CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 31 JANUARI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De zaak waarin ik heden concludeer, betreft de bijzondere, voor de verwerkende industrie bestemde invoerregeling voor bevroren rundvlees, zoals die sinds het begin van 1977 is toegepast. Ik acht het onnodig in te gaan op de details van deze op de gemeenschappelijke marktordening voor rundvlees (verordening nr. 805/68, PB L 148 van 1968, blz. 24) gebaseerde en in een reeks van verordeningen neergelegde regeling. Die details zijn uitvoerig ter sprake gekomen in het arrest van 6 maart 1979 (zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr. 1979, blz. 777). Ik verwijs hier dan ook naar het arrest en mijn conclusie in die zaak.
Die zaak, eveneens aanhangig gemaakt door Simmenthal, had rechtstreeks betrekking op een door de Commissie voor het eerste kwartaal van 1978 gegeven beschikking tot vaststelling van de minimumprijzen voor de verkoop van bevroren rundvlees door de interventiebureaus en van de hoeveelheden bevroren rundvlees die in het eerste kwartaal van 1978 op bijzondere voorwaarden mochten worden ingevoerd. In hoofdzaak ging het echter om de rechtsgrondslag van de beschikking, te weten de aard en de vormgeving van de bijzondere invoerregeling. De hiertegen aangevoerde argumenten heeft het Hof ruimschoots gegrond geoordeeld. Zo heeft het in zijn arrest van 6 maart 1979 geoordeeld dat het niet gerechtvaardigd is, ondernemingen die niet tot de verwerkende industrie behoren, het voordeel van de bijzondere invoerregeling toe te kennen, en het voorts bezwaarlijk geacht dat het in het kader van het koppelingsstelsel aangekochte vlees op iedere door de koper gewenste wijze kan worden gebruikt. Weliswaar kon tegen invoering van het inschrijvingsstelsel voor de verkoop van vlees uit interventievoorraden geen bezwaar worden gemaakt, doch de werking van dit stelsel werd verstoord dooide toelating van een te groot aantal inschrijvers, met als gevolg dat de minimumprijzen aanzienlijk hoger kwamen te liggen dan de prijs die bij afname van interventievoorraden normaliter wordt betaald. Voorts leidde de vaststelling van een per inschrijver maximaal te betrekken hoeveelheid vlees uit interventievoorraden tot een te ver gaande spreiding van het invoercontingent en tot een benadeling van de grote verwerkende industrieën, hetgeen te vermijden was geweest indien hogere bovengrenzen waren vastgesteld. Op grond van een en ander heeft het Hof de litigieuze beschikking ten aanzien van verzoekster nietig verklaard.
Overeenkomstig het bevel aan het slot van het arrest heeft de Commissie verzoeksters situatie opnieuw onderzocht. Omdat de Commissie echter tevens werd verzocht in aanmerking te nemen, dat het koppelingsstelsel er in geen geval toe kon leiden dat de verwerkende industrie erop mocht rekenen interventievlees te kunnen betrekken tegen een prijs welke lager was dan die welke in het betrokken tijdvak voor uit interventievoorraden betrokken vlees normaliter werd betaald, en aangezien de offerte van verzoekster 1091 RE/ton bedroeg terwijl de normale verkoopprijs destijds bij 1290 RE/ton lag, kwam de Commissie tot de conclusie dat verzoeksters offerte, ook na hernieuwd onderzoek, moest worden afgewezen. Verzoekster beweert eerst tijdens de onderhavige procedure van deze op 19 april 1979 gegeven beschikking te hebben kennis genomen. In ieder geval zou deze haar eerst in september 1979 door het Italiaanse interventiebureau zijn meegedeeld.
Daarnaast heeft de Commissie ook haar consequenties getrokken uit de in het arrest naar voren gebrachte bezwaren tegen de rechtsgrondslagen van het koppelingsstelsel. Bij verordening nr. 535/79 van 21 maart 1979 (PB L 71 van 1979, blz. 15) heeft zij de toepassing van bedoeld stelsel voorlopig geschorst en de bijzondere invoerregeling gewijzigd bij de verordeningen nrs. 1136, 1137 en 1138/79 van 8 juni 1979 (PB L 141 van 1979, blz. 10, 13 en 15), in werking getreden op 1 juli 1979.
Nog in de loop van de procedure in zaak 92/78 — en daarmee kom ik toe aan de onderhavige zaak — vond op grond van de toen nog ongewijzigde regeling een inschrijving voor het vierde kwartaal van 1978 plaats. Daarvoor gold het algemeen bericht inzake periodieke inschrijvingen voor de verkoop van bevroren rundvlees dat in het bezit is van de interventiebureaus (PB C 11 van 1978, blz. 16), dat reeds in zaak 92/78 ter sprake kwam, alsmede het bericht van inschrijving nr. It. P 4 — verordening nr. 2900/77 — betreffende de verkoop van bepaalde hoeveelheden bevroren rundvlees, met been, uit de voorraad van het Italiaanse interventiebureau (PB C 225 van 1978, blz. 43). Verzoekster nam aan deze inschrijving deel, ditmaal met een offerte van 950 RE/ton. Haar offerte werd echter wederom afgewezen, omdat bij beschikking van de Commissie van 27 oktober 1978 (PB L 326 van 1978, blz. 14) de minimumprijs voor Italië op een aanzienlijk hoger niveau (1539 RE of hoger) was vastgesteld. Hiervan werd verzoekster op de hoogte gesteld bij schrijven van het Italiaanse interventiebureau AIMA.
Daartegen heeft zij zich vervolgens op 3 november 1978 opnieuw tot het Hof van Justitie gewend onder aanvoering van de reeds uit zaak 92/78 bekende argumenten. Zij vordert
—
nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 27 oktober 1978 alsmede
—
indien nodig niet-toepasselijkheidverklaring van inschrijving nr. It. P 4 — verordening nr. 2900/77 —, het algemeen bericht inzake periodieke inschrijvingen voor de verkoop van bevroren rundvlees dat in het bezit is van de interventiebureaus, verordening nr. 571/78 van de Commissie, inzonderheid de artikelen 9, 11 en 12, en verordening nr. 2900/77.
Volgens de Commissie moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard op grond dat verzoekster geen belang zou hebben bij rechtsbescherming en zij vordert derhalve dat het beroep wordt afgewezen. Tot staving van haar betoog verwijst zij naar bovengenoemd arrest in zaak 92/78, waarin het ging om een gelijksoortige, voor het eerste kwartaal van 1978 gegeven beschikking. Het Hof heeft toen — aldus de Commissie — in twee opzichten verzoeksters belang bij het beroep erkend: enerzijds omdat verzoekster na nietigverklaring van de beschikking kon trachten „het daarheen te leiden dat de Commissie haar alsnog recht doet wedervaren” (r.o. 31 tot en met 33), en anderzijds omdat zij de Commissie kon trachten te bewegen om, zo mocht blijken dat het inschrijvingsstelsel niet aan bepaalde eisen voldeed, daarin voor de toekomst de nodige wijzigingen te brengen. Volgens de Commissie gaan deze twee overwegingen in casu evenwel niet meer op. Het koppelingsstelsel is intussen gewijzigd, zodat verzoekster er geen belang bij zou hebben, nogmaals een uitspraak van het Hof over het vroegere stelsel uit te lokken. Die uitspraak zou alleen maar indentiek aan die in zaak 92/78 kunnen zijn. Voorts zou nietigverklaring van de dooide Commissie voor het vierde kwartaal van 1978 gegeven beschikking voor verzoekster geen zin hebben, omdat nu reeds vaststaat dat een nieuw onderzoek van verzoeksters offerte alleen maar tot afwijzing zou kunnen leiden. Die volgt volgens de Commissie uit de overweging aan het einde van het arrest, dat verzoeksters bieding moest worden verworpen indien zij lager bleek te zijn dan de prijs welke in het betrokken tijdvak voor uit interventievoorraden betrokken vlees normaliter werd betaald, en uit de omstandigheid dat de normale verkoopprijs destijds op grond van verordening nr. 2836/77 1291 RE/ton bedroeg, terwijl verzoeksters offerte op 950 RE/ton luidde.
Hierover dient mijns inziens het volgende te worden opgemerkt.
1.
Ik zou hier meteen al willen zeggen dat het betoog van de Commissie inzake de ontvankelijkheid van het beroep mijns inziens geen stand houdt.
Verzoekster heeft terecht opgemerkt dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep volgens de algemene opvatting het moment van instelling van het beroep doorslaggevend is. Bij de instelling van het beroep op 3 november 1978 was het arrest in zaak 92/78, waarop de Commissie haar betoog inzake de niet-ontvankelijkheid baseert, evenwel nog niet uitgesproken. De procedure in zaak 92/78 werd veeleer eerst met de beslissing van het Hof van 6 maart 1979 afgerond.
De vraag betreffende de ontvankelijkheid van het beroep moet derhalve evenals in zaak 92/78 bevestigend worden beantwoord, omdat het duidelijk is dat de litigieuze beschikking verzoekster rechtstreeks en individueel heeft geraakt — voor bijzonderheden daarover kan ik verwijzen naar mijn conclusie en het arrest in zaak 92/78 — en omdat verzoekster destijds in ieder geval belang had bij nietigverklaring van de beschikking, aangezien de Commissie daarna eventueel kon worden verzocht in verzoeksters rechtssituatie de passende wijzigingen aan te brengen. Daarbij behoeft niet te worden ingegaan op de vraag of in dit verband ook belang moet worden toegekend aan het reeds in zaak 92/78 gedane verzoek, de Commissie ertoe te bewegen het betrokken stelsel te wijzigen.
Later, in de loop van de gerechtelijke procedure optredende gebeurtenissen kunnen in deze vaststelling geen verandering brengen, dat wil zeggen zij kunnen aan de ontvankelijkheid van het beroep niet als het ware naderhand de grondslag ontnemen. Zij kunnen hooguit ertoe leiden dat het beroep zijn belang verliest, of een situatie scheppen waarin redelijkerwijs geen aanleiding meer bestaat tot voortzetting van de procedure.
Het eerste is in casu zeker niet het geval. Inderdaad kan niet worden ontkend, dat het met de uitspraak van het arrest in zaak 92/78 vaststond dat de Commissie de bijzondere invoerregeling moest wijzigen en dat derhalve — vooral omdat ervan kan worden uitgegaan dat de Commissie aan een arrest van het Hof ook uitvoering geeft — in dit opzicht geen aanleiding meer bestond nogmaals een uitspraak van het Hof uit te lokken, die niet anders kon luiden dan de uitspraak in zaak 92/78, omdat het beroep in beide zaken op dezelfde gronden berust. Maar daarmee verliest het onderhavige beroep niet zijn belang in de ware zin des woords. Daarvan had alleen sprake kunnen zijn, indien de litigieuze beschikking niet meer bestond. Daarvan was evenwel geen sprake, ook niet na vaststelling van de verordeningen nrs. 1136, 1137 en 1138/79, omdat daarmee het betrokken stelsel alleen voor de toekomst werd gewijzigd en aan de litigieuze beschikking derhalve niet de rechtsgrondslag werd ontnomen.
De vraag of er na de uitspraak in zaak 92/78 redelijkerwijs aanleiding bestond tot intrekking van het beroep en de voortzetting van de procedure bijgevolg ongeoorloofd kon worden geacht, is alleen van belang voor de beslissing omtrent de kosten. In het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid en de daarmee samenhangende problemen behoeft op die vraag derhalve niet verder te worden ingegaan.
2.
Indien men derhalve het beroep ontvankelijk acht, dan levert het daarop aansluitende onderzoek van zijn gegrondheid niet de minste problemen op. Ik heb reeds in het begin erop gewezen, dat de in casu gewraakte beschikking van de Commissie „tot vaststelling van de minimumprijzen voor bevroren rundvlees dat door de interventiebureaus te koop is aangeboden op grond van verordening (EEG) nr. 2900/77 en van de hoeveelheden bevroren rundvlees voor verwerking die in het vierde kwartaal van 1978 op bijzondere voorwaarden mogen worden ingevoerd”, op dezelfde rechtsgrondslag berust als de in zaak 92/78 aangevochten beschikking. Derhalve blijft er niets anders over dan, evenals in zaak 92/78, de gebrekkigheid vast te stellen van deze rechtsgrondslag, waartegen dezelfde argumenten naar voren zijn gebracht. En dan — voor bijzonderheden verwijs ik hier naar het arrest in zaak 92/78 — staat ook vast dat de daarop gebaseerde beschikking van de Commissie van 27 oktober 1978 eveneens moet worden nietig verklaard, zij het slechts ten aanzien van verzoekster, dus met behoud van haar werking voor het overige.
3.
Ik zou vervolgens willen ingaan op de hiervoor reeds aangeduide vraag — van belang voor de beslissing omtrent de kosten — of er voor verzoekster na de uitspraak van het arrest in zaak 92/78 van 6 maart 1978 niet dringend aanleiding bestond van voortzetting van de onderhavige procedure — die zich in het schriftelijke stadium vóór indiening, op 30 juli 1979, van de conclusie van repliek bevond — af te zien, hetgeen tot de gevolgtrekking zou kunnen leiden dat zij ten laste van de Commissie kosten heeft veroorzaakt „welke vergeefs zijn aangewend, dan wel van vexatoire aard zijn” (artikel 69, paragraaf 3, Reglement voor de procesvoering), en dat zij derhalve, ook al wordt zij in het gelijk gesteld, tot vergoeding van die kosten moet worden veroordeeld.
Indien ik het goed begrijp, is dit de opvatting van de Commissie, ook al spreekt zij niet uitdrukkelijk van een beslissing omtrent de kosten in de zin van artikel 69, paragraaf 3. Zij verwijst daartoe naar een overweging aan het einde van het arrest in zaak 92/78, op grond waarvan de Commissie gehouden was verzoeksters situatie opnieuw te onderzoeken en ten aanzien van verzoekster opnieuw te beslissen. Daarbij had zij — aldus het Hof — evenwel in aanmerking te nemen dat de aankoop van vlees uit interventievoorraden door de verwerkende bedrijven tegen een prijs welke lager lag dan die welke in het betrokken tijdvak voor uit interventievoorraden betrokken vlees normaliter werd betaald, ontoelaatbaar zou zijn. Verzoeksters offerte moest derhalve worden afgewezen, indien zij beneden dat niveau bleek te liggen. Juist daarvan — aldus de Commissie — was in het geval van verzoekster ook sprake waar het haar offerte voor het vierde kwartaal van 1978 betreft. De normale prijs voor interventierundvlees, dat wil zeggen voor vlees zonder verplichte bestemming, zou destijds 1291 RE/ton hebben bedragen, terwijl verzoeksters offerte slechts 950 RE/ton bedroeg. Voor de Commissie is het dan ook duidelijk, dat nietigverklaring van haar voor het vierde kwartaal van 1978 genomen beschikking en een nieuw onderzoek van verzoeksters offerte niet tot een voor verzoekster gunstig resultaat kan leiden en dat de vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 27 oktober 1978 derhalve zinloos moet worden geacht.
Volgens verzoekster ligt de door de Commissie aan genoemd arrest gegeven uitlegging niet voor de hand. Het was dan ook volstrekt niet zinloos, de onderhavige procedure na de uitspraak van het arrest voort te zetten om een precies antwoord te krijgen op de vraag, welk onderzoek de Commissie na nietigverklaring van haar beschikking van oktober 1978 zou moeten verrichten. Het mag — aldus verzoekster — immers niet over het hoofd worden gezien, dat de Commissie in het arrest in zaak 92/78 werd opgedragen, verzoeksters situatie met inachtneming van de redengeving van het arrest opnieuw te onderzoeken. In zoverre is het volgens verzoekster van belang dat het Hof het bezwaarlijk heeft geoordeeld dat het in het kader van het koppelingsstelsel aangekochte vlees op iedere door de koper gewenste wijze kon worden aangewend en dat de voor iedere offerte vastgestelde maximumhoeveelheden, dat wil zeggen het buiten beschouwing laten van de verwerkingscapaciteit van grote ondernemingen, is gelaakt. Derhalve moet worden aangenomen, aldus verzoekster, dat bij een nieuw onderzoek van haar situatie de bij de inschrijving vastgestelde maximaal te betrekken hoeveelheid interventievlees — 100 ton — te laag zou moeten worden geacht. Voorts kan volgens haar de minimumverkoopprijs voor vlees uit interventievoorraden alleen worden vastgesteld met inachtneming van de overige verkopen aan verwerkende bedrijven en niet aan de hand van de verkopen van vlees dat op willekeurige wijze kan worden aangewend. Omdat evenwel vlees uit interventievoorraden destijds aan verwerkende bedrijven werd verkocht tegen een prijs die overeenstemde met verzoeksters offerte (950 RE/ton), is het volgens verzoekster geenszins uitgesloten, doch juist heel waarschijnlijk, dat de Commissie na nietigverklaring van haar beschikking en na een nieuw onderzoek van verzoeksters offerte tot een voor haar gunstige beschikking had kunnen komen.
Men zou zich — in navolging van de Commissie — eigenlijk kunnen afvragen of dit geschil over de uitlegging van het arrest in zaak 92/78 niet overeenkomstig de daarvoor voorziene bijzondere procedure van artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering aanhangig moet worden gemaakt. Overigens moet worden toegegeven, dat dit nauwelijks reden had kunnen zijn het overhavige beroep nog in de loop van de schriftelijke behandeling in te trekken; men zou hooguit hebben kunnen denken aan schorsing van de procedure in afwachting van een beslissing houdende uitlegging van het arrest in zaak 92/78. De voortzetting van de onderhavige procedure had dan ook voor wat de kosten betreft niet als ongeoorloofd kunnen worden aangemerkt.
Voor een beslissing over de uitlegging van het arrest in zaak 92/78 is het van belang dat de Commissie in het arrest in die zaak weliswaar werd gelast verzoeksters situatie met inachtneming van de redengeving van het arrest opnieuw te onderzoeken, doch dat de beschikking van de Commissie alleen ten aanzien van verzoekster nietig werd verklaard en derhalve voor het overige onaangetast bleef. Derhalve moet in beginsel worden betwijfeld, of een juiste tenuitvoerlegging van het arrest ertoe zou kunnen leiden dat naderhand voor honderd procent een situatie wordt geschapen die eigenlijk volgens het Hof in overeenstemming zou zijn geweest met het betrokken stelsel.
Men dient vooral voor ogen te houden, dat het bij de toenmalige inschrijving niet ging om de verkoop uit interventievoorraden van voor verwerking bestemd vlees, maar dat het vlees betrof dat op willekeurige wijze kon worden aangewend, en dat daarvoor bijzondere offertes zijn gedaan. Voor dergelijk vlees met zijn relatief hoge waarde kon echter uit de aard der zaak niet een prijsniveau in aanmerking komen dat zo nu en dan geldt bij bijzondere verkopen van uitsluitend voor verwerking geschikt en gedurende langere tijd opgeslagen vlees uit interventievoorraden. Bovendien mag niet worden vergeten dat aan het einde van het arrest in zaak 92/78 enkel van een nieuw onderzoek van verzoeksters offerte wordt gesproken. Bijgevolg dient de Commissie uit te gaan van de hoeveelheden die daarin met inachtneming van de inschrijvingsvoorwaarden zijn genoemd. Zij kan evenwel geen geheel andere hoeveelheden toewijzen, die eventueel na wijziging van het betrokken stelsel bij uitsluitende inachtneming van de verwerkingscapaciteiten — dus met uitsluiting van de handelaren — zouden kunnen worden toegewezen.
Voorts is het van belang dat het Hof in zijn arrest in zaak 92/78 heeft erkend dat terecht een inschrijving, dat wil zeggen een soort veiling werd gehouden ter bereiking van een optimaal resultaat, en dat daarnaast werd beklemtoond dat de verwerkende industrie door het koppelingsstelsel terecht deelde in de lasten, verbonden aan het afbouwen van het rundvleesoverschot. Het is dan ook duidelijk, dat met de bijzondere regeling prijzen voor vlees uit interventievoorraden kunnen worden nagestreefd, die boven het niveau van andere verkopen liggen. Nu de Commissie heeft aangetoond dat de afzet van speciaal voor verwerking bestemd vlees uit interventievoorraden tegen een vooraf vastgestelde prijs ook bij verkoop van grotere hoeveelheden nooit problemen heeft opgeleverd, betekent dit ook dat de verwerkende industrie terecht bij de afzet van ander interventievlees werd betrokken, dat wil zeggen vlees waarvoor met het oog op de vele gebruiksmogelijkheden en de kortere opslagperiode hogere prijzen moeten gelden. Zoniet dan zou men de verwerkende industrie een ongerechtvaardigd dubbel voordeel verschaffen, namelijk invoer met schorsing van de heffing en de bijzonder gunstige aankoop van interventievlees.
Ten slotte is het nog van belang dat waar het arrest de Commissie een nieuw onderzoek van verzoeksters situatie gelast — dat, indien de offertes van handelaren buiten beschouwing worden gelaten, mogelijk tot een lagere dan de in de beschikking vastgestelde minimumprijs leidt —, ook van een absoluut bindende benedengrens wordt gesproken: de prijs mag niet lager liggen dan die welke voor uit interventievoorraden betrokken vlees normaliter wordt betaald. Luidens de desbetreffende rechtsoverwegingen (106 tot en met 110) — waarin wordt gesproken van een gedurende een bepaalde periode betaalde prijs — kan hiermee zeker niet zijn gedoeld op een schijnprijs, die alsnog met terugwerkende kracht aan de hand van heel speciale offertes zou kunnen worden vastgesteld. Op grond van de door het Hof goedgekeurde elementen van het koppelingsstelsel lijkt het evenwel ook uitgesloten, dat hierbij moet worden gedacht aan de prijzen die op een gegeven ogenblik hebben gegolden voor de op korte termijn gehouden bijzondere verkopen uit interventievoorraden — voor verwerking, voor sociale doeleinden of voor export. Klaarblijkelijk wordt veeleer gedoeld op de prijs die over langere periodes voor de permanente verkopen uit interventievoorraden gold in die — zoals ik reeds zei — gezien de gebruiksmogelijkheden en opslagperiodes van het vlees noodzakelijkerwijs hoger ligt dan die welke bij bijzondere verkopen geldt. Daarvoor valt ook een aanwijzing te putten uit de procedure in zaak 92/78. Daarin werd de Commissie (zie de brief van de griffier van 9 oktober 1978) naar een aantal prijzen gevraagd, en daarbij werd door niemand in twijfel getrokken dat de prijs van 1291 RE/ton als de normale verkoopprijs voor interventievlees moest worden beschouwd.
Op grond van het voorgaande lijdt het geen twijfel, dat verzoeksters offerte voor het vierde kwartaal van 1978 terecht niet tot toewijzing leidde en dat bijgevolg een nieuw onderzoek van verzoeksters situatie na nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van oktober 1978 haar niets zou opleveren. Gezien de verschillen van opvatting die in de onderhavige procedure over de uitlegging van het arrest in zaak 92/78 naar voren zijn gebracht, ben ik evenwel van mening dat het hier niet een dermate duidelijke uitlegging betreft, dat een belang van verzoekster bij voortzetting van de procedure geheel zou moeten worden ontkend en die voortzetting derhalve als ongeoorloofd zou moeten worden aangemerkt. Van een beslissing omtrent de kosten ten nadele van verzoekster voor wat betreft het na indiening van de conclusie van repliek gelegen tijdvak, moet derhalve worden afgezien.
4.
Ik concludeer dan ook dat het door Simmenthal ingestelde beroep ontvankelijk en gegrond moet worden verklaard. De litigieuze beschikking dient te worden nietig verklaard, zonder dat daaraan evenwel voor de Commissie de verplichting is verbonden een nieuwe, voor verzoeksters offerte positieve beschikking te geven. Bijgevolg dient de beslissing omtrent de kosten op artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering te worden gebaseerd.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy