CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 7 JUNI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Inleiding
In de onderhavige zaak bestrijden twee ambtenaren van de categorie C, mevrouw Anselme en de heer Constant, de besluiten van een jury om hen niet toe te laten tot een intern vergelijkend onderzoek ter vorming van een reserve van beschikbare personen voor aanstelling als technisch assistenten in de rangen 5 en 4 van categorie B. Het wezenlijke geschilpunt is, of het oordeel van de jury dat verzoekers niet voldeden aan de voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek, op dwaling berust. Voorts heeft de Commissie, weliswaar niet formeel, de kwestie van de ontvankelijkheid aangeroerd.
De aankondiging van vergelijkend onderzoek (bijlage 4 bij het verzoekschrift) droeg het nummer COM/BT/7/76 en was, in overeenstemming met de door de Commissie gevolgde praktijk, niet gedateerd. Zij schijnt te zijn bekendgemaakt in september of oktober 1977. In de aankondiging stond vermeld dat het vergelijkend onderzoek enkel aan de hand van een examen zou plaatsvinden en dat de geldigheidsduur van de reservelijst, behoudens verlenging, zou aflopen op 31 december 1978. In antwoord op een door het Hof aan het einde van de mondelinge behandeling gestelde vraag heeft de Commissie meegedeeld dat de geldigheidsduur van de lijst ten slotte tot 30 juni 1979 was verlengd. Het desbetreffende besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag werd op 15 december 1978 aan het personeel bekendgemaakt.
Volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek omvatten de onder „I. Aard van de functie” omschreven, te bezetten posten de volgende werkgebieden:
1.
telecommunicatie: telefooncentrale, telefoon, telex, vergaderzalen;
2.
technisch werk op audiovisueel gebied;
3.
elektrotechniek (met name voor de gebouwen en in de grafische vakken);
4.
grafische vakken:
a)
uitgeverij
b)
fotogravure
c)
microfilm en technische fotografie
d)
offset
e)
zetterij
f)
binderij.
(De Engelse tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek week in zoverre af, als onder 4a werd gesproken van „printing” dus „drukkerij” in plaats van „uitgeverij”).
De kandidaten werd verzocht op het sollicitatieformulier onder meer „het (de) gekozen werkgebied(en) (voor werkgebied 4 ook twee specialisaties)” te vermelden.
Onder „II. Voorwaarden voor deelneming aan het vergelijkend onderzoek” omschreef de aankondiging de „vereiste getuigschriften of diploma's en beroepservaring” als volgt:
„—
hetzij A :
1.
Volledig middelbaar onderwijs met diploma
en
2.
Een beroepservaring van ten minste 6 jaar op het door de kandidaat gekozen werkgebied (zie I. Aard van de functie)
en
3.
a)
vóór 1 januari 1973 als ambtenaar of ander personeelslid in dienst van de Gemeenschappen zijn getreden
of
b)
een beroepservaring op het gekozen werkgebied van ten minste 15 jaar;
—
hetzij B:
1.
Een beroepservaring van ten minste 9 jaar in uitvoerende functies van technische aard welke, in de zin van het Statuut, op het niveau van de categorie C liggen
en
2.
Vóór 1 januari 1973 als ambtenaar of ander personeelslid in dienst van de Gemeenschappen zijn getreden”.
In geval A was dus beroepservaring vereist op het werkgebied dat de kandidaat uit de onder „I. Aard van de functie” vermelde mogelijkheden had gekozen, terwijl een dergelijke ervaring in geval B niet werd geëist. Ook werd er voor de grafische vakken onder A noch B gewag gemaakt van de door de kandidaat gekozen „specialisaties”.
Verderop in de aankondiging werden de van de kandidaten verlangde talenkennis, de aard van het examen, de puntenwaardering en enkele procedurele kwesties vermeld. Daarbij werd nergens uitdrukkelijk melding gemaakt van de door de kandidaten gekozen „werkgebieden” of, in het geval van de grafische vakken, van de door hen gekozen „specialisaties”.
Verzoekers, die tot de sollicitanten voor dit vergelijkend onderzoek behoorden, kozen beiden voor het werkgebied „grafische vakken”. Mevrouw Anselme koos „a) uitgeverij” en „e) zetterij” als specialisaties, terwijl de heer Constant „b) fotogravure” en „c) microfilm en technische fotografie” koos. Geen van beiden had een diploma volledig middelbaar onderwijs, zodat enkel het gestelde onder B op hen van toepassing kon zijn. Beiden waren lang vóór 1 januari 1973 bij de Commissie in dienst getreden, zodat, wat de voorwaarden voor hun deelneming aan het vergelijkend onderzoek betreft, het slechts de vraag kon zijn of zij voldeden aan de onder B.1 gestelde eisen betreffende beroepservaring.
Blijkens de door mevrouw Anselme bij haar sollicitatieformulier gevoegde stukken (bijlage 1 bij de memorie van antwoord) had zij een ervaring van ongeveer 17 jaar in de zetterij opgedaan. Uit die stukken bleek evenwel niet dat zij over ervaring in de uitgeverij beschikte. Uit de door de heer Constant overgelegde stukken (bijlage 2 bij de memorie van antwoord) bleek dat hij meer dan twaalf jaar ervaring in fotografie, en met name microfilmwerk, bezat, doch niet dat hij over enige ervaring in fotogravure beschikte.
Bij brief van 7 februari 1978 deelde de heer Desbois, hoofd van de afdeling Aanwerving, aanstelling, bevorderingen van het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van de Commissie, mevrouw Anselme mee, dat de jury haar verzoek om toelating tot het vergelijkend onderzoek had afgewezen, op grond dat zij niet „in twee specialiteiten” beschikte over een beroepservaring van ten minste negen jaar in werkzaamheden van technische aard die in de zin van het Statuut tot categorie C behoren. Op dezelfde dag schreef de heer Desbois een gelijkluidende brief aan de heer Constant (bijlagen 5 en 6 bij het verzoekschrift).
Op 10 februari 1978 schreef de heer Constant aan de heer Desbois naar aanleiding van zijn sollicitatie het volgende:
„Pourtant, de mon dossier personnel, il ressort que dans le premier sous-domaine (microfilm et photo industrielle) je possède des connaissances approfondies dans ma spécialité. Ceci étant indiqué sur mes rapports de notation de fonctionnaire. En ce qui concerne le deuxième sous-domaine choisi (photogravure), le rapport de notation du 7 juillet 1971 couvrant la période du 1. 1. 1970 au 30. 6. 1971 atteste que je possède une bonne connaissance de la photogravure, ceci étant dû au fait que j'ai passé un certain temps dans ce service ce qui m'a permis d'acquérir une expérience dans ce domaine”.
Hij verzocht zijn sollicitatie opnieuw in overweging te nemen.
In het beoordelingsrapport van de heer Constant over het tijdvak van 1 januari 1970 tot 30 juni 1971 (bijlage 13 bij het verzoekschrift) zijn zijn werkzaamheden inderdaad omschreven als „tous travaux de photographie — spécialisé dans le micro-filmage” en stond voorts vermeld dat hij een zeer goede kennis op het gebied van de fotogravure bezat. Dit rapport bevond zich echter niet onder de stukken die de heer Constant bij zijn sollicitatieformulier had gevoegd voor onderzoek door de jury, terwijl er in die stukken evenmin naar werd verwezen.
Op 14 februari 1978 verzocht de heer Constant de voorzitter van de jury formeel, zijn sollicitatie opnieuw in overweging te nemen, doch in deze brief sprak hij niet van zijn kennis op het gebied van de fotogravure. Hij herhaalde alleen woordelijk de onder B II van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vermelde eisen, met het betoog dat hij daaraan voldeed (zie bijlage 7 bij het verzoekschrift).
Mevrouw Anselme schreef op dezelfde dag een gelijkluidende brief aan de voorzitter van de jury (bijlage 7 bij het verzoekschrift). De volgende dag gaf zij in een brief aan de heer Desbois een overzicht van haar loopbaan bij de Commissie, onder vermelding van haar talenkennis en onder verwijzing naar de opmerkingen in haar beoordelingsrapport over het tijdvak van 1975 tot 1977 (bijlage 8 bij het verzoekschrift). Deze brief bevestigt ruimschoots de kwalificaties en de ervaring van mevrouw Anselme op het gebied van de zetterij, doch bevat nergens een aanwijzing dat zij enige ervaring op het gebied van de uitgeverij bezat.
Op 22 februari 1978 schreef de heer Desbois aan beide sollicitanten (bijlage 9 bij het verzoekschrift) dat de jury hun geval opnieuw had onderzocht, doch tot de conclusie was gekomen dat zij haar eerder genomen besluit moest handhaven. Uit niets blijkt of de jury bij die gelegenheid, voor wat de heer Constant betreft, de inhoud van diens beoordelingsrapport over het tijdvak van 1 januari 1970 tot 30 juni 1971 in aanmerking heeft genomen. De heer Desbois voegde echter in beide gevallen aan zijn brief een postscriptum toe, waarin hij de sollicitanten voor een onderhoud uitnodigde. Het schijnt dat geen van beiden aan deze uitnodiging gevolg heeft gegeven.
Op 25 april 1978 dienden beiden een formele klacht in de zin van artikel 90 Ambtenarenstatuut in tegen het besluit om hen niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten (bijlage 10 bij het verzoekschrift).
In antwoord op hun klacht nodigde de heer Rogalla, hoofd van de afdeling Statuut van het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van de Commissie, beide verzoekers uit voor een onderhoud (bijlage 12 bij het verzoekschrift). Ook op deze uitnodiging schijnen verzoekers niet te zijn ingegaan. Door of namens het tot aanstelling bevoegde gezag werd verder niet op de klacht van verzoekers gereageerd.
Op 22 november 1978 stelden verzoekers het onderhavige beroep in bij het Hof.
Ontvankelijkheid van het beroep
Zoals ik in het begin heb opgemerkt, heeft de Commissie, zij het niet formeel, de kwestie van de ontvankelijkheid opgeworpen. Zij acht het mogelijk dat het beroep te laat is ingesteld, daar dit geschiedde negen maanden nadat de besluiten van de jury aan verzoekers waren meegedeeld. De Commissie wees hierbij op uitspraken van het Hof, volgens welke een ambtenaar die een besluit van een jury wil aanvechten, de zaak onmiddellijk bij het Hof aanhangig dient te maken, zonder eerst krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag in te dienen.
Dit werd voor het eerst uitgemaakt in zaak 44/71 (Mercato II, Jurispr. 1972, blz. 428). Verzoeker had bij het tot aanstelling bevoegde gezag een formele klacht ingediend tegen het besluit van de jury om hem niet tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, en vervolgens bij het Hof beroep ingesteld tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht. Door de Commissie noch door advocaat-generaal Roemer werd het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep aangevoerd. Het Hof verklaarde echter eigener beweging:
„dat niettemin moet worden opgemerkt dat een administratief beroep bij de Commissie tegen een besluit van een jury voor een vergelijkend onderzoek van enige zin lijkt te zijn ontbloot, daar de Commissie niet bevoegd is besluiten van de jury voor een vergelijkend onderzoek te vernietigen of te wijzigen;
dat derhalve het enige rechtsmiddel waarover betrokkenen met betrekking tot een dergelijk besluit beschikken, gelegen is in een beroep bij het Hof, dat als enige bevoegd is dergelijke besluiten te vernietigen;
dat het voorafgaande beroep bij de Commissie echter valt te verklaren uit de gewoonte der ambtenaren nooit rechtstreeks bij het Hof in beroep te gaan tegen hen bezwarende handelingen, doch zich eerst — zelfs wanneer dit niet noodzakelijk is — te wenden tot het tot aanstelling bevoegde gezag;
dat zulks in aanmerking genomen, het beroep tegen de stilzwijgende afwijzing van de Commissie op dit punt ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het gericht is tegen het besluit van de jury, en dat de overschrijding van de termijn voor beroep tegen dit … besluit gedekt moet worden geacht” (r.o. 4-8).
Daarop volgde zaak 37/72 (Mercato III, Jurispr. 1973, blz. 361), waaraan gelijkaardige feiten ten grondslag liggen en waarin de Commissie, onder verwijzing naar de tweede zaak-Mercato, een zelfde standpunt innam als in de onderhavige zaak. Zij stelde de vraag betreffende de ontvankelijkheid van het verzoek tot öngeldigverklaring van het besluit, zonder evenwel een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen. Advocaat-generaal Mayras was van mening dat het onbillijk zou zijn het beroep nietontvankelijk te verklaren. Ook betwijfelde hij of het beroep rechtens niet-ontvankelijk kon zijn, daar, aldus de heer Mayras, het tot aanstelling bevoegde gezag gehouden is een bij hem ingediende klacht tegen een jurybesluit te doen toekomen aan de jury, die deze klacht in overweging moet nemen. Het Hof overwoog:
„dat het voorafgaande beroep bij de Commissie valt te verklaren uit de gewoonte der ambtenaren niet rechtstreeks bij het Hof in beroep te gaan tegen hen bezwarende handelingen, doch zich eerst — zelfs wanneer dit niet noodzakelijk is — te wenden tot het tot aanstelling bevoegde gezag;
dat het onder deze omstandigheden billijk voorkomt verzoeker in het beroep ontvankelijk te achten” (r.o. 14 en 15).
De beslissingen in de tweede en derde zaak-Mercato berustten op feiten die zich hadden voorgedaan voordat de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut in juli 1972 door 's Raads verordening nr. 1473/72 waren gewijzigd. De eerste relevante zaak die bij het Hof aanhangig werd gemaakt en die berustte op feiten die zich nà die datum hadden voorgedaan, was zaak 31/75 (Costacurta, Jurispr. 1975, blz. 1563). Ook in deze zaak uitte de Commissie twijfel omtrent verzoekers ontvankelijkheid, zonder evenwel formeel een exceptie in die zin op te werpen, doch bij de mondelinge behandeling concludeerde zij rechtuit tot niet-ontvankelijkheid. Ik sprak toen de mening uit dat de wettelijke regeling door verordening nr. 1473/72 dusdanig was gewijzigd dat een ambtenaar in alle gevallen gehouden was een klacht in te dienen bij het tot aanstelling bevoegde gezag alvorens zich tot het Hof te wenden. Voorts onderschreef ik de mening van advocaat-generaal Mayras, dat een dergelijke klacht niet zinloos behoeft te zijn. Ten slotte merkte ik op dat het in ieder geval onbillijk zou zijn de heer Costacurta niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof overwoog:
„… dat, aangezien de feiten zich hebben voorgedaan onder vigeur van het nieuwe Statuut, het onbillijk zou zijn verzoeker voor te werpen dat hij de procedure heeft gevolgd die duidelijk is vastgelegd in de nieuwe artikelen 90 en 91”.
Zaak 9/76 (Morello, Jurispr. 1976, blz. 1415) was de eerste zaak waarin een ambtenaar rechtstreeks beroep instelde bij het Hof tegen een besluit van een jury, zonder eerst een klacht in te dienen bij het tot aanstelling bevoegde gezag. De Commissie stelde in haar verweerschrift, dat de vordering niet-ontvankelijk was wegens strijd met artikel 91 van het Statuut, doch trok deze stelling in dupliek in. Advocaat-generaal Mayras merkte kortweg op, dat een ambtenaar ingevolge de arresten in de zaken Mercato en Costacurta niet gehouden was een klacht als bedoeld in artikel 91 in te dienen, alvorens bij het Hof beroep in te stellen tegen een besluit van een jury. Het Hof zelf achtte het niet noodzakelijk op dit punt in te gaan.
In zaak 7/77 (von Wüllerstorff und Urbair, Jurispr. 1978, blz. 769), waarin de betrokken ambtenaar zich wederom rechtstreeks tot het Hof wendde, stelde de Commissie opnieuw de vraag betreffende de ontvankelijkheid aan de orde, zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen. De Commissie was hiertoe kennelijk voornamelijk aangezet door mijn opmerkingen in de zaak-Costacurta en door de overweging dat het bij een dergelijke vraag van het allergrootste belang is dat er geen onzekerheid omtrent de wettelijke regeling bestaat. Ik kon mij daarmee verenigen. Het Hof overwoog:
„… dat artikel 91, lid 2, inderdaad bepaalt dat een beroep op het Hof van Justitie slechts ontvankelijk is indien de betrokkene tevoren de in artikel 90 voorziene administratieve procedure heeft gevolgd;
dat deze procedure evenwel geen zin heeft waar het een grief betreft tegen besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek, daar het tot aanstelling bevoegde gezag niet over middelen beschikt deze besluiten te herzien;
dat mitsdien de economie zowel van de administratieve als van de gerechtelijke procedure zich verzet tegen een interpretatie van artikel 91, lid 2, waarbij deze bepaling letterlijk wordt opgevat met geen ander gevolg dan dat de procedure zonder enig nut wordt verlengd;
dat verzoeker het Statuut derhalve juist heeft geïnterpreteerd waar hij meent dat de voorwaarde van artikel 91 slechts ziet op handelingen welke het tot aanstelling bevoegde gezag eventueel kan herzien” (r.o. 6-9).
In de gevoegde zaken 4, 19 en 28/78 (Salerno e.a., Jurispr. 1978, blz. 2404), waarin de betrokken ambtenaren klachten als bedoeld in artikel 90 van het Statuut hadden ingediend, doch beroep instelden bij het Hof zonder het resultaat van die klachten af te wachten, zweeg de Commissie over de kwestie van de ontvankelijkheid. Het Hof sloot zich aan bij de conclusie van advocaat-generaal Capotorti en overwoog:
„dat aldus de vraag rijst of de beroepen ontvankelijk zijn met het oog op artikel 91, lid 2, van het Statuut, waarin wordt geëist dat vooraf de administratieve procedure geheel wordt doorlopen;
… dat het ten deze vaste rechtspraak is van het Hof, dat het indienen van een administratieve klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag tegen het besluit van een jury in een vergelijkend onderzoek buiten het kader van de statutaire bepalingen valt, aangezien dit gezag niet bevoegd is de besluiten van een jury in een vergelijkend onderzoek te vernietigen of te wijzigen;
dat indien betrokkene zich niettemin in de vorm van aan administratieve klacht tot het tot aanstelling bevoegde gezag richt, een dergelijke stap, ongeacht de juridische betekenis hiervan, niet tot gevolg kan hebben dat hem het recht wordt ontnomen rechtstreeks beroep bij het Hof in te stellen, aangezien het gaat om een recht waarvan betrokkene geen afstand kan doen en dat derhalve niet kan worden aangetast door zijn persoonlijk gedrag;
dat hieruit volgt dat de beroepen ontvankelijk zijn” (r.o. 8-11).
In het arrest van 5 april 1979 (zaak 112/78, Kobor, nog niet gepubliceerd) diende de betrokken ambtenaar, die op 23 september 1977 in kennis was gesteld van een jurybesluit om hem niet tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, en op 7 oktober 1977 van de voorzitter van de jury de bevestiging van dat besluit had ontvangen, op 11 oktober 1977 een klacht in bij het tot aanstelling bevoegde gezag. Die klacht werd afgewezen. Op 8 mei 1978 stelde de ambtenaar bij het Hof beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de jury. De ontvankelijkheid van het beroep werd door niemand in twijfel getrokken.
In zaak 117/78 (Orlandi, arrest van 5 april 1979, nog niet gepubliceerd), die op soortgelijke feiten berustte, bracht de Commissie de kwestie van de ontvankelijkheid naar voren zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen. Het Hof sloot zich wederom aan bij de conclusie van advocaat-generaal Capotorti en overwoog dat in dergelijke omstandigheden het indienen van een klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag weliswaar onnodig was, doch dat het feit dat de betrokken ambtenaar een klacht had ingediend en het resultaat daarvan had afgewacht, niet tot gevolg kon hebben dat het beroep als tardief moest worden beschouwd.
Ondanks enkele kleine tegenstrijdigheden tussen bepaalde arresten van het Hof op dit gebied, staat het mijns inziens nu duidelijk vast dat:
1.
een ambtenaar die door een jurybesluit wordt bezwaard, geen klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag behoeft in te dienen alvorens bij het Hof in beroep te gaan, en dat hij als regel de zaak niet moet vertragen door zo'n klacht in te dienen;
2.
dat niettemin, wanneer de ambtenaar toch een klacht indient, en ongeacht of hij de resultaten daarvan afwacht alvorens zich tot het Hof te wenden, deze handelwijze niet tot gevolg kan hebben dat het beroep als tardief is te beschouwen.
Ik concludeer dat het onderhavige beroep ontvankelijk is, en ik hoop dat dit de laatste zaak zal zijn waarin deze vraag aan de orde komt. Ik meen dat thans wel uitgemaakt is hoe het recht inzake deze veelbesproken kwestie is.
Ik ga nu over tot de behandeling van de zaak ten gronde.
De zaak ten gronde
Het voornaamste strijdpunt vormt de uitlegging van deel II.B.1 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Door verzoekers werd betoogd dat de tekst letterlijk moet worden uitgelegd, zodat het, om in aanmerking te komen voor toelating tot het vergelijkend onderzoek, voor verzoekers voldoende was dat zij op 31 december 1977 beiden beschikten over een beroepservaring „van ten minste negen jaren” in werkzaamheden van technische aard die in de zin van het Statuut tot categorie C behoren. De Commissie betoogde daarentegen, dat de bepalingen in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek aan de hand van hun strekking moeten worden uitgelegd, en dat derhalve in deel II.B.1 stilzwijgend besloten ligt dat de bedoelde „beroepservaring” betrekking moet hebben op het door de kandidaat gekozen werkgebied en, in geval dat een kandidaat „grafische vakken” als werkgebied kiest, op de twee door hem gekozen specialisaties.
Het gaat derhalve om twee vragen :
1.
heeft de Commissie gelijk met te stellen dat de in deel II.B.1 bedoelde beroepservaring betrekking moet hebben op het door de kandidaat gekozen werkgebied?
en
2.
zo ja, dient die ervaring bij het werkgebied grafische vakken betrekking te hebben op de door de kandidaat gekozen specialisaties?
Wat de eerste vraag betreft, kan ik mij zonder moeite verenigen met de opvatting van de Commissie. Een andere opvatting zou erop neerkomen dat een kandidaat met een diploma volledig middelbaar onderwijs ervaring op het door hem gekozen werkgebied moet hebben opgedaan (dit wordt in deel II.A.1 uitdrukkelijk verlangd), doch dat een kandidaat zonder een dergelijk diploma die ervaring niet behoeft te bezitten. Dit zou tegen het gezond verstand indruisen.
Waarom wordt dan in deel II.B.1 niet uitdrukkelijk gezegd dat de „beroepservaring” van een kandidaat die geen diploma volledig middelbaar onderwijs heeft, betrekking moet hebben op het door hem gekozen werkgebied? De verklaring hiervoor kan mijns inziens niet zijn, dat de opstellers van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek bij zulk een kandidaat ervaring op een willekeurig terrein voldoende achtten. Waarschijnlijker lijkt mij dat zij dit punt zo voor de hand liggend vonden, dat zij in hun haast de wenselijkheid van een ondubbelzinnige formulering uit het oog verloren. Daarop kan men stellig kritiek hebben, maar het zou volgens mij pervers zijn, hen op de letterlijke betekenis van hun stuk vast te binden.
De tweede vraag is minder gemakkelijk te beantwoorden. Als men er even over nadenkt, treedt het gebrek aan zorgvuldigheid bij de opstelling van de aankondiging van het gebrek aan zorgvuldigheid bij de opstelling van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek nog sterker aan de dag. De kandidaten die „grafische vakken” als werkgebied kozen, werd weliswaar gevraagd twee „specialisaties” binnen dit gebied op te geven, maar nergens in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek blijkt waarom hun dit werd gevraagd.
Volgens verzoekers is het alleen maar gedaan omdat men wilde weten op welk gebied de kandidaten examen wensten te doen, en misschien om het voor het tot aanstelling bevoegde gezag gemakkelijker te maken om uit de door de jury opgestelde lijst van geschikte kandidaten de personen te kiezen die men op bijzondere posten wilde aanstellen. Het lijkt mij dat dit betoog zichzelf weerlegt. Als dat de redenen waren waarom kandidaten voor grafische vakken twee specialisaties moesten opgeven, waarom zou dat dan niet tevens zijn gevraagd ten einde te kunnen vaststellen of zij de vereiste ervaring hadden? Want wat heeft het ten slotte voor zin, een onderzoek in te stellen naar de bekwaamheid van een kandidaat op een gebied waarop hij geen ervaring zegt te hebben?
Dat in deel II van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek nergens wordt gesproken over specialisaties binnen de grafische vakken, werpt nog een ander probleem op. Onder A.2 van dat deel is sprake van „een beroepservaring van … zes jaar”, in A.3.b van „een beroepservaring van … 15 jaar” en onder B.1 (waarom het hier in het bijzonder gaat) van „een beroepservaring van … negen jaar”. Betekent dit dat een kandidaat „grafische vakken” volgens het onder A.2 bepaalde moet beschikken over een ervaring van zes jaar in elk van beide door hem gekozen specialisaties (dat wil zeggen in totaal twaalf jaar ervaring), dat hij op grond van het onder A.3.b bepaalde moet beschikken over 15 jaar ervaring in elk van beide specialisaties (in totaal 30 jaar) en dat hij op grond van het bepaalde onder B.1 moet beschikken over negen jaar ervaring in beide specialisaties (in totaal 18 jaar)? Het spreekt vanzelf dat de Commissie terugdeinsde voor een dergelijke onredelijke uitlegging. Zij stelde dat een totale ervaring van zes, 15 of negen jaar — al naar gelang het geval — voldoende was (evenals voor kandidaten die een ander werkgebied dan grafische vakken hadden gekozen (en dat het aan de jury stond om ten aanzien van iedere kandidaat „grafische vakken” te beoordelen of hij, in die zes, 15 of negen jaar, voldoende ervaring in de twee gekozen specialisaties had opgedaan.
Deze uitlegging betekent dat er in deel II van de aankondiging nogal wat wordt gelezen wat er niet uitdrukkelijk staat, en dat de jury een niet onaanzienlijke beoordelingsvrijheid wordt toegekend. Ik ben, met enige aarzeling, evenwel tot de conclusie gekomen dat dit de juiste uitlegging is. Iedere andere opvatting zou aan de in de aankondiging neergelegde eis dat kandidaten „grafische vakken” twee specialisaties moesten opgeven, alle betekenis ontnemen. Ook hier is het volgens mij het gezond verstand dat tot deze oplossing noopt. Ik denk ook aan de opmerking van de Commissie, dat evaring in slechts één van de onder grafische vakken genoemde specialisaties, de bevordering van een ambtenaar van categorie C naar categorie B nauwelijks zou kunnen rechtvaardigen.
Bij gevolg ben ik van mening dat de Commissie ook gelijk heeft met betrekking tot de tweede vraag.
Rest nog de vraag betreffende de kennis van de heer Constant op het gebied van de fotogravure. De heer Constant zelf heeft op dit punt weinig nadruk gelegd, en mijns inziens terecht. Hoe groot zijn kennis en ervaring op het gebied van de fotogravure ook mogen zijn (ons enige houvast op dit punt is de vermelding in zijn beoordelingsrapport over het tijdvak van 1 januari 1970 tot 30 juni 1971 en hetgeen hij schreef in zijn brief aan de heer Desbois van 10 februari 1978), het is een feit dat hij heeft verzuimd het op het sollicitatieformulier te vermelden. Zelfs in zijn brief aan de voorzitter van de jury van 14 februari 1978 heeft hij erover gezwegen en het enkel in zijn brief aan de heer Desbois ter sprake gebracht.
Het is algemeen bekend dat het werk van de jury's in de communautaire instellingen tijdrovend is en dat hun procedures voortdurend moeten worden gestroomlijnd, voor zover dit verenigbaar is met een behoorlijke en efficiënte uitoefening van hun werkzaamheden. Gezien deze situatie dienen ambtenaren die wensen deel te nemen aan een vergelijkend onderzoek, ervoor zorg te dragen dat zij alle relevante informatie betreffende hun kwalificaties bij hun sollicitatie insluiten. Van een jury kan niet worden verlangd dat zij het persoonsdossier van iedere kandidaat naslaat om te zien of hij iets heeft vermeld. Voorts kan een kandidaat van de personeelsdienst van zijn instelling niet verwachten dat deze aan een jury allerlei informatie doorgeeft die de kandidaat wel aan de personeelsdienst heeft verstrekt, doch niet aan de jury zelf.
Ik ben dan ook van mening dat de heer Constant het alleen aan zichzelf heeft te wijten indien zijn ervaring op het gebied van de fotogravure door de jury onvoldoende in aanmerking is genomen, temeer daar hij — naar het schijnt — niet is ingegaan op de uitnodigingen voor een onderhoud van zowel de heer Desbois als van de heer Rogalla.
Ik concludeer derhalve dat het beroep niet kan slagen. Deze conclusie zou mij wellicht aan het hart zijn gegaan, ware het niet dat de geldigheidsduur van de aan de hand van het vergelijkend onderzoek opgestelde reservelijst eind deze maand verstrijkt. Het valt daarom moeilijk in te zien, wat het nut zou kunnen zijn van een uitspraak van het Hof ten gunste van verzoekers. Dit illustreert wel de wijsheid van de regel die het Hof in de door mij aangehaalde beslissingen heeft ontwikkeld, namelijk dat een ambtenaar die een besluit van een jury wil aanvechten, de zaak niet moet vertragen door een klacht in te dienen bij het tot aanstelling bevoegde gezag, doch zich direct tot het Hof moet wenden.
Kosten
Ik heb overwogen of in casu een uitzondering moet worden gemaakt op de algemene regel van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering, dat wanneer een beroep als de onderhavige wordt verworpen, beide partijen hun eigen kosten dragen. Die gedachte kwam bij mij op omdat de Commissie in belangrijke mate schuld draagt aan deze procedure doordat zij een slecht geredigeerde aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft gepubliceerd. Ik ben evenwel tot de conclusie gekomen dat een dergelijke uitzondering niet op haar plaats is, daar ik vrees dat ambtenaren die zich benadeeld voelen, haar zullen opvatten als een aanwijzing dat, wanneer een communautaire instelling een onduidelijke kennisgeving van vacature of aankondiging van vergelijkend onderzoek publiceert, zij er vrij over kunnen procederen zonder zelf enig financieel risico te lopen.
Conclusie
Ik concludeer derhalve tot afwijzing van het beroep, met de normale consequentie voor wat de kosten betreft.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy