CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 28 JUNI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President
mijne heren Rechters,
I —
Mevrouw Koschniske, echtgenote Wörsdorfer, heeft de Duitse nationaliteit; zij is in 1970 in Nederland in dienstbetrekking werkzaam geweest, maar moest deze arbeid op 17 maart van dat jaar wegens ziekte staken. Sedert 14 april 1971 is zij in het genot van een uitkering krachtens de Nederlandse wet inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.
Artikel 77, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers, bepaalt dat de bijslagen voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers „ongeacht op het grondgebied van welke Lid-Staat de rechthebbende op een pensioen of rente dan wel de kinderen wonen, worden toegekend … aan de rechthebbende op pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een enkele Lid-Staat, overeenkomstig de wettelijke regeling van de Lid-Staat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is.” Op grond van deze bepaling heeft mevrouw Koschniske voor haar bij haar en haar echtgenoot in de Bondsrepubliek verblijvende drie kinderen aanspraak op kinderbijslag overeenkomstig de wettelijke regeling van de Lid-Staat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is; in casu is dat de Nederlandse wettelijke regeling.
Met toepassing van artikel 10, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 — zoals achtereenvolgens gewijzigd bij de verordeningen nrs. 878/73 van 26 maart 1973 en 1209/76 van 30 april 1976 — heeft de Raad van Arbeid te Hengelo echter de uitbetaling van deze kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 1977 geschorst, op grond dat de echtgenoot van belanghebbende in Duitsland beroepswerkzaamheden verricht en aldaar „Kindergeld” ontvangt.
Artikel 10, lid 1, luidt thans als volgt:
„Het recht op gezins- of kinderbijslag die is verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, waarin voor het verkrijgen van het recht op deze bijslag geen voorwaarden inzake de verzekering of de arbeid worden gesteld, wordt geschorst wanneer, tijdens een zelfde tijdvak en voor een zelfde gezinslid:
a)
…
b)
bijslag verschuldigd is krachtens de artikelen 77 en 78 van de verordening. Indien echter de pensioen- of rentetrekker, die aanspraak kan maken op bijslag krachtens artikel 77 van de verordening, diens echtgenote of de persoon die het toezicht heeft over de wezen voor wie de bijslag krachtens artikel 78 van de verordening verschuldigd is, beroepswerkzaamheden uitoefent op het grondgebied van bedoelde Lid-Staat, wordt het recht op kinderbijslag, die krachtens de artikelen 77 of 78 van de verordening ingevolge de wetgeving van een andere Lid-Staat verschuldigd is, geschorst; in dit geval komt de belanghebbende in aanmerking voor gezins- of kinderbijslag van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de kinderen wonen en wel voor rekening van deze Lid-Staat …”
Deze anti-cumulatiebepaling is vastgesteld teneinde rekening te houden met de bijzondere situatie in de nieuwe Lid-Staten. In het Verenigd Koninkrijk, het Koninkrijk Denemarken en de Republiek Ierland evenals in enkele oorspronkelijke Lid-Staten, moeten de gezinsleden, om recht te hebben op gezins- of kinderbijslagen, op het nationale grondgebied woonachtig zijn; anders dan de oorspronkelijke Lid-Staten kennen die landen echter geen anti-cumulatieclausule.
Deze bepaling werd op belanghebbende toegepast. De heer Wörsdorfer is immers in loondienst werkzaam in Duitsland, waar voor het verkrijgen van het recht op kinderbijslag geen voorwaarden inzake de verzekering of de arbeid worden gesteld (§ 1, nr. 1, Bundeskindergeldgesetz van 31 januari 1975).
Voor zover uit het dossier kan worden opgemaakt, werd de kinderbijslag daarvóór niet in zijn geheel uitbetaald, doch met toepassing van artikel 10, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 slechts voor zover deze de Duitse kinderbijslag te boven ging.
Mevrouw Koschniske heeft tegen het betrokken schorsingsbesluit beroep ingesteld bij de Raad van Beroep die, van oordeel dat zich een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht voordeed, heeft besloten de procedure te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de vraag voor te leggen of de uitdrukking „diens echtgenote” in artikel 10, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 eveneens van toepassing is op de vader van de kinderen. De twijfel van de Raad van Beroep vloeit voort uit het feit dat de term „echtgenote” in de Neder landse versie van de verordening van de Raad, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Franse „conjoint”, slechts duidt op een persoon van het vrouwelijk geslacht.
II.—
Deze vraag kan stellig bevestigend worden beantwoord.
Alleen in de Nederlandse versie wordt geen term gebruikt die beide geslachten omvat. In het Engels staat er „spouse” en in het Duits „Ehegatte”. Het Hof heeft echter herhaaldelijk verklaard (onder meer in zijn arrest van 5 december 1967, Van der Vecht, Jurispr. 1967, blz. 431, inz. blz. 442): „het vereiste ener uniforme uitlegging van de gemeenschapsverordeningen brengt mee, dat deze tekst niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar dat hij, in geval van twijfel, wordt uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de drie andere talen.”
Had de nationale rechter deze bepaling vergeleken met een andere bepaling van verordening nr. 1408/71, dan zou hij het probleem hebben kunnen oplossen. Immers, bij 's Raads verordening nr. 1392/74 van 4 juni 1974 is aan punt E (Ierland) onder bijlage V bij verordening nr. 1408/71 een punt 3 bis toegevoegd, luidende:
„Wanneer echter de echtgenoot van de werknemer of de persoon die het toezicht over de kinderen heeft, in Ierland beroepswerkzaamheden verricht, blijven de aan de gezinsleden verleende verstrekkingen voor rekening van het Ierse orgaan voor zover het recht op genoemde verstrekkingen alleen op grond van de Ierse wettelijke regeling bestaat.”
Het Franse „conjoint” is hier weergegeven door „echtgenoot” dat wil zeggen man of vader. Uit de vergelijking van deze bepalingen van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 blijkt dat het Franse „conjoint”, ook in de Nederlandse versie, ambivalent is.
Een ontkennend antwoord zou er overigens toe leiden, dat het recht op kinderbijslag, verschuldigd krachtens artikel 77 van verordening nr. 1408/71, wordt geschorst wanneer de pensioen- of rentetrekker van het mannelijk geslacht is, en dat het wordt gehandhaafd wanneer het om een vrouw gaat. Een dergelijke discriminatie lijkt mij duidelijk in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van man en vrouw, neergelegd in artikel 119 EEG-Verdrag ter zake van gelijke beloning voor gelijke arbeid en uitgebreid tot het gebied van de sociale zekerheid bij 's Raads richtlijn nr. 79/7 van 19 december 1978.
Het zou bovendien in strijd zijn met het doel van artikel 10 — te weten cumulatie van kinderbijslag voor dezelfde kinderen te voorkomen — om die cumulatie enkel te verbieden wanneer de vader de pensioen- of rentetrekker is.
Concluderend geef ik het Hof in overweging in antwoord op de gestelde vraag te verklaren voor recht, dat onder de term „zijn echtgenote” in artikel 10, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 zowel de echtgenote als de echtgenoot van de werknemer moet worden verstaan, die krachtens artikel 77, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 recht heeft op kinderbijslag voor ten laste komende kinderen, met dien verstande dat het bevoegde orgaan de uitbetaling van deze kinderbijslag slechts mag schorsen ten belope van het bedrag dat ingevolge de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat is ontvangen.
Overigens ben ik van oordeel dat men er goed aan zou doen de Nederlandse versie van de verordening van de Raad in deze zin te verbeteren.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy