CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 13 SEPTEMBER 1979 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak is naar het Hof verwezen door de Tariefcommissie te Amsterdam met het verzoek om een prejudiciële beslissing. Voor die instantie is een beroep aanhangig van J. Cleton en Co. BV, te Rotterdam, die ik kortheidshalve „Cleton” zal noemen, tegen een uitspraak van de inspecteur der invoerrechten en accijnzen te Rotterdam betreffende de indeling in het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) van bepaalde, in maart en april 1976 door Cleton in Nederland ingevoerde goederen.
Het gaat daarbij om apparaten die in de facturen waren omschreven als „Thermo-King transport refrigeration Units” en die dienen voor het koelen en veelal ook voor het verwarmen van de laadruimten van vrachtwagens en opleggers. Ongeveer twintig typen, onderling verschillend in capaciteit, motorvermogen, enzovoort werden ingevoerd. Twee van die typen (XKW 10 en 20) zijn niet ontworpen om te verwarmen; zij kunnen uitsluitend koelen. Volgens de bevindingen van de Tariefcommissie bestaat elk apparaat uit een compressor, een condensor en een motor, die worden gemonteerd in een huis buiten de laadruimte, alsmede uit een ventilator en een verdamper die worden gemonteerd in een huis binnen de laadruimte. Bij de verdamper behoort een ontdooi-inrichting en een lekbak. Beide huizen worden door bouten en leidingen met elkaar verbonden en vormen aldus een lichamelijke eenheid.
De inspecteur deelde de goederen in onder tariefpost 84.12:
„Aggregaten voor de regeling van het klimaat in besloten ruimten, bestaande uit een door een motor aangedreven ventilator en een apparatur voor het wijzigen van de temperatuur en van de vochtigheid van de lucht, welke één geheel vormen.”
Het op die tariefpost toepasselijke recht bedraagt 8 %.
Daar de zaak grotendeels afhangt van de betekenis van het woord „voor” in ta-riefpost 84.12, meen ik dat het nuttig kan zijn dadelijk zijn equivalent in de andere versies van het GDT te vermelden:
—
Deens: „til”
—
Engels: „for”
—
Frans: „propre a”
—
Duits: „zu(m)”
—
Italiaans: „per”.
Cleton beweerde — en beweert — dat, aangezien de Thermo-Kingapparaten enkel tot doel hebben de temperatuur van de lucht te wijzigen en niet haar vochtigheid, zij niet onder tariefpost 84.12 vallen. Cleton stelde — en stelt — dat zij moeten worden ingedeeld onder tariefpost 84.15:
„Koel- en vriesinstallaties, koel- en vriesmachines, koelkasten en dergelijke machines en toestellen voor de koeltechniek, al dan niet elektrisch werkend …”
Het op die tariefpost toepasselijke recht bedraagt 5 %.
Cleton erkent, als ik het goed begrijp, dat de werking van de apparaten een vermindering van de luchtvochtigheid met zich meebrengt of kan meebrengen. Dit vanwege het bekende feit dat een bepaald volume lucht bij elke gegeven temperatuur en druk slechts een zekere hoeveelheid waterdamp kan bevatten. Wordt de temperatuur verlaagd, dan vermindert de hoeveelheid waterdamp die de lucht kan bevatten en kan condensatie optreden. Maar, zegt Cleton, dat effect wordt niet beoogd met de Thermo-Kingapparaten; het is een neveneffect bij het bereiken van het doel waarvoor zij zijn ontworpen. Namens Cleton werd ons medegedeeld dat de Thermo-King toestellen zijn ontworpen om de ontvochting zoveel mogelijk tegen te gaan, omdat dit effect ongewenst is, daar het leidt tot uitdroging van de produkten en tot aanvriezing van het koelelement.
Het uitdrogingseffect, zo werd ons verteld, wordt in het bijzonder beperkt door het gebruik van grote koelroosters; in airconditioners daarentegen worden opzettelijk kleine koelroosters gebruikt met het oog op het benutten van het uitdrogingseffect. Of al deze feitelijke gegevens juist zijn of niet, is natuurlijk een zaak voor de Tariefcommissie, niet voor het Hof.
De door de Tariefcommissie aan het Hof voorgelegde vragen zijn de volgende:
„1.
Dient post 84.12 van het tarief aldus te worden uitgelegd, dat onder de bewoordingen 'regeling van het klimaat' in verband met de bewoordingen 'wijzigen van de temperatuur en van de vochtigheid van de lucht' ook wordt begrepen het langs mechanische of andere weg bewerkstelligen van een vooraf gekozen temperatuur, welke gepaard gaat met een niet-beoogde en niet-regelbare wijziging van de vochtigheid?
Indien het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt:
2.
Dient post 84.12 van het tarief aldus te worden uitgelegd, dat onder de bewoordingen 'regeling van het klimaat' mede wordt begrepen het langs mechanische of andere weg bewerkstelligen van uitsluitend een vooraf gekozen verlaging van de temperatuur, welke gepaard gaat met een niet-beoogde en niet-regelbare wijziging van de vochtigheid?
Indien het Hof de eerste vraag ontkennend beantwoordt:
3.
Wat dient alsdan te worden verstaan onder het in post 84.12 gebezigde begrip vochtigheid? Is dit begrip op te vatten in de zin van relatieve vochtigheid of van absolute vochtigheid?”
Zoals u ziet, stelt de Tariefcommissie het Hof geen vraag over de uitlegging van tariefpost 84.15.
Het Hof heeft de partijen vóór de terechtzitting in de gelegenheid gesteld, schriftelijke opmerkingen in te dienen over een aantal vragen. Eén daarvan was of post 84.59 in aanmerking zou kunnen komen wanneer Thermo-Kingtoestellen die zijn ontworpen om zowel te verwarmen als te koelen, niet bij tariefpost 84.12 kunnen worden ingedeeld, en of aantekening 5 bij hoofdstuk 84 GDT dan toepassing zou vinden.
Tariefpost 84.59 is een van de „restposten” van hoofdstuk 84. Het omvat:
„Machines, toestellen en mechanische werktuigen, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 84 …”
Aantekening 5 luidt, voor zover van belang, als volgt:
„Machines, welke voor meerdere doeleinden kunnen worden gebezigd, worden … ingedeeld onder de post, welke van toepassing is op machines wier functie dezelfde is als de hoofdfunctie van de betreffende machines of, … indien niet is uit te maken welke de hoofdfunctie is, onder post 84.59.”
Het op die tariefpost toepasselijke recht zou 6 % bedragen.
In hun antwoord op de vraag van het Hof waren Cleton, de inspecteur en de Commissie allen van mening dat in bedoeld geval aantekening 5 van toepassing zou zijn. Cleton en de inspecteur waren het er echter over eens dat koelen de hoofdfunctie van alle Thermo-Kingapparaten is en dat, in het geval van de modellen die ook kunnen verwarmen, het verwarmen een bijkomstige functie is. In dat geval zou aantekening 5 eerder in de richting van tariefpost 84.15 wijzen dan van tariefpost 84.59. De Commissie betwijfelde of de verwarmingsfunctie van de apparaten zonder meer als bijkomstig mag worden beschouwd. Zij verwees met name naar een bewering in een door Cleton overgelegde brochure, dat de thermostaat in een van de Thermo-Kingmodellen „een nauwkeurige regeling mogelijk maakt van — 20 F tot + 80 F” of, in bepaalde versies van de brochure „van — 29 o C tot + 27o C”. Ik geef toe, op dit punt nogal mee te voelen met de Commissie, in het bijzonder omdat ons namens Cleton werd meegedeeld dat de verwarmingsfunctie aan deze apparaten werd toegevoegd onder meer om de temperatuur van bepaalde ladingen op het gewenste niveau te kunnen houden bij transport in een omgevingstemperatuur beneden het vriespunt. Ook hier staat het echter niet aan het Hof zich over dergelijke feitelijke kwesties uit te spreken. Tenminste over dit deel van de zaak is het recht duidelijk. Aangenomen dat de betrokken toestellen niet onder tariefpost 84.12 vallen, zullen zij worden gerangschikt onder tariefpost 84.12 indien afkoeling hun hoofdfunctie is, en onder tariefpost 84.59 als geen van de doeleinden waarvoor zij worden gebezigd, hun hoofdfunctie is.
Zo kom ik dan tot de eerste vraag van de Tariefcommissie, dat wil zeggen, in wezen tot de vraag of tariefpost 84.12 ook een toestel omvat dat is ontworpen om een vooraf gekozen temperatuur te handhaven, maar dat ook „een niet-beoogde en niet-regelbare wijziging van de vochtigheid” kan teweegbrengen.
Mijns inziens moet deze vraag, gelet op de bewoordingen van tariefpost 84.12, ontkennend worden beantwoord. Tariefpost 84.12 behelst enkel apparaten „voor het wijzigen van de temperatuur en van de vochtigheid van de lucht”. Onder die bewoordingen kan geen toestel vallen dat enkel is ontworpen om de temperatuur te veranderen en dat de vochtigheid wijzigt als een onbedoeld neveneffect. Bovendien waren Cleton, de inspecteur en de Commissie het er in hun antwoord op een andere vraag van het Hof over eens, dat dat neveneffect ook optreedt in een gewone koelkast van tariefpost 84.15. De omstandigheid dat het zich voordoet, kan dus niet tot gevolg hebben dat het betrokken toestel onder tariefpost 84.12 valt.
Die uitlegging van tariefpost 84.12 wordt bevestigd in de toelichtingen van de Internationale Douaneraad (IDR), waarin onder meer wordt verklaard:
„Deze post omvat aggregaten (samengevoegde machines en apparaten), welke bestemd zijn om in een besloten ruimte een vooraf bepaalde temperatuur en vochtigheid te bewerkstelligen …
…
Onder deze post vallen alleen de aggregaten:
(1)
…
(2)
welke zijn ingericht om zowel de temperatuur (verwarmingsinrichting, koelinrichting of beide) als de vochtigheid (bevochtigings- of ontvochtigingsapparaat of beide) te wijzigen …
(3)
…
In deze aggregaten kunnen de elementen voor het bevochtigen of voor het ontvochten van de lucht gescheiden zijn van die voor het verwarmen of het koelen daarvan. Bepaalde soorten bevatten echter slechts één enkele inrichting die terzelfdertijd de temperatuur en door condensatie de vochtigheid van de lucht wijzigt. Deze aggregaten voor de regeling van het klimaat koelen en ontvochten (door condensatie van waterdamp op een koud buizenstel) de lucht in de ruimte waarin zij zijn opgesteld …
…
Van deze post worden uitgezonderd:
a)
de toestellen welke, alhoewel zij tezamen zijn ondergebracht in één lichaam en een door een motor aangedreven ventilator bevatten, alleen maar dienen hetzij om de temperatuur hetzij om de vochtigheid van de lucht te wijzigen …
b)
…”
Wat de inspecteur ertoe bracht de Thermo-Kingtoestellen in te delen onder tariefpost 84.12, was kennelijk een indelingsadvies van de tariefcommissie van de Benelux Economische Unie, uitgebracht in 1967, dus vóór de vaststelling van het GDT. Dit indelingsadvies wordt aangehaald in de verwijzingsbeschikking, waar het echter abusievelijk wordt toegeschreven aan het Comité Nomenclatuur van het Gemeenschappelijk Douanetarief. Ik meen daarover enkel te moeten opmerken dat het, in zover het met de — correct geïnterpreteerde — bewoordingen van het GDT onverenigbaar is, buiten beschouwing dient te blijven (vgl. arrest van 8 december 1970, zaak 14/70, Bakels, Jurispr. 1970, blz. 1001).
Er is ook verwezen naar de „Toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief” van de Commissie. Deze toelichtingen zijn luidens het „voorbericht” niet bedoeld om de IDR-toelichtingen te vervangen, maar enkel om ze aan te vullen. De relevante passage luidt als volgt:
„84.12:
Aggregaten voor de regeling van het klimaat in besloten ruimten, bestaande uit een door een motor aangedreven ventilator en een apparatuur voor het wijzigen van de temperatuur en van de vochtigheid van de lucht, welke één geheel vormen.
Tot deze post behoren eveneens aggregaten voor de regeling van het klimaat in besloten ruimten, welke niet zijn voorzien van een inrichting voor het regelen van de vochtigheidsgraad van de lucht, voor zover deze aggregaten voldoen aan de in de toelichting op post 84.12 van de IDR-nomenclatuur gestelde voorwaarden.
Derhalve vallen hieronder bijvoorbeeld ook zogenaamde 'koel- en verwarmingseenheden voor vrachtauto's', die het laadruim koelen of verwarmen en tevens, door condensatie, de vochtigheid van de lucht wijzigen.”
Deze passage is op 1 januari 1978 in de „Toelichtingen” opgenomen, en het Hof heeft de Commissie gevraagd of zij daarom van belang kon zijn voor een invoer die in 1976 heeft plaatsgehad. De Commissie antwoordde, mijns inziens terecht, dat aangezien haar „Toelichtingen” geen rechtsgevolgen hebben, doch louter een hulpmiddel zijn bij de interpretatie, zij als zodanig ongeacht hun datum kunnen worden ingeroepen. Het is natuurlijk anders gelegen met door de Commissie krachtens 's Raads verordening (EEG) nr. 97/69 vastgestelde verordeningen, die binnen zekere grenzen bindend zijn (zie arresten van 24 november 1971, zaak 30/71, Siemers, Jurispr. 1971, blz. 919; 15 december 1971, zaak 77/71, Gervais-Danone, Jurispr. 1971, blz. 1127; 11 november 1975, zaak 37/75, Bagusat, Jurispr. 1975, blz. 1339).
In elk geval ben ik van mening dat die passage van de „Toelichtingen” in geen enkel opzicht afbreuk doet aan de conclusie dat in tariefpost 84.12 geen apparaat is bedoeld dat werd ontworpen om enkel de temperatuur van de lucht te veranderen en dat de vochtigheid slechts wijzigt als een onbedoeld neveneffect: integendeel. Uit de eerste alinea van de passage blijkt duidelijk dat zij slechts betrekking heeft op apparatuur voor de regeling van het klimaat, die de kenmerken vertoont welke in de IDR-toelichtingen bij tariefpost 84.12 zijn omschreven. Verder schijnt in de eerste alinea alleen te worden gezegd dat het onverschillig is of de apparatuur al dan niet is voorzien van een inrichting voor het regelen van de vochtigheidsgraad van de lucht. In de tweede alinea wordt die conclusie bevestigd, want het gebruik van het woord „voor” toont aan dat het relevante criterium het doel of de functie van de apparatuur is, en niet de effecten die het toevallig kan teweegbrengen. Ik zou daaraan willen toevoegen dat ook de Toelichtingen van de Commissie buiten beschouwing moeten blijven indien zij, in tegenstelling tot hun ogenschijnlijke betekenis, strijdig zouden zijn met de welbegrepen bewoordingen van het GDT (zie arresten van 28 november 1973, zaak 149/73, Witt, Jurispr. 1973, blz. 1587, en van 8 mei 1974, zaak 183/73, Osram, Jurispr. 1974, blz. 477 (r.o. 12); vgl. ook arrest van 15 februari 1977, gevoegde zaken 69 en 70/76, Dittmeyer, Jurispr. 1977, blz. 231).
Ondanks de redactie van tariefpost 84.12 zelf en de bewoordingen van de Toelichtingen van de IDR en van haarzelf, betoogt de Commissie dat de inspecteur het bij het rechte eind had toen hij de Thermo-Kingapparaten bij die tariefpost indeelde. Heb ik het juist begrepen, dan heeft hij dit gedaan omdat er, zoals ons werd gezegd en zoals inderdaad blijkt bij nauwkeurige lezing van de IDR-Toelichtingen bij de tariefposten 84.12 en 84.15, een sterke gelijkenis bestaat tussen de onderdelen van koelaggregaten van het betrokken type en de onderdelen van de toestellen voor de regeling van het klimaat, die een koelrooster gebruiken om de lucht uit te drogen. De Commissie verwees naar de zaken waarin het Hof heeft beslist dat de indeling van waren in het GDT in beginsel op grond van hun objectieve kenmerken en eigenschappen geschiedt, zulks in het belang van de rechtszekerheid en voor het gemak van de administratie.
Het Hof heeft dit echter steeds geformuleerd als een algemene regel waarop uitzonderingen mogelijk zijn. Zie de formulering van die regel in de arresten van 23 maart 1972, zaak 36/71, Henck, Jurispr. 1972, blz. 187 (r.o. 4); 22 november 1973, zaak 128/73, Past, Jurispr. 1973, blz. 1277 (r.o. 3); 29 mei 1974, zaak 185/73, König, Jurispr. 1974, blz. 607 (r.o. 18); 10 december 1975, zaak 53/75, Vandertaelen, Jurispr. 1975, blz. 1647 (r.o. 9); 18 februari 1976, gevoegde zaken 98 en 99/75, Carstens Keramik, Jurispr. 1976, blz. 24, (r.o. 7); 16 december 1976, zaak 38/76, Luma, Jurispr. 1976, blz. 2027 (r.o. 7); 8 december 1977, zaak 62/77, Carlsen Verlag, Jurispr. 1977, blz. 2343 (r.o. 3). Van de algemene regel werd door het Hof afgeweken in het arrest van 28 november 1973, zaak 149/73, Witt, Jurispr. 1973, blz. 1587 („kariboevlees”) omdat de bewoordingen van het GDT zulks vereisten.
Mijns inziens vergen ook hier de bewoordingen van het GDT dat een uitzondering wordt gemaakt, want het verlangt duidelijk dat de betrokken apparaten volgens hun doel of functie worden ingedeeld. Ik wens de moeilijkheden waarvoor douaneambtenaren zich gesteld zien, niet te kleineren, maar dit is niet het enige voorbeeld van goederen voor de indeling waarvan zij deskundige hulp nodig kunnen hebben. Bovendien kan, zoals blijkt uit de door Cleton overgelegde brochures, het doel of de functie van een apparaat vaak worden vastgesteld aan de hand van het door de fabrikant of importeur ervan verspreide reclamemateriaal.
Ik concludeer mitsdien dat het Hof in antwoord op de eerste vraag van de Tariefcommissie verklare, dat een apparaat met als enig doel het bewerkstelligen van een vooraf gekozen temperatuur, maar dat ook een niet-beoogde wijziging van de vochtigheid kan teweegbrengen, niet valt onder tariefpost 84.12 van het GDT.
Als dit zo is, behoeft de tweede vraag van de Tariefcommissie niet te worden beantwoord.
De derde vraag — u zult zich dat herinneren — strekt ertoe te vernemen of met het in post 84.12 gebezigde begrip vochtigheid „relatieve vochtigheid” of „absolute vochtigheid” wordt bedoeld.
De betekenis van de termen „relatieve vochtigheid” en „absolute vochtigheid” is onbetwist. „Absolute vochtigheid” beduidt de werkelijke hoeveelheid waterdamp in een bepaald volume lucht. „Relatieve vochtigheid” is de verhouding (percentage) tussen die hoeveelheid en de maximumhoeveelheid waterdamp die bij de gegeven temperatuur en druk in dat volume lucht aanwezig kan zijn.
Cleton stelt dat het in tariefpost 84.12 moet gaan om de relatieve vochtigheid want die is immers van belang voor het menselijk welbevinden. De Commissie is daarentegen van mening dat in de tariefpost de absolute vochtigheid moet zijn bedoeld, omdat een temperatuurverandering steeds de relatieve vochtigheid beïnvloedt, behalve in het ene geval van lucht op het verzadigingspunt die wordt afgekoeld: daar treedt condensatie op en blijft de relatieve vochtigheid 100 %. Het is natuurlijk ook juist, dat bij een bepaalde temperatuur of druk de relatieve vochtigheid van lucht slechts kan worden veranderd door het wijzigen van haar absolute vochtigheid.
Mijns inziens hebben de auteurs van het GDT zich niet beziggehouden met het onderscheid tussen relatieve vochtigheid en absolute vochtigheid. Het kan niet hun bedoeling zijn geweest, toestellen voor het wijzigen van de absolute vochtigheid van de lucht van tariefpost 84.12 uit te sluiten. Ik merk op dat apparaten voor het bevochtigen of drogen van de lucht uitdrukkelijk zijn vermeld in de Toelichtingen van de IDR op de tariefpost. Aan de andere kant kunnen zij relatieve vochtigheid niet als irrelevant hebben beschouwd in verband met de regeling van het klimaat.
Derhalve ben ik van mening dat het Hof op de derde vraag van de Tariefcommissie moet antwoorden dat het begrip „vochtigheid” in tariefpost 84.12 zowel relatieve vochtigheid als absolute vochtigheid omvat.
( 1 ) Vertaald uil het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy