CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 19 SEPTEMBER 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne beren Rechters,
Inleiding
De onderhavige zaak betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Cour d'Appel te Rouen in een aldaar aanhangig strafgeding naar aanleiding van een Franse prijsbeheersingsregeling.
Appellant in het geding voor het Cour d'Appel is de Procureur Général bij deze instantie. Geïntimeerden zijn drie beheerders van Denkavit France SARL alsmede deze vennootschap zelf die burgerrechtelijk aansprakelijk wordt geacht. De drie personen zijn Dr. H. Buys (een Nederlander, die verklaart dat zijn naam in de verwijzingsbeschikking abusievelijk als „Buijs” is gespeld), Dr. H. Pesch (eveneens Nederlander) en de heer Yves Dullieux (die Fransman schijnt te zijn).
De geïntimeerde vennootschap (die ik in het kort „Denkavit” zal noemen) behoort tot een groep vennootschappen die diervoeders produceren en met name melksubstitutieprodukten voor het fokken van kalveren en andere jonge dieren. Uw Hof heeft zich reeds bezig gehouden met de produkten van die groep in een aantal eerdere zaken, waaronder zaak 251/78, Denkavit Futtermittel GmbH/Minister für Ernahrung, Landwirtschaft und Forsten des Landes Nordrhein-Westfalen, waarin ik gisteren conclusie heb genomen.
De verdachten stonden terecht voor het Tribunal Correctionnel te Rouen terzake van overtreding van een Frans ministerieel besluit, nr. 76-86/P, van 22 september 1976 (Bulletin Officiel des Services des Prix („BOSP”) van 23 september 1976, blz. 364).
Artikel 1 van dit besluit bepaalt dat de prijzen inclusief alle belastingen van allerlei produkten zowel bij de produktie als in de verschillende fasen van de distributie tot 31 december 1976 niet hoger mogen zijn dan de op 13 september 1976 of anders zo kort mogelijk daarvoor rechtmatig toegepaste prijzen.
Artikel 2 van het besluit ontheft de prijzen van de zogenaamde „verse produkten van landbouw en visserij” van het bepaalde in artikel 1.
In een communiqué van dezelfde datum (gepubliceerd op dezelfde bladzijde van het BOSP) werd de werkingssfeer van het besluit toegelicht. Het communiqué stelde onder meer dat artikel 1 van het besluit niet van toepassing was op de prijzen in de produktiefase:
„Van de produkten die vallen onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal;
van verse produkten van de landbouw en visserij (vgl. artikel 2 van het besluit) en van de andere landbouwprodukten waarvan de produktieprijs wordt beheerst door de in het kader van het landbouwbeleid van de Europese Economische Gemeenschap genomen besluiten.”
Het communiqué luidde verder:
„Alleen niet-bewerkte produkten mogen als produkten van landbouw en visserij worden beschouwd. Indien deze produkten niet hun oorspronkelijke eigenschappen behouden of een bewerking ondergaan welke het gebruik of de gewoonte in de landbouw te buiten gaat of plaatsvindt in enige industrie- of handelsfase, verliezen zij daardoor hun oorspronkelijk karakter. Zo kunnen bijvoorbeeld ongelooid leder, bietenpulp of diepvriesprodukten niet als landbouwprodukten worden beschouwd.
Met name wat betreft de zuivelprodukten zal echter worden toegelaten dat boter, room en kaas waarvan de produktieprijs op de datum van inwerkingtreding van het besluit vrij kon worden vastgesteld, het karakter van landbouwprodukten behouden, ook na bewerking of zuivering. Produkten zoals melkpoeder, geconcentreerde melk en roomijs hebben daarentegen een industrieel karakter evenals produkten zoals yoghurt, verse kaas en smeltkaas.”
Op 1 oktober 1976 werd nog een communiqué gepubliceerd (zie het BOSP van die datum, blz. 380).
In dit communiqué werd herhaald dat, zoals het eerste communiqué had aangegeven, de „bevriezing” in het geheel niet van toepassing was op de prijzen in de produktiefase van verse landbouwprodukten of andere landbouwprodukten waarvan de prijzen werden beheerst door besluiten in het kader van het landbouwbeleid van de EEG. Wat de gevolgen van de bevriezing voor de prijzen in de distributiefase betreft, moest tussen de beide categorieën landbouwprodukten echter onderscheid worden gemaakt. Bij verse landbouwprodukten moesten de verkopers (waaronder volgens de definitie importeurs, groothandelaren en detaillisten vielen) de op het tijdstip van de prijsstop gehanteerde absolute winstmarges handhaven. Dit betekent dat zij enerzijds hun prijzen konden verhogen om rekening te houden met latere verhogingen van de produktieprijzen of van de cif-prijzen franco-grens van ingevoerde produkten, maar anderzijds hun klantenkring moesten laten profiteren van een eventuele verlaging van deze prijzen. Voor de andere landbouwprodukten die onder de communautaire marktordening vielen werd de toepassing van het besluit „overeenkomstig de gemeenschapsverordeningen” zowel in de produktie- als in de groothandelsfase uitgesloten. In de andere distributiefasen mochten de verkoopprijzen echter niet hoger zijn dan de op de datum van ingang van de prijsstop rechtmatig toegepaste prijzen. In een bijlage waren lijsten opgenomen met produkten die binnen beide categorieën vielen. De lijst met „verse landbouwprodukten” bevatte ongekookte melk, boter, verse room en bepaalde kazen; de lijst met andere landbouwprodukten bevatte losse melkpoeder.
In de communiqués was nergens uitdrukkelijk sprake van diervoeders.
De verdachten stellen zonder te zijn weersproken dat Denkavit de door haar vervaardigde diervoeders uitsluitend levert aan groothandelaren die ze aan landbouwers doorverkopen.
Op 20 september 1976 verhoogde Denkavit de prijzen van haar melksubstitutieprodukten om, zoals de verdachten wederom onweersproken stellen, rekening te houden met de hogere prijzen die zij moest betalen voor landbouwgrondstoffen. Deze prijsverhogingen werden gehandhaafd bij de verkopen gedurende september en oktober 1976 nadat de prijsstop van kracht was geworden.
De tenlastelegging tegen verdachten luidde dat zij tussen 24 september en 31 oktober 1976 zes melksubstitutieprodukten voor kalveren, namelijk „Denkavit Starter”, „Denkavit Finition”, „Denkavit CR”, „Denkavit K.B.”, „Denkavit Elevage” en „Denkavit Milk” tegen ongeoorloofde prijzen hadden verkocht.
Bij vonnis van 18 mei 1978 besloot het Tribunal correctionnel te Rouen tot ontslag van rechtsvervolging. Het overwoog hiertoe (zoals samengevat in de laatste overweging van het vonnis) dat deze produkten alle onder de gemeenschapsverordeningen betreffende de Europese landbouwmarkten vielen, dat zij derhalve niet aan nationale regelingen konden worden onderworpen en dat het besluit van 22 september 1976 bijgevolg daarop niet van toepassing was. Het Tribunal kwam tot zijn uitspraak onder verwijzing naar een aantal zaken, waaronder de arresten van uw Hof in zaak 31/74, Galli (Jurispr. 1975, blz. 47) zaak 65/75, Tasca (Jurispr. 1976, blz. 291) en de zaken 88 tot 90/75, SADAM/CIP (Jurispr, 1976, blz. 323).
Tegen dit vonnis van het Tribunal ging de Procureur Général in beroep bij het Cour d'Appel. Hij voerde hiertoe drie onderling nauw samenhangende argumenten aan, die in de verwijzingsbeschikking als volgt worden vermeld:
„1.
Dat melksubstitutieprodukten voor kalveren nooit zijn beschouwd als produkten die vallen onder de categorie landbouwprodukten waarvan de prijs door de gemeenschapsregelingen wordt beheerst;
2.
dat een nationale prijsstop geoorloofd is, voor zover deze de prijsvorming van de grondstoffen die worden gebruikt voor bedoelde produkten niet verstoort;
3.
dat melksubstitutieprodukten voor kalveren moeten worden beschouwd als produkten in tweede graad van bewerking.”
De samenstelling van de zes betrokken produkten is helaas niet geheel duidelijk. In het vonnis van het Tribunal correctionnel wordt deze niet uitdrukkelijk vastgesteld. In de verwijzingsbeschikking van het Cour d'Appel wordt gezegd dat volgens de verdachten, wier verklaring op dit punt niet werd weersproken, de produkten voor 60 % uit melkpoeder, 20 % uit weipoeder, 19,7 % uit plantaardige vetstoffen en 0,3 % uit vitaminehoudende mineralen bestonden. In hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen stellen de verdachten dat dit niet volledig en exact hun verklaring weergeeft en dat die produkten naar gelang van de soort in feite als volgt zijn samengesteld:
—
60 tot 65 % magere-melkpoeder;
—
12 tot 20 % weipoeder;
—
4 tot 7 % maïszetmeel;
—
15 tot 20 % vetstoffen;
—
0,3 % additieven.
De verdachten voegen hieraan toe dat de vetstoffen niet hoofdzakelijk van plantaardige, maar van dierlijke oorsprong zijn (reuzel en/of rundervet) en dat slechts een klein gedeelte van plantaardige oorsprong is (namelijk kokosnootolie). De Franse regering vermeldt in haar schriftelijke opmerkingen een op het eerste gezicht verschillende samenstelling van twee der produkten, namelijk:
„Denkavit Finition”:
—
60 % magere-melkpoeder;
—
12,5 % wei;
—
20,39 % gemengde vetstoffen;
—
7,1 % verschillende additieven.
„Denkavit Elevage”:
—
45 % magere-melkpoeder;
—
15 % karnemelkpoeder;
—
18,33 % wei;
—
16,4 % gemengde vetstoffen;
—
5,2 % verschillende additieven.
Ter terechtzitting vernamen wij echter van de verdachten dat dit niet werkelijk verschilde van wat in hun schriftelijke opmerkingen was gezegd, aangezien karnemelkpoeder voor de doeleinden van de relevante gemeenschapsregeling moest worden gelijkgesteld met magere-melkpoeder (hetgeen juist lijkt) en dat de Franse regering het maïszetmeel als een additief had beschouwd.
Het staat natuurlijk niet aan uw Hof, in een verzoek overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag definitieve vaststellingen te doen over kwesties van deze aard. In een dergelijke procedure moet het Hof een zo goed mogelijk gebruik maken van de verklaringen in de verwijzingsbeschikking. De verdachten beklemtoonden in feite dat alle bestanddelen van de betrokken „Denkavit”-produkten zoals zij die hadden opgesomd onder gemeenschappelijke landbouwmarktordeningen vielen, behalve de 0,3 % additieven: het magere-melkpoeder en weipoeder krachtens 's Raads verordening (EEG) nr. 804/68 (melk en zuivelprodukten), het maïszetmeel krachtens 's Raads verordening (EEG) nr. 2727/75 (granen) en de vetstoffen, naar gelang van hun oorsprong, krachtens 's Raads verordening nr. 136/66/EEG (oliën en vetten), 's Raads verordening (EEG) nr. 805/68 (rund vlees) of 's Raads verordening (EEG) nr. 2759/75 (varkensvlees) Ook dit lijkt mij juist.
Het Cour d'Appel heeft uw Hof zes vragen voorgelegd die ik achtereenvolgens zal behandelen.
De eerste vraag
De eerste vraag luidt als volgt:
Moeten melksubstitutieprodukten voor kalveren van de hierboven genoemde aard en samenstelling met het oog op de vaststelling van de prijs in de produktie- of groothandelsfase worden gerekend tot de produkten die zijn onderworpen aan de regels van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten?
Vallen zij met name onder de definitie van zuivelprodukten (artikel 1 van verordening nr. 804/68 van 27 juni 1968) of onder die van veevoeders (artikel 4 van verordening nr. 990/72 als gewijzigd bij verordening nr. 804/76 van 7 april 1976) of onder enige andere categorie landbouwprodukten waarvoor krachtens artikel 38 EEG-Verdrag een communautaire regeling geldt?
Ongetwijfeld zijn de betrokken veevoeders, ongeacht hun exacte samenstelling „landbouwprodukten” in de zin van artikel 38 EEG-Verdrag, omdat zij tot de in bijlage II van het Verdrag vermelde produkten behoren. Bijlage II bevat het gehele hoofdstuk 23 van wat bij de sluiting van het Verdrag de „Nomenclatuur van Brussel” werd genoemd, en dit hoofdstuk omvat „bereid voedsel voor dieren”.
Deze diervoeders vallen, wederom ongeacht hun precieze samenstelling, onder post 23.07 B van het gemeenschappelijk douanetarief die betrekking heeft op „veevoeder, samengesteld met melasse of met suiker” en „andere bereidingen van de soorten welke worden gebezigd voor het voederen van dieren … zuivelprodukten bevattend.” Het is in casu onnodig na te gaan onder welke postonderverdeling de produkten vallen; dit hangt onder meer af van de vraag of, en zo ja hoeveel zetmeel zij bevatten. (U zult zich herinneren dat in de omschrijving van de samenstelling in de verwijzings-beschikking geen zetmeel wordt genoemd).
Artikel 1 van verordening nr. 804/68 bepaalt welke produkten onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten vallen. Krachtens artikel 1, sub g, behoren hiertoe ex post 23.07 B van het GDT:
„Preparaten en voedsel, bevattende produkten waarop de onderhavige verordening … van toepassing is, met uitzondering van preparaten en voedsel waarop verordening nr. 120/67/EEG van toepassing is.”
De onderhavige diervoeders bevatten ongetwijfeld produkten waarop verordening nr. 804/68 van toepassing is (alleen al omdat zij melkpoeder bevatten) en verordening nr. 120/67/EEG (thans vervangen door verordening nr. 2727/75) is niet op de voeders van toepassing omdat zij 50 % of meer zuivelprodukten bevatten (zie artikel 1 en bijlage A van de verordening). Hieruit volgt dat deze diervoeders onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten vallen.
Ik heb voor uw Hof ook niemand het tegendeel horen beweren. U zult zich herinneren op welke wijze de Procureur Général zijn beroepsgronden voor het Cour d'Appel formuleerde en met name zijn argument dat de betrokken veevoeders „produkten in tweede graad van bewerking” waren. Gezien de definitie van „landbouwprodukten” in artikel 38, lid 1, EEG-Verdrag als „voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de produkten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden”, leidde dit argument er begrijpelijkerwijze toe dat de verdachten en de Commissie zich afvroegen of de Procureur Général beweerde dat de Denkavit melksubstitutieprodukten helemaal geen landbouwprodukten in de zin van het Verdrag zijn. Ter' terechtzitting werd door de Franse regering echter duidelijk gemaakt dat zij aanneemt dat deze produkten onder verordening nr. 804/68 vallen. De bewering dat het produkten „in tweede graad van bewerking” zijn werd herhaald als onderdeel van een subtieler argument dat de produkten wel onder de verordening vielen, doch dat de prijzen ervan niet in de verordening werden geregeld. Ik kom op dit argument terug bij de behandeling van de derde vraag van het Cour d'Appel.
Verordening nr. 990/72 die in de eerste vraag van het Cour d'Appel ook wordt genoemd is een verordening van de Commissie met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder, bestemd voor veevoeder. Zij berust op artikel 10 van verordening nr. 804/68, waarvan lid 1 in algemene bewoordingen voorziet in steun aan in de Gemeenschap geproduceerde en als voeder voor dieren gebruikte ondermelk en magere-melkpoeder. Artikel 10, lid 2, bepaalt dat de Raad algemene voorschriften betreffende deze steun moet vaststellen. Deze voorschriften werden vastgesteld bij 's Raads verordening nr. 986/68. Artikel 10, lid 3, bepaalt dat de uitvoeringsbepalingen van dit artikel moeten worden vastgesteld door middel van de beheerscomitéprocedure. Volgens deze procedure werd verordening nr. 990/72 vastgesteld, ter vervanging van de eerdere verordening nr. 1106/68 van de Commissie die sterk was gewijzigd.
Artikel 4 van verordening nr. 990/72, zoals gewijzigd bij verordening nr. 804/76 van de Commissie (die op 15 april 1976 in werking trad) omschrijft de mengvoeders waarvoor steun kan worden toegekend. Voor zover in casu relevant zijn het produkten „die tenminste 60 en ten hoogste 70 gewichtspercenten magere-melkpoeder bevatten, waaraan ten minste zijn toegevoegd … 5 gewichtspercenten melkvreemde vetten en ten minste 2 gewichtspercenten zetmeel.”
U ziet dat het louter op grond van de in de verwijzingsbeschikking vervatte verklaring betreffende de samenstelling van de Denkavit-produkten twijfelachtig is, of deze definitie daarop van toepassing is, daar deze verklaring zetmeel niet noemt. Anderzijds is het op grond van de in de schriftelijke opmerkingen van verdachten voorkomende verklaring betreffende de samenstelling van de produkten duidelijk dat de definitie daarop wel van toepassing is.
Ik concludeer derhalve dat u in antwoord op de eerste vraag van het Cour d'Appel voor recht verklare:
1.
Melksubstitutieprodukten voor kalveren van de in de vraag genoemde aard en samenstelling zijn landbouwprodukten in de zin van artikel 38 EEG-Verdrag en vallen onder de definitie van zuivelprodukten van artikel 1 van verordening nr. 804/68;
2.
of deze melksubstitutieprodukten ook vallen onder de definitie van mengvoeders van artikel 4 van verordening nr. 990/72, zoals gewijzigd bij verordening nr. 804/76 hangt af van de vraag of zij ten minste 2 % zetmeel bevatten.
De tweede vraag
De tweede vraag van het Cour d'Appel is of over diervoeders van de onderhavige soort „compenserende bedragen als voorzien in verordening nr. 974/71 van 12 mei 1971 zijn verschuldigd en, zo ja, of dit enkele feit dan reeds medebrengt dat zij krachtens artikel 1, lid 1, van bedoelde verordening zijn onderworpen aan de gemeenschappelijke ordening der markten.”
Het antwoord op het eerste gedeelte van deze vraag lijdt geen twijfel. Voor diervoeders van de onderhavige soort hebben op alle relevante tijdstippen monetaire compenserende bedragen (hierna te noemen mcb's) gegolden. Krachtens artikel 1, lid 2, van 's Raads verordening nr. 974/71 kunnen mcb's worden toegepast op:
„a)
Produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is voorzien in interventiemaatregelen;
b)
produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van de sub a bedoelde produkten en die hetzij onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen, hetzij het voorwerp zijn van een specifieke regeling krachtens artikel 235 van het Verdrag.”
Voor diervoeders als zodanig is niet in interventiemaatregelen voorzien noch zijn zij het voorwerp van een specifieke regeling krachtens artikel 235 van het Verdrag. Doch als produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die der produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien en die zelf onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, zijn diervoeders aan de mcb's onderworpen. De verordeningen van de Commissie waarbij dit geschiedde voor het tijdvak september-oktober 1976 zijn in de schriftelijke opmerkingen van de verdachten en van de Commissie zorgvuldig vermeld. Ik behoef deze wel niet te herhalen.
Het tweede gedeelte van de vraag suggereert, zoals de Commissie stelde, het paard achter de wagen te spannen. Mcb's mogen alleen worden toegepast op een produkt dat onder artikel 1, lid 2, van verordening nr. 974/71 valt, hetgeen betekent dat wanneer het produkt niet het voorwerp is van een specifieke regeling krachtens artikel 235 EEG-Verdrag, de mcb's daarop niet mogen worden toegepast, tenzij het produkt onder een gemeenschappelijke landbouwmarktordening valt. Hieruit volgt dat uit de omstandigheid dat mcb's op een produkt zijn toegepast niet kan worden afgeleid dat dit produkt onder de gemeenschappelijke marktordening valt. Indien mcb's worden toegepast op een produkt dat noch het voorwerp van een specifieke regeling krachtens artikel 235 is, noch onder een gemeenschappelijke marktordening valt, zou zulks ongeldig zijn. Doch indien mijn antwoord op de eerste vraag van het Cour d'Appel juist is, is dit gedeelte van de tweede vraag irrelevant.
Ik concludeer derhalve dat uw Hof in antwoord op de tweede vraag van het Cour d'Appel alleen voor recht verklare dat diervoeders van de in de vraag genoemde aard op alle relevante tijdstippen onder de bij verordening nr. 974/71 voorziene monetaire compenserende bedragen vielen.
De volgende vragen van het Cour d'Appel worden uitdrukkelijk alleen gesteld indien uit het antwoord op de vragen 1 en 2 volgt dat de Denkavit-produkten zijn onderworpen aan de gemeenschapsregelingen. Daar dit volgens mij het geval is moet ik deze vragen behandelen.
Met de derde vraag raakt men mijns inziens de kern van de zaak.
De derde vraag
Deze vraag luidt als volgt:
Verzet de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, ingesteld bij verordening nr. 804/68 van 27 juni 1968, zich op zichzelf of tezamen met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees van verordening nr. 805/68 al dan niet tegen toepassing door een Lid-Staat van een nationale prijsstop op de hierboven omschreven melksubstitutieprodukten?
Beziet men de inzake deze vraag aangevoerde argumenten, dan moet worden bedacht dat alle schriftelijke opmerkingen (afkomstig van de Franse regering, de verdachten en de Commissie) werden ingediend voordat advocaat-generaal Capotorti conclusie nam in zaak 223/78, Grosoli, en dat de mondelinge opmerkingen van hen die de terechtzitting bijwoonden (verdachten en de Commissie) werden gemaakt voordat het Hof in die zaak uitspraak deed (hetgeen op 12 juli 1979 geschiedde). Voorts moet worden bedacht dat de verdachten door dezelfde raadslieden werden vertegenwoordigd als Grosoli, zodat natuurlijk vele argumenten die namens de verdachten werden aangevoerd dezelfde waren als die welke door advocaat-generaal Capotorti en het Hof in de zaak-Grosoli moesten worden beoordeeld.
Het betoog in de onderhavige zaak was evenals in de zaak-Grosoli onvermijdelijk gebaseerd op de uitspraken van het Hof in de zaken Galli, Tasca en SADAM en in zaak 154/77, Procureur des Konings tegen Dechmann (Jurispr. 1978, blz. 1573), waarvan de eerste drie zoals gezegd door het Tribunal correctionnel in zijn vonnis werden vermeld. Ook werd ter terechtzitting verwezen naar zaak 10/79, Toffoli, waarvan daags daarna de mondelinge behandeling zou plaatsvinden en waarin advocaat-generaal Reischl morgen conclusie zal nemen.
Deze materie, die reeds uitvoerig aan de orde kwam in de conclusie van advocaat-generaal Capotorti en het arrest van het Hof in de zaak-Grosoli behoef ik wel niet opnieuw te behandelen. De conclusie bevat een overzicht van de eerdere zaken en een gedetailleerde analyse van het daaruit voortvloeiende recht. Het ar rest bevat een gezaghebbende samenvatting van dit recht.
Het is natuurlijk waar dat wij in het onderhavige geval te doen hebben met prijzen tussen de producent en de groothandelaar, terwijl het Hof in de zaak-Grosoli had te beslissen over prijzen tussen de detaillist en de consument. Namens de verdachten werd geopperd dat dit tot een principieel onderscheid tussen de beide zaken leidde. Doch de genoemde rechtspraak toont mijns inziens duidelijk aan dat dit niet zo is. Het verschil is slechts gradueel. Het Hof overwoog in dit verband dat „een nationale regeling voor landbouwprijzen, welke op dezelfde handelsfasen betrekking heeft als de regeling van gemeenschapsprijzen, met deze laatste regeling allicht eerder in strijd zal komen dan een regeling die uitsluitend op andere fasen van toepassing is.” (zie overweging 13 van het arrest Tasca en het arrest SADAM). Maar het eigenlijke criterium is of de betrokken nationale regeling de doelstellingen of werking van de gemeenschappelijke marktordening al dan niet in gevaar brengt. Deze vraag moet in een zaak als de onderhavige uiteindelijk worden beslist door de bevoegde nationale rechter.
Evenzeer wijs ik de stelling van de Franse regering van de hand dat in beginsel onderscheid moet worden gemaakt tussen de invoering van een nationale prijsbeheersingsregeling voor produkten die onder gemeenschapsregelingen (zoals interventiemaatregelen) ter garantie van de prijzen vallen en de invoering van een dergelijke regeling voor produkten die daaruit zijn vervaardigd (door de Franse regering omschreven als „produkten in tweede graad van bewerking” of „industriële produkten”). Uit de rechtspraak volgt duidelijk dat een nationale beheersing van detailhandelsprijzen in strijd kan komen met gemeenschapsregels doordat die prijsbeheersing kan doorwerken in de prijzen in eerdere verhandelingsfasen. Het ligt volgens mij voor de hand dat een nationale prijsbeheersing voor verwerkte produkten evenzo van invloed kan zijn op de prijzen van de produkten waaruit zij zijn vervaardigd. Ook hier geldt als enig criterium of de betrokken nationale regeling de doelstellingen of werking van de gemeenschappelijke marktordening al dan niet in gevaar kan brengen.
De Franse regering trachtte aan de hand van vier factoren aan te tonen dat de bij ministerieel besluit van 22 september 1976 opgelegde prijsstop geen belemmering voor de doelstellingen of de werking van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten betekende:
1.
Het verband tussen de kosten van de grondstoffen, gebruikt voor twee „Denkavit”-produkten („Denkavit Elevage” en „Denkavit Finition”) en de verkoopprijzen van deze produkten op 31 januari 1977;
2.
het feit dat de prijs van magere-melkpoeder in Frankrijk over geheel 1976 met 7 % steeg;
3.
het feit dat de denaturering van magere-melkpoeder (voor voeder-doeleinden) tijdens de geldigheidsduur van de prijsstop niet verminderde; en
4.
een antwoord van de Commissie op een in het Europees Parlement door de heer Cointat gestelde vraag, waarin de Commissie zei dat zij aan de hand van de beschikbare gegevens van mening was dat het besluit geen enkel gevolg had gehad voor de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten.
Ik meen, met alle respect, dat de Franse regering met haar beroep op de eerste drie factoren de zaak verkeerd benadert, omdat men niet weet welke andere factoren in het relevante tijdvak de kosten voor de Franse producenten van melksubstitutievoeders of de markt in deze produkten hebben beïnvloed. Evenmin zou het realistisch zijn om van de gewone strafrechter in een Lid-Staat in een zaak als de onderhavige te vergen dat hij bewijs verlangt en uitspraak doet over de ingewikkelde economische kwesties die bij een dergelijke benadering een rol spelen. Op grond van de magere gegevens die uw Hof door de Franse regering worden verstrekt zou men absoluut niemand kunnen veroordelen. De juiste benadering is naar mijn mening, het mechanisme tot vaststelling van de prijzen in de gemeenschappelijke marktordening te onderzoeken en te bezien of de prijsstop met het oog op de samenstelling van de betrokken produkten geëigend was de werking van dit mechanisme aan te tasten.
Wat betreft het antwoord van de Commissie aan de heer Cointat acht ik het voldoende erop te wijzen dat de Commissie voor uw Hof beklemtoonde dat zij dit antwoord had gegeven op grond van de haar destijds ter beschikking staande gegevens. De verklaringen van de Commissie lieten er geen twijfel over bestaan dat zij thans een ander antwoord zou hebben gegeven.
De voornaamste kenmerken van de prijsregeling van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten zijn de volgende:
(i)
Jaarlijks wordt voor melk zelf een richtprijs vastgesteld; dit is de prijs „welke wordt nagestreefd voor de totale hoeveelheid melk die door de producenten tijdens het melkprijsjaar wordt verkocht, in die mate waarin de afzetmogelijkheden op de markt van de Gemeenschap en op de markten daarbuiten dit toelaten” (artikel 3 van verordening nr. 804/68).
(ii)
Jaarlijks wordt voor boter, magere-melkpoeder en bepaalde Italiaanse kazen een interventieprijs vastgesteld, en wel op een zodanig niveau dat melk haar richtprijs kan bereiken (artikel 5 van de verordening).
(iii)
Aankoop tegen interventieprijzen en steun voor de particuliere opslag van deze „interventieprodukten” (artikelen 6, 7 en 8).
(iv)
Krachtens artikel 10 wordt voor als voeder voor dieren gebruikte ondermelk en magere-melkpoeder steun verleend.
(v)
Niet alleen voor interventieprodukten maar ook voor andere zuivelprodukten, met inbegrip van veevoeders, geldt een stelsel van invoerheffingen en uitvoerrestituties, hetwelk beoogt de Gemeenschapsprijzen af te schermen tegen de prijzen op de wereldmarkt (artikelen 14 en 17).
Voorts is, zoals u weet, ook het stelsel van mcb's van toepassing op zuivelprodukten, met inbegrip van veevoeders.
Het valt moeilijk in te zien hoe een nationale regeling ter bevriezing of beheersing van de prijzen voor melksubstitutievoeders geen aantasting van de werking van dit mechanisme zou kunnen inhouden. De verdachten legden als bijlage 5 bij hun schriftelijke opmerkingen een tabel over die volgens mij duidelijk illustreert dat dit onvermijdelijk wel zo is. Ook de Commissie dacht dat dit het geval moest zijn. Zij was met name bezorgd over de gevolgen van een dergelijke regeling voor de verkoop van magere-melkpoeder uit de interventievoorraden.
De Franse regering opperde dat de gevolgen van de prijsstop te verwaarlozen waren omdat deze zo kortstondig was. Op dit punt verwezen de verdachten naar zaak 82/77, Openbaar Ministerie der Nederlanden tegen Van Tiggele (Jurispr. 1978, blz. 25) waarin werd overwogen dat het tijdelijk karakter van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking wat betreft het handelsverkeer tussen de Lid-Staten deze maatregel niet verenigbaar kon maken met artikel 30 van het Verdrag. Ik ben het met de verdachten eens dat in casu soortgelijke overwegingen van toepassing zijn. Het verbod aan de Lid-Staten om maatregelen in te voeren die in strijd zijn met de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten kan niet worden omzeild door middel van een beroep op het „de minimis-beginsel”, zeker niet wanneer wordt getracht aan deze maatregelen de hand te houden door middel van strafrechtelijke procedures.
Er zijn omstandigheden denkbaar waaronder, ondanks de ogenschijnlijke onverenigbaarheid van de nationale prijsstop met de gemeenschappelijke marktordening, een dergelijke onverenigbaarheid in feite niet bestond. Dit is bijvoorbeeld het geval, indien wordt aangetoond dat, wellicht als gevolg van een gebrek aan concurrentie tussen de fabrikanten van melksubstitutievoeders, hun winstmarge zo hoog was dat zij gemakkelijk in staat waren de gevolgen van de prijsstop op te vangen; doch de verklaringen van de verdachten wijzen op het tegendeel. Het staat natuurlijk aan de bevoegde Franse rechter, rekening te houden met deze mogelijkheden indien daarvoor afdoende bewijs wordt geleverd.
Ik concludeer derhalve dat u op de derde vraag van het Cour d'Appel antwoorde:
1.
Het is een Lid-Staat verboden, een nationale prijsbeheersingsregeling toe te passen op melksubstitutieprodukten van de in de vraag genoemde aard indien de toepassing van deze regeling de doelstellingen of de werking van de gemeenschappelijke ordening van de markt in de sector melk en zuivelprodukten, ingesteld bij verordening nr. 804/68, of de doelstellingen of werking van enige andere in het gemeenschapsrecht ingevoerde gemeenschappelijke marktordening in gevaar zou brengen;
2.
Wanneer de geldigheid of toepasselijkheid van een dergelijke nationale regeling voor een rechterlijke instantie van een Lid-Staat wordt betwist, staat het aan deze instantie te beslissen of deze regeling al dan niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht; daarbij moet de rechterlijke instantie de werkelijke kenmerken van de relevante gemeenschappelijke marktordening en met name de prijsregeling daarvan in aanmerking nemen.
De vierde vraag
De vierde vraag van het Cour d'Appel luidt als volgt:
„Verzetten de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen van de artikelen 30-34 EEG-Verdrag en met name van artikel 22 van verordening nr. 804/68 betreffende zuivelprodukten zich tegen toepassing op genoemde produkten van een nationale prijsstop waarbij afwenteling op de verkoopprijs van verhogingen van de aankoopprijs der grondstoffen of eindprodukten wordt uitgesloten?”
Zoals ik gisteren in mijn conclusie in de zaak 251/78 opmerkte, voegt artikel 22 van verordening nr. 804/68, nu de overgangsperiode voorbij is, niets toe aan de verdragsbepalingen zelf en moet het als uitgewerkt worden beschouwd.
Voor het overige kan het antwoord op de vraag hoofdzakelijk worden gevonden in de arresten van het Hof in de zaken Tasca en SADAM (overweging 26 e.v., respectievelijk 3). Ik concludeer dat u, mutatis mutandis, de vierde vraag als volgt beantwoorde:
De artikelen 30 tot 34 van het Verdrag verbieden in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten elke maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking. Voor dit verbod is het voldoende dat de betrokken maatregelen al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel de handel tussen Lid-Staten kunnen belemmeren. Een zonder onderscheid op nationale en geïmporteerde produkten toepasselijke prijsbeheersingsregeling vormt weliswaar op zichzelf geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, doch kan een dergelijke werking wel krijgen indien de afzet van de geïmporteerde produkten daardoor hetzij onmogelijk, hetzij moeilijker wordt dan die van nationale produkten. Met name mag een nationale prijsstop niet worden toegepast in omstandigheden waaronder — gezien de prijzen van geïmporteerde produkten in vergelijking met die van nationale produkten — handelaren die grondstoffen of eindprodukten uit andere Lid-Staten in de betrokken Lid-Staat wensen in te voeren, dit slechts met verlies zouden kunnen doen.
De vijfde vraag
De vijfde vraag van het Cour d'Appel luidt als volgt:
„Verzet de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (verordening nr. 804/68) zich ertegen dat een Lid-Staat een nationale prijsstop toepast, waarin geen bijzondere bepalingen zijn voorzien voor landbouwprodukten die vallen onder de EEG-regelingen?”
Door de verdachten werd opgemerkt dat deze vraag slecht is geformuleerd en alleen antwoord behoeft indien op de derde en vijfde vraag ontkennend wordt geantwoord. De Commissie stelde harerzijds dat zij de relevantie van deze vraag moeilijk kon inzien.
Ik geloof niet dat deze kritiek gerechtvaardigd is.
Ik neem aan dat het Cour d'Appel bij het stellen van de vraag het oog had op het streven van de auteurs der op 23 september en 1 oktober 1976 in het BOSP gepubliceerde communiqués om produkten waarvan de prijzen werden beheerst door gemeenschapsverordeningen uit te sluiten van de werkingssfeer van het ministerieel besluit, en dat het zich afvroeg of dit streven ver genoeg was gegaan.
Zoals ik onlangs al zei in mijn conclusie in zaak 159/78, Commissie tegen Italië (onder verwijzing naar zaak 167/73, Commissie tegen Franse Republiek, Jurispr. 1974 blz. 359), meen ik dat een Lid-Staat inbreuk maakt op het Verdrag indien aldaar een met het gemeenschapsrecht onverenigbare wettelijke regeling van kracht is, zeker wanneer men daardoor in onzekerheid verkeert over wat werkelijk rechtens is. Indien dit juist is moet ik mijns inziens concluderen dat een Lid-Staat inbreuk maakt op het Verdrag indien hij een prijsbeheersingsregeling invoert zonder op een of andere wijze duidelijk te maken dat die regeling niet van toepassing is op produkten waarvoor een gemeenschappelijke marktordening geldt, voor zover de toepassing op deze produkten onverenigbaar zou zijn met de bepalingen van deze verordening.
Ik concludeer derhalve dat u op de vijfde vraag antwoorde, dat een nationale prijsstop onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht indien en voor zover hij klaarblijkelijk op een met de bepalingen van deze ordening onverenigbare wijze van toepassing is op produkten waarvoor een gemeenschappelijke marktordening geldt.
De zesde vraag
De zesde en laatste vraag van het Cour d'Appel is:
„Verzetten de bepalingen van artikel 5, juncto artikel 85 EEG-Verdrag zich ertegen dat een Lid-Staat een nationale prijsstop toepast op produkten die zijn onderworpen aan de gemeenschapsregeling?”
Over deze vraag werd door de verdachten een ingewikkeld en zeer erudiet betoog gehouden waarvan de strekking was dat de invoering van een prijsbeheersing hetzelfde nadelige gevolg voor de mededinging tussen de ondernemingen heeft als een prijsafspraak tussen ondernemingen zelf. Daar een dergelijke overeenkomst in artikel 85 wordt verboden, aldus het betoog, maakt een Lid-Staat inbreuk op artikel 5 wanneer hij hetzelfde gevolg veroorzaakt door middel van een wettelijke regeling.
Het zwakke punt in dit betoog is volgens mij dat over het hoofd wordt gezien dat artikel 85 „alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderlinge afgestemde feitelijke gedragingen”, die bepaalde specifieke kenmerken vertonen, verbiedt. Ongetwijfeld handelt een Lid-Staat in strijd met artikel 5 indien hij een wettelijke regeling invoert die ertoe dient om dergelijke overeenkomsten, besluiten of feitelijke gedragingen tot stand te brengen of te bevorderen. Maar ik geloof niet dat van artikel 5, in verband met artikel 85, kan worden gezegd dat het nog verder gaat. Is men van mening dat dit wel zo is, dan zou artikel 90 praktisch zinledig worden. Het zou ook betekenen dat het Verdrag aan de Lid-Staten elke bevoegdheid heeft ontnomen om de prijzen te beheersen, terwijl duidelijk uit 's Hofs arresten in de zaken Galli, Tasca, SADAM, Van Tiggele, Dechmann en Grosoli blijkt dat dit niet zo is.
Ik concludeer derhalve dat u in antwoord op de zesde vraag voor recht verklare dat artikel 85 van het Verdrag noch op zichzelf, noch in samenhang met artikel 5 betrekking heeft op een nationale prijsstop.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy