CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 26 JUNI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In dit geding heeft het Hof te oordelen over de rechtmatigheid van een rapport dat, in voege als omschreven in artikel 43 van het Statuut, de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag in de dienst van een Europees ambtenaar betreft. Maar alvorens de zaak ten gronde te bespreken, zullen wij hebben in te gaan op de door partijen in hun memories breedvoerig besproken formele aspekten.
Verzoeker, D. Grassi, is als réviseur in de rang A 4 werkzaam op de taalkundige dienst van de Raad. Op 17 februari 1978 werd hij in kennis gesteld van een over hem uitgebracht beoordelingsrapport, betreffende het tijdvak 1 november 1975-31 oktober 1977, dat hem aanleiding gaf schriftelijke opmerkingen te maken. Toen de beoordelaar zijn oordeel handhaafde, vroeg hij op 2 maart 1978 om een nieuwe beoordeling, door een andere beoordelaar; dit verzoek werd ingewilligd en leidde tot een tweede rapport, gedagtekend 15 maart 1978. De heer Grassi diende naar aanleiding van dit tweede rapport op 6 juni 1978 een klacht in krachtens artikel 90 van het Statuut, waarin hij met name opkwam tegen de omschrijving van de door hem verrichte werkzaamheden, tegen de beoordeling van zijn beroepsbekwaamheid en gedrag in de dienst en tegen de samenvattende beoordeling.
De klacht werd door het Secretariaat-generaal van de Raad doorgezonden naar de „beperkte groep” van het beoordelingscomité, dat de presentatie van het aangevochten rapport niet onberispelijk oordeelde. De tweede beoordelaar bracht toen een verbeterd rapport uit, dat op 5 september 1978 ter kennis van de heer Grassi gebracht werd. Deze beriep er zich echter ten exceptieve op dat het tot aanstelling bevoegd gezag, na het advies van de „beperkte groep” te hebben ingewonnen, de zaak aan het beoordelingscomité had dienen voor te leggen of anders hem het onverbeterde rapport van de tweede beoordelaar had moeten terugzenden. Het Secretariaat-generaal heeft de zaak toen, na opnieuw de „beperkte groep” te hebben gehoord, aan het beoordelingscomité voorgelegd.
Maar intussen had de heer Grassi, volgens wie er op zijn klacht van 8 juni 1978 stilzwijgend afwijzend was beschikt, zicht tot het Hof van Justitie gewend; zijn beroepschrift de dato 5 januari 1978 werd ingeschreven onder nr. 6/79.
Vervolgens sprak het beoordelingscomité zich — op 15 februari 1979 — over de klacht uit in die zin dat verzoeker van de beoordeling geen nadeel ondervond, maar dat het rapport enkele correcties behoefde. Aan die aanwijzingen gevolg gevend, heeft de tweede beoordelaar toen een verbeterd, definitief rapport uitgebracht, waarvan de kennisgeving de heer Grassi op 20 maart 1979 bereikte.
Tegen die administratieve handeling is het tweede, op 20 juni 1979 ingediende en onder nummer 97/79 ingeschreven beroepschrift gericht.
Het Hof heeft op 16 november 1976 de beide beroepschriften voor de behandeling gevoegd.
2.
De formele aspekten dienen te worden bezien in het licht van's Raads besluit van 18 oktober 1977, waarin de procedure die bij het opmaken der beoordelingsrapporten moet worden gevolgd, specifiek geregeld is en is aangegeven welke middelen een ambtenaar te dezen ter beschikking staan. De vrij complexe regeling van het besluit dient te worden bezien in samenhang met de statutaire voorschriften betreffende het beroep (artt. 90 en 91), waarbij men dient te bedenken dat de bepalingen van het besluit hiërarchisch ondergeschikt zijn aan die van het Statuut; ze behoren tot de algemene uitvoeringsbepalingen die de onderscheiden instellingen krachtens artikel 110 van het Statuut mogen vaststellen; dit geldt ook voor het besluit van 18 oktober 1977, waarin uitvoering wordt gegeven aan artikel 43 van het Statuut dat, als gezegd, de periodieke beoordelingsrapporten betreft.
Wij willen dan nu overgaan tot bespreking van de ontvankelijkheid van het eerste beroep (6/69). Die ontvankelijkheid wordt door de raadsman van de Raad betwist; bij indiening van het beroepschrift (op 5 januari 1979) zou de klacht nog in behandeling zijn geweest bij het beoordelingscomité (dat zicht pas op 15 februari 1979 uitsprak), terwijl het definitief rapport van de tweede beoordelaar pas in maart afkwam. Het beroepschrift zou dus zijn ingediend toen de precontentieuze fase nog niet was doorlopen en tegen een niet definitief standpunt van de administratie gericht zijn.
Deze stelling kan echter slechts worden aanvaard, wanneer moet worden aangenomen dat de administratie voor een beslissing of een klacht in het kader van de speciale procedure die voor de beoordelingsrapporten is voorzien, over een termijn beschikt die langer kan zijn dan de vier maanden, bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut. Mocht dit zo zijn, dan had het onderhavig beroepschrift pas kunnen worden ingediend nadat de ambtenaar in kennis was gesteld van het definitieve rapport van de tweede beoordelaar, dat wil zeggen niet voor 20 maart 1979, toen er meer dan negen maanden na indiening van de klacht bij de administratie waren verstreken. Om twee zwaarwegende redenen kan ik evenwel niet met de Raad meegaan. In de eerste plaats moet het tot aanstelling bevoegd gezag volgens artikel 90, lid 2, waarin de voor klachten geldende algemene regel is vastgelegd, de betrokkene binnen vier maanden, nadat hij zijn klacht heeft ingediend, van zijn te dien aanzien genomen, met redenen omkleed besluit in kennis stellen, terwijl het artikel voorts bepaalt dat het uitblijven van antwoord binnen de gestelde termijn, geldt als een stilzwijgend afwijzend besluit, waartegen beroep is toegelaten; van een dergelijk stringent beginsel kan in een voorschrift ter uitvoering van het Statuut stellig niet worden afgeweken. In de tweede plaats heeft de Raad zelf in artikel 9 van zijn besluit van 18 oktober 1977 vastgesteld dat de daarin voorziene behandeling van de klacht niet langer dan vier maanden mag duren; kennelijk heeft de Raad aldus zijn besluit met genoemd artikel 90 van het Statuut in overeenstemming willen brengen.
Een dergelijke uitlegging vindt ook steun in een „Gids” betreffende de beoordelingsrapporten, door de Raad in november 1977 (dus kort na de vaststelling van de algemene bepalingen ter uitvoering van artikel 43 van het Statuut) vastgesteld. In het tweede gedeelte, letter C, van dit stuk wordt met betrekking tot klachten krachtens artikel 90 van het Statuut (blz. 35, in fine) gezegd dat de ambtenaar die het met de eerste of tweede beoordelaar niet eens mocht zijn, over een termijn van drie maanden beschikt om een klacht in te dienen (artikel 90, lid 2, eerste alinea), terwijl voorts wordt gezegd dat het tot aanstelling bevoegd gezag vanaf de indiening van zulk een klacht over een termijn van vier maanden beschikt om zijn besluit ter kennis van de betrokkene te brengen (artikel 90, lid 2, tweede alinea). Ook hieruit blijkt ten duidelijkste dat de procedure, voorzien in het besluit van 1977, op artikel 90 van het Statuut moet zijn afgestemd.
Er is echter meer. Terecht heeft de raadsman van verzoeker erop gewezen dat de Raad, toen er naar aanleiding van het rapport van de tweede beoordelaar een klacht was ingediend, niet alleen de hiervoor besproken termijn van vier maanden niet heeft in acht genomen, maar zich ook niet heeft gedragen naar artikel 11, lid 4, van zijn eigen voormelde besluit. Volgens dat artikel heeft het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer de ambtenaar die het met het rapport van de tweede beoordelaar niet eens is, zijn klacht heeft ingediend, na de beperkte groep te hebben gehoord, de keus tussen twee mogelijkheden; het kan het rapport bekrachtigen, zodat het definitief wordt (hetgeen betekent dat de klachtprocedure is afgelopen), maar hij kan de zaak ook voor advies voorleggen aan het beoordelingscomité dat dit advies aan de tweede beoordelaar doet toekomen, ter opstelling van een verbeterd rapport. De Raad heeft in casu evenwel geen van beide wegen bewandeld; op 14 juni 1978 heeft hij het advies van de beperkte groep ingewonnen, om vervolgens buiten het beoordelingscomité om de tweede beoordelaar uit te nodigen zijn rapport te wijzigen; hieruit blijkt de bedoeling de klachtprocedure, zij het niet volgens de voorschriften, te beëindigen. Dit dubbelzinnig, onzeker en formeel stellig irregulier gedrag zou het door de ambtenaar ingesteld beroep waarschijnlijk zelfs hebben gerechtvaardigd, als hij tot het instellen ervan niet bovendien de door mij genoemde goede gronden had gehad.
Ook de stelling dat de heer Grassi, toen hij zijn beroep aanhangig maakte, bij zijn aktie geen belang zou hebben gehad, kan niet worden aanvaard. Integendeel, op 5 januari 1979 had hij er ten duidelijkste belang bij dat het te zijnen aanzien uitgebracht rapport werd verbeterd, toen aan een daartoe strekkend, in zijn klaagschrift gedaan verzoek, binnen de vier maanden, voorgeschreven in artikel 90 van het Statuut én in artikel 9 van's Raads besluit, geen gevolg was gegeven. Ook in zoverre moet het beroep ontvankelijk worden geacht.
3.
Toch is er een omstandigheid — van andere aard — die medebrengt dat beroepschrift 6/79 niet in behandeling kan worden genomen, en wel een nieuw feit, dat zich na de instelling van het beroep heeft voorgedaan. Op 20 maart 1979 heeft de Raad het rapport van de tweede beoordelaar, zoals dat naar aanleiding van het advies van het beoordelingscomité was verbeterd, bekrachtigd en de heer Grassi van zijn inhoud in kennis gesteld. Het lijdt geen twijfel dat dit tweede, herziene rapport de intrekking van het rapport van dezelfde beoordelaar de dato 15 maart 1978 inhield; wij hebben hier te maken met twee rapporten van dezelfde beoordelaar, die ook dezelfde periode betreffen, en in het tweede rapport ligt kennelijk het definitieve standpunt van de administratie besloten. Dit brengt mede dat het beroepschrift van 5 januari 1979 zonder voorwerp is geraakt; mijns inziens zal het Hof dan ook, hiervan akte nemende, verstaan dat er niet op behoeft te worden ingegaan.
4.
Ook tegen het beroep van 20 juni 1979, ingeschreven onder nr. 97/79, heeft de Raad een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen: de heer Grassi zou niet eerst een klacht hebben ingediend tegen het 2 maart 1979 gedagtekend rapport van de tweede beoordelaar, waarvan hij, naar wij zagen, op 20 maart 1979 in kennis werd gesteld.
Ik acht dit standpunt ongegrond. Men bedenke dat de administratie, ook al vertoonde haar handelwijze de hiervoor besproken leemten, de in het besluit van 1977 voor klachten voorziene procedure heeft voortgezet, in dier voege dat het beoordelingscomité van de zaak in kennis is gesteld, waarna de administratie het verbeterd rapport van de tweede beoordelaar heeft bekrachtigd. Welnu, bedoelde procedure wordt ingeleid met de indiening van een klacht (die indiening heeft in casu op 6 juni 1978 plaatsgevonden), tewijl de administratie ten besluite der procedure definitief haar standpunt bepaalt, waarna er voor een tweede klacht geen plaats is.
Wanneer de Raad stelt dat er naar aanleiding van het definitieve rapport opnieuw een klacht in de zin van artikel 90 had moeten zijn ingediend — om vervolgens in rechte te kunnen worden aangevochten —, dan ziet hij er aan voorbij dat dit verbeterd rapport, dat kennelijk voor het eerste rapport in de plaats komt naar aanleiding van de eerste klacht werd uitgebracht. Het ware niet logisch voorbij te zien aan het verband tussen het verbeterd rapport en het eerdere rapport dat erdoor werd vervangen; twee maal heeft de administratie zich over een en dezelfde vraag uitgesproken, eerst in een handeling waarover kon worden geklaagd (het rapport van 15 maart 1978) en vervolgens in een definitieve handeling, waarvan rechtstreeks in beroep kan worden gekomen.
Dat het verbeterd en door de Raad bekrachtigd rapport als een eindrapport is te beschouwen, vindt in beginsel bevestiging in de voorschriften betreffende de bijzondere procedure, waaraan in casu door verweerder werd deelgenomen. Volgens artikel 10, lid 5, van het reeds meermalen aangehaalde besluit van 1977 wordt de klachtprocedure „afgesloten” met de toezending van het definitief rapport, opgesteld nadat het beoordelingscomité zijn advies heeft uitgebracht. Een soortgelijke formule wordt gebezigd in artikel 11, lid 4, letter b, voor het geval dat het tot aanstelling bevoegd gezag, na het advies van de beperkte groep te hebben ingewonnen, besluit de zaak niet aan het beoordelingscomité voor te leggen en het rapport van de tweede beoordelaar, in ongewijzigde vorm, als definitief te aanvaarden.
Dat de Raad de in het besluit van 1977 voorziene procedure niet geheel heeft gevolgd, wettigt mijns inziens geen andere slotsom. Het zou immers ongerijmd zijn, wanneer een door de Raad begane onregelmatigheid de betrokken ambtenaar zou verplichten de hier bedoelde procedure van voren af aan te beginnen, waardoor hij opnieuw zou worden gedwarsboomd in zijn recht om binnen een redelijke termijn in beroep te komen.
5.
Het ogenblik is gekomen over te gaan tot een bespreking van de materiële grieven. Wij dienen daarbij in aanmerking te nemen dat de raadsman van verzoeker op uitnodiging van het Hof zijn verzoekschrift in een nota, ge'dagtekend 8 mei 1980, heeft toegelicht. Volgens die nota wenst hij het rapport van de tweede beoordelaar, gedagtekend 2 maart 1979, gedeeltelijk, namelijk op drie aanstonds te bespreken punten, te zien vernietigd.
Ter vaststelling van de grenzen waaraan het Hof zich bij een onderzoek van grieven gericht tegen beoordelingsrapporten, ten aanzien van ambtenaren opgemaakt, heeft te houden, herinner ik eraan dat volgens's Hofs vaste rechtspraak bij de vaststelling van zulke rapporten, „al mogen [zij] ... uit moeilijk te toetsen beoordelingen bestaan”, „sprake zou kunnen zijn van een onregelmatigheid in de vorm en de procedure of van kennelijke onjuistheden en misbruik van beoordelingsbevoegdheden, van dien aard dat zulks een onwettigheid zou kunnen meebrengen” (men zie met name het arrest, op 25 november 1976 gewezen in de zaak 122/75, Küster t. Parlement, Jurispr. 1976, blz. 1685, r.o. 7/10, alsook — in dezelfde zin — het arrest, op 12 mei 1977 gewezen in de zaak 31/76, Macevicius t. Parlement, Jurispr. 1976, blz. 883). Naar door de advocaat-generaal Mayras in zijn cpnclusie de dato 27 maart 1980, genomen in de zaak 24/79, terecht is betoogd, wil dat evenwel niet zeggen dat de rechter zijn oordeel voor dat van de administratieve overheid in de plaats heeft te stellen; het betekent slechts dat hij geroepen is de „wegen en middelen” die tot zulk een oordeel konden leiden, te controleren.
Laat ons dan nu overgaan tot een gedetailleerde bespreking van elk van de drie grieven, die door de heer Grassi tegen het te zijnen aanzien opgemaakte rapport zijn ingebracht.
a)
In de eerste plaats wenst verzoeker de zin waarin hem „a limited number of unrevised translations” wordt toegeschreven, te zien geschrapt; deze zin is te vinden in het eerste gedeelte van het rapport, onder II. Hij zou in de door het rapport bestreden periode slechts een enkele maal, ter gelegenheid van een dienstreis naar Firenze op 20, 21 en 22 november 1975, vertalingen hebben verricht; bovendien zou aan zulk een gegeven, in het bestek van een beoordelingsrapport, weinig betekenis toekomen en zou het zijn vermeld teneinde aan zijn bekwaamheid en aan de omvang der door hem vervulde taken te tornen.
De gestelde fout is niet op een kennelijke dwaling ten aanzien van de feiten herleidbaar. Als onbetwist staat vast dat de heer Grassi ter gelegenheid van voormelde dienstreis naar Firenze zich ook van vertaalopdrachten heeft gekweten. Reeds daarom is er mijns inziens van een dwaling ten aanzien van de feiten geen sprake.
De vermelding dat betrokkene vertaalopdrachten vervuld heeft, levert mijns inziens als evenmin overschrijding van rechtsmacht op. Geen enkel bewijs is bijgedragen voor de stelling dat de administratie met bedoelde vermelding buiten de eigenlijke rapportage gelegen doeleinden heeft willen verwezenlijken. Anderzijds is door de Raad ook onweersproken gesteld dat in de omschrijving der door de reviseurs verrichte werkzaamheden, zoals die in de rapporten over het tijdvak 1975-1977 te vinden zijn, steeds de verrichte vertaalwerkzaamheden ter sprake zijn gebracht. Derhalve kan niet worden volgehouden dat er, door de vermelding van bedoelde werkzaamheden, ten detrimente van verzoeker is gediscrimineerd, terwijl ook de stelling volgens welke uit de vermelding dat betrokkene zich (in beperkte omvang) van zulke taken heeft gekweten, van door de administratie begane overschrijding van rechtsmacht zou blijken, op een wankele grondslag blijkt te berusten.
Anders zou kunnen worden geredeneerd als men zich afvraagt welke zin deze vermelding heeft in de afsluitende beoordeling van de bekwaamheid en prestaties van de betrokken ambtenaar. Het lijkt mij evenwel een vraag te zijn die ter discretie staat van de administratie, voor wier technische beoordeling het Hof zijn eigen oordeel niet in de plaats mag stellen. Ook objectief gezien, kan moeilijk worden uitgemaakt of bedoelde vermelding betrokkene tekort doet dan wel of er niet juist erkentelijkheid aan kan worden afgelezen voor het feit dat betrokkene zich ook heeft gekweten van een werkzaamheid die niet tot zijn specifieke taak behoort.
b)
Verzoeker wenst in de tweede plaats de kwalificatie „voldoende”, voorkomende in de rubriek betreffende de omgang met meerderen en collega's (tweede deel, III, 2) te zien geschrapt; hij meent dat de beoordelaar zijn rapport in zoverre met redenen had moeten omkleden — met een kritische beoordeling van zijn gedrag —.
Ik wijs er allereerst op dat beoordelingsrapporten volgens's Hofs rechtspraak niet behoren tot de ten aanzien van een ambtenaar genomen individuele besluiten, die volgens artikel 25 met redenen omkleed moeten zijn, doch vallen onder speciale voorschriften, vastgesteld ter uitvoering van artikel 43 van het Statuut (vgl. het reeds aangehaalde arrest van 25 november 1976, gerezen in de zaak 122/75, r.o. 21-26). Voor de Raad gelden te dezen slechts de maatstaven, genoemd in voormelde Gids betreffende de beoordelingsrapporten; en die tekst, waarin het besluit van 18 oktober 1977 voor intern gebruik nader wordt uitgewerkt, houdt in deel E, 1, 4, b (biz. 16) slechts in dat de beoordelingstermen „uitstekend” en „laat te wensen over” dienen te worden gemotiveerd. Het wil mij dus voorkomen dat dit in casu, gezien de gebezigde kwalificatie („voldoende”) ook formeel gezien niet strikt nodig was. De grief volgens welke de beslissing niet met redenen omkleed was, houdt derhalve, of men haar nu met artikel 25 van het Statuut in verband brengt dan wel met de bijzondere voorschriften van de Gids, geen steek.
Voorts zij er op gewezen dat aan de kwalificatie „voldoende”, die alleen de omgang met meerderen en collega's betreft, in het omstreden rapport een kort commentaar is toegevoegd, met vermelding van bepaalde periodes welke, volgens de administratie, de inhoud van het rapport rechtvaardigen. Ik doel hier op de woorden „He is, however, so rigid etc.”, voorkomende onder de nog te bespreken titel „Continuation of Part III”.
In ieder geval houdt de vermelding „voldoende” geen vorm-of procedurefout in en lijkt zij mij te rijmen met de maatstaven volgens welke de Gids moeten worden aangelegd. En nu nergens uit blijkt dat de overheid met deze kwalificatie een ander doel heeft nagestreefd dan waarvoor zij bestemd is, gaat het mijns inziens niet aan van overschrijding van rechtsmacht te spreken. Ook een kennelijke dwaling ten aanzien van de feiten kan aan deze kwalificatie niet worden afgelezen, immers het gaat hier om een discretionaire beoordeling, dat wil zeggen om een discretionair handelen, van de administratie.
c)
Verzoeker wenst in de derde plaats een passage uit het derde deel, III, van het rapport te zien geschrapt. Daarin wordt over zijn gedrag in de dienst een oordeel gegeven dat voornamelijk zijn persoonlijkheid raakt. Aan de heer Grassi wordt een te grote starheid toegeschreven en zijn houding zou de werksfeer in de Italiaanse afdeling negatief hebben beïnvloed. De beoordelaar schrijft over hem met name het volgende: „hij is zo star in zijn optreden, dat zijn relaties met meerderen en collega's van dezelfde rang veel minder bevredigend zijn” dan die met ondergeschikten (d.w.z.: vertalers). Voorts worden wij in details ingelicht over bepaalde onaangename incidenten (een woordenwisseling met een groep réviseurs, die in december 1975 heeft plaatsgevonden, en schriftelijke uitlatingen over twee superieuren, in maart 1977, in verband met op een dienstreis naar Fiji, gedaan).
Verzoeker beklaagt zich in zoverre, met name blijkens zijn standpunt ter terechtzitting, over het feit dat de beslissing op dit punt niet met redenen zou zijn omkleed. Nogmaals: een beoordelingsrapport is geen handeling waarvoor het Statuut een redengeving verlangt. De raadsman van de heer Grassi brengt hier tegen in dat een redengeving niet achterwege mag blijven wanneer er ten aanzien van betrokkene een zeer kritisch oordeel wordt afgegeven. Ik heb er echter reeds op gewezen dat de rapporten volgens de Gids slechts van commentaar behoeven te zijn voorzien, voorzover het gaat om „extreme” oordelen, waarvoor een bepaalde synthetische formule wordt gebezigd, doch niet wanneer men te maken krijgt met in het descriptieve gedeelte van het rapport opgenomen oordelen, waartoe de onderhavige beoordeling stellig moet worden gerekend.
Ik zou hieraan willen toevoegen, dat de onderhavige passage in zijn geheel in zekere zin de redengeving oplevert voor de kwalificatie „voldoende”, die juist de omgang met meerderen en collega's betreft en elders in het rapport te vinden is. Voorts wil ik erop wijzen dat de in die passage voorkomende beoordelingen door verwijzing naar de beide hiervoor genoemde duidelijk omlijnde perioden, worden gerechtvaardigd. De grief dat er in zoverre van een redengeving geen sprake zou zijn, dient derhalve niet slechts om formele, doch ook om feitelijke redenen te worden verworpen:
De raadsman van verzoeker maakt voorts bezwaar tegen de wijze waarop de beide, in 1975 en 1977 gelegen, episoden in het rapport worden verwerkt. Er zou zijns inziens uit blijken dat de heer Grassi zich in de dienst volkomen correct heeft gedragen, zodat bedoelde episoden niet kunnen worden gebezigd ter adstructie van negatieve, althans bijzonder kritische beoordelingen. Het kritische standpunt, door verzoeker in 1975 ingenomen jegens het hoofd van de Italiaanse afdeling, de heer Tommaso Valerio, vond zijn oorzaak in de bezwaren van de heer Grassi tegen de wijze waarop de vertalers voor dienstreizen naar het buitenland werden aangewezen; in 1977 kwam het, naar aanleiding van de aanwijzing van een bepaalde ambtenaar voor een dienstreis buiten Europa, opnieuw tot een meningsverschil, thans over het beheer der dienstreizen en de maatstaven welke door de leiding deiafdeling werden aangelegd (vgl. bijlagen 16 en 17 bij het beroepschrift van 20 juni 1979).
Ik meen dat het Hof de raadsman van verzoeker bij zijn analytische bespreking van bedoelde perioden niet zal kunnen volgen en aan de vaststelling der verantwoordelijkheid geen onderzoek zal kunnen wijden. Zou het Hof aldus te werk gaan, dan zou het zijn beoordeling van het ambtelijk gedrag der ambtenaar voor dat van de administratieve overheid in de plaats stellen, en ik vind dat het Hof daartoe niet bevoegd is. Het Hof zal zich mijns inziens dan ook hebben te beperken tot de vaststelling dat de in het rapport vermelde episoden zich werkelijk hebben voorgedaan, om vervolgens aan de administratie akte te verlenen dat zij haar oordeel op concrete feiten heeft gebaseerd. Ik acht dit voldoende om niet slechts de motiveringsklacht (waarvoor ook in een abstracte benadering geen plaats is), maar ook de grief volgens welke er van kennelijke dwaling sprake zou zijn, te verwerpen.
Met betrekking tot de gestelde overschrijding van rechtsmacht herhaal ik dat niet is gebleken dat aan de vermelding van beide genoemde episoden door de administratie andere bedoelingen ten grondslag hebben gelegen dan in artikel 43 zijn vermeld. Verzoeker zelf brengt de overschrijding van rechtsmacht trouwens slechts in algemene bewoordingen ter sprake; in feite beperkt hij zich ertoe zijn eigen verantwoordelijkheid voor de incidenten af te wijzen; en het bewijs dat de administratie, de incidenten vermeldende, met zijn rapportage oneigenlijke doeleinden zou hebben nagestreefd, heeft hij niet geleverd.
Met betrekking tot de formele en procesrechtelijke argumenten wijs ik er ten slotte op dat wie, ter adstructie van waardeoordelen, naar concrete episoden verwijst, de maatstaven welke volgens voormelde Gids bij het opstellen der beoordelingsrapporten moeten worden aangelegd, met juistheid toepast.
6.
Ik concludeer derhalve dat het Hof, uitspraak doende in de beide — gevoegde — zaken, door de heer D. Grassi op 5 januari respectievelijk 20 juni 1979 aanhangig gemaakt, zal verstaan dat er in eerstbedoelde zaak geen uitspraak behoeft te worden gedaan en in de andere zaak de eis zal afwijzen.
Voorts geef ik het Hof in overweging om, overeenkomstig artikel 70 van het reglement voor de procesvoering, de op elk van beide gevoegde zaken gevallen kosten te laten ten laste van degenen die ze hebben gemaakt.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy