CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 21 JUNI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Volgens de wettelijke regeling van een aantal Lid-Staten worden de uitkeringen als gevolg van een arbeidsongeval berekend op grond van een gemiddeld loon. De onderhavige zaak heeft betrekking op de vaststelling daarvan.
Na van augustus 1967 tot december 1968 in België werkzaam te zijn geweest, werd Jean-Louis Pennartz op 25 april 1969 te Cannes het slachtoffer van een arbeidsongeval. Ingevolge dit ongeval kende de Caisse primaire d'assurance maladie des Alpes Maritimes hem een uitkering toe wegens gedeeltelijke blijvende invaliditeit van 4 o/o en vervolgens van 6 o/o.
Deze uitkering werd berekend op grond van een gemiddeld loon dat uitsluitend was vastgesteld aan de hand van het loon dat Pennartz in zijn laatste werkkring gedurende 18 dagen in Frankrijk daadwerkelijk had genoten. Pennartz bestrijdt deze berekeningsmethode en betoogt dat eveneens rekening dient te worden gehouden met het in België genoten inkomen.
Deze stelling werd door de Commission de première instance du Contentieux de la Sécurité Sociale des Alpes Maritimes en door de Cour d'Appel te Aix- en-Provence op gelijke gronden verworpen. Met name op grond van de artikelen 18 en 30 van verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers waren deze instanties van oordeel dat het gemiddelde loon uitsluitend moest worden berekend op grond van de inkomsten genoten in het land waar het ongeval heeft plaatsgehad.
Hierop stelde Pennartz beroep in cassatie in.
De Cour de Cassation stelt uw Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de vraag, of voor het geval een arbeidsongevallenuitkering wordt berekend aan de hand van het gemiddeld loon in een referentieperiode, dit gemiddeld loon op grond van de te onderzoeken bepalingen moet worden vastgesteld met inachtneming van alle tijdens die periode in een of andere Lid-Staat ontvangen inkomsten, dan wel uitsluitend op de grondslag van de inkomsten genoten in de staat waar het slachtoffer ten tijde van het ongeval werkte, volgens de regeling en de berekeningsmethode welke aldaar geldt.
Gelet op de bewoordingen van deze vraag dient eerst het volgende te worden opgemerkt.
Het gaat om de uitlegging van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 3, welke betrekking heeft op ziekte- en moederschapsuitkeringen en waarnaar de vergelijkbare bepaling inzake arbeidsongevallen — artikel 30, lid 2, van die verordening — slechts verwijst. Artikel 18, lid 1, luidt als volgt: „Indien ingevolge de wettelijke regeling van een der Lid-Staten bij het verlenen van uitkeringen rekening wordt gehouden met het gemiddelde loon in een bepaald tijdvak, wordt het voor de berekening van deze uitkeringen in aanmerking genomen gemiddelde loon vastgesteld naar verhouding van de lonen welke zijn uitbetaald gedurende het tijdvak, vervuld krachtens de wettelijke regeling van deze Lid-Staat”.
Het begrip „lonen, welke zijn uitbetaald gedurende de tijdvakken, vervuld krachtens de wettelijke regeling van de staat die de uitkering verschuldigd is” valt niet noodzakelijkerwijze samen met het begrip „lonen, genoten op het grondgebied van die staat”. Normaal gesproken is dit ongetwijfeld wel zo, aangezien krachtens artikel 12 van verordening nr. 3 over het algemeen de wetgeving van toepassing is van de staat op het grondgebied waarvan de werknemers werkzaam zijn. Maar er doen zich ook bijzondere gevallen voor, waarin de werknemer krachtens andere bepalingen van Titel II van de verordening onder de wettelijke regeling valt van een andere Lid-Staat dan die waarin hij werkzaam is. In die gevallen is de in artikel 30, juncto artikel 18 bedoelde wetgeving niet die van de staat waar het slachtoffer ten tijde van het ongeval werkzaam was.
Onder dit voorbehoud kiezen wij om verschillende redenen voor het tweede door de Cour de Cassation genoemde alternatief.
Pennartz betoogde dat artikel 18 slechts de voor de vaststelling van de referentieperiode toepasselijke wettelijke regeling bepaalt en de vaststelling van de lonen die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de uitkering onverlet laat. Deze uitlegging lijkt ons in strijd met de betekenis van de tekst. Zij zou er namelijk op neerkomen dat de referentieperiode voor de berekening van het gemiddelde loon wordt verward met het krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde Lid-Staat „vervulde tijdvak”. Bovendien zou daardoor de strekking van de betrokken teksten worden miskend. Deze hebben enkel ten doel een gemiddeld loon vast te stellen en niet een toepasselijke wet. In verordening nr. 3 wordt de toepasselijke wet uitsluitend bepaald in Titel II (artikelen 12 tot 15).
Deze uitlegging wordt bevestigd door de bepalingen die artikel 30 van verordening nr. 3 met ingang van 1 oktober 1972 hebben vervangen. Artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71 luidt namelijk als volgt:
„Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddeld loon, stelt dit gemiddeld loon uitsluitend vast op basis van de lonen welke gedurende de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken zijn uitbetaald”.
Bovendien is het in de communautaire verordeningen inzake sociale zekerheid een algemene regel dat de organen van sociale zekerheid bij de berekening van uitkeringen op grond van een loon uitsluitend de lonen in aanmerking nemen over de tijdvakken vervuld krachtens de wettelijke regeling die zij toepassen. In verordening nr. 3 wordt deze methode gehanteerd voor de berekening van ouderdoms- en overlijdenspensioenen (artikel 28, lid 1, sub c) en van werkloosheidsuitkeringen (artikel 34, lid 1). Dezelfde beginselen liggen ten grondslag aan soortgelijke bepalingen van verordening nr. 1408/71. Ten aanzien van werkloosheidsuitkeringen bepaalt artikel 68, lid 1, van die verordening echter het volgende: „Indien de betrokkene evenwel laatstelijk niet ten minste vier weken werkzaamheden op dat grondgebied heeft uitgeoefend (d.w.z. op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij het laatst werkzaam was), wordt de uitkering berekend op basis van het loon dat ter plaatse waar de werkloze woont of verblijft met gelijkwaardige of soortgelijke werkzaamheden als die welke hij het laatst op het grondgebied van een andere Lid-Staat heeft uitgeoefend, gewoonlijk wordt verdiend”.
Ten slotte is deze regel op praktische gronden gerechtvaardigd, aangezien meestal de nationale wetgeving wordt toegepast. Het zou voor de sociale zekerheidsorganen immers lastig zijn, in andere Lid-Staten uitbetaalde lonen in aanmerking te nemen. Het in een nationale regeling vastgestelde gemiddelde loon is slechts zelden het brutoloon; meestal wordt het vastgesteld op grond van andere, moeilijk te doorgronden gegevens in verband met de feitelijke en juridische situatie in de betrokken Lid-Staat. Men behoeft bij voorbeeld slechts te denken aan de fiscale regeling om in te zien hoe ingewikkeld deze opgave is.
Daarbij komen, vooral in tijden van monetaire schommelingen, nog de moeilijkheden bij de omrekening van het loon in de munteenheid van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is.
Wij concluderen derhalve dat u in antwoord op de door de Franse Cour de Cassation gestelde vraag voor recht verklare:
de artikelen 18, lid 1, en 30, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer een werknemer het slachtoffer wordt van een arbeidsongeval terwijl hij is onderworpen aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat volgens welke bij de berekening van de arbeidsongevallenuitkering rekening wordt gehouden met het gemiddeld loon in een bepaald tijdvak, het voor de berekening van deze uitkering in aanmerking te nemen gemiddelde loon uitsluitend wordt vastgesteld aan de hand van de lonen welke zijn uitbetaald gedurende het tijdvak waarin betrokkene was onderworpen aan de wettelijke regeling van die Lid-Staat.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy