CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 6 DECEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
I —
De voornaamste aanleiding tot de onderhavige zaak lijkt mij het grote aantal verzoeken van Miscnta om terugbetaling van ziektekosten en het hoge bedrag van de meeste daarvan. Tussen 8 maart 1977 en 2 mei 1978 heeft Misenta, wetenschappelijk ambtenaar van de Commissie, verbonden aan de Inrichting te Ispra van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (Italië), namelijk zes verzoeken om terugbetaling van ziektekosten ingediend tot een totaal bedrag van DM 12235. Dit bedrag heeft verzoeker tussen 10 februari 1976 en 2 februari 1978 in de Bondsrepubliek Duitsland, zijn land van herkomst, uitgegeven voor geneeskundige behandeling en opname in een ziekenhuis. Volgens de Commissie heeft verzoeker nadien, op 5 juni 1978, nog een declaratie ingediend voor verstrekkingen die grotendeels in lires waren betaald, en een andere op 18 juli van dat jaar, waarop enkel in DM betaalde verstrekkingen waren vermeld.
Met betrekking tot de eerstgenoemde zes verzoeken om terugbetaling heeft verzoeker berekend dat hij een verlies van DM 936 (DM 9777 — 8841) heeft geleden vergeleken met het bedrag dat hij zou hebben gekregen indien hem overeenkomstig artikel 72 van het Statuut werkelijk 80 % van de gemaakte kosten zou zijn terugbetaald. Zoals blijkt uit de tweede tabel die verzoeker als bijlage bij zijn verzoekschrift heeft gevoegd, heeft hij bijvoorbeeld voor zijn twee in maart 1977 ingediende declaraties een verlies van DM 502,17 geleden vergeleken met de voorgeschreven terugbetaling.
Omdat hij dit onrechtvaardig vond, diende Misenta op 2 maart 1978 een verzoek in om een met redenen omkleed besluit in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut. Dit verzoek had enkel betrekking op de declaratie van 25 oktober 1977 inzake kosten van geneeskundige behandeling en van opname in een ziekenhuis, die hij tussen 29 november 1976 en 23 augustus 1977 in zijn land van herkomst had gemaakt, met uitzondering van de kosten die waren opgevoerd op twee in lires luidende rekeningen van 22 juni 1977. De afrekening van deze kosten werd op 20 december 1977 vastgesteld door het afwikkelingsbureau te Ispra en op 19 januari 1978 werd het bedrag, omgerekend in lires, op verzoekers rekening overgemaakt.
Voor de in Duitsland gemaakte kosten diende Misenta een declaratie in ten belope van DM 3317,40. Uit de afrekening die hij op 18 januari ontving, bleek dat dit bedrag was omgerekend in BFR 51259 en dat hem voor alle ingediende rekeningen een bedrag van BFR 42711 zou worden vergoed, hetgeen — afgerond — inderdaad neerkwam op 80 %. Volgens de afrekening was het laatste bedrag gelijk aan Lit. 997382, waarvoor verzoeker op 20 januari van zijn bank in Italië een mededeling van overschrijving ontving.
Twee werkdagen later — op 24 januari 1978 — maakte verzoeker op zijn rekening bij een bank in Duitsland een met de in DM gemaakte kosten overeenstemmend bedrag van Lit. 958165 over, die hij converteerde tegen de dagkoers op de vrije markt. Bijgevolg werd op zijn rekening een bedrag van DM 2310,96 bijgeschreven. Uiteindelijk ontving hij dus, in de valuta waarin hij kosten ten bedrage van DM 3317,40 had gemaakt, een effectieve vergoeding van 69,8 % en niet, zoals het Statuut voorziet, van 80 %, want dan had hij DM 2653,92 moeten krijgen. Hij verloor dus DM 336,96 (DM 2653,92 — 2316,96), en hiervan vroeg hij alsnog terugbetaling, dan wel de tegenwaarde in lires, berekend volgens de koers van de dag van uitbetaling.
Dit verzoek werd echter bij beschikking van 14 maart 1978 van de directeur-generaal van de Inrichting te Ispra, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, afgewezen. Bij deze beschikking werd verzoeker meegedeeld welke de regeling was waarvan hij de nadelige gevolgen ondervond en op welke rechtsgrondslagen die was gebaseerd.
Deze informatie bracht hem ertoe verdette gaan: op 5 juni 1978 diende hij een klacht in bij de Commissie in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, welke werd ingeschreven op 12 juni 1978 en waarin hij volledig persisteerde bij zijn vorige verzoek, behalve wat betreft het bedrag waarvan hij terugbetaling vorderde. Dit was verlaagd van DM 336,96 tot DM 326,22. Dit laatste bedrag komt volgens zijn zeggen overeen met het verschil tussen de terugbetaling ad 80 % die hij had moeten ontvangen en die DM 2653 had moeten bedragen, en het equivalent in DM tegen de koers van de dag van de bankoverschrijving (Lit. 410,8 = DM 1), namelijk DM 2327,70, van het bedrag dat hij in lires had ontvangen en op zijn rekening in Duitsland had overgemaakt.
Toen de Commissie binnen de gestelde termijn geen standpunt had bepaald ten aanzien van deze klacht, stelde verzoeker op 23 november 1978 het onderhavige beroep in. Daarna echter, op 30 november 1978, wees de Commissie de klacht af, wat verzoeker werd meegedeeld bij brief van 14 december 1978, ondertekend door het met administratieve zaken belaste lid der Commissie, Tugendhat.
Alvorens verder te gaan, meen ik dat het aanbeveling verdient de strekking van het onderhavige beroep te preciseren.
Het geschil heeft uitdrukkelijk slechts betrekking op één van Misenta's declaraties (die van 25 oktober 1977) ten aanzien waarvan hij meent financiële verliezen te hebben geleden. Dergelijke verliezen hebben zich echter al voorgedaan bij zijn eerste in het dossier vermelde declaratie — die van 8 november 1977, welke betrekking had op per 1 juli 1976 gemaakte kosten. Men mag echter veronderstellen dat verzoeker, juist omdat hij — zoals hij stelt in zijn administratieve klacht — reeds enkele malen voorheen op dezelfde gronden koersverliezen had geleden en de ontwikkeling van de lire hem niet binnen redelijke termijnen een aanzienlijke verbetering beloofde, heeft besloten door het instellen van een beroep bij het Hof niet alleen de aandacht te vestigen op de door hemzelf geleden verliezen, maar ook, uitgaande boven zijn persoonlijk geval, op de ontoereikendheid van de regeling die er de oorzaak van is.
Naast het verzoek om terugbetaling van DM 326,22, gaat het verzoeker met het onderhavige beroep niet zozeer om de wijze waarop de boekhoudkundige dienst te Ispra toepassing heeft gegeven aan de regeling inzake de terugbetaling van ziektekosten in het geval de verstrekkingen zijn betaald in een sterke valuta en de terugbetaling plaatsvindt in een zwakke valuta. Wat hij in werkelijkheid betwist, is de regelmatigheid van deze regeling als zodanig, die volgens hem de ambtenaar niet beschermt tegen de wisselvalligheden van het koersverloop en daardoor in strijd is met de dekking van de ziektekosten zoals die door het Statuut is bedoeld.
Derhalve dienen wij deze regeling, waarvan de regelmatigheid in geding is gesteld, aan een onderzoek te onderwerpen.
II —
Verzoekers problemen zijn ontstaan doordat hij kosten heeft gemaakt in een sterke valuta (de DM) en de terugbetaling, na omrekening in Belgische franken — de refercntievaluta voor de berekening van de verschuldigde bedragen — heeft plaatsgevonden in een zwakke valuta (de lire), waarvan de relatieve waarde tussen het moment waarop de kosten waren gemaakt, en het moment waarop zij worden terugbetaald, sterk was gedaald.
De Commissie is zich dit soort problemen welbewust geweest. Op 6 november 1974 heeft zij bij schriftelijke procedure C/2981/74 een besluit vastgesteld dat per 1 november 1974 in werking trad. Aan de voorbereiding ervan hebben ook vertegenwoordigers van het personeel deelgenomen en de bepalingen ervan zijn door de andere instellingen overgenomen. Het besluit betreft de administratieve problemen die het gevolg zijn van de monetaire schommelingen, en het werd vastgesteld omdat de tot dan toe door de Commissie toegepaste wisselkoersen — de door het Internationale monetaire fonds opgegeven en aanvaarde koersen — niet meer overeenkwamen met de werkelijke relatieve waarde van de valuta's.
Deze tekst maakt onderscheid tussen drie groepen emolumenten: in de eerste plaats de omrekening van de in Belgische franken uitgedrukte bezoldiging naar de valuta van de plaats van tewerkstelling (artikel 63 en 64 van het Statuut); vervolgens, overmakingen naar het land van herkomst van de ambtenaren krachtens artikel 17 van bijlage VII; en tenslotte, toelagen en vergoedingen van kosten tegen overlegging van rekeningen of op forfaitaire wijze.
Wat deze laatste betreft, wordt in het besluit gezegd dat „er vooral naar wordt gestreefd dat de ambtenaren de daadwerkelijk gemaakte kosten krijgen vergoed.” Voorts wordt gepreciseerd „dat dient te worden voorkomen dat de ambtenaren voor hetzelfde uitgegeven bedrag verschillende percentages terugkrijgen naar gelang zij zijn tewerkgesteld in een land met een zogenaamde ‚sterke’ of ‚zwakke’ valuta ten opzichte van het land waar de instelling is gevestigd.”
Voor de terugbetaling van kosten tegen overlegging van rekeningen, waaronder ziektekosten, heeft de Commissie gekozen voor het gebruik van geactualiseerde wisselkoersen. In dit verband dienen twee gevallen te worden onderscheiden. De wisselkoersen die golden tussen de Belgische frank en de valuta van landen die toen tamelijk nauwe fluctuatiemarges in acht namen ten opzichte van de Belgische frank (de zgn. slangvaluta of gcassocieerde valuta), zijn vastgesteld in bijlage II, sub 1, van het besluit.
Ten aanzien van de wisselkoersen die golden tussen de Belgische frank en de zwevende valuta, waaronder de lire, werd in bijlage III, sub 2, het volgende bepaald: „De boekhoudkundige dienst van de Commissie stelt halverwege elk trimester op grond van de op dat moment op de vrije markt te Brussel toegepaste wisselkoersen, de koersen vast die met ingang van het volgende trimester dienen te worden toegepast.”
Voor de ziektekostenverzekering werden deze regels nader uitgewerkt in een circulaire van 5 maart 1975 van het Centraal bureau van de gemeenschappelijke ziektekostenverzekering, getiteld: „Uitvoeringsbepalingen betreffende de actualisatie van de wisselkoersen in de sector ziektekostenverzekering.” De bevoegdheid terzake van dit orgaan is gebaseerd op artikel 17, lid 2, van de regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen. Op grond hiervan is het Centraal bureau belast met de coördinatie en de controle op de door de afwikkelingsbureaus verrichte werkzaamheden en met hettoezicht op de uniforme toepassing van de bepalingen betreffende de betaling van de uitkeringen.
In voornoemde circulaire geeft het Centraal bureau voor de betaling van de uitkeringen de twee volgende regels:
—
Kosten van verstrekkingen, gemaakt in andere valuta dan de Belgische frank, worden in deze valuta omgerekend tegen de geactualiseerde koers, geldend op de datum der verstrekkingen.
—
Indien de betaling wordt verricht in een andere valuta dan de Belgische frank, wordt het bedrag in Belgische franken voor elke verstrekking weer omgerekend in de valuta van betaling tegen de geactualiseerde koers, geldend op de datum van de verstrekking.
De regels van de hierboven besproken teksten kunnen ongetwijfeld aldus worden samengevat, dat het besluit van de Commissie de wijze van vaststelling van de geactualiseerde wisselkoersen vaststelt (driemaandelijkse wisselkoersen; keuze van de vrije markt), en dat de circulaire van het Centraal bureau de datum van de verstrekking kiest als de datum voor de (dubbele) conversie.
Verzoeker vraagt het Hof nu, het besluit van de Commissie van 6 november 1974 en bijgevolg — zo voegen wij eraan toe — de op 5 mei 1975 door het Centraal bureau vastgestelde uitvoeringscirculaire voor de ziektekostenverzekering te zijnen aanzien buiten toepassing te verklaren. Dit verzoek betreft uiteraard alleen de bepalingen van die teksten, die gelden voor de terugbetaling van in de Bondsrepubliek Duitsland gemaakte ziektekosten. Het spreekt vanzelf dat het beroep niet ten doel heeft, en ook niet kan hebben, de hele regeling inzake de terugbetaling van alle kosten waarvoor de driemaandelijkse geactualiseerde wisselkoersen zijn gebruikt, in geding te brengen, zoals verweerster schijnt te vrezen.
Verzoeker stelt het volgende: de in 1974/1975 vastgestelde regeling is onverenigbaar met artikel 72, lid 1, van het Statuut, met bijlage I van de regeling inzake de ziektekostenverzekering (de regels voor de terugbetaling van ziektekosten) en met het door 's Hofs rechtspraak ontwikkelde en omschreven beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren. Hij voegt hieraan toe dat bij toepassing van bijlage II, sub 2, van voornoemde beschikking van de Commissie, over welke toepassing hij zich beklaagt, de daarin genoemde doelstelling van terugbetaling van de daadwerkelijk gemaakte kosten niet kan worden gerealiseerd.
Zoals bekend bepaalt artikel 72, lid 1, van het Statuut, dat de kosten in geval van ziekte van de ambtenaar en zijn rechthebbenden tot ten hoogste 80 % zijn gedekt. Ingevolge deze bepaling is de regeling inzake de ziektekostenverzekering vastgesteld, waarvan bijlage I betreffende de regels inzake de vergoeding van ziektekosten, in de meeste gevallen een vergoeding van 80 % van de kosten voorschrijft, binnen de grenzen van een bepaald maximum. Dit percentage geldt voor alle uitgaven waarop het onderhavige beroep betrekking heeft, aangezien verzoeker zich enkel beklaagt over de vergoeding van zijn in Duitsland gemaakte kosten. De uitgaven voor de in Italië gekochte brilleglazen en het brilmontuur, die slechts tot 65 % worden vergoed, kunnen dusdoende buiten beschouwing blijven.
Verzoeker is ook van mening dat het door de Commissie gehanteerde systeem, wat de vergoeding van ziektekosten in de oorspronkelijke valuta zelf betreft, inbreuk maakt op het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren die in Italië of elk ander land met een zwakke valuta zijn tewerkgesteld, en degenen die in België, Luxemburg of in elk ander land met een sterke valuta werkzaam zijn. Het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren is een algemeen rechtsbeginsel in het ambtenarenrecht,dat het Hof herhaaldelijk formeel heeft erkend en met name heeft toegepast in het arrest van 16 maart 1971 (zaak 48/70, Bernardi, Jurispr. 1971, blz. 175, inzonderheid r.o. 27, blz. 185). Meer recent heeft het Hof zich op dat beginsel gebaseerd in een zaak waarin, zoals in het onderhavige geval, verzoeker, die in Ispra werkzaam was geweest, zich erover beklaagde dat hij financieel was benadeeld ten opzichte van ambtenaren die in België of Luxemburg werkten (arrest van 31 mei 1979, zaak 156/78, Newth, Jurispr. 1979, blz. 1942, inzonderheid r.o. 13).
De gelijke behandeling is bovendien duidelijk het doel dat de Commissie zich heeft gesteld in haar besluit van 6 november 1974 over de vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten. Het wordt verzoeker dus wel gemakkelijk gemaakt wanneer hij tracht aan te tonen dat de toepassing van de overigens in die tekst vastgestelde regels in strijd is met het doel ervan.
III —
Geconfronteerd met deze verwijten, bestrijdt de Commissie niet dat haatregeling onvolmaaktheden vertoont. Zij meent echter dat deze niet ernstig genoeg zijn om de rechtmatigheid ervan in het geding te brengen. Zij wijst op de ingewikkeldheid van de betrokken materie en zegt dat zij serieuze pogingen heeft gedaan, onder meer door middel van de bestreden regeling, en nog steeds doet om te garanderen dat ziektekosten op billijke wijze aan haar ambtenaren worden vergoed. Zij beklemtoont ook dat tal van verzoekers opmerkingen eigenlijk voorstellen zijn om een ander systeem in te voeren. Volgens haar staat het echter niet aan verzoeker in het kader van het onderhavige beroep dergelijke voorstellen te doen, die bovendien zeer aanvechtbaar zijn.
In zoverre kan ik het met de Commissie eens zijn, en ik zal geen tijd verknoeien met een uitspraak over de juridische relevantie en de praktische mogelijkheden van de door verzoeker voorgestelde hervormingen: vergoeding rechtstreeks in de valuta waarin de kosten zijn gemaakt, en keuze van de koers geldend op de dag van terugbetaling, voor de omwisseling van de valuta waarin de kosten zijn gemaakt, naar de valuta waarin zij door de ziekenkas worden vergoed. Deze suggesties liggen immers duidelijk op het vlak van „de lege ferenda” en lijken mij ook overbodig voor het geven van een gefundeerd oordeel over de betrokken regeling.
Het is ook waar dat wisselkoersproblemen ingewikkeld en moeilijk zijn en zelfs onmogelijk op juridisch volkomen bevredigende wijze kunnen worden opgelost. En tenslotte kan niet worden bestreden dat de soms plotselinge wijzigingen van de muntwaarde op de internationale valutamarkt niet de Commissie kunnen worden aangerekend.
Zij diende enkel een evenwicht te vinden tussen de onvermijdelijke moeilijkheden die zich bij het administratieve beheer van een ingewikkelde, over de gehele wereld geldende regeling voordoen, en de hogere eisen van rechtvaardigheid, volgens welke alle zieken die zich in vergelijkbare situaties bevinden, gelijke vergoedingen moeten krijgen. Aan de Commissie kan dan ook geen resultaatsverplichting worden opgelegd, doch enkel een inspanningsverplichting, om dit essentiële onderscheid uit het recht inzake de civielrechtelijke aansprakelijkheid maar eens over te nemen.
In casu betekent dit, dat verweerster niet verplicht is, alle ambtenaren die waar ook ter wereld ziektekosten hebben gemaakt, precies 80 % daarvan te vergoeden. De formulering „... zijn de kosten ... tot ten hoogste 80 % gedekt ...” in artikel 71, lid 1, van het Statuut, wijst ook in die richting, aangezien men deze bepaling, zoals verweerster betoogt, aldus kan uitleggen, dat de kosten ongeveer tot dat percentage moeten worden vergoed.
Dit mag echter niet tot gevolg hebben dat de Commissie volledig vrij is in haar handelen. Het was haar plicht een regeling vast te stellen die op passende wijze aan de feitelijke omstandigheden beantwoordt, en, indien de ervaring zou uitwijzen dat de gekozen regeling niet voldeed, deze op korte termijn te verbeteren.
De Commissie lijkt mij echter niet alle vereiste zorgvuldigheid aan de dag te hebben gelegd. Dit blijkt in de eerste plaats uit het feit dat de boekhoudkundige dienst van de Commissie wegens de waardedaling van de lire niet de in het besluit van 6 november 1974 vervatte regel in acht heeft kunnen nemen dat „(hij) halverwege elk trimester, op grond van de op dat moment op de vrije markt te Brussel toegepaste wisselkoersen, de met ingang van het volgende trimester te gebruiken koersen vaststelt.”
Uit als bijlage 5 bij het verweerschrift overgelegde documenten blijkt, dat de met ingang van een bepaald trimester toe te passen koersen niet halverwege het voorgaande trimester, maar op een veel dichter bij de inwerkingtreding ervan liggende datum zijn vastgesteld. Uit het dossier blijkt eveneens dat deze koersen in de loop van het trimester waarin zij in werking traden, nog werden gewijzigd, waarschijnlijk omdat de boekhoudkundige dienst zich bewust was van de onvolmaaktheden van de gekozen regeling in een periode van sterke monetaire onstabiliteit.
Verweersters nalatigheid blijkt ook hieruit dat zij de regels waarvan zij — zoals de houding van haar boekhoudkundige dienst bewijst — de leemten kende, te laat heeft gewijzigd. Zij heeft het stelsel van driemaandelijkse koersen immers pas op 1 april van dit jaar, dus vier jaar en vijf maanden na het besluit van 6 november 1974, vervangen door een stelsel van maandelijkse koersen voor alle in bijlage I van genoemd besluit bedoelde kosten, behalve ziekte- en ongevallenkosten (artikelen 72 en 73, alinea 3, van het Statuut). Voor deze laatste besloot de Commissie een driemaandelijkse koers te blijven toepassen, die voortaan echter op de eerste werkdag van het betrokken trimester zou worden vastgesteld. Zonder in het beperkte kader van dit geschil een definitief oordeel te geven over de betekenis van deze wijziging, lijkt zij mij toch van meer werkelijkheidszin te getuigen. Ik heb alleen kritiek op het feit dat deze verbetering zo lang op zich heeft laten wachten, terwijl het betrokken besluit, dat immers intern was en door middel van een schriftelijke procedure was vastgesteld, uiteraard gemakkelijk kon worden gewijzigd.
Zo gezien, kan geen van de ter verweer aangedragen argumenten mijn negatieve indruk wegnemen.
Wanneer de Commissie de nadruk legt op het over het algemeen liberale karakter van de voor haar ambtenaren geldende ziektekostenverzekering, en op de moeite die zij zich getroost om voor weinig bekende valuta de omrekeningskoers in Belgische franken te vinden, wil ik haar graag geloven. Doch een en ander lijkt ons niet van dien aard, dat de Commissie zich daarmee ten aanzien van het onderhavige specifieke probleem van alle blaam kan zuiveren.
Wanneer zij anderzijds spreekt van meestal zeer geringe verliezen, houdt zij er geen rekening mee, dat het om relatieve verliezen gaat, die zijn berekend door vergelijking met de statutaire vergoeding van 80 %, en dat, hoewel lichte verliezen van tijd tot tijd draagbaar zijn, dit niet meer zo is wanneer zij zich systematisch voordoen.
De Commissie verwijt verzoeker ook dat deze misbruik maakt van de mogelijkheid van vrije artsenkeuze als bedoeld in artikel 9, lid 1, van de regeling inzake de ziektekostenverzekering, omdat hij in praktisch alle gevallen rekeningen overlegt voor medische behandeling in Duitsland. Volgens de Commissie vormen de wisselkoersrisico's in zekere zin het tegenwicht voor de zeer liberale bepaling van artikel 9.
Dit is niet mijn opvatting.
Als het om beginselen gaat, zo meen ik, dient men, wanneer men eenmaal een regel heeft vastgesteld, ook de eventuele ongunstige consequenties daarvan te aanvaarden en moet men proberen deze op te vangen door passende middelen en niet met behulp van een oplossing die de doeltreffendheid van die regel gedeeltelijk ongedaan maakt. Dit zou echter het geval kunnen zijn, indien ambtenaren die in een land met een zwakke valuta zijn tewerkgesteld en afkomstig zijn uit een land met een sterke valuta, door koersverschillen ertoe zouden worden gebracht om in geval van ziekte voor zichzelf en hun rechthebbenden af te zien van behandeling in hun land van herkomst. Te denken valt ook aan de talrijke ambtenaren te Ispra, die zich in Zwitserland laten behandelen.
Afgezien van verzoekers persoonlijke situatie, wordt van de mogelijkheid om zich in het buitenland geneeskundig te laten behandeln en inzonderheid artsen in het land van herkomst te consulteren en zich aldaar te laten behandelen, naar mijn mening veel vaker gebruik gemaakt dan verweerster wil toegeven.
Een ander gevolg van de vrije artsenkeuze is dat verzoeker de hem in lires uitbetaalde vergoeding tegen de vrije marktkoers in DM heeft laten omwisselen, hetgeen hem is komen te staan op een ernstig verwijt van de Commissie, die fel opkomt tegen deze handeling op eigen initiatief, die verzoeker volgens haar buiten zijn berekening had moeten laten. Doch het is duidelijk dat een in Duitsland gevestigd arts zich in DM laat betalen, en dat een vergelijking tussen wat men betaalt, en wat men vergoed krijgt, enkel mogelijk is in de valuta waarin is betaald en, waar het om een door een particulier verrichte handeling gaat, tegen de wisselkoers die geldt voor particulieren.
Bovendien blijkt uit verzoekers berekeningen ter staving van zijn administratieve klacht, dat een in Brussel of Luxemburg tewerkgestelde ambtenaar die gedurende hetzelfde trimester dezelfde kosten in DM zou hebben gemaakt, volgens dezelfde berekeningswijze een veel hogere vergoeding in Belgische franken zou hebben gekregen.
De Commissie wijst er nog op, dat zich weliswaar een belangrijke wisselkoerswijziging ten nadele van de ambtenaren kan voordoen tussen het moment van de verstrekking en dat van de terugbetaling, doch dat het goeddeels aan henzelf ligt hoeveel tijd er verstrijkt tussen het tijdstip van de medische behandeling en de indiening van de kostendeclaratie.
Inderdaad kan volgens artikel 13 van de ziektekostenregeling de declaratie nog worden ingediend „binnen het kalenderjaar volgende op dat waarin de verstrekkingen hebben plaatsgevonden”, zodat men in extreme gevallen daarvoor bijna twee jaar de tijd heeft. Volgens de Commissie geeft deze lange periode de verzekerden de mogelijkheid tot valutaspeculaties.
Doch voor een groot deel kunnen de verzekerden het tijdsverloop tussen de datum van de verstrekking en die van terugbetaling niet beïnvloeden. Daar is in de eerste plaats de tijd die verstrijkt tussen de datum van de verstrekking en die waarop zij de honorarium- of kostennota van de arts enz. ontvangen. Daar is vervolgens en vooral de duur van de administratieve behandeling door verweerster tussen het tijdstip waarop die nota's worden ingediend en dat waarop de terugbetaling plaatsvindt. De mogelijkheden tot speculatie zijn dus beperkter dan de Commissie beweert.
Indien dit gevaar toch zou bestaan, zou het trouwens anders moeten worden bestreden dan door middel van een wisselkoersregeling waarvan de algemene strekking onvermijdelijk voor alle ambtenaren geldt, zowel voor degenen die speculeren, als voor de anderen. Gelet op de onrust die vaak op de wisselmarkten heerst, geloof ik niet dat men dit risico volkomen kan uitsluiten. Men kan het hoogstens verminderen. Het zij mij toegestaan voor te stellen om de termijn voor het indienen van de ziektekostendeclaraties te verkorten, hetgeen bovendien het werk van de afwikkelingsbureaus zou vergemakkelijken.
Hoe dan ook, vormt de met ingang van het tweede trimester van dit jaar ingevoerde wijziging in de zin van een betere aanpassing aan de werkelijkheid, niet het beste bewijs voor de ontoereikendheid van de vroegere regeling?
Dit streven naar een meer passende oplossing is nog een extra punt van overeenkomst tussen de onderhavige zaak en de eerder genoemde zaak-Newth die, in verband met de degressieve vergoeding na ontheffing uit het ambt om redenen van dienstbelang, eveneens betrekking had op het koersverlies van een in Italië tewerkgesteld ambtenaar ten opzichte van ambtenaren in België of Luxemburg. De conclusie van advocaat-generaal Reischl volgende, beschouwde het Hof dit verlies als een „schending van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren die zich in een vergelijkbare situatie bevinden” (r.o. 13).
Ik geloof niet dat het feit dat Newth een groter verlies leed dan Misenta (30 % in plaats van 10-12 %), en dat ontheffingen uit het ambt om redenen van dienstbelang veel minder talrijk zijn dan vergoedingen van ziektekosten, beslissende verschillen zijn op grond waarvan men zou moeten aannemen dat in het eerste geval wel sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling, en in het tweede geval niet. Wat verzoeker in verband met zijn ziektekosten is overkomen is bovendien in strijd met artikel 72, lid 1, van het Statuut en met bijlage I (regels inzake de vergoeding van ziektekosten) van de regeling inzake de ziektekostenverzekering. Daarom achten wij het mogelijk en wenselijk die oplossing ook voor het onderhavige geschil te doen gelden.
Tenslotte meen ik de aandacht van de Commissie te moeten vestigen op bepaalde nadelen van besluiten die bij een schriftelijke procedure worden vastgesteld. In de onderhavige zaak bleek het uiterst moeilijk, kennis te nemen van de definitieve en volledige tekst van deze besluiten en van de juiste datum waarop deze zijn vastgesteld. Waar het om bindende besluiten gaat, ook al hebben zij slechts rechtsgevolg binnen de gemeenschapsinstellingen, meen ik dat zij beter verdienen dan een publikatie in de „Per-soncclskoerier” enkele maanden na de datum van inwerkingtreding ervan.
Concluderend geef ik in overweging het verzoek van Misenta toe te wijzen en bijgevolg:
—
te verklaren dat de regeling voortvloeiend uit de toepassing van besluit nr. C/2981/74 van 6 november 1974 (bijlage 2, sub 2) en van de uitvoeringsbepalingen van het Centraal bureau van de ziektekostenverzekering van 5 maart 1974 (punt 2, afwikkeling en verstrekkingen) op ziektekosten die verzoeker in Duitsland heeft gemaakt, met ingang van 1 juli 1976 niet op hem van toepassing is;
—
het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht nietig te verklaren;
—
de Commissie te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een bedrag van DM 326,22, met wettelijke interessen vanaf de dag van indiening van de klacht;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding.
( 1 ) Vcrtaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy