-Staten werd beklemtoond — de vertegenwoordiger van de Franse regering moeten volgen, die wijst op het duidelijk bilaterale systeem van artikel 60, lid 2. Anders dan artikel 60, lid 1, dat duidelijk alleen voor de nieuwe Lid-Staten geldt, is artikel 60, lid 2, in zoverre objectief, dat het op bepaalde produkten betrekking heeft, namelijk op die welke op het moment van toetreding niet onder een gemeenschappelijke marktordening vielen. De bepalingen van Titel I inzake de geleidelijke afschaffing van de heffingen van gelijke werking als invoerrechten, van de kwantitatieve beperkingen en van de maatregelen van gelijke werking, zijn niet van toepassing op deze heffingen, beperkingen en maatregelen, wanneer zij op het tijdstip van toetreding onderdeel zijn van een nationale marktordening. Let men op de duidelijke wederzijdse verplichtingen die uit de artikelen 35, 36 en 42 voortvloeien, dan volgt mijns inziens hieruit dat artikel 60, lid 2, niet enkel eenzijdig voor de nieuwe Lid-Staten gold.
Van belang zijn tenslotte ook nog de opmerkingen van de Commissie in de zaken 118/78 en 231/78 over de ontstaansgeschiedenis van artikel 60, lid 2. Bij de opstelling van deze bepaling was het blijkbaar voor iedereen een beklonken zaak dat de oorspronkelijke Lid-Staten uit een nationale marktordening voortvloeiende belemmeringen van het vrije verkeer van goederen konden handhaven, zolang geen gemeenschappelijke marktordening tot stand was gebracht.
Aan deze situatie moest die van de nieuwe Lid-Staten worden aangepast en daarom kon artikel 60, lid 2, oorspronkelijk inderdaad niet als een overgangsmaatregel worden beschouwd. Nu echter, in 1974, in het arrest-Charmasson is uitgemaakt dat afwijkingen van het beginsel van het vrije verkeer van goederen enkel gedurende de overgangsperiode waren toegestaan, ook wanneer na het verstrijken daarvan nog geen gemeenschappelijke, marktordening bestond, moet, ter voorkoming van een ongelijke behandeling, dit beginsel ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten wel aldus worden verstaan dat met „overgangsperiode” de in de Toetredingsakte bedoelde periode moet zijn bedoeld.
Ik meen derhalve niet dat Frankrijk, door het handhaven van de invoerregeling voor schapevlees, als vóór 1 januari 1978 bepalingen van gemeenschapsrecht heeft geschonden.
4.
Ik zou derhalve willen voorstellen, de oorspronkelijke conclusie van de Commissie te bevestigen en vast te stellen dat de Franse Republiek de uit de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen door de nationale invoerregeling na 1 januari 1978 toe te passen op de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk. Overeenkomstig het verzoekschrift dient verweerster bovendien in de kosten van het geding te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy