CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 30 MEI 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
In artikel 3 van verordening nr. 2759/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees (PB L 282 van 1975, blz. 1), wordt bepaald dat bij een aanzienlijke daling der prijzen interventiemaatregelen kunnen worden genomen. Als zodanig komt onder andere steunverlening aan de particuliere opslag in aanmerking.
Daartoe heeft de Raad — ingevolge artikel 7 van verordening nr. 2759/75 — in verordening nr. 2763/75 van 29 oktober 1975 (PB L 282 van 1975, blz. 19) algemene regels vastgesteld; uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in verordening nr. 1889/76 van de Commissie van 29 juli 1976 (PB L 206 van 1976, blz. 82).
Volgens artikel 1 van verordening nr. 2763/75 wordt als particuliere opslag in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2759/75 beschouwd: „bewaring in een opslagruimte van tot de sector varkensvlees behorende produkten, voor zover dit geschiedt voor eigen rekening en eigen risico van in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersonen …” Artikel 1, lid 3, bepaalt dat „de steun aan de particuliere opslag wordt verleend volgens met interventiebureaus gesloten overeenkomsten welke de wederzijdse verplichtingen der contractanten vastleggen op voorwaarden die per afzonderlijk produkt uniform zijn”. Volgens artikel 4 van de verordening worden tot het aangaan van opslagovereenkomsten slechts „die belanghebbenden toegelaten die, als garantie dat zij hun verplichtingen zullen nakomen, een waarborg hebben gesteld welke geheel of gedeeltelijk wordt verbeurd indien de contractuele verplichtingen niet of slechts gedeeltelijk worden nagekomen.”.
Artikel 3 van verordening nr. 1889/76 van de Commissie bepaalt dat in de overeenkomst met name „aard en bedrag van de waarborg” worden vermeld, en verplicht de opslaghouder met name ertoe: „a) de overeengekomen hoeveelheid van het betrokken produkt voor eigen rekening en risico binnen de gestelde termijn in te slaan en gedurende de overeengekomen periode in opslag te houden …”, en „c) het genoemde interventiebureau onverwijld de bewijsstukken inzake de inslag toe te zenden”.
Artikel 5, lid 2, luidt als volgt:
„De waarborg wordt volledig verbeurd, indien de contractuele verplichtingen niet worden nagekomen”.
In artikel 6, leden 2 en 3, van de verordening wordt ten slotte het volgende bepaald:
„2. Onverminderd de overige verplichtingen van de opslaghouder, heeft deze recht op steun pas wanneer aan alle in artikel 3, lid 2, sub a, vermelde verplichtingen volledig is voldaan.
3. Het steunbedrag wordt uitbetaald, zodra is vastgesteld dat aan de contractuele voorwaarden is voldaan …»
Het interventiebureau in de zin van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2759/75 is in Nederland — in elk geval voor bepaalde functies het onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Voedselvoorzieningsin- en verkoopbureau (afgekort: VIB). Dit heeft in zijn mededeling nr. 9/77 de voorwaarden voor het sluiten van overeenkomsten inzake steunverlening aan de particuliere opslag van varkensvlees vastgelegd. Volgens deze mededeling dient wekelijks per vrieshuis per produkt opgave te worden gedaan van de ingeslagen hoeveelheden met gebruikmaking van een daartoe verstrekt formulier; verder wordt bepaald dat deze formulieren ingevuld en vergezeld van de bewijsstukken inzake de inslag, zo tijdig dienen te worden ingezonden, dat ze in de week volgende op de inslag in het bezit zijn van het VIB.
Met dit interventiebureau heeft verzoekster in het hoofdgeding, Atalanta Amsterdam BV, in 1977 een aantal overeenkomsten gesloten in het kader van de steunverlening aan de opslag van varkensvlees. Zij is — en in het hoofdgeding is dit niet bestreden — de in artikel 3, lid 2, sub a, van verordening nr. 1889/76 genoemde verplichting (het binnen de gestelde termijn inslaan en gedurende de overeengekomen periode in opslag houden) volledig nagekomen. Ze heeft echter ten aanzien van enkele ingeslagen partijen verzuimd om het VIB de noodzakelijke bewijsstukken inzake de inslag tijdig toe te zenden in de zin van genoemde mededeling nr. 9/77; hierin ziet genoemd interventiebureau een niet-correcte nakoming van de in artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1889/76 genoemde verplichting. Derhalve heeft het VIB verzoekster op 1 november 1977 meegedeeld dat de door haar gestelde waarborg verbeurd was verklaard. Wat de toekenning van het steunbedrag betreft, moest verzoekster zich tot het Produktschap voor Vee en Vlees wenden, dat daarover zou moeten beschikken.
Naar aanleiding van een desbetreffend verzoek aan het Produktschap, dat tevens betrekking had op de verbeurte van de waarborg, werd verzoekster bij brief van 15 november 1977 meegedeeld dat zij geen opslagsteun zou krijgen omdat zij niet tijdig de noodzakelijke bewijsstukken inzake de inslag had overgelegd.
Verzoekster heeft daarop beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Dit beroep was zowel tegen de afwijzing van de steun als tegen de verbeurdverklaring van de waarborg gericht. In dit geding heeft het Produktschap verklaard dat het in zijn brief van 15 november 1977 geen beslissing inzake de verbeurdverklaring van de waarborgsommen heeft willen nemen, omdat dit volgens hem tot de bevoegdheid van het VIB behoort. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft bij beschikking van 1 november 1978 besloten de procedure te schorsen en het Hof van Justitie krachtens artikel 177, lid 3, EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„I
Brengen de bepalingen en de strekking van verordening nr. 2759/75 van de Raad, verordening nr. 2763/75 van de Raad — in het bijzonder artikel 1, lid 3 — en verordening nr. 1889/76 van de Commissie — in het bijzonder artikel 3, lid 2, artikel 4, lid 2, en artikel 8 — mee, dat de beslissingsbevoegdheid bij de uitvoering en toepassing van de bij die verordeningen voorziene en geregelde steunverlening aan de particuliere opslag in de sector varkensvlees, waaronder mede begrepen de regeling inzake het doen verlenen en het eventueel verbeurd verklaren van waarborgsommen, bij uitsluiting toekomt aan de nationale interventiebureaus,
ofwel
moeten die bepalingen en die strekking aldus worden verstaan, dat de bevoegdheid om te beslissen ten aanzien van de uitvoering en toepassing van de bij die voorschriften getroffen regelingen, zowel inzake de steunverlening als inzake de waarborgsommen, dan wel uitsluitend inzake de steunverlening, aan de nationale Lid-Staten toekomt, zij het met de verplichting om steun te verlenen volgens de met het betreffende interventiebureau gesloten overeenkomst?
II.
Brengt een juiste uitleg van het bepaalde bij artikel 6, leden 2 en 3, van verordening nr. 1889/76 van de Commissie mee, dat de opslaghouder
1.
recht heeft op steun wanneer alle in artikel 3, lid 2, onder a, van genoemde verordening vermelde verplichtingen volledig zijn nagekomen,
2.
recht heeft op uitbetaling van het steunbedrag, zodra is vastgesteld dat aan de contractuele verplichtingen is voldaan en, onder meer, de bewijsstukken inzake de inslag aan het interventiebureau zijn toegezonden, zij het dat die toezending niet, onverwijld' is geschied,
ofwel
moet het bepaaalde bij dat artikel 6, leden 2 en 3, aldus worden uitgelegd dat de opslaghouder, wanneer aan alle in artikel 3, lid 2, van genoemde verordening vermelde verplichtingen is voldaan, nochtans geen recht op steun kan doen gelden, indien de in artikel 3, lid 2, onder c), van die verordening genoemde bewijsstukken inzake de inslag weliswaar aan het betreffende interventiebureau zijn toegezonden, doch die toezending niet, onverwijld' is geschied?
III.
1.
Moeten onder de term verplichtingen' in artikel 4, lid 2, onder b), van verordening nr. 2763/75 worden verstaan uitsluitend de verplichtingen tot het inslaan en in opslag houden van varkensvlees, of moeten onder die term mede worden begrepen hulpverplichtingen met betrekking tot informatie en controle?
2.
Moeten onder de term verplichtingen' in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76 uitsluitend worden verstaan de verplichtingen tot het inslaan en in opslag houden van varkensvlees, of moeten onder die term mede worden begrepen de verplichtingen, genoemd in artikel 6, lid 2, onder b) tot en met e) van laatstgenoemde verordening?
3.
Indien artikel 4, lid 2, onder b), van verordening nr. 2763/75 aldus moet worden uitgelegd, dat onder de daar gebezigde term Verplichtingen' uitsluitend zijn te verstaan de verplichtingen tot het inslaan en in opslag houden van varkensvlees, doch in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76 onder diezelfde term ook de in artikel 3, lid 2, onder b) tot en met e) van diezelfde verordening, omschreven verplichtingen zijn te begrijpen, is evenbedoeld artikel 5, lid 2, dan in zoverre geldig?
IV.
1.
Moet artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76 aldus worden uitgelegd, dat de waarborgsom volledig verbeurd wordt verklaard, indien de betreffende hoofd- of hulpverplichtingen slechts gedeeltelijk niet zijn nagekomen?
2.
Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord, is dan dat artikel 5, lid 2, in zoverre wel verenigbaar met artikel 4, lid 2, onder b), van verordening nr. 2763/75, waar omtrent de waarborg is bepaald dat deze geheel of gedeeltelijk wordt verbeurd verklaard, indien de contractuele verplichtingen niet of slechts gedeeltelijk worden nagekomen', en zo neen, is dat artikel 5, lid 2, dan in zoverre ongeldig?”
Ten aanzien van deze vragen zou ik het volgende willen opmerken.
1.
In de eerste vraag wordt uitgegaan van de omstandigheid dat in de betrokken gemeenschapsverordeningen meermalen wordt gesproken van interventiebureaus die bepaalde taken hebben. Artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2759/75 luidt bij voorbeeld als volgt:
„De door de Lid-Staten aangewezen interventiebureaus treffen de interventiemaatregelen met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 7”.
Volgens artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2763/75 wordt „de steun aan de particuliere opslag verleend volgens met interventiebureaus gesloten overeenkomsten …” Bovendien wordt in artikel 3, lid 2, sub b, c en e, in artikel 4, lid 2, en in artikel 8 van verordening nr. 1889/76 gesproken van „het bevoegde interventiebureau”.
Mijns inziens hebben de Commissie en verweerder in het hoofdgeding echter terecht opgemerkt dat daarmee niet een speciale overheidsinstelling wordt bedoeld. Overtuigend vind ik bovendien het standpunt dat het gemeenschapsrecht in genoemde bepalingen niet heeft willen voorschrijven dat de betrokken interventiemaatregelen slechts door één orgaan kunnen worden genomen, en dat een verdeling van de taken over verschillende bureaus derhalve ontoelaatbaar zou zijn.
In dit verband zou ik willen herinneren aan de beginselen volgens welke de interferentie van gemeenschapsrecht en nationaal recht op landbouwgebied is geregeld. Op grond daarvan beperkt het gemeenschapsrecht zich in het algemeen ertoe belangrijke grondregels vast te stellen, terwijl de Lid-Staten tot taak hebben de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen in een volgens hen passende vorm te nemen in daarvoor in een geschikte procedure te voorzien. Dienovereenkomstig wordt er in de rechtspraak op gewezen, dat de Lid-Staten de organen moeten aanwijzen die in de nationale rechtsorde bevoegd zijn maatregelen te treffen ter vervulling van gemeenschapsrechtelijke verplichtingen, waarbij de vraag op welke wijze de staten bepaalde nationale organen kunnen belasten met de uitoefening en de nakoming van uit het Verdrag of verordeningen voortvloeiende bevoegdheden of verplichtingen, uitsluitend een aangelegenheid is van het constitutioneel bestel van elke Staat (zie arrest van 15 december 1971, gevoegde zaken 51-54/71, International Fruit, Jurispr. 1971, blz. 1116).
Ik zie niet in waarom voor de gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees een afwijkende regeling zou moeten gelden. In artikel 4, lid 3, van basisverordening nr. 2759/75 wordt veeleer heel in het algemeen van de door de Lid-Staten aangewezen interventiebureaus gesproken. Evenzo is in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2763/75 gekozen voor de formulering „volgens met interventiebureaus gesloten overeenkomsten”, waarin zeker niet één bepaalde overheidsinstelling wordt bedoeld.
Gemeenschapsrechtelijk gezien is het derhalve voldoende dat de door de Lid-Staten aangewezen bureaus interventiefuncties hebben, hetgeen het geval is wanneer hun bepaalde taken zijn toebedeeld in verband met de particuliere opslag (het sluiten van overeenkomsten, het uitbetalen van steun), of wanneer zij bevoegd zijn inzake de waarborgstelling en de verbeurte van de waarborg.
Evenzo kan men er vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt geen bezwaar tegen maken dat de taken worden verdeeld, dat derhalve — zoals in het onderhavige geval — één bureau (het Produktschap) in het algemeen bevoegd is inzake steunverlening en een ander (het VIB) beslissingen inzake de waarborg dient te nemen, omdat dit bureau de opslagoverenkomsten sluit en de nakoming daarvan beter kan beoordelen. Ik heb niet de indruk dat op die manier de toegang tot bedoelde interventiemaatregelen onevenredig wordt bemoeilijkt en het bedrijfsleven met name in vergelijking tot betrokkenen uit andere Lid-Staten — daarvan hinder ondervindt. Ik heb evenmin bedenkingen met het oog op een mogelijke competentiestrijd en de bevoegdheid van de verschillende gerechtelijke instanties. Weliswaar werd in dit verband terecht gewezen op de in het algemeen uit artikel 5 EEG-Verdrag en met name uit de landbouwverordeningen voortvloeiende verplichting van de Lid-Staten, de werking van de gemeenschappelijke marktordeningen niet in gevaar te brengen, doch van een dergelijk gevaar is tot nu toe blijkbaar geen sprake. Tijdens de mondelinge behandeling is uiteengezet dat integendeel, ook zonder uitdrukkelijke wettelijke regeling en organisatorische banden tussen de verschillende bevoegde bureaus, een effectieve coördinatie plaats vindt door voortdurende nauwe contacten, waarbij het VIB zijn beslissingen naar het schijnt aan die van het Produktschap aanpast. Anderzijds wordt de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht gewaarborgd doordat het Hof bevoegd is om dit uit te leggen en die bevoegdheid tegenover alle nationale rechterlijke instanties geldt.
De eerste vraag van het College van Beroep kan derhalve in beginsel worden beantwoord in de zin van het tweede in deze vraag vervatte alternatief.
2.
In de tweede plaats wordt gevraagd wanneer het recht op steun en op uitbetaling daarvan ontstaat, en met name of dit recht ondanks nakoming van alle in artikel 6, leden 2 en 3, van verordening nr. 1889/76 genoemde verplichtingen vervalt, indien de bewijsstukken inzake de inslag niet onverwijld aan het interventiebureau worden toegezonden overeenkomstig artikel 3, lid 2, sub c, van de verordening.
In dit verband heeft de Commissie terecht opgemerkt dat de gemeenschapsverordeningen dwingende voorschriften bevatten voor de contractuele betrekkingen bij de als interventiemaatregel geldende particuliere opslag van varkensvlees, waardoor zij tot op zekere hoogte het nationale verbintenissenrecht terzijde schuiven. De gemeenschapsbepalingen kunnen voorts aldus worden uitgelegd dat bij de hier in het geding zijnde interventiemaatregelen moet worden onderscheiden tussen hoofdverplichtingen en bijkomstige verplichtingen van degene die in aanmerking wil komen voor genoemde interventiemaatregelen.
Klaarblijkelijk dient de in artikel 3, lid 2, sub a, van verordening nr. 1889/76 van de Commissie bedoelde verplichting om „de overeengekomen hoeveelheid van het betrokken produkt voor eigen rekening en risico binnen de gestelde termijn in te slaan en gedurende de overeengekomen periode in opslag te houden …” als hoofdverplichting te worden beschouwd. Dit kan zonder meer worden afgeleid uit artikel 6, lid 2, van deze verordening, bepalende dat, onverminderd de overige verplichtingen van de opslaghouder, deze pas recht op steun heeft wanneer aan alle in artikel 3, lid 2, sub a, genoemde verplichtingen volledig is voldaan. Er kan volgens deze bepaling immers geen twijfel over bestaan dat aan het recht op steun slechts de voorwaarde is verbonden dan aan de inslagverplichtingen wordt voldaan. Indien het ontstaan van dat recht namelijk afhankelijk was van de vervulling van alle contractuele verplichtingen, dan zou men in artikel 6, lid 2, van de verordening van de Commissie zeker niet de woorden „onverminderd de overige verplichtingen” hebben gekozen, doch uitdrukkelijk naar alle in artikel 3, lid 2, genoemde en niet alleen naar de sub a) genoemde verplichtingen hebben verwezen.
Blijkens het van lid 2 duidelijk losstaande lid 3 van artikel 6, dat een volledig op zichzelf staande gedachte uitdrukt, wordt de steun daarentegen uitbetaald nadat is vastgesteld dat aan alle contractuele verplichtingen is voldaan, dus ook aan de in artikel 3, lid 2, sub c, genoemde bewijsplicht. Bij deze laatste verplichting gaat het volgens het systeem van de verordening enkel om een hulpverplichting, die alleen dient voor een goede administratie en het de bevoegde bureaus mogelijk moet maken om de noodzakelijke controle uit te oefenen.
In het licht van deze overwegingen en gezien de verschillende in het geding zijnde belangen zou het zeker niet passen om de bepaling van artikel 3, lid 2, sub c, — het onverwijld toezenden van de bewijsstukken inzake de inslag — aan te merken als een fatale termijn in die zin, dat bij niet-inachtneming daarvan het recht op steun vervalt. Dat zou in schrille tegenstelling staan met de duidelijke tekst van artikel 6, lid 2, en zou het door de auteur van de verordening gewilde onderscheid tussen het ontstaan van het recht en de uitoefening daarvan teniet doen. Bovendien heeft de Commissie er terecht aan herinnerd dat volgens de algehele systematiek van de regeling ook op andere wijze doeltreffend kan worden gewaarborgd dat de bewijsplicht op tijd wordt vervuld, namelijk doordat een deel van de gestelde waarborg verbeurd wordt verklaard. Een dergelijke sanctie is voor deze plicht, die als een bijkomstige verplichting van de opslaghouder is te beschouwen, ongetwijfeld toereikend en het is ook de enige die in overeenstemming is met het in dit verband belangrijke evenredigheidsbeginsel. Daarbij dient stellig ook nog te worden bedacht — dit terzijde, omdat dit niet werd gevraagd —, dat „tijdig” in de zin van de verordening van de Commissie, waarin immers de term „onverwijld” wordt gebruikt, niet onder alle omstandigheden hoeft te betekenen dat de door het Nederlandse interventiebureau vastgestelde termijn van een week in acht moet worden genomen, doch dat hiervoor — naar gelang van de omstandigheden — ook een kortere of langere termijn in aanmerking kan komen.
Op de tweede vraag dient derhalve te worden geantwoord dat een recht op uitbetaling van de steun nadat alle contractuele verplichtingen behoorlijk zijn nagekomen, ook dan bestaat wanneer bij de toezending van de bewijsstukken inzake de inslag de enkel als ordeningsbepaling te beschouwen termijn van artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1889/76 van de Commissie niet in acht is genomen.
3.
De derde vraag heeft betrekking op de verplichting van de opslaghouder om een waarborg te stellen en op de verbeurte daarvan. Het gaat hier om de uitlegging van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 2763/75 bepalende dat de belanghebbenden, als garantie dat zij hun verplichtingen zullen nakomen, een waarborg dienen te stellen welke geheel of gedeeltelijk wordt verbeurd indien de contractuele verplichtingen niet of slechts gedeeltelijk worden nagekomen, alsmede om de uitlegging — en eventueel een onderzoek naar de geldigheid — van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76, luidende: „De waarborg wordt volledig verbeurd, indien de contractuele verplichtingen niet worden nagekomen”.
Hierover hoeft slechts het volgende te worden opgemerkt:
Uit de tekst van artikel 4, lid 1, sub b, waarin wordt gesproken van „het aangaan van overeenkomsten” en vervolgens van de garantie dat de contractuele verplichtingen zullen worden nagekomen, blijkt mijns inziens duidelijk dat het stellen van de waarborg het nakomen van alle contractuele verplichtingen dient te garanderen, dus niet alleen van de hoofdverplichtingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, sub a, van verordening nr. 1889/76, maar ook van de bijkomstige verplichtingen en met name van de sub c bedoelde verplichting om de bewijsstukken inzake de inslag onverwijld toe te zenden. Hiervoor bestaan ook goede gronden, want ook de bijkomstige verplichtingen hebben hun betekenis — de sub c bedoelde in het bijzonder voor het uitvoeren van de noodzakelijke controle —, zodat het ondenkbaar lijkt dat in dit verband geen sancties zouden bestaan.
In die zin dient ook de uitvoeringsverordening van de Commissie te worden uitgelegd. Aangezien in haar artikel 5, lid 2, heel in het algemeen van de contractuele verplichtingen wordt gesproken en niets in de verordening of haar considerans erop wijst dat enkel op de hoofdverplichtingen kan zijn gedoeld, moet worden aangenomen dat de waarborg wordt verbeurd bij niet-inachtneming van alle contractuele verplichtingen.
Bij gevolg dient de derde vraag in die zin te worden beantwoord. Bij deze uitlegging wordt bovendien duidelijk dat op de vraag betreffende de geldigheid van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76 niet hoeft te worden ingegaan. Deze vraag zou immers alleen dan rijzen indien in artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 2763/75 van de Raad onder de verplichtingen waarvan de nakoming door het stellen van een waarborg dient te worden gegarandeerd, slechts de hoofdverplichtingen inzake inslag en opslag zouden moeten worden verstaan, en de in de verordening van de Commissie bedoelde verbeurte van de waarborg op alle verplichtingen betrekking zou hebben.
4.
Het eerste deel van vraag 4 heeft betrekking op de uitlegging van het reeds genoemde artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76, en houdt in of op grond van genoemde bepaling ook dan alleen een volledige verbeurte van de waarborg in aanmerking komt, wanneer de contractuele verplichtingen tenminste gedeeltelijk werden nagekomen.
Gelet op de tekst van deze ook reeds in ander verband genoemde bepaling lijkt deze vraag bevestigend te moeten worden beantwoord. De Commissie heeft echter op overtuigende wijze aangetoond dat de werkelijke inhoud in het onderhavige geval niet op deze oppervlakkige manier kan worden bepaald. Veeleer dient te worden bedacht dat de verordening van de Commissie slechts ter uitvoering van met name 's Raads verordening nr. 2763/75 is vastgesteld. Zij moet derhalve in het licht van deze verordening van de Raad en met name van artikel 4, lid 2, sub b, daarvan worden uitgelegd, omdat men ervan kan uitgaan dat zij binnen het kader van deze verordening van de Raad blijft, ten aanzien waarvan zij slechts een dienende functie heeft. Voorts dient bij de uitlegging van de verordening van de Commissie rekening te worden gehouden met het reeds genoemde, ook in het gemeenschapsrecht geldende evenredigheidsbeginsel, waarvan moet worden aangenomen dat de Commissie zich bij de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen eraan heeft willen houden. Zoals bekend is onlangs in het arrest van 20 februari 1979 (zaak 122/78, SA, Buitoni) uitgemaakt, dat dit beginsel een volledige verbeurte van de waarborg uitsluit wanneer slechts het bewijs van invoer niet binnen de voorgeschreven termijn is overgelegd.
Houdt men dit voor ogen en bedenkt men in het bijzonder dat in artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 2763 van de Raad ook van een gedeeltelijke verbeurdverklaring van de waarborg wordt gesproken, dan kan er geen twijfel over bestaan dat een dergelijke gedeeltelijke verbeurdverklaring ook volgens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76 van de Commissie — die nu overigens, zoals wij hebben gehoord, uitdrukkelijk in die zin zou worden veranderd — mogelijk moet zijn. Dit zal met name moeten worden overwogen wanneer de bewijzen inzake de inslag niet alleen voor gedeelten van een overeenkomst niet werden overgelegd of wanneer de opslaghouder deze slechts als accessoir te beschouwen verplichting niet tijdig is nagekomen.
Bij deze uitlegging van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76 van de Commissie, en juist omdat deze verordening een gedeeltelijke verbeurdverklaring van de waarborg mogelijk maakt, behoeft voor de beantwoording van de vierde vraag geen onderzoek meer te worden ingesteld naar de verenigbaarheid met verordening nr. 2763/75 van de Raad, die — zoals is aangetoond — in zoverre een uitdrukkelijk onderscheid maakt.
5.
Concluderend zou ik derhalve willen voorstellen, de prejudiciële vragen van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te beantwoorden als volgt:
a)
De verordeningen nrs. 2759/75, 2763/75 en 1889/76 dienen aldus te worden uitgelegd, dat het aan de Lid-Staten staat om de nationale bureaus aan te wijzen die de beslissingsbevoegdheden, genoemd in de verordeningen inzake de toekenning van steun bij opslag en de waarborgregeling, moeten uitoefenen.
b)
Blijkens artikel 6, leden 2 en 3, van verordening nr. 1889/76 heeft een opslaghouder, ook indien hij de bewijsstukken inzake de inslag niet tijdig aan het interventiebureau heeft toegezonden, recht op steun, wanneer alle in artikel 3, lid 2, sub a, van deze verordening genoemde verplichtingen volledig zijn vervuld, en moet de steun worden uitbetaald, indien komt vast te staan dat alle contractuele verplichtingen, ook die tot toezending van de bewijsstukken inzake de inslag, zijn vervuld.
c)
Onder „verplichtingen” in de zin van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 2763/75 en artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76 dienen alle in artikel 3, lid 2, sub a tot en met e, van verordening nr. 1889/76 genoemde verplichtingen te worden verstaan.
d)
Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1889/76 dient aldus te worden uitgelegd, dat de waarborg geheel of gedeeltelijk verbeurd wordt verklaard indien de contractuele verplichtingen niet of slechts gedeeltelijk worden nagekomen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy