CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 20 SEPTEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De prejudiciële zaak waarin ik heden concludeer, heeft betrekking op de gemeenschappelijke ordening der markten voor melk en zuivelprodukten, zoals neergelegd in verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB L 148 van 1968, blz. 13).
Volgens artikel 3 van die verordening wordt voor de Gemeenschap jaarlijks een richtprijs voor melk vastgesteld. Deze richtprijs is „de melkprijs welke wordt nagestreefd voor de totale hoeveelheid melk die door de producenten tijdens het melkprijsjaar wordt verkocht, in die mate waarin de afzetmogelijkheden op de markt van de Gemeenschap en op de markten daarbuiten dit toelaten.” Hij wordt vastgesteld „voor melk met een vetgehalte van 3,7 % en wel in het stadium franco-melkfabriek.”
Voor het melkprijsjaar 1978/1979, dat in casu aan de orde is, werd deze prijs vastgesteld bij verordening nr. 998/78 van de Raad van 12 mei 1978 (PB L 130 van 1978, blz. 5), nadat bij verordening nr. 910/78 van de Raad van 27 april 1978 houdende verlenging van het melkprijsjaar 1977/1978 (PB L 117 van 1978, blz. 84), het melkprijsjaar 1977/1978 en daarmee de voor dit melkprijsjaar bij verordening nr. 872/77 tot vaststelling van de richtprijs voor melk en van de interventieprijzen voor boter, mageremelkpoeder en de kaassoorten Grana Padano en Parmigiano Reggiano voor het melkprijsjaar 1977/1978 (PB L 106 van 1977, blz. 17) vastgestelde richtprijs, tot 21 mei 1978 waren verlengd. De richtprijs bedroeg dienvolgens vanaf22 mei 197817,70 RE, per 100 kg of — in lires uitgedrukt — 204,26 lire per kg.
Met deze regeling is volgens verzoeker in het hoofdgeding de Italiaanse wet nr. 306 van 8 juli 1975 in strijd. Deze bepaalt dat de verkoop van melk door leden van een coöperatie slechts via de coöperatie en volgens de door deze laatste vastgestelde regels mag plaatsvinden, en bevat daarnaast voorschriften betreffende de vaststelling van de producentenprijs van melk. Dienovereenkomstig wordt de melkprijs voor iedere regio en ieder melkprijsjaar in beginsel, en wel aan de hand van de in de wet neergelegde criteria, door middel van een akkoord tussen de betrokken economische groepen (producenten, coöperaties, verwerkende bedrijven, melkcentrales) vastgesteld. Deze prijs wordt in het publikatieblad van de regio bekendgemaakt en is daarmee bindend voor de partijen bij de overeenkomst. Indien bedoeld akkoord niet tot stand komt, benoemt de voorzitter van de Giunta regionale een commissie, onder voorzitterschap van een bestuursambtenaar en bestaande uit vijf vertegenwoordigers van de melkproducenten, vier vertegenwoordigers van de verwerkende bedrijven, één vertegenwoordiger van de melkcentrales en twee vertegenwoordigers van de zuivelproduktencoöperaties. Deze commissie stelt dan de prijs vast, die — luidens artikel 11 van de Italiaanse wet — onmiddellijk na de bekendmaking in het publikatieblad van de regio bindend wordt tussen partijen („vincolante tra le parti”).
Deze procedure werd in het voorjaar 1978 toegepast, omdat tussen de betrokken economische kringen geen akkoord was bereikt. Een bij besluit van 7 maart 1978 benoemde commissie, waarvoor echter de kopers- en verbruikersorganisatie kennelijk geen vertegenwoordiger had benoemd, nam op 11 april 1978 een in het publikatieblad van 17 april 1978 bekendgemaakt besluit, op grond waarvan de melkprijs tot eind 1978 260 lire per liter inclusief BTW bedroeg — klaarblijkelijk voor melk met een vetgehalte van 3,5 %.
Tegen dit besluit heeft een hele reeks ondernemingen die in de melksector werkzaam zijn, beroep ingesteld bij het Tribunale amministrativo regionale per il Veneto. Zoals ik reeds opmerkte, zijn zij van mening dat het besluit moet worden vernietigd, omdat zijn rechtsgrondslag (artikel 11 van genoemde Italiaanse wet) onverenigbaar zou zijn met verordening nr. 804/68; uit deze verordening volgt immers dat de nationale wetgever op dit gebied geen bevoegdheden meer bezit.
Dit betoog is door de regio, verweerster in het hoofdgeding, van de hand gewezen. Volgens haar is er van strijd met het gemeenschapsrecht geen sprake, zolang de communautaire instellingen geen concrete maatregelen voor de toepassing van de verordening hebben genomen — waarmee zij klaarblijkelijk doelt op de late vaststelling van de richtprijs voor het melkprijsjaar 1978/1979. Voorts staat zij op het standpunt dat de communautaire richtprijs uitsluitend moet worden gezien als een richtlijn, die de nationale wetgever niet de bevoegdheid ontneemt aan de concrete prijsbepaling mee te werken.
Het Tribunale heeft de procedure bij beschikking van 28 november 1978 geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Belet het gemeenschapsrecht, en wel met name verordening nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, juncto artikel 189, tweede alinea, EEG-Verdrag, de Italiaanse staat zijn administratieve gezagsorganen bij de wet bevoegd te verklaren de producentenprijs van melk vast te stellen, ook wanneer de Gemeenschap de richtprijs voor melk als bedoeld in artikel 3 van verordening nr. 804/68 niet heeft vastgesteld?”
Alvorens hierop in te gaan, wil ik er nog op wijzen dat in augustus 1978 toch nog een akkoord als bedoeld in artikel 8 van de Italiaanse wet tot stand is gekomen. Het gold voor de tweede helft van 1978; de overeengekomen producentenprijs bedroeg 270 lire per liter inclusief BTW.
Daarnaast heeft de Commissie ter zake van de litigieuze Italiaanse wet de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid. Zij heeft daartoe in een schrijven van 28 juli 1977 haar opvatting kenbaar gemaakt en de Italiaanse regering uitgenodigd een standpunt in te nemen. Hieraan werd na verlenging van de aanvankelijk toegestane termijn in een nota van 4 november 1977 gevolg gegeven. Tot een met redenen omkleed advies van de Commissie in de zin van artikel 169 en tot de inleiding van een gerechtelijke procedure is het daarna echter niet gekomen.
1.
Wat de gestelde vraag betreft, zou ik in het belang van een doelmatige behandeling van de opgeworpen problemen, twee opmerkingen vooraf willen maken.
a)
Van verschillende kanten is terecht opgemerkt, dat de laatste bijzin van de vraag — „ook wanneer de Gemeenschap een richtprijs voor melk als bedoeld in artikel 3 van verordening nr. 804/68 niet heeft vastgesteld” — zonder meer buiten beschouwing kan worden gelaten.
Van een dergelijke situatie was in het betrokken tijdvak immers geen sprake; de vaststelling van de richtprijs was enkel vertraagd, terwijl intussen de regeling van het verlengde voorafgaande melkprijsjaar was blijven gelden. Men kan zelfs stellen dat een situatie als waarvan in de laatste bijzin van de vraag wordt uitgegaan, in beginsel ondenkbaar is, omdat de vaststelling van de richtprijs een noodzakelijk element vormt van de gemeenschappelijke marktordening voor melk.
Het onderzoek kan derhalve worden beperkt tot de vraag hoe het zit met de bevoegdheden van de Lid-Staten, wanneer de communautaire instellingen een richtprijs voor melk hebben vastgesteld.
b)
De Commissie heeft voorts terecht opgemerkt dat de vraagstelling in zoverre moet worden verduidelijkt, dat het in wezen niet eenvoudig gaat om de vraag of de Italiaanse Staat of de Lid-Staten de bevoegdheid tot vaststelling van de producentenprijs van melk aan administratieve gezagsorganen kunnen delegeren, maar om de vraag of de Lid-Staten op dit gebied wel op enigerlei wijze handelend kunnen optreden. Zou dit het geval zijn, dan is het uiteraard een kwestie van nationaal recht wie de bevoegdheid uitoefent; bestaat deze daarentegen niet, dan komt de vraag of een delegatie aan regionale autoriteiten denkbaar is, niet meer aan de orde.
2.
Tijdens de procedure is er uitgebreid over gedebatteerd, of de betrokken Italiaanse wet eigenlijk wel betrekking heeft op een vaststelling van overheidswege van de producentenprijs van melk, dat wil zeggen — zo dient men dit argument wel op te vatten — of de beantwoording van de door het Tribunale van de Regio Veneto gestelde vraag inderdaad noodzakelijk is.
Met name door de Italiaanse regering is dienaangaande betoogd, dat het voornaamste doel van genoemde wet bestaat in de bevordering van de coöperatieve idee. In dit verband zou in beginsel worden gestreefd naar overeenstemming tussen de betrokken economische kringen over de producentenprijs van melk. Als deze niet wordt bereikt, dan is de vaststelling van de prijs zaak van de reeds genoemde commissie, waarin de producenten geenszins de meerderheid vormen, doch die veeleer paritair uit vertegenwoordigers van de producenten en vertegenwoordigers van de afnemers en consumenten is samengesteld. Ook in dit tweede stadium kan er volgens de Italiaanse regering echter niet worden gesproken van een beïnvloeding van de prijzen door de overheid en van een eenieder bindende vaststelling. De beslissing is immers alleen bindend voor de betrokken partijen. Anders dan in andere prijsregelingen bestaan er ook geen sancties, en bovendien is er, aldus de Italiaanse regering, niemand verplicht, melk onder de aldus vastgestelde voorwaarden te verkopen of te kopen.
Voor mij is het duidelijk dat wij niet op deze overwegingen behoeven in te gaan. Ik acht dit in beginsel zelfs ongeoorloofd, want zij hebben betrekking op de uitlegging van een nationale wettelijke regeling, waartoe het Hof van Justitie — zoals in de rechtspraak reeds herhaaldelijk is beklemtoond — in de procedure ex artikel 177 EEG-Verdrag niet bevoegd is. Wij zijn in zoverre derhalve gebonden aan de beoordeling van de verwijzende rechter, die in casu — dit lijdt geen twijfel — uitgaat van een bindende vaststelling van overheidswege van de producentenprijs van melk, op grond van de Italiaanse wet van 1975.
Daarenboven wil ik er nog op wijzen dat dit uitgangspunt voor onze, op het gemeenschapsrecht gebaseerde overwegingen ook niet kennelijk onjuist lijkt (volgens vaste rechtspraak is dit het doorslaggevende criterium bij de vraag of iets voor de beslissing relevant is). Het eerste stadium van het in de Italiaanse wet neergelegde prijsvormingsmechanisme, dat ongetwijfeld door de weigering van één betrokkene zonder meer kan worden geblokkeerd, kan nu namelijk buiten beschouwing worden gelaten. In het daaropvolgende stadium kan de invloed van de overheid echter moeilijk worden ontkend. Tevens mag wel worden aangenomen dat het — ook al ontbreken sancties — om een bindende prijsvaststelling gaat en dat deze, omdat in de van overheidswege samengestelde commissie alle direct betrokken economische groepen zijn vertegenwoordigd, voor alle betrokkenen — producenten en consumenten — geldt, zodat zij stellig een aanzienlijke invloed heeft op de markt.
3.
Verder lijkt het mij in casu nuttig om, alvorens over te gaan tot het eigenlijke onderzoek van het opgeworpen probleem — de verenigbaarheid van nationale overheidsmaatregelen op prijzengebied met het prijsmechanisme van een gemeenschappelijke marktordening — een samenvattig te geven van enkele hoofdlijnen van de relevante rechtspraak.
Daartoe behoort het arrest van 23 januari 1975 (zaak 51/74, Van der Hulst's Zonen, Jurispr. 1975, blz. 79). Daarin werd in het algemeen beklemtoond dat wanneer de Gemeenschap een gemeenschappelijke ordening der markten in een bepaalde sector tot stand heeft gebracht, de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking ervan af te wijken of er inbreuk op te maken, waarbij niet slechts op de uitdrukkelijke bepalingen, maar ook op de doelstellingen van de regeling dient te worden gelet.
Verder wijs ik op het arrest van 23 januari 1975 (zaak 31/74, Galli, Jurispr. 1975, blz. 47). Hier verklaarde het Hof, dat met de prijsregeling van een gemeenschappelijke marktordening onverenigbaar zijn nationale prijsbeheersingsvoorschriften die ingrijpen in het communautaire prijsvormingsmechanisme en daar verstoringen teweeg brengen. Voor zover de Lid-Staten bevoegd moeten worden geacht om de prijzen in het detailhandels- en consumptiestadium vast te stellen, zijn zij immers gehouden om de doelstellingen en de werking van de gemeenschappelijke marktordening niet in gevaar te brengen. Voorts moet rekening worden gehouden met de eisen die een unitaire markt stelt. Daar de gemeenschappelijke prijsregeling ten doel heeft het vrije verkeer van goederen mogelijk te maken, sluit zij nationale regelingen uit die de intracommunautaire handel belemmeren of kunnen belemmeren.
Voorts moet worden gewezen op het arrest van 22 januari 1976 (zaak 60/75, Russo, Jurispr. 1976, blz. 45). Het Hof overwoog dat de prijsregeling van de gemeenschappelijke marktordening voor graan ten doel heeft de producenten een aan de richtprijs georiënteerde prijs te waarborgen. Deze doelstelling mag evenmin in gevaar worden gebracht door maatregelen die de prijsvorming weliswaar niet rechtstreeks beïnvloeden, maar die toch gevolgen hebben voor de marktomstandigheden.
Te noemen valt verder het arrest van 26 februari 1976 (zaak 65/75, Tasca, Jurispr. 1976, blz. 291), waarin het ging om nationale maximum detailhandelprijzen voor suiker. Dienaangaande overwoog het Hof dat een nationale prijsregeling welke op dezelfde handelsfase betrekking heeft als de regeling van de gemeenschapsprijzen, hiermee eerder in strijd zal komen dan een regeling die op andere fasen van toepassing is. In ieder geval oordeelde het Hof maximumprijzen als waar het in casu om ging, onverenigbaar met de gemeenschappelijke ordening der markten, wanneer zij de doelstellingen en de werking, en met name de prijsregeling daarvan, in gevaar brengen doordat het de suikerproducenten onmogelijk wordt gemaakt om de interventieprijs te krijgen.
Tenslotte moet ik nog vermelden dat, behalve in het zojuist genoemde arrest, ook in het arrest van 29 juni 1978 (zaak 154/77, Dechmann, Jurispr. 1978, blz. 1573) — betreffende nationale detailhandelsmarges op de varkensvleesmarkt — is gewezen op de noodzaak om niet door middel van dergelijke nationale maatregelen het intracommunautaire handelsverkeer te belemmeren en in het bijzonder de afzet van geïmporteerde goederen te bemoeilijken.
4.
Voor het onderzoek van het onderhavige geval is het derhalve van belang, de karakteristieken van de marktordening in de sector melk en met name de prijsmechanismen ervan voor ogen te houden.
In het begin heb ik er reeds op gewezen, dat de marktordening in de sector melk een voor de Gemeenschap eenvormig vastgestelde richtprijs voor melk kent, die, omdat hij wordt nagestreefd voor de totale hoeveelheid melk die door de producenten tijdens het melkprijsjaar wordt verkocht, als „doelprijs” moet worden beschouwd. Daarnaast bestaan er interventieprijzen voor boter, magere-melkpoeder en twee Italiaanse kaassoorten, die moeten bijdragen aan de realisering van de richtprijs. Ook de ter bescherming van de gemeenschappelijke markt in het leven geroepen invoerregeling moet daaraan bijdragen. Die regeling voorziet in de vaststelling van een drempelprijs, waarbij zowel de richtprijs als de noodzaak om de verwerkende industrie in de Gemeenschap te beschermen, in aanmerking wordt genomen. Importen uit derde landen worden zodoende belast met heffingen ter hoogte van het verschil tussen de drempelprijs en de franco-grensprijs. En aangezien op de betrokken markt sprake is van een overschotsituatie, moeten tenslotte nog de maatregelen voor de marktondersteuning en marktfaciliteiten worden vermeld. Als zodanig komen in aanmerking steunverlening aan de particuliere opslag, subsidie bij het gebruik van melk voor voederdoeleinden en incidentele maatregelen om de afzet van te grote interventievoorraden te vergemakkelijken. In dit verband vermeld ik ook de voor de Gemeenschap uniform vastgestelde restituties of exportsubsidies, waarvan de hoogte zich richt naar de prijzen in de Gemeenschap en in de desbetreffende landen van bestemming.
5.
Houdt men deze belangrijkste kenmerken voor ogen, met name de omstandigheid dat in de Gemeenschap met behulp van bepaalde mechanismen het bereiken van een zeker prijsniveau in de produktiefase wordt nagestreefd ter bereiking van een zo groot mogelijke markteenheid, en houdt men anderzijds rekening met de fundamentele betekenis van de arresten die tot nu toe op het betrokken terrein zijn gewezen, dan moet men zonder al te grote moeilijkheden een passend antwoord kunnen geven op de gestelde vraag.
a)
Een nationale, eveneens voor de produktiefase geldende prijsvaststelling beneden het niveau van de richtprijs moet dan stellig overenigbaar met de gemeenschappelijke marktordening worden geacht. Zij verhindert immers dat het doel van de gemeenschapsvoorschriften wordt bereikt, te weten dat alle producenten de richtprijs ontvangen. Een dergelijke situatie, die zich in Italië overigens niet voordoet, heeft weliswaar tot gevolg dat de interventie — wegens te lage prijzen — toeneemt en dat ook naar een uitbreiding van de produktie wordt gestreefd, die vanuit communautair oogpunt bezien — ik herinner slechts aan de medeverantwoordelijkheidsheffing, die tegengesteld werkt — ongewenst kan zijn.
b)
Een nationale prijvaststelling boven het niveau van de richtprijs en van de prijs die door de vrije werking van het marktmechanisme zou ontstaan, is eveneens als onverenigbaar met de gemeenschappelijke ordening der markten te beschouwen. Daarvoor kunnen tal van overwegingen worden aangevoerd.
—
Een dergelijke prijsvaststelling is in werkelijkheid een aanvullende garantie voor de producenten, waarin de gemeenschappelijke marktordening niet voorziet, en betekent derhalve een bijzondere behandeling van de melkproducenten van het betrokken land.
—
Zij heeft ontoelaatbare gevolgen voor zover daardoor het bereiken van de richtprijs wordt verhinderd, die anders door het aantrekken van handelsstromen uit Lid-Staten met een overproduktie aan melk en derhalve lagere produktieprijzen tot stand zou komen.
—
Een dergelijke prijsvaststelling heeft voorts een verstorende invloed op de intracommunautaire handel. Uit de aard der zaak leidt zij enerzijds tot een toeneming van de importen en anderzijds tot het bemoeilijken van de uitvoer van verwerkte produkten, indien voor hun produktie — hetgeen met de twee belangrijkste Italiaanse kaassoorten het geval schijnt te zijn — verse melk nodig is en het dus niet mogelijk is daarvoor melk uit andere Lid-Staten te gebruiken. In Italië schijnt een dergelijke situatie inderdaad te kunnen worden geconstateerd. Ik herinner slechts aan de ontwikkeling van de Italiaanse importen van verse melk nadat de litigieuze Italiaanse wet was uitgevaardigd, zoals die blijkt uit het door de Commissie verstrekte overzicht. Voorts is door de Italiaanse regering tijdens de procedure verklaard, dat de exportcijfers met betrekking tot de twee belangrijkste Italiaanse kaassoorten tussen 1974 en 1977 constant zijn gebleven. Om redenen die hierna nog zullen worden uiteengezet, behoeven deze economische omstandigheden in casu evenwel niet volledig te worden opgehelderd. Daarom behoef ik nu ook niet nader in te gaan op de opmerking van de Italiaanse regering, dat het Italiaanse binnenlands verbruik van melk en zuivelprodukten in de afgelopen jaren is toegenomen, terwijl evenmin aandacht behoeft te worden besteed aan het argument dat de twee belangrijkste Italiaanse kaassoorten toch grotendeels worden geproduceerd door coöperaties, waarvoor — daar zij uit agrarische producenten bestaan — de litigieuze prijsvaststelling van overheidswege slechts van beperkte economische betekenis is.
—
De prijsvaststelling heeft daarnaast gevolgen voor het gemeenschappelijk interventiestelsel. Deze gevolgen zijn, dat een hoge melkprijs hoge kosten voor de verwerkende bedrijven betekent, die dan, wanneer zij hun produkten tegen de interventieprijs aanbieden, een te geringe winst behalen, en verder dat een vermindering van de interventievoorraden onder de normale voorwaarden zeker wordt bemoeilijkt. Hierbij is stellig niet van belang dat de interventie juist in Italië zo goed als geen rol speelt, want het lijdt geen twijfel dat dit probleem in gemeenschapsverband moet worden gezien, daar een splitsing van de regeling ondenkbaar lijkt.
—
Tenslotte is er terecht op gewezen dat een dergelijk prijsbeleid in conflict kan komen met de communautaire grensregeling, dat wil zeggen met de hef-fings- en restitutiemechanismen, die — zoals ik reeds opmerkte — de richtprijs als uitgangspunt hebben. Met name voor de verwerkende bedrijven ontstaan moeilijkheden, enerzijds omdat zij de concurrentie van ingevoerde produkten niet aankunnen, en anderzijds omdat zij bij hun exporten naar derde landen geen concurrentiekracht hebben, daar de communautaire restituties bij te hoge nationale prijzen te laag zijn.
c)
Intussen zal men in navolging van de Commissie nog verder moeten gaan, en moeten aannemen dat het volstrekt niet aankomt op het niveau van de voorgeschreven prijzen en dus op de vraag of zij in feite niet in de buurt liggen van de prijzen die uit zichzelf op de markt zouden zijn ontstaan (rekening houdende met de ontoereikende en om structurele redenen niet noemenswaardig op te voeren nationale produktie, die ongeveer 60 % van de vraag dekt, wil dat voor Italië zeggen, circa 20 % boven de richtprijs).
Daarvoor kan al een praktische overweging worden aangevoerd. Zou dit aspect werkelijk van belang zijn, dan zou immers de nationale rechter, die tenslotte (indien geen procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag wordt ingeleid) de verenigbaarheid van nationale maatregelen met het gemeenschapsrecht moet beoordelen, zich genoopt zien een zeer moeilijk onderzoek in te stellen. En zo dit de mogelijkheden van een gerechtelijke procedure al niet volstrekt te boven zou gaan, zou het in elk geval de noodzakelijke beslissing van het geschil in onaanvaardbare mate vertragen.
Men kan daarvoor echter ook verwijzen naar enkele overwegingen in te dezen relevante arresten van het Hof, die ik hiervoor reeds heb genoemd. Van belang lijkt mij hier, dat daarin wordt gesproken van de ontoelaatbaarheid van nationale maatregelen die de gemeenschappelijke ordening der markten kunnen aantasten, van ontoelaatbare ingrepen in het gemeenschappelijk prijsvormingsmechanisme of van het ongeoorloofd in gevaar brengen van de doelstellingen en van de werking van gemeenschappelijke marktordeningen. Verder, dat daar de klemtoon wordt gelegd op de vereisten van een unitaire markt en dat nationale maatregelen die de handel tussen de Lid-Staten nadelig kunnen beïnvloeden, worden veroordeeld. Bij nationale prijsmaatregelen zal men dan ook reeds hun potentiële invloed op de gemeenschappelijke marktordeningen voldoende moeten achten, alsook de omstandigheid dat zij een ernstig gevaar voor de communautaire mechanismen opleveren. Juist omdat de gemeenschappelijke marktordening in de melksector een prijsregeling voor de produktiefase kent, betekent dit in casu dat de Lid-Staten op dit gebied geen enkele prijsvaststellingsmaatregel mogen nemen, zelfs wanneer de gemeenschappelijke marktordening voor de producenten geen nauwkeurig bepaalde, maar als het ware „hypothetische” prijzen vaststelt. Het inzicht dat het gemeenschapsstelsel zodanig is opgebouwd, dat met behulp van bepaalde maatregelen (interventieprijzen voor verwerkte produkten, regelingen van de handel met derde landen) een oriëntatieprijs mogelijk wordt gemaakt — doch niet gewaarborgd —, en dat de prijsvorming voor het overige aan het vrije spel van vraag een aanbod wordt overgelaten, dwingt ongetwijfeld tot de conclusie dat een door de nationale overheid op een bepaald niveau vastgestelde prijs onverenigbaar is met deze grondslag van het gemeenschappelijke economisch beleid op de melkmarkt. Anders zou men niet alleen een verdeling van de gemeenschappelijke markt aanvaarden, maar ook het ernstig gevaar van discriminatie tussen producenten en consumenten, alsmede een bedreiging van de doelstellingen van artikel 39, waarvan de verwezenlijking en onderlinge afweging zaak is van de gemeenschapsinstellingen alleen.
Daarmee wordt echter ook duidelijk, dat wij tenslotte niet meer behoeven in te gaan op de ter terechtzitting uitvoerig besproken vraag of en op welke wijze — namelijk door eliminering van de BTW — de vergelijking moet worden gecorrigeerd die de Commissie maakt tussen de communautaire richtprijs en de gemiddelde Italiaanse melkprijs, die anders dan in andere Lid-Staten altijd al boven de richtprijs lag, en of bijgevolg de litigieuze melkprijs voor de regio Veneto in de buurt ligt van de prijs die uit zichzelf op de markt zou zijn ontstaan. Daarbij zou men stellig ook rekening moeten houden met de omstandigheid dat de Italiaanse prijs voor melk met een vetgehalte van 3,5 % geldt, terwijl de richtprijs betrekking heeft op melk met een vetgehalte van 3,7o/o.
6.
Ik concludeer dan ook dat het Hof de door het Tribunale amministrativo regionale per il Veneto gestelde vraag aldus beantwoorde, dat de gemeenschappelijke marktordening in de melksector, zoals neergelegd in verordening nr. 804/68, niet toelaat dat een Lid-Staat de producentenprijs van melk vaststelt of laat vaststellen. Daar dit kan worden afgeleid uit een rechtstreeks toepasselijke gemeenschapsverordening, die voorrang heeft boven iedere, ook later vastgestelde nationale wettelijke regeling, volgt daaruit de niet-toepasselijkheid van een strijdige nationale regeling, zonder dat daartoe een bijzondere uitspraak van de constitutionele rechter noodzakelijk is.
( 1 ) Vertaald uil het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy