CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 4 JULI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Volgens artikel 1, lid 1, van het Duitse Gesetz über eine Rentenversicherung der Handwerker van 8 september 1960 (Bundesgesetzblatt I, blz. 737) „worden handwerkslieden die in het ambachtsregister zijn ingeschreven verzekerd krachtens dè pensioenverzekering voor werknemers, zolang zij nog geen 216 maandelijkse bijdragen hebben voldaan voor een bezigheid of bedrijvigheid waarvoor een pensioenregeling verplicht is”.
Verzoeker in het hoofdgeding, de in 1932 geboren Italiaan Bruno Brunori, werd op 19 september 1975 als zelfstandig gediplomeerd steen- en beeldhouwer ingeschreven in het ambachtsregister te Keulen, doch is sinds 1 september 1976 weer in loondienst werkzaam. Vóór zijn inschrijving had hij volgens zijn zeggen 47 maandelijkse bijdragen voor de Italiaanse pensioenverzekering en blijkens de stukken van het verzekeringsdossier 185 verplichte maandelijkse bijdragen voor de Duitse pensioenverzekering betaald.
Bij beschikking van de Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz van 30 januari 1976 werd hem meegedeeld dat hij onder de in het Gesetz über eine Rentenversicherung der Handwerker genoemde verzekeringsplicht viel.
Tegen deze beschikking diende verzoeker een bezwaarschrift in op grond dat zijn Italiaanse bijdragen ook bij de vaststelling van zijn verzekeringsplicht bij de Duitse bijdragen moeten worden opgeteld. Artikel 45, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 1971, blz. 2) dient volgens hem in dit verband analoog te worden toegepast.
Deze bepaling, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2864/72 van de Raad van december 1972 (PB L 306 van 1972, blz. 1) luidt:
„Het orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regelingen van elke Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regelingen waren vervuld”.
De „Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz” is daarentegen van mening dat de Italiaanse verzekeringsbijdragen bij de berekening van de 216 maandelijkse bijdragen buiten beschouwing moeten blijven, omdat artikel 45, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 de samentelling van binnen- en buitenlandse verzekeringstijdvakken slechts voorschrijft met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering, doch niet voor de vaststelling van een verzekeringsplicht.
Na afwijzing van het bezwaarschrift en verwerping van het daarop ingestelde beroep ging verzoeker in appel. Bij beschikking van 8 december 1978 besloot het Landessozialgericht Nordrhein-Westfalen de procedure te schorsen en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1.
Moet artikel 45 van verordening (EEG) nr. 1408/71, dat het in aanmerking nemen van buitenlandse tijdvakken van verzekering met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen regelt, ook met het oog op het bestaan van de verzekeringsplicht op overeenkomstige wijze worden toegepast?
2.
Moeten bij de vaststelling van de in artikel 1, lid 1, van het Handwerkerversicherungsgesetz geregelde verzekeringsplicht, die eerst na het voldoen van 216 maandelijkse bijdragen vervalt, Italiaanse verzekeringsbijdragen al dan niet bij de Duitse verzekeringsbijdragen worden opgeteld?”
De schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de Commissie die vindt dat artikel 45 van verordening nr. 1408/71 bij de vaststelling van de verzekeringsplicht niet rechtstreeks of analoog moet worden toegepast, hebben mij volledig overtuigd.
Men kan zich terecht afvragen of de verordening wel op verzoeker van toepassing is. Het bestaan van een verzekering is namelijk volgens de definitie van het begrip werknemer in de verordening (zie artikel 2, lid 1, juncto artikel 1, sub a i) voorwaarde voor de toepassing ervan op verzoeker in het hoofdgeding. Deze beroept zich echter juist op de bepaling om hierop het niet-bestaan van een verzekeringsplicht te baseren. Het niet-bestaan van een verzekeringsplicht, waarvan bij voorbeeld sprake is wanneer bij samentelling van verzekeringstijdvakken het aantal van 216 maanden wordt overschreden, zou er dan toe leiden, dat de verordening voor de tijd dat verzoeker zelfstandig werkzaam was, niet op hem van toepassing zou zijn.
Afgezien van deze vraag betreffende de personele werkingssfeer verzet echter ook de materiële werkingssfeer van artikel 45 van de verordening zich tegen toepassing ervan op het onderhavige geval.
Deze bepaling verplicht de verzekeringsorganen rekening te houden met buitenlandse verzekerings- of woontijdvakken, wanneer het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen volgens hun wettelijke regelingen afhankelijk is van de vervulling van zulke tijdvakken. De samentelling van de volgens de verschillende nationale wettelijke voorschriften in aanmerking genomen tijdvakken dient volgens de gemeenschapswetgever het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen te garanderen, doch mag niet het verval van de verzekeringsplicht bewerkstelligen. Voorwerp van het hoofdgeding is echter, zoals wij hebben gezien, niet de vordering van het recht op een uitkering, maar de vervulling van de voorwaarden voor het verval van de verzekeringsplicht krachtens artikel 1, lid 1, van het Handwerkerversicherungsgesetz. Daaruit kan volgens mij worden afgeleid dat deze bepaling ook niet analoog op de onderhavige feiten kan worden toegepast.
Zoals wij bovendien nog van de Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz hebben vernomen heeft de Duitse Handwerkerversicherung ten doel, zelfstandige handwerkslieden in het kader van de pensioenverzekering voor werknemers een bodempensioen te verschaffen waarbij de verzekeringsplicht wordt beperkt tot 18 jaar. Of daarbij buitenlandse verzekeringstijdvakken evenals binnenlandse kunnen voldoen aan het vereiste van een toereikend bodempensioen, kan derhalve alleen door de nationale rechterlijke instantie volgens het nationale recht worden beslist. Evenmin als de Commissie ken ik communautaire coördinatiebepalingen. De nationale rechter is echter overeenkomstig artikel 5 EEG-Verdrag gehouden het nationale recht conform het gemeenschapsrecht uit te leggen.
Ik concludeer derhalve, de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
Artikel 45 van verordening nr. 1408/71, dat het in aanmerking nemen van volgens de wettelijke bepalingen van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen regelt, is bij de berekening van verzekeringstijdvakken ter vaststelling van de verzekeringsplicht noch rechtstreeks noch analoog toepasselijk.
Er bestaat geen bepaling van gemeenschapsrecht volgens welke bij de vaststelling van de verzekeringsplicht overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het Duitse Handwerkerversicherungsgesetz de in andere Lid-Staten betaalde verzekeringsbijdragen bij de Duitse verzekeringsbijdragen dienen te worden opgeteld.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy