CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 26 JUNI 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
Verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 99 van 1970, blz. 1), bepaalt in artikel 39 bis, dat bij verordening nr. 2680/72 van 12 december 1972 (PB L 289 van 1972, blz. 1) in de verordening is ingelast, dat de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen om deze verordeningen te doen naleven en dat zij een of meer instanties aanwijzen de belast zijn met de controle op de naleving van deze verordening. Artikel 11 van verordening nr. 817/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (PB L 99 van 1970, blz. 20), bepaalt dat de producenten verplicht zijn, wijnen die de benaming VQPRD mogen voeren, aan een analytisch en een organoleptisch onderzoek te onderwerpen. Verder bepaalt artikel 1 van verordening nr. 1539/71 van de Commissie van 19 juli 1971 tot vaststelling van de in de wijnsector toe te passen communautaire analysemethoden (PB L 163 van 1971, blz. 41), dat voor de toepassing van de verordeningen nrs. 816/70 en 817/70 de analysemethoden moeten worden gebruikt die in de bijlage van deze verordening zijn aangegeven. Punt 3 van deze bijlage luidt:
„Het totaalgehalte aan droge stof wordt bepaald door densimetrie en indirect berekend op basis van de dichtheid van het residu zonder alcohol”.
In Frankrijk behoren tot de in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen in de zin van verordening nr. 817/70 de wijnen met de aanduiding „appellation d'origine contrölée”. Volgens decreet nr. 74-871 van 19 oktober 1974 (artikel 1) mogen wijnen waarvoor aanspraak op deze aanduiding wordt gemaakt, alleen in de handel worden gebracht met een officieel certificaat en na een onderzoek als bedoeld in artikel 11 van verordening nr. 817/70. Volgens artikel 2 van het decreet omvat dit onderzoek een analyse en worden de procedurevoorschriften voor het onderzoek en de afgifte van de certificaten vastgesteld bij verordening van de minister van Landbouw. Voorts regelen de artikelen 3 en 4 van het decreet de kosten van het onderzoek en de vraag op welke wijnen het decreet rechtstreeks toepasselijk is. In een krachtens artikel 2 van het decreet vastgestelde verordening van de minister van Landbouw van 20 november 1974 inzake het analytisch en organoleptisch onderzoek van wijnen met de aanduiding „appellation d'origine contrölée”, wordt in artikel 3 bepaald dat het onderzoek tenminste betrekking heeft op het droge-stofextract, bepaald door densimetrie en door de methode bij 100o.
Bij de Franse Conseil d'Etat is tegen deze Franse voorschriften beroep ingesteld door onder andere de wijnbouwer R. Gallet. De Conseil d'Etat achtte de kritiek op de artikelen 3 en 4 van genoemd decreet, waarin de kosten van het onderzoek worden geregeld en wordt bepaald in hoeverre de voorschriften op bepaalde wijnen rechtstreeks toepasselijk zijn, gerechtvaardigd. Tegen het vereiste van een — op basis van een onderzoek af te geven — officieel certificaat en tegen de bepaling dat procedurevoorschriften terzake bij verordening van de minister van Landbouw moeten worden vastgesteld, kan echter volgens de Conseil d'Etat geen bezwaar worden gemaakt. Het is de Conseil d'Etat echter niet geheel duidelijk of artikel 3 van de verordening van de minister van Landbouw (bepaling van het droge-stofextract niet alleen door densimetrie, doch ook door de methode bij 100o) verenigbaar is met het bepaalde sub 3 van de bijlage van verordening nr. 1539/71 van de Commissie, waarin alleen sprake is van de bepaling van het totaal gehalte aan droge stof op basis van de dichtheid van het residu zonder alcohol.
Daarom heeft de Conseil d'Etat bij arrest van 22 december 1978 met nietigverklaring van de artikelen 3 en 4 van genoemd decreet en verwerping van de andere middelen, het geding geschorst en het Hof krachtens artikel 177 verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag
„of de bepalingen van de bijlage van verordening nr. 1539/71 van de Commissie van 19 juli 1971 moeten worden opgevat in die zin, dat zij daarin de bepaling van het gehalte aan droge stof door densimetrie en door de methode bij 100o toestaan”.
Ik wil hierover het volgende opmerken:
1.
In navolging van de Commissie moet in de eerste plaats worden gewezen op de desbetreffende rechtspraak van het Hof, te weten de arresten in de zaken 89/74, 18 en 19/75 (Arnaud e.a., arrest van 30 september 1975, Jurispr. 1975, blz. 1023) en 64/75 (Mommessin e.a., arrest van 9 december 1975, Jurispr. 1975, blz. 1599).
In eerstbedoeld arrest wordt in het feitelijk deel een voor leken nuttige toelichting gegeven op de term „gehalte aan droge stof” — dat wil zeggen de niet vluchtige stoffen die de wijn bevat — alsmede op de verschillende methoden om het gehalte aan droge stof te berekenen. Zo wordt meegedeeld dat bij de methode bij 100o het residu wordt gewogen dat achterblijft na verdamping van de vluchtige stoffen in de wijn bij 100o, en dat bij de densimetrische methode het gehalte aan droge stof indirect wordt berekend aan de hand van de dichtheid van de wijn nadat de alcohol eraan is onttrokken en het oorspronkelijke volume door toevoeging van water is hersteld.
In het rechtsgedeelte van het arrest wordt met betrekking tot het in het Franse recht geldende rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte — hiervan is sprake wanneer de verhouding alcohol/droge stof een bepaalde waarde te boven gaat — overwogen dat zodanig rechtsvermoeden, wanneer het niet onweerlegbaar is, moet worden aangemerkt als een controlemaatregel in verband met de verplichting van de Lid-Staten, de naleving te verzekeren van de communautaire voorschriften en met name die betreffende de verrijking, de aanzuring en de ontzuring. Dit — aldus het arrest — is in overeenstemming met de communautaire bepalingen betreffende de analysemethoden voor wijn, inzonderheid met de bijlage van verordening nr. 1539/71. Immers, voor het rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte is alleen de methode bij 100o bruikbaar en het gereduceerd droog extract, waarvan in de Franse voorschriften sprake is, kan niet door densimetrie worden berekend. Omdat dus de methode bij 100o een noodzakelijk element is van de toepassing van het vermoeden van verhoging van het alcoholgehalte, en omdat het gebruik van de densimetrische methode „niet een doel op zich” is, verzet de gemeenschapsregeling voor de wijnsector, zolang meer geëigende methoden ontbreken, zich volgens het Hof niet tegen het gebruik van de methode bij 100o, ter bepaling van het gehalte aan droge stof met het oog op de toepassing van een op de verhouding alcohol/droge stof gebaseerd rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte.
Deze uitspraak werd bevestigd door 's Hofs arrest in zaak 64/75, waarvan het dictum luidt:
„Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht kan een Lid-Staat een rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte, gebaseerd op de verhouding tussen het alcoholgehalte en het met de 100o-methode bepaalde gehalte aan droge stof, als nationale controlemaatregel gebruiken, mits dit vermoeden weerlegbaar is en dusdanig wordt toegepast, dat wijn uit andere Lid-Staten daardoor rechtens of feitelijk niet in een nadeliger positie wordt gebracht”.
Mij dunkt dat de Commissie gelijk heeft waar zij opmerkt dat daarmee het antwoord op de onderhavige vraag gegeven is, namelijk dat de methode bij 100o, die in de verordening van de Franse minister van Landbouw naast de densimetrische methode wordt genoemd, in overeenstemming is met verordening nr. 1539/71. Hiertoe behoeft men slechts te bedenken dat artikel 7 van verordening nr. 817/70 bepalingen bevat inzake de voorwaarden waaronder het alcoholgehalte kan worden verhoogd. De Lid-Staten dienen de naleving van deze bepalingen te waarborgen, en slechts wanneer zij worden nageleefd, kan een wijn de aanduiding VQPRD verkrijgen. Uitgangspunt moet dus zijn dat hij het analytisch onderzoek van de wijn niet kan worden afgezien van de controle die gebaseerd is op het vermoeden van verhoging van het alcoholgehalte. Deze controle is — zoals de Commissie heeft uiteengezet — onverbrekelijk verbonden met het analytisch onderzoek. Wanneer echter in het kader van het vermoeden van verhoging van het alcoholgehalte geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de methode bij 100o, dan moet stellig hetzelfde gelden voor genoemd onderzoek als geheel, dat een onscheidbaar geheel vormt.
2.
Voorts is in casu verordening nr. 2984/78 van de Commissie van 17 november 1978 (PB L 360 van 1978, blz. 1) van belang, ook al kan zij, gezien de datum waarop zij is vastgesteld, niet beslissend zijn. Zij is in de plaats gekomen van verordening nr. 1539/71 nadat het Hof genoemde arresten heeft gewezen. Weliswaar heet het in bijlage 3 met betrekking tot het totaal gehalte aan droge stof: „enige methode: densimetrie”, doch artikel 1, lid 4, van de verordening bevat een overgangsbepaling, luidende als volgt:
„Tot de vaststelling van communautaire voorschriften met betrekking tot de in cijfers aangegeven maxima en minima voor de aanwezige bestanddelen die kenmerkend zijn voor het gebruik van bepaalde oenologische procédé's, en van tabellen die een vergelijking van de analytische gegevens mogelijk maken, mogen de Lid-Staten, om na te gaan of er op een produkt behandelingen of bewerkingen zijn toegepast die niet in overeenstemming zijn met de communautaire voorschriften,
—
uiterlijk tot en met 31 augustus 1979 het gereduceerde droge-stofgehalte bepalen aan de hand van de methode die zij vóór 19 juli 1971 gebruikten, maar uitsluitend in het kader van de controle van de verhouding alcohol/ droge stof”.
Dit geldt nu juist voor de methode bij 100o in Frankrijk, die daar blijkbaar sinds een verordening van 1907 wordt toegepast en derhalve pas vanaf 1 september 1979 niet meer is toegestaan, omdat men tegen die tijd meer geëigende methoden hoopt te hebben ontwikkeld.
3.
Mitsdien concludeer ik dat de gestelde vraag worde beantwoord zoals door de Commissie is voorgesteld en ook door de Franse regering wordt verdedigd:
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht kan een Lid-Staat een rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte, gebaseerd op de verhouding tussen het alcoholgehalte en het met de methode bij 100o bepaalde gehalte aan droge stof, als nationale controlemaatregel gebruiken bij de afgifte van goedkeuringscertificaten voor in bepaalde gebieden voortgebrachte wijnen, mits dit vermoeden weerlegbaar is.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy