CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 25 OKTOBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak gaat over de indeling van een ambtenaar. Verzoeker is gediplomeerd taalkundige en doctor in de rechten van Duitse nationaliteit, die bij de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op 1 februari 1958 in dienst is getreden bij de Ministerraad, waar hij met de leiding van de Duitse vertaalafdeling werd belast. Eerder al had hij in de voorbereidende werkgroepen meegewerkt aan de taalkundige bewerking van de Verdragen. Toen op 1 januari 1962 het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen in werking trad, werd verzoeker aangesteld als ambtenaar in de rang LA 4, met de titel „hoofd van een groep vertalers”. Bij beschikking van de secretaris-generaal van de Raad van 25 mei 1973 werd hij, tezamen met de andere hoofden van de verschillende groepen, per 1 januari 1973 bevorderd tot afdelingshoofd van de vertaalafdeling en ingedeeld in de rang LA 3.
Voor een goed begrip van de zaak moet men weten dat de talendienst van de Raad uit zes afdelingen bestaat — één voor elk van de zes officiële talen van de Gemeenschappen —, aan het hoofd waarvan telkens een afdelingshoofd staat. De talendienst in zijn geheel wordt geleid door het hoofd van de talendienst, die wordt bijgestaan door een adjunct. Anders dan men wellicht zou aannemen, vormt de talendienst in het organisatieschema van het secretariaat-generaal van de Raad echter geen afzonderlijk directoraat; de dienst is ondergebracht bij directoraat II, Algemene werkzaamheden en vertaling, dat geleid wordt door een directeur en zelf een onderdeel vormt van directoraat-generaal A. Het voormalige hoofd van de talendienst, H. Noack, was in de rang A 3 ingedeeld en werd één jaar voor zijn pensionering ad personam tot de rang A 2 bevorderd.
Nadat H. Noack op 13 januari 1974 de dienst had verlaten, deelde de secretarisgeneraal van de Raad verzoeker in een nota van 30 april 1974 het volgende mee:
„Note à l'attention de M. Loebisch
J'ai l'honneur de vous informer qu'à partir du 1er avril 1974 vous êtes mis à la disposition de la Direction Générale A, Direction II: Opérations — Service linguistique, en qualité de Chef du Service linguistique.”
Op grond van deze nota nam verzoeker aan dat hij, zoals zijn voorganger, spoedig in de rang A 2 zou worden ingedeeld. Toen zijn verwachting niet in vervulling ging, richtte hij op 12 mei 1978 overeenkomstig artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut het verzoek tot het tot aanstelling bevoegde gezag, zijn LA 3-functie te wijzigen in een ambt van de rang A 2, omdat — zo stelde hij — alleen die rang overeenkwam met zijn werkzaamheden als hoofd van de talendienst. In een brief van 17 mei 1978 voegde hij aan zijn verzoek nog toe, dat de nieuwe indeling uiterlijk op 4 mei 1978 zou moeten ingaan, dus op de datum van de inwerkingtreding van verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 912/78 van de Raad van 2 mei 1978 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 119 van 1978, blz. 1). In het overzicht van het verband tussen standaard-functies en loopbanen in bijlage I, deel A, bij het Ambtenarenstatuut was voorheen aan de rangen LA 3 en LA 4 de functieomschrijving „Afdelingshoofd van de vertaalafdeling” of „Afdelingshoofd van de tolkenafdeling” verbonden; nu echter luidt overeenkomstig artikel 13 van voornoemde verordening, de omschrijving van de standaardfunctie voor de rang LA 3 „Afdelingshoofd van een vertaalafdeling of een tolkenafdeling”. Voor de rang LA 4 blijft alleen de standaardfunctie „Hoofd van een groep vertalers of tolken” bestaan. Verzoeker is van oordeel dat de Raad met deze wijziging de bestaande toestand heeft erkend, namelijk dat de talendienst bestaat uit afdelingen die elk worden geleid door een afdelingshoofd van de rang LA 3. Derhalve zou het hoofd van de hogere eenheid „Talendienst” niet in dezelfde rang kunnen worden ingedeeld als de hem ondergeschikte afdelingshoofden.
Omdat een antwoord op dit verzoek uitbleef, diende verzoeker bij brief van 20 september 1978 een klacht in bij het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut. Toen daaraan evenmin gevolg werd gegeven, stelde verzoeker op 25 januari 1979 beroep in bij het Hof van Justitie. Hij verzoekt het Hof vast te stellen dat het ambt van hoofd van de talendienst van de Raad thuis hoort in de rang A 2 en dat verzoeker derhalve met ingang van 1 april 1974, of tenminste van 4 mei 1978, in de rang A 2 moet worden ingedeeld, en verder de verwerende partij te veroordelen verzoeker met ingang van voornoemde datum in de rang A 2 in te delen.
Primair voert verzoeker schending aan van artikel 5 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van bijlage I, deel A, betreffende het verband tussen standaardfuncties en loopbanen in de verschillende categorieën en in de groep voor de talendienst, alsmede schending van algemene rechtsbeginselen zoals het beginsel van de overeenstemming tussen ambten en rangen, het beginsel van de hiërarchische ordening van de functies in de diensten van de Europese Gemeenschappen, en het beginsel van goede organisatie van het bestuur. Omdat de administratie zich niet aan deze beginselen heeft gehouden, zou zij misbruik hebben gemaakt van haar bevoegdheid.
Verzoeker stelt met name dat hij bij nota van 30 april 1974 van de secretaris-generaal met ingang van 1 april van dat jaar is aangesteld tot hoofd van de talendienst. In die hoedanigheid verricht hij zijns inziens werkzaamheden die overeenkomen met het ambt van een directeur van de rang A 2. Hij leidt een administratieve eenheid die uit ongeveer 300 ambtenaren bestaat, onder wie ongeveer 250 met een universitair diploma, en oefent hiërarchisch gezag uit over zeven ambtenaren van de rang LA 3 — de zes hoofden van de vertaalafdelingen en zijn adjunct —, van wie hij de eerste beoordelaar is. Zijn opvatting dat hij derhalve een directeursambt van de rang A 2 bekleedt, vindt verzoeker nog bevestigd in de beschikking van de Raad van 7 oktober 1963 over de werkzaamheden en bevoegdheden van de ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen, waarin wordt bepaald dat een directeur een belangrijke administratieve eenheid leidt onder het rechtstreekse gezag van een directeur-generaal of — bij uitzondering — van de instelling zelf. Tenminste sinds het in werking treden van verordening nr. 912/78 op 4 mei 1978 zou ook de jure vaststaan dat de talendienst een hogere administratieve eenheid is dan de afdeling en daarom ook door een directeur moet worden geleid. Ook in het feit dat de aanstelling plaats had op voorstel van het bevorderingscomité, ziet verzoeker een aanwijzing dat bij het ambt van hoofd van de talendienst een hogere rang hoort dan dat van hoofd van een vertaalafdeling, en dat zijn aanstelling in werkelijkheid als een bevordering moet worden beschouwd. Dat bijlage I, deel A, bij het Ambtenarenstatuut voor de groep voor de talendienst uitsluitend de rangen LA 3 tot LA 8 vermeldt, zou aan een indeling in een hogere rang niet in de weg staan, want uit het verslag van de groep Statuut van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van 9 februari 1977 (Doc. R 269/77 (STAT 9) (FIN 59)) zou duidelijk blijken dat het ambt van directeur van een talendienst even goed aan een ambtenaar van de groep voor de talendienst als aan een ambtenaar van de gewone categorie A kan worden toegewezen. Bij de aanwerving van ambtenaren van de rangen A 1 en A 2, aldus verzoeker, kan het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig artikel 29, lid 2, Ambtenarenstatuut een andere procedure volgen dan het vergelijkend onderzoek. Daar door het vertrek van verzoekers voorganger een vacature in een ambt van de rang A 2 was ontstaan, was het niet nodig een nieuw ambt te creëren of een bestaand ambt in een hogere rang in te delen; er moet enkel worden vastgesteld, aldus verzoeker, dat het door hem beklede ambt thuishoort in de rang A 2.
Doordat het tot aanstelling bevoegde gezag weigert dit te erkennen, laat het verzoeker in dezelfde rang als sommige van zijn ondergeschikten. Bovendien zou zijn loopbaan en zijn aanzien worden geschaad door het feit dat hij ondergeschikt is aan een directeur met de titel „directeur Algemene werkzaamheden en vertaling”, die wordt bijgestaan en bij afwezigheid vervangen door een afdelingshoofd.
Daarentegen wijst de Raad erop, dat het secretariaat-generaal in zijn brief van 30 april 1974 verzoeker niet heeft aangesteld in een vacature van een hogere rang, maar hem eenvoudig heeft belast met de leiding van de talendienst. Daarmee werd uitsluitend beoogd een interne omschrijving te geven van de taken en werkzaamheden van een ambtenaar, die geen verband houdt met diens statutaire indeling. In bijlage I, deel A, bij het Ambtenarenstatuut is aan de rang A 2 uitdrukkelijk de standaardfunctie directeur verbonden; het ambt van hoofd van de talendienst komt in de aldaar vermelde lijst van categorieën niet voor. Bo, vendien zou het tot aanstelling bevoegde gezag niet in een vacature hebben voorzien, aangezien verzoekers voorganger, H. Noack, slechts voor een periode van één jaar vóór het beëindigen van zijn dienst ad personam in de rang A 2 was ingedeeld en over diens ambt reeds met ingang van 16 januari 1974 een ander besluit was genomen. Met zijn verzoek zou verzoeker een bevordering nastreven, terwijl een recht op bevordering niet bestaat. Het tot aanstelling bevoegde gezag zou ook niet verplicht zijn de goedkeuring van de begrotingsautoriteit te vragen voor het creëren van een nieuw ambt; bij de inrichting van de diensten moet het gezag zich in principe uitsluitend laten leiden door het belang van de dienst. Overigens zouden de werkzaamheden van verzoeker niet overeenkomen met de taken en bevoegdheden van een directeur.
Beslissend is daarom mijns inziens de vraag hoe de nota van de secretaris-generaal van 30 april 1974 moet worden gekwalificeerd.
Overeenkomstig artikel 6 Ambtenarenstatuut moeten alle ambten worden bepaald. Volgens artikel 4, eerste alinea, kunnen aanstellingen of bevorderingen uitsluitend voorzien in een vacature van een ambt met een bepaalde rang. Dit betekent dat de aanstelling in een vacature gepaard gaat met indeling in een bepaalde rang. Daaruit volgt verder dat in principe de rang van een ambtenaar bij uitsluiting wordt bepaald door het ambt dat hem is toegewezen, niet door zijn functie in de zin van een omschrijving van zijn werkzaamheden en bevoegdheden.
Verder is overeenkomstig artikel 4 van het Statuut een aanstelling of een bevordering enkel geldig als zij betrekking heeft op een vacature in een in de begroting bepaald ambt.
In de onderhavige zaak komt het derhalve aan op de vraag of — zoals verzoeker beweert — het tot aanstelling bevoegde gezag bij de zogenaamde aanstelling te beschikken had over een vast ambt van de rang A 2. Op deze vraag moet stellig ontkennend worden geantwoord: zoals de Raad ons heeft meegedeeld, is het vaste ambt van hoofd van de talendienst altijd een ambt van de rang A 3 geweest en is de voorganger van verzoeker slechts een jaar voor zijn pensionering als eerbewijs en ad personam in een hogere rang bevorderd. In deze vacature van de rang A 2 heeft het tot aanstelling bevoegde gezag al op 16 januari 1977 op andere wijze voorzien, zodat het op 1 april 1974 nog slechts te beschikken had over een ambt van de rang LA 3, dat overeenkwam met de rang die verzoeker voordien al bezat. Op grond hiervan alleen al moet een daadwerkelijke bevordering worden uitgesloten en het schrijven in kwestie zou dan ook uitsluitend betrekking kunnen hebben op een overplaatsing.
De vorm van dat schrijven evenwel strookt niet met de kwalificatie bevordering, maar evenmin met de kwalificatie overplaatsing. Volgens artikel 7, lid 1, Ambtenarenstatuut stelt het tot aanstelling bevoegde gezag „de ambtenaar … bij wege van aanstelling of overplaatsing, overeenkomstig zijn rang te werk in een tot zijn categorie of groep behorend ambt.”„Bij wege van aanstelling” betekent derhalve dat om de juridische situatie van de ambtenaar duidelijk vast te stellen, het besluit tot aanstelling overeenkomstig artikel 25, lid II zelf melding moet maken van het toe te kennen ambt en van de indeling in de daarbij behorende rang en standaardloopbaan.
Het besluit van de Raad van 25 mei 1973, waarbij verzoeker werd bevorderd tot de rang LA 3, beantwoordt aan deze criteria. Het besluit kent verzoeker met ingang van 1 januari 1973 het ambt toe van hoofd van de vertaalafdeling en deelt hem in in de rang LA 3. Bedoeld schrijven van de directeur-generaal van 30 april 1974 daarentegen draagt slechts het opschrift „Note à l'attention de M. Loebisch” en bevat noch de aanduiding van een vacature noch de daarmee overeenstemmende rang en standaardfunctie; er staat alleen in: „… à partir du 1er avril 1974 vous êtes mis à la disposition … en qualité de Chef du Service linguistique”. Bij vergelijking van beide documenten blijkt duidelijk dat verzoeker door deze nota niet in een ambt van een hogere rang is benoemd. Hij werd evenmin naar een ambt van dezelfde rang overgeplaatst; immers, voor een beslissing tot overplaatsing gelden dezelfde, eerder beschreven formele vereisten. Het lijkt mij daarom onbetwistbaar dat verzoeker bij voornoemde nota uitsluitend andere taken werden toevertrouwd en dat hij daarbij zijn ambt en rang behield; dit komt trouwens in de tekst van de nota duidelijk tot uitdrukking.
In deze tekst wordt voorts generlei toezegging gedaan met betrekking tot een bevordering. Een dergelijke belofte zou pas rechtsgevolgen hebben als de wil van het tot aanstelling bevoegde gezag om een bindende toezegging te doen, ondubbelzinnig was gebleken; in dit geval bestaan geen aanwijzingen in die zin.
Verzoeker was aanvankelijk dezelfde mening toegedaan; dat blijkt uit het verzoek dat hij overeenkomstig artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut heeft ingediend bij het tot aanstelling bevoegde gezag, eri waarin hij vroeg dat het ambt van de rang LA 3, dat hij tot dan toe had bekleed, zou worden omgezet in een ambt van de rang A 2. Ook de bekendmaking in de Mededelingen aan het personeel van 28 mei 1974, inhoudende dat verzoeker per 1 april 1974 werd aangesteld tot hoofd van de talendienst, kan niet tot een andere conclusie leiden; constitutieve werking heeft immers uitsluitend het besluit tot aanstelling, niet een eenvoudige mededeling. Een bewijs dat verzoeker in een ander ambt zou zijn aangesteld, is evenmin te vinden in het feit dat er een opvolgster is benoemd op de post van verzoeker als hoofd van de Duitse vertaalafdeling. De administratie is immers vrij in het gebruik van de haar toegewezen ambten, zodat zij in dit geval de opvolgster in een ander, nog vrij ambt kan tewerkgesteld hebben. Tenslotte mag ook het feit dat de maatregelen genomen is op voorstel van het Bevorderingscomité, niet leiden tot de conclusie dat het om een bevordering gaat. Het comité staat het tot aanstelling bevoegde gezag immers alleen maar bij in een procedure die uiteindelijk berust op de organisatiebevoegdheden van dat gezag. Verder heeft het comité niet geadviseerd over de vraag of verzoeker moest worden bevorderd tot directeur, maar over diens benoeming tot hoofd van de Talendienst.
Derhalve dient alleen nog te worden nagegaan of verzoeker een recht op bevordering kan doen gelden. Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen de ambtenaren in principe aan het Statuut geen subjectief recht op bevordering ontlenen, zelfs als zij aan alle vereisten voor bevordering voldoen (arrest van 25 november 1976, zaak 123/75, Küster, Jurispr. 1976, blz. 1701). In een constante rechtspraak heeft het Hof juist beklemtoond, dat bij bevorderingen uitsluitend het belang van de dienst beslissend is en dat het tot aanstelling bevoegde gezag krachtens zijn bevoegdheid inzake de inrichting van de dienst, naar goeddunken over de aanstellingen beslist, mits het van deze bevoegdheid een correct gebruik maakt (arrest van 16 juni 1974, zaak 61/70, Vistosi, Jurispr. 1971, blz. 542, en beschikking van 15 juli 1976, zaak 61/76, Geist, Jurispr. 1976, blz. 1350). De discretionaire beslissing van het tot aanstelling bevoegde gezag is derhalve enkel aanvechtbaar wanneer dit gezag zijn bevoegdheid heeft overschreden of misbruikt, wanneer dus in dit geval, de taken van hoofd van de Talendienst, waarmee verzoeker bij de brief van 30 april 1974 werd belast, naar aard, belang en omvang ver de werkzaamheden overtreffen die verzoeker overeenkomstig zijn rang A 3 mogen worden toegewezen.
Terecht stelt verzoeker dat de Talendienst met zijn 300 personeelsleden onder wie 250 met een voltooide universitaire opleiding, een belangrijke administratieve eenheid is in de zin van de officiële functieomschrijving van de Raad van 7 oktober 1963. Dat verzoeker belast is met administratieve taken om de werking van de Talendienst soepel te doen verlopen, en dat hij tevens de meerdere is van de zeven afdelingshoofden, geeft mijns inziens evenwel geen uitsluitsel over het niveau van zijn ambtelijke werkzaamheden, temeer omdat een niet onbelangrijk gedeelte van verzoekers werkzaamheden bestaat uit het coördineren van het werk in de Talendienst. Tegen de stelling das verzoeker de Talendienst daadwerkelijk leidt, pleit voorts de vaststelling dat hij — zoals de Raad ons heeft verzekerd — zijn bevoegdheden in principe uitoefent onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van de bevoegde directeur, en dat hij derhalve niet op eigen verantwoordelijkheid optreedt.
In verband hiermee moge ik tenslotte nog de rechtspraak van het Hof in herinnering brengen, die zegt dat het feit dat een ambtenaar bevoegdheden uitoefent die horen bij een ambt van een hogere loopbaan, weliswaar met het oog op een bevordering in aanmerking moet worden genomen, maar op zich niet volstaat om een hogere indeling van het ambt te rechtvaardigen (zie arrest van 16 juni 1971, zaak 77/70, Prelle, Jurispr. 1971, blz. 561; arrest van 19 maart 1975, zaak 189/73, Van Reenen, Jurispr. 1975, blz. 445; arrest van 11 mei 1978, zaak 25/77, De Roubaix, Jurispr. 1978, blz. 1081).
Samenvattend kan dus worden gesteld dat niet is gebleken van elementen die wijzen op overschrijding van de speelruimte waarover het tot aanstelling bevoegde gezag beschikt bij de waardering van een functie.
Ik zie in casu evenmin een schending van het beginsel van de hiërarchische ordening van de ambten. Verzoeker stelt terecht dat in de betrekkingen tussen ambtenaren in een publiekrechtelijke structuur met een statutair bepaalde rangorde, behoefte bestaat aan een strikte, hiërarchische getrapte ordening. Aan de andere kant mag men echter niet het verband tussen rang en verantwoordelijkheid uit het oog verliezen. Zoals gezegd berust de verantwoordelijkheid voor de Talendienst in laatste instantie bij de bevoegde directeur; het lijkt dan ook gerechtvaardigd dat verzoeker wordt ingedeeld in een rang die onder die van directeur ligt. Verder blijkt uit 's Raads omschrijving van de functie van verzoeker dat de verschillende afdelingshoofden van de Talendienst in eerste instantie bevoegd zijn voor de leiding van het personeel en de dagelijkse organisatie van het werk in de afdelingen. Daaruit kan worden afgeleid dat de verantwoordelijkheid van verzoeker, die bevoegd is voor de hele Talendienst, in wezen van die van de afdelingshoofden niet in zo sterke mate verschilt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag het verwijt kan worden gemaakt dat het willekéurig — en dus tegen het belang van de dienst — handelt, door verzoeker in dezelfde rang in te delen als de afdelingshoofden. Daarbij kan nog worden aangevoerd dat geen enkele bepaling van het Statuut verbiedt dat, in het belang van de dienst en onder toezicht van een hogere ambtenaar, een ambtenaar ondergeschikt wordt aan een andere van dezelfde rang ter uitoefening van bepaalde werkzaamheden. Anders dan verzoeker beweert, blijkt het tegendeel niet uit het arrest van het Hof van 15 december 1965 (zaak 15/65, Klear, Jurispr. 1965, blz. 1375). In die zaak ging het niet om leidinggevende bevoegdheden, maar hierom dat een ambtenaar taken waren opgedragen die beneden zijn bevoegdheden en zijn rang lagen. In het kader van die casuspositie heeft het Hof enkel beklemtoond dat in principe, en overeenkomstig de omschrijving van werkzaamheden en bevoegdheden, voor ambtenaren die werkzaamheden van verschillend niveau verrichten, een indeling in rangen geldt; het Hof heeft niet de vraag beantwoord of een ambtenaar hiërarchische bevoegdheden kan hebben ten aanzien van een andere ambtenaar die werkzaamheden van gelijk niveau verricht.
De conclusie dat een ambtenaar die een andere ambtenaar moet beoordelen, noodzakelijk in een hogere rang moet worden ingedeeld, is evenmin gerechtvaardigd. Dat de beoordelende ambtenaar over het algemeen in een hogere rang is ingedeeld dan de ambtenaar wiens bekwaamheid hij te beoordelen heeft, hangt daarmee samen dat de hogere ambtenaar veelal meer kennis en ervaring heeft. Dit sluit evenwel niet uit — en niets in het Statuut staat hieraan in de weg — dat een ambtenaar met een jarenlange ervaring een andere ambtenaar van dezelfde rang kan beoordelen.
Daar er dus geen aanwijzingen voorhanden zijn dat verzoeker door de nota van de secretaris-generaal van 30 april 1970 een hoger ambt heeft gekregen dan hij tot dan toe bekleedde, kunnen de arresten van 19 maart 1964 (gevoegde zaken 20 en 21/63, Maudet, Jurispr. 1964, blz. 229) en van 9 juni 1964 (gevoegde zaken 79 en 82/63, Reynier en Erba, Jurispr. 1964, blz. 539) niet relevant worden geacht. In deze zaken ging het om ambtenaren van de Europese Gemeenschappen die onder de zogenoemde „Verdragen van Brussel” waren aangesteld, en op wie overeenkomstig artikel 102 Ambtenarenstatuut het nieuwe Statuut van toepassing werd; hun moest de rechtspositie worden toegekend die zij vóór het in werking treden van het Statuut stilzwijgend of uitdrukkelijk hadden verkregen.
Dat de Raad met artikel 13 van verordening nr. 912/78 van 2 mei 1978, waarbij de omschrijving van sommige standaardfuncties in de groep voor de Talendienst in bijlage I, deel A, van het Statuut is gewijzigd, geen nieuw ambt van een hogere rang heeft willen invoeren, spreekt vanzelf en behoeft geen verder commentaar. Met de wijziging heeft de Raad erkend dat de talendienst uit verscheidene vertaalafdelingen kan bestaan, maar hij heeft geen uitspraak gedaan over de rang van het hoofd van de talendienst. De vraag of een overgang van rang LA 3 naar A 2 hoe dan ook mogelijk is en, zo ja, onder welke voorwaarden, is dan ook niet aan de orde.
Het tweede middel, dat verzoeker subsidiair aanvoert, kan thans in weinig woorden worden afgedaan.
In de houding van de Raad ziet verzoeker een schending van het beginsel van gelijke behandeling en gelijkwaardigheid van de ambtenaren, dat in artikel 5, lid 3, van het Statuut besloten ligt. Hij wijst erop dat sinds zijn aanstelling tot hoofd van de talendienst zijn werkzaamheden verzesvoudigd zijn en dat hij de functie van een directeur uitoefent, zonder dat dit in zijn loopbaan of in zijn bezoldiging tot uitdrukking komt; in alle andere instellingen van de Europese Gemeenschappen zouden ambtenaren met overeenkomstige werkzaamheden zijn ingedeeld in de rang A 2.
Zoals eerder uiteengezet, is verzoeker echter niet aangesteld in een ambt van de rang A 2. Verder verschillen zijn werkzaamheden, bevoegdheden en verantwoordelijkheid van die van een directeur van de rang A 2.
Als verzoeker wijst op de indeling van de ambtenaren met overeenkomstige werkzaamheden bij de veschillende instellingen van de Gemeenschappen, dan moet hem worden toegegeven dat alle organen van de Gemeenschappen een functionele eenheid vormen en dat in principe moet worden voorkomen dat door het hanteren van afwijkende waarderingscriteria het niveau van een ambt van een zekere rang bij het ene orgaan geheel anders wordt bepaald dan bij het andere. Daar staat tegenover dat de instellingen bij de inrichting van hun diensten over een zeer ruime eigen bevoegdheid beschikken. Van een ongelijke behandeling kan derhalve slechts sprake zijn, indien ambtenaren van verschillende instellingen die gelijkwaardige werkzaamheden verrichten, op verschillende wijze worden behandeld. De Raad heeft ons evenwel meegedeeld dat de talendiensten van de onderscheiden instellingen een afwijkende inrichting kennen en op uiteenlopende wijzen in de structuur van de diensten zijn opgenomen. Als ik mij niet vergis, bestaat het ambt van hoofd van de talendienst nog slechts bij het Hof van Justitie; de drager ervan is ad personam in de rang A 2 ingedeeld. Voor het hoofd van de vertaalafdeling en van de tolkenafdeling bij de Commissie is eveneens een directeursambt van de rang A 2 voorzien. De vertaaldienst van de Commissie daarentegen wordt geleid door een directeur die, zoals bij de Raad, ook verantwoordelijk is voor andere diensten, zoals documentatie, reproduktie en bibliotheek. Deze voorbeelden tonen aan dat de talendiensten van de verschillende instellingen, alleen al vanuit het oogpunt van hun structuur en werkzaamheden en afgezien van de moeilijkheidsgraad van het werk, bezwaarlijk met elkaar kunnen worden vergeleken. Daaruit volgt dat een verschillende indeling van de hoofden van de onderscheiden administratieve eenheden gerechtvaardigd is.
Verzoeker kan derhalve geen recht doen gelden om in de rang A 2 te worden ingedeeld. Ik stel mitsdien voor het verzoek ongegrond te verklaren en verzoeker overeenkomstig artikel 69 en 70 van het Reglement voor de procesvoering in zijn eigen kosten te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uít het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy