CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 22 NOVEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster in de onderhavige zaak, Evelyn Anna-Maria Devred, geboren Kenny-Levick, is ambtenares in de rang C 4 bij de Commissie in Brussel. Zij bezit de Britse nationaliteit door geboorte en de Belgische door haar huwelijk. Zij vordert in hoofdzaak:
(1)
nietigverklaring van het besluit van de Commissie dat zij geen recht heeft op de in artikel 4 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut bedoelde ontheemdingstoelage;
(2)
subsidiair, vergoeding van de schade die zij beweerdelijk als gevolg van dit besluit heeft geleden.
Krachtens artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut wordt een ontheemdingstoelage toegekend aan
a)
de ambtenaar:
—
die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze ook nooit heeft bezeten, en
—
die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat. Buiten beschouwing blijven hierbij omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie;
b)
de ambtenaar die de nationaliteit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, bezit of heeft bezeten, maar die gedurende een periode van tien jaar, eindigende op het ogenblik van zijn indiensttreding, regelmatig woonachtig is geweest buiten het grondgebied in Europa van de staat, en welk om een andere reden dan het uitoefenen van een functie in dienst van een staat of van een internationale organisatie."
Mevrouw Devred werd geboren op 15 maart 1946 in Alexandrie. Haar vader was Brits onderdaan door geboorte. Ter terechtzitting werd verklaard, dat hij bij de RAF diende of had gediend.
Zij volgde van 1949 tot 1962 onderwijs in Egypte. Nadat haar ouders verhuisd waren naar Rome, studeerde zij in 1962 en 1963 aan de American Business School aldaar; zij haalde det diploma van secretaresse. Van 1965 tot 1967 werkte zij als secretaresse bij de FAO in Rome. In april 1967 trad zij in dienst van de Commissie van Euratom in Brussel, op 5 augustus 1970 trouwde zij te Sint-Lambrechts-Waluwe met de Belg Jacques Christian Devred. Krachtens artikel 4 van de Belgische wet van 14 december 1932 op de verwerving, het verlies en de herkrijging van de nationaliteit, verwierf zij daardoor van rechtswege de Belgische nationaliteit; zij kon hiervan afstand doen door binnen zes maanden een daartoe strekkende verklaring in te dienen, doch zij deed dit niet. Inmiddels behield zij haar Britse nationaliteit.
Het spreekt vanzelf dat verzoekster tot op de dag van haar huwelijk een ontheemdingstoelage was toegekend; de toelage werd ook na haar huwelijk verder uitgekeerd. Namens de Commissie werd ons uitgelegd dat dit destijds gebruikelijk was in de administratie en was toe te schrijven aan het feit dat de heer Devred slechts studeerde in België en dat zijn familie in Rome woonde.
In september 1971 werd verzoekster overgeplaatst van Brussel naar het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra. In juni 1972 nam zij ontslag bij de Commissie om haar echtgenoot te vergezellen, die een betrekking had gekregen in Saoedi-Arabië. Zijzelf werkte daar als een (ter plaatse aangeworven) secretaresse van het United Nations Development Programme. In 1974 verhuisden zij en haar echtgenoot naar Tunesië, ook weer omdat de heer Devred daar een baan had gekregen. Na afloop darvan keerde het echtpaar Devred in 1976 terug naar Rome waar verzoekster een tijdelijke betrekking kreeg bij de FAO.
Nadat zij had deelgenomen aan een vergelijkend onderzoek, werd mevrouw Devred op 1 december 1977 opnieuw ambtenares bij de Gemeenschappen te Brussel. Zij werkte veertien dagen bij het secretariaat-generaal van de Raad, doch werd op 16 december 1977 overgeplaatst naar de diensten van de Commissie, waar zij nog steeds tewerkgesteld is.
Aanvankelijk beschouwde de Commissie haar als rechthebbende op een ontheemdingstoelage. Dat kwam, aldus de Commissie, omdat de bevoegde dienst niet was nagegaan of dit juist was. Op haar salarisbriefje van 15 februari 1978 werd evenwel vermeld dat de ontheemdingstoelage niet meer zou worden uitgekeerd en dat de eerder betaalde bedragen teruggevorderd en van haar salaris over februari 1978 afgetrokken werden. Dezelfde dag, of mogelijk een paar dagen later — de juiste datum staat niet vast — werden haar tijdens een gesprek met de heer Pratley, hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie, de redenen voor deze maatregel uiteengezet.
Op 28 april 1978 diende verzoekster overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut een klacht in tegen het besluit waarbij haar ontheemdingstoelage werd ingetrokken. Zij kreeg op deze klacht geen antwoord binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut voorgeschreven termijn van vier maanden en stelde daarop het onderhavige beroep in. Haar klacht had echter wel tot gevolg dat de Commissie besloot het van haar salaris over februari 1978 afgetrokken bedrag terug te betalen. De Commissie oordeelde in dit verband dat artikel 85 van het Ambtenarenstatuut inzake de terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald, niet van toepassing was, omdat verzoekster haar ontheemdingstoelage over het tijdvak van 16 december 1977 tot 31 januari 1978 te goeder trouw had ontvangen.
Het staat uiteraard vast dat indien artikel 4 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut naar de letter moet worden uitgelegd, verzoekster geen recht op een ontheemdingstoelage kan doen gelden. Op 1 december 1977, de dag waarop zij opnieuw in dienst trad bij de Gemeenschappen in Brussel, had zij de Belgische nationaliteit en was zij niet in de periode van tien jaar eindigend op die datum, regelmatig woonachtig geweest buiten België; zij had van 1967 tot 1971 in België gewoond.
Ter ondersteuning van haar stelling dat zij niettemin recht heeft op een ontheemdingstoelage, beroept zij zich in de eerste plaats op artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII, en subsidiair, op artikel 4, lid 1, sub b.
Tot staving van haar bewering dat haar op grond van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII een ontheemdingstoelage moet worden toegekend, voert zij drie argumenten aan.
Het eerste argument berust op artikel 119 van het Verdrag en op de arresten van het Hof in zaak 21/74 (Airola, Jurispr. 1975, blz. 221) en in zaak 37/74 (Van den Broek, Jurispr. 1975, blz. 235).
Zoals u weet was verzoekster in de zaak Airola, een te Ispra werkzame Belgische die met een Italiaan was gehuwd. Krachtens de Italiaanse wet verwierf zij daardoor automatisch de Italiaanse nationaliteit, zonder dat zij het recht had daarvan afstand te doen. Twee dagen na haar huwelijk legde zij de in artikel 22 van de Belgische wet van 14 december 1932 bedoelde verklaring af tot behoud van de Belgische nationaliteit, die zij zonder een dergelijke verklaring zou hebben verloren. Het Hof was toen van oordeel dat de Italiaanse nationaliteit van verzoekster wat betreft artikel 4 van bijlage VII buiten beschouwing moest blijven, omdat dit artikel anders discriminatie zou doen ontstaan tussen mannelijke en vrouwelijke ambtenaren; aan een mannelijk ambtenaar kan immers nooit de nationaliteit van zijn echtgenote worden opgelegd.
In de zaak Van den Broeck daarentegen, had verzoekster die in Brussel werkte de Franse nationaliteit door geboorte; zij huwde een Belg. Krachtens de Belgische wet van 14 december 1932 juncto het Frans-Belgische Verdrag van 9 januari 1947, verwierf zij door dat huwelijk de Belgische nationaliteit en verloor zij de Franse; zij beschikte echter over de mogelijkheid om door middel van een binnen zes maanden na haar huwelijk af te leggen verklaring de Franse nationaliteit te herkrijgen en van de Belgische afstand te doen. Zij legde deze verklaring echter niet af. Het Hof was van oordeel dat waar verzoekster van deze mogelijkheid geen gebruik had willen maken, geen redenen „verband houdend met gelijkheid van behandeling” bestonden om bij de toepassing van artikel 4 de Belgische nationaliteit van verzoekster buiten beschouwing te laten.
Mevrouw Devred betoogde dat haar geval in wezen overeenkomt met de Airolazaak en niet met de zaak Van den Broeck. Zij wees erop dat Van den Broeck uitsluitend de Belgische nationaliteit bezat: zij had kunnen kiezen tussen de Belgische en de Franse maar kon niet beide nationaliteiten behouden. Als men haar Belgische nationaliteit niet in aanmerking had genomen, zou men haar met andere woorden als staatloos hebben behandeld. Devred daarentegen heeft, zoals Airola, twee nationaliteiten. Daarom moet de nationaliteit die zij door haar huwelijk verwierf buiten beschouwing blijven, aangezien een man nooit op deze wijze een nationaliteit kan worden opgelegd. Zelfs indien zij gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om binnen zes maanden na haar huwelijk van haar Belgische nationaliteit afstand te doen, aldus vervolgt haar betoog, was zij toch Belgisch geweest van de dag van haar huwelijk tot op de dag van de verwerping. Verwerping van de Belgische nationaliteit zou haar gezien de formulering van artikel 4 niet gebaat hebben, daar in bedoeld artikel sprake is van een ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat van zijn standplaats, „en die deze ook nooit heeft bezeten.”
Daarop volgde een discussie tussen partijen over de vraag of naar Belgisch recht een verwerping van de nationaliteit al dan niet terugwerkende kracht heeft; de Belgische doctrine is hierover blijkbaar verdeeld. De Commissie deelde ons in dit verband mee dat zij in geval van verwerping in de praktijk geen rekening houdt met de tijdelijke verwerving van de Belgische nationaliteit door een vrouwelijke ambtenaar.
Deze handelwijze is mijns inziens juist om twee redenen die elk afzonderlijk al volstaan. De eerste is dat verwerving door huwelijk van een nationaliteit waarvan binnen zes maanden reeds afstand wordt gedaan, buiten beschouwing moet blijven op grond van het beginsel „de minimis non curat lex”. De tweede reden is dat, aangezien de verwerving buiten de wil van de betrokkene geschiedt en voor een man onmogelijk is, zij volledig wordt gedekt door het beginsel waarop het arrest van het Hof in de zaak Airola berust.
Wanneer evenwel, zoals in casu, de betrokkene geen afstand doet van de nationaliteit, dan is het beginsel van de zaak Airola naar mijn mening niet van toepassing. Mevrouw Devred had evenals mevrouw Van den Broeck een keuzemogelijkheid. Eigenlijk was haar keuze nog minder lastig te maken. Van den Broeck moest een keuze maken tussen de nationaliteit waarop zij door haar geboorte reeds recht had, en die welke haar door haar huwelijk toekwam, Devred had alleen maar te beslissen of zij de nationaliteit waarop zij door haar huwelijk recht had, al dan niet voorgoed zou aanvaarden. Haar nationaliteit door geboorte kon zij in ieder geval behouden. Het is wel juist dat, zo men de Belgische nationaliteit van mevrouw Van den Broeck buiten beschouwing had gelaten, men haar als staatloze had behandeld. Maar daarop berustte de uitspraak van het Hof in die zaak niet. Het ging erom dat Van den Broeck een keuzemogelijkheid had en dus niet slechter af was dan een mannelijk ambtenaar: geen van beiden kon immers de nationaliteit van zijn of haar echtgenoot opgelegd worden. Het komt mij voor dat een vrouwelijke ambtenaar in de positie van Devred er juist gunstiger voor staat dan een mannelijke ambtenaar die iemand met de nationaliteit van een andere Lid-Staat huwt. Deze heeft over het algemeen niet het recht om de nationaliteit van zijn echtgenote te verkrijgen als hij dat zou wensen.
Ik stel daarom voor het eerste argument van verzoekster ter ondersteuning van haar stelling dat zij krachtens artikel 4, lid 1, sub a, recht heeft op een ontheemdingstoelage te verwerpen.
Het tweede argument tot staving van deze stelling luidt dat, als een ambtenaar twee nationaliteiten heeft, artikel 4 aldus moet worden verstaan, dat de „effectieve”, „actieve”, „dominerende” of „overwegende” nationaliteit moet worden opgespoord en de andere buiten beschouwing moet blijven. (Eenvoudigheidshalve zal ik van die veelheid van adjectieven de term „overwegend” hanteren). Gesteld werd dat de overwegende nationaliteit van Devred de Britse is.
Ik geef toe dat voor iemand die zijn juridische vorming in Engeland heeft genoten, het begrip „overwegende nationaliteit” niet meteen bevattelijk is. Het bestaat niet in het Engelse recht, noch, voor zover mij bekend, in enig land waarvan het recht is afgeleid van de Engelse common law. Het is bekend dat het begrip gangbaar is in het volkenrecht, met name in gevallen waarbij twee of meer staten de nationaliteit van eenzelfde individu opeisen — zie onder meer de Haagse conventie van 12 april 1930 die zowel door België als door het Verenigd Koninkrijk, maar blijkbaar niet door alle Lid-Staten van de Gemeenschap, is geratificeerd.
Maar eigenlijk werd het begrip ontwikkeld door de rechtbanken van landen waar in het internationaal privaatrecht gebruik wordt gemaakt van het criterium nationaliteit, en niet van woonplaats (in de zin van de common law), om uit te maken welk recht voor een bepaald individu geldt. Voor gevallen waarin een individu twee nationaliteiten bezit, moesten die rechtbanken wel een concept van overwegende nationaliteit ontwikkelen.
In zaak 33/72 (Gunnelia, Jurispr. 1973, blz. 475) onderzocht advocaat-generaal Mayras in zijn conclusie (blz. 486) nauwgezet de vraag of dit concept van toepassing was in de context van artikel 4 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut. Hij kwam tot de slotsom dat dit niet het geval was. Ik ben het hiermee eens. In artikel 4 is uitsluitend de vraag aan de orde of een ambtenaar al dan niet de nationaliteit van het land van zijn standplaats heeft (of heeft gehad), niet de vraag of hij daarnaast ook nog een andere nationaliteit heeft (of heeft gehad).
Mocht het Hof evenwel deze mening niet delen, dan moet worden nagegaan of de overwegende nationaliteit van mevrouw Devred de Belgische dan wel de Britse is. Daartoe zijn, geloof ik, bijkomende gegevens over de aard van haar Britse nationaliteit noodzakelijk, en wel omdat het recht inzake de Britse nationaliteit zo ingewikkeld is.
In principe is elke burger van elk Gemenebestland ook Brits onderdaan. Krachtens afdeling 1 van de British Nationality Act 1948 zijn de termen „British Subject” en „Commonwealth citizen” synoniem. Dit betekent dat ongeveer een vijfde van de mensheid Brits onderdaan is.
Binnen deze grote categorie bestaat een kleinere van „Citizens of the United Kingdom and Colonies” (burgers van het Verenigd Koninkrijk en de koloniën).
Uit een fotokopie van de eerste twee bladzijden van verzoeksters Brits paspoort (in haar persoonsdossier dat zich onder de stukken bevindt) blijkt dat zij tot deze kleinere categorie behoort.
Niet iedere burger van het Verenigd Koninkrijk en de koloniën heeft echter het „right of abode”, het recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk zelf. Dat recht komt toe aan een nog beperktere categorie die werd ingesteld bij de Immigration Act 1971 en de bestaat uit „patrials”. Een burger van het Verenigd Koninkrijk en de koloniën die geen „patrial” is geniet niet van rechtswege vrije toegang tot het Verenigd Koninkrijk.
Bovendien legde de regering van het Verenigd Koninkrijk bij de ondertekening van het Toetredingsverdrag een verklaring af krachtens welke de term „onderdaan” in het EGKS-Verdrag, het EEG-Verdrag, het Euratom-Verdrag of enig uit deze Verdragen afgeleid communautair besluit, wat het Verenigd Koninkrijk betreft, moest worden geacht alleen te verwijzen naar „patrials” en „Gibraltarians”. De rechtskracht van deze verklaring is in de doctrine omstreden. Maar klaarblijkelijk (waarschijnlijk waren de overige Lid-Staten bij de ratificatie van het Toetredingsverdrag dezelfde mening toegedaan) houdt de verklaring in dat een burger van het Verenigd Koninkrijk en de koloniën die „patrial” noch „Gibraltarian” is, in het gemeenschapsrecht niet als een Brits onderdaan wordt beschouwd.
Aangezien verzoekster in Alexandrie is geboren en nooit in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond (voor zover ons bekend, is zij er zelfs nooit geweest), kan niet zonder meer worden aangenomen dat zij een „patrial” is. Haar paspoort geeft dienaangaande evenmin uitsluitsel aangezien het in 1970 werd uitgereikt. Dit punt kan alleen komen vast te staan door een onderzoek naar haar afstamming om te zien of zij aan de in afdeling 2 van de wet van 1971 gestelde voorwaarden voldoet. Zoals u weet, heb ik tijdens de mondelinge behandeling haar raadsman gevraagd of hij deze vraag kon beantwoorden, maar dat kon hij niet. Hij heeft ons inmiddels meegedeeld dat verzoekster het Britse consulaat in Brussel om inlichtingen heeft gevraagd, maar dat zij als enig antwoord heeft gekregen dat verder onderzoek noodzakelijk was.
Ik zal het hierbij laten. Als mocht blijken dat mevrouw Devred geen patrial is, dan zou zij, ingeval zij dat zou wensen, krachtens de bepalingen van het EEG-Verdrag makkelijker aan het werk kunnen in het Verenigd Koninkrijk op grond van haar Belgische dan van haar Britse nationaliteit. Men zou in dat geval moeilijk kunnen beweren — althans in het kader van het gemeenschapsrecht — dat haar Britse nationaliteit overwegend is.
Het derde argument tot staving van verzoeksters stelling dat zij krachtens artikel 4, lid 1, sub a, recht heeft op een ontheemdingstoelage, is gebaseerd op enkele opmerkingen van advocaat-generaal H. Mayras in de zaak Gunnelia (Jurispr. 1973, blz. 487 en 488) betreffende de bewering van Gunnelia dat onder de term „indiensttreding” in artikel 4 de dag van de indiensttreding in een bepaalde standplaats moet worden verstaan. Gunnelia, die voorheen in Brussel had gewerkt, werd na een om redenen van persoonlijke aard toegekend verlof, herplaatst te Ispra. Advocaat-generaal Mayras verwierp deze opvatting en stelde dat onder „indiensttreding” in de zin van artikel 4 alleen moet worden verstaan dat men voor het eerst een functie bij de Gemeenschappen aanvaardt. Hiervan uitgaande voerde verzoekster aan dat voor de toepassing van artikel 4, lid 1, sub a, in haar geval de datum van haar indiensttreding in april 1967 moet worden gesitueerd en dat met de toen heersende omstandigheden rekening moet worden gehouden. Op dat tijdstip had zij uitsluitend de Britse nationaliteit en had zij nooit in België verbleven.
Dit argument had beter kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van verzoeksters stelling dat zij krachtens artikel 4, lid 1, sub b, recht heeft op een ontheemdingstoelage; in artikel 4 wordt immers uitdrukkelijk noch stilzwijgend bepaald dat wijzigingen in de nationaliteit van een ambtenaar na diens indiensttreding buiten beschouwing moeten blijven. Indien men de opmerkingen van advocaat-generaal Mayras uit hun verband rukt, zou men dan ook kunnen aanvoeren dat, aangezien Devred nu de Belgische nationaliteit bezit, de in artikel 4, lid 1, sub b, bedoelde periode van tien jaar in april 1967 verstreken is.
Zelfs zo geformuleerd, moet dit argument naar mijn mening echter worden verworpen.
De opmerkingen van advocaat-generaal Mayras hadden geen betrekking op een geval zoals dat van verzoekster, die na ontslag op verzoek de dienst bij de Gemeenschappen geheel heeft verlaten en enkele jaren later opnieuw is aangeworven. Gunnelia was ononderbroken ambtenaar van de Gemeenschappen gebleven.
Thans dan de twee argumenten tot staving van de bewering dat verzoekster recht heeft op een ontheemdingstoelage krachtens artikel 4, lid 1, sub b.
Het eerste luidt dat verzoeksters verblijf in België van 1967 tot 1971 buiten beschouwing moet blijven omdat het moet worden toegeschreven aan haar tewerkstelling bij de Gemeenschappen, die een „internationale organisatie” in de zin van artikel 4 vormen. Gesteld al dat, zoals verzoekster beweert, de Gemeenschappen een „internationale organisatie” vormen in de zin van hun eigen Ambtenarenstatuut (advocaat-generaal Mayras was in de zaak Gunnelia die mening toegedaan; zie Jurispr. 1973, blz. 487), dan nog keert het aangevoerde argument artikel 4, lid 1, sub b, helemaal ondersteboven. In bedoelde bepaling wordt gezegd dat een ontheemdingstoelage wordt toegekend aan een ambtenaar met de nationaliteit van de staat van zijn standplaats op voorwaarde dat hij gedurende de tien jaar eindigende op het ogenblik van zijn indiensttreding regelmatig woonachtig is geweest buiten het grondgebied in Europa van die staat, „en wel om andere redenen dan het uitoefenen van een functie in dienst van een staat of van een internationale organisatie”. Nu wordt ons gesuggereerd dat de bepaling het recht op ontheemdingstoelage ook toekent aan een ambtenaar met de nationaliteit van de staat van zijn standplaats, die een gedeelte van de periode van tien jaar in die staat woonachtig is geweest, als de reden voor dat verblijf lag in de uitoefening van een functie in dienst van die of enige andere staat dan wel van een internationale organisatie. Ik zie niet in waarom men de tekst van de bepaling zozeer geweld zou aandoen. Verzoekster bracht naar voren dat men uit de in artikel 4, lid 1, sub a, gemaakte uitzondering voor „omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie”, zou kunnen afleiden dat de auteurs van artikel 4 impliciet bedoeld hebben dat elk verblijf, om het even waar, in dienst van een internationale organisatie steeds buiten beschouwing moeten blijven. Het antwoord kan naar mijn gevoel kort zijn; als bij de auteurs een dergelijke bedoeling had voorgezeten, dan zouden zij die ook hebben uitgedrukt en artikel 4 anders hebben geformuleerd. Overigens zou dit wel een merkwaardige bedoeling zijn geweest.
Het tweede argument dat verzoekster in dit verband aanvoert, luidt dat tenminste de vóór haar huwelijk, dit wil zeggen vóór haar verwerving van de Belgische nationaliteit, in België doorgebrachte tijd buiten beschouwing moet blijven. In dat geval moet zij worden geacht gedurende meer dan acht jaar van de bedoelde periode van tien jaar buiten België woonachtig te zijn geweest. Hierop behoeft mijns inziens slechts te worden geantwoord dat in zaak 42/75 (Delvaux, Jurispr. 1976, blz. 167) het Hof duidelijk heeft gesteld dat de in artikel 4, lid 1, sub b genoemde periode van tien jaar ook niets minder dan tien jaar betekent.
Ik stel daarom voor het verzoek van mevrouw Devred tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie waarbij haar ontheemdingstoelage werd ingetrokken, te verwerpen.
Haar subsidiaire verzoek tot schadevergoeding berust op de bewering dat zij, vertrouwend op de aanvankelijke toekenning van de ontheemdingstoelage en op de bevestiging daarvan in een haar door de Commissie op 25 januari 1978 afgegeven attest, regelingen heeft getroffen met het oog op de aankoop van een appartement in Brussel en daarbij financiële verplichtingen heeft aangegaan waartoe zij zich niet zou hebben verbonden.
Ik kan u de details van deze regelingen besparen aangezien ter terechtzitting is gebleken dat verzoeksters bewering niet met bewijs werd gestaafd. In feite sloot verzoekster achtereenvolgens drie leningsovereenkomsten. De eerste, van 17 februari 1978, betrof een bedrag van 600000 BF. Dit is de enige lening die zij kon hebben aangegaan in de overtuiging dat haar bezoldiging van de Commissie ook een ontheemdingstoelage zou omvatten. De overeenkomst werd evenwel geannuleerd en vervangen door een tweede contract van 16 maart 1978 dat betrekking had op een veel kleiner bedrag, nl. BF 212600. Ook dit tweede contract werd geannuleerd en vervangen door een derde, gedateerd op 22 september 1978, over BF 975000. Toen verzoekster het tweede, en zeker toen zij het derde contract tekende, droeg zij er ontegenzeglijk kennis van dat haar recht op een ontheemdingstoelage onzeker was. Het spreekt daarom vanzelf dat haar verzoek om schadevergoeding moet worden verworpen.
Ik concludeer derhalve tot verwerping van het beroep; gelet op artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering behoeft verzoekster alleen haar eigen kosten te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy