CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 4 OKTOBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak bereikt het Hof via een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Franse Cour de Cassation.
De partij die voor dat gerecht als verzoekster optreedt, een vennootschap genaamd Greenwich Film Production, is ondanks haar naam een Franse vennootschap en gevestigd te Parijs. Zoals de naam al aangeeft, houdt zij zich bezig met het produceren van films. Ik zal haar verder „Greenwich” noemen.
Er zijn twee verweersters.
De eerste is de Société des Auteurs, Compositeurs et Editeurs de Musique, of „SACEM”, de Franse pendant van de Belgische SABAM, de Duitse GEMA en de British Performing Right Society.
Zij is eveneens gevestigd te Parijs.
De tweede verweerster is de Société des Editions Labrador, een muziekuitgeverij, eveneens werkzaam in Parijs. Ik zal haar verder „Labrador” noemen. Labrador is nauw verbonden met een bedrijf genaamd „Les Editions Francis Dreyfus”, eveneens een muziekuitgeverij in Parijs, die ik verder „Dreyfus” zal noemen.
Hoewel in algemene bewoordingen gesteld, heeft de vraag van de Cour de Cassation aan het Hof een vrij beperkte strekking. De Cour de Cassation vraagt het Hof om een beslissing „over de toepassing van artikel 86 EEG-Verdrag met betrekking tot de uitvoering in derde landen van overeenkomsten, gesloten op het grondgebied van een Lid-Staat door partijen die aan de rechtsorde van die staat zijn onderworpen.”
Om te begrijpen hoe deze vraag aan de orde is gekomen en ook waarom zowel de SACEM als de Commissie tijdens de pleidooien lieten merken gebrand te zijn op een omzichtige beantwoording van de vraag door het Hof, moet men vrij gedetailleerd ingaan op de feiten van de zaak en op het verloop van het geding dat tot deze verwijzing heeft geleid.
De zaak gaat in wezen over royalty's die zijn verschuldigd wegens auteursrechten op de muziek, geschreven voor twee door Greenwich geproduceerde films, „Adieu l'ami” en „Le passager de la pluie”.
De componist van de muziek voor „Adieu l'ami” is François de Roubaix. De muziek voor „Le passager de la pluie” werd gecomponeerd door Francis Lai. Beide zijn Franse componisten van naam; Lai heeft ook de zeer bekende muziek voor „Un homme et une femme” gecomponeerd, zo werd ons meegedeeld.
Lai trad in 1954 toe tot de SACEM, de Roubaix in 1961. Na hun toetreding droegen beiden rechten over aan de SACEM bij een akte waarvan de voornaamste bepalingen luidden:
„… je fais apport à la SACEM, pour le monde entier, du droit exclusif, qui m'est accordé par les lois françaises et étrangères sur la propriété littéraire et artistique, d'autoriser ou d'interdire, dans le cadre et les limites de son objet social, tel qu'il est défini par l'article 4 des Statuts de la Société, l'exécution ou le représentation publique de toutes mes oeuvres présentés et futures, quelle que soit la nature ou la source d'audition ou de vision publique (notamment interprétation directe, enregistrements, radiodiffusion, télévision, films cinématographiques, etc…).
La SACEM bénéficiera, également, de toutes les prorogations, quelle qu'en soit la nature ou la source, dont le droit en cause pourrait être l'objet.”
De akte van overdracht van Lai was gedateerd 28 september 1958, die van de Roubaix 9 januari 1962. Beide overdrachten vonden dus plaats na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag.
(Zie bijlagen 1 en 2 bij de opmerkingen van Greenwich en bijlagen 6 en 7 bij de opmerkingen van de SACEM).
Het schijnt dat de leden naar de toenmalige statuten en reglementen van de SACEM waren gedwongen tot een zo ruime overdracht van rechten, al bevatten, zo deelde de Commissie ons mee, de statuten ook toen de bepaling, die er nog steeds in voorkomt, dat:
„… les Membres de la Société ont la faculté de conserver le droit d'autoriser ou d'interdire la reproduction de leurs oeuvres dans les films destinés à la projection dans les théâtres cinématographiques et pour lesquels ces oeuvres ont été spécialement écrites.”
Bij overeenkomst van 25 juni 1968 droeg de Roubaix zijn auteursrechten in alle landen op de muziek van „Adieu l'ami” over aan Dreyfus. De oudere rechten van de SACEM, van wie Dreyfus als muziekuitgever blijkbaar ook lid was, zouden echter door de overdracht worden gerespecteerd, zo werd uitdrukkelijk bepaald. De overeenkomst voorzag in de betaling van royalty's door Dreyfus aan de Roubaix, maar niet voor elk soort gebruik van het auteursrecht. De overeenkomst schijnt met name iedere aansprakelijkheid van Dreyfus te hebben uitgesloten voor de betaling van royalty's aan de Roubaix voor het gebruik van zijn muziek als deel van het geluidsspoor van een film, als dit gebruik hem recht gaf op royalty's uit andere bron. Wellicht was dit bedoeld om de aansprakelijkheid van Dreyfus uit te sluiten in gevallen waarin de beloning van de Roubaix via de SACEM zou lopen (een kopie van deze overeenkomst is als bijlage 12 aan de opmerkingen van de SACEM gehecht).
Op 2 juli 1968, dus ongeveer een week later, sloten Greenwich (daar „Le Producteur” genoemd) en Labrador (daar „L'Editeur” genoemd) een overeenkomst. Het was in vele opzichten een merkwaardige overeenkomst. De SACEM werd er onder andere nergens in genoemd. De belangrijkste bepalingen schijnen de volgende te zijn:
„3.
Le Producteur bénéficiera à titre exclusif du droit de reproduction et du droit de représentation de l'oeuvre musicale composée par Monsieur François de Roubaix pour le film, Adieu l'ami', en vue de son exploitation cinématographique, télévisuelle ou par tous procédés audiovisuels connus ou inconnus à ce jour, et ce pour le monde entier et pour le temps que durera la protection légale y rattachée tant en vertu des législations en vigueur en France et à l'Etranger (sic).
4.
L'Editeur se chargera de l'Edition de l'oeuvre musicale par tout autre procédé que ceux précédemment énumérés dans l'article 3). S'il a recours, pour les éditions, à des tierces personnes, il devra tenir informé le Producteur sur les conditions auxquelles il traitera.
5.
L'Editeur garantit que les droits d'auteur de Monsieur François de Roubaix sont libres de toute autre cession. Il garantit également au Producteur l'exercice paisible du droit cédé et s'engage à faire respecter ce droit et à le défendre dans toutes atteintes qui lui seraient portées.”
(Kopieën van deze overeenkomst zijn als bijlage 3 aan de opmerkingen van Greenwich en als bijlage 4 aan de opmerkingen van de SACEM gehecht.)
Op respectievelijk 4 november 1969 en 5 februari 1970 werden soortgelijke overeenkomsten over de muziek voor „Le Passager de la pluie” gesloten tussen Lai en Dreyfus, respectievelijk Greenwich en Labrador. (Zie bijlage 4 bij de opmerkingen van Greenwich en bijlagen 5 en 13 bij de opmerkingen van de SACEM).
De SACEM kent twee methoden van inning van royalty's voor de auteursrechten op filmmuziek. In een groot aantal landen, die „statutaire landen” („pays statutaires”) worden genoemd, int zij ze direct bij degenen die de film vertonen. Alle Lid-Staten van de Gemeenschap zijn „statutaire landen”. Met betrekking tot de andere landen, die „niet-statutaire landen” („pays non statutaires”) worden genoemd, berekent de SACEM aan de producent van elke film 3 % van de bedragen die hij heeft ontvangen voor de verkoop of verhuur van de film voor vertoning aldaar. Sommige Franse producenten — waartoe Greenwich echter niet behoort — zijn partij bij een overeenkomst tussen hun beroepsvereniging, de „Chambre Syndicale des Producteurs et Exportateurs de Films Français”, en de SACEM, waarbij die afdracht is teruggebracht tot 2,5 %. (Bijlage 1 bij de opmerkingen van de SACEM bevat een kopie van die overeenkomst.)
Na vergeefse pogingen om betaling van Greenwich te krijgen in verband met de verkoop van „Adieu l'ami” en „Le passager de la pluie” voor vertoning in een aantal „niet-statutaire landen”, maakte de SACEM op 25 oktober 1971 een vordering tegen Greenwich aanhangig bij het Tribunal de Grande Instance te Parijs tot betaling van 3 % van de verkoopopbrengst van deze films. Greenwich riep Labrador in deze procedure in vrijwaring op. Op 26 april 1974 wees het Tribunal vonnis in het voordeel van de SACEM en wees de vordering in vrijwaring van Greenwich tegen Labrador gedeeltelijk toe (bijlage 2 bij de opmerkingen van de SACEM).
Voor het Tribunal werd geen beroep gedaan op gemeenschapsrecht.
Greenwich ging van dit vonnis in beroep bij de Cour d'Appel te Parijs.
In 1970 had de Commissie krachtens artikel 86 EEG-Verdrag en artikel 3 van verordening nr. 17, procedures ingeleid tegen de GEMA, de SABAM en de SACEM. In het geval van de GEMA mondde de procedure uit in een beschikking van de Commissie van 2 juni 1971, gewijzigd bij een tweede beschikking van 6 juli 1972, waarbij GEMA werd verplicht haar statuten in een aantal opzichten te wijzigen (PB 1971, L 134, blz. 15, en PB 1972, L 166, blz. 22). De SABAM en de SACEM wijzigden hun statuten vrijwillig om aan de eisen van de Commissie te voldoen. De SACEM schijnt dit in etappes te hebben gedaan; de laatste wijzigingen werden op 11 juni 1974 aangebracht.
Het voornaamste oogmerk van de wijzigingen waartoe de Commissie de SACEM verplichtte, was
a)
discriminerende bepalingen jegens onderdanen van andere Lid-Staten uit de statuten te doen verdwijnen;
b)
een lid in staat te stellen slechts een deel van zijn rechten aan de SACEM over te dragen: de Commissie meende dat een auteur of componist vrij moest zijn het beheer van verschillende categorieën van zijn rechten in verschillende landen aan verschillende auteursrechtenverenigingen toe te vertrouwen;
c)
de periode waarvoor een lid aan de SACEM gebonden was te verkorten.
De juistheid van de benadering van de Commissie is in grote lijnen bevestigd door het arrest van het Hof in zaak 127/73 (BRT II, Jurispr. 1974, blz. 313).
Kennelijk aangemoedigd door de beschikking van de Commissie in de zaak-GEMA en het arrest-BRT, bracht Greenwich voor de Cour d'Appel een nieuwe stelling naar voren. Deze kwam erop neer, dat de door Lai en de Roubaix ten gunste van de SACEM verrichte overdrachten waarop SACEM's vordering berustte, krachtens artikel 86 nietig waren. Greenwich stelde dat de SACEM toen deze overdrachten plaatsvonden, een onderneming was met een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, namelijk in Frankrijk; dat de SACEM misbruik van deze machtspositie had gemaakt door van haar leden de overdracht van al hun rechten voor de hele wereld te verlangen voor een lange periode; en dat een dergelijk misbruik de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloedde, daar het de leden van de SACEM daardoor moeilijker werd gemaakt, gebruik te maken van de diensten van auteursrechtenverenigingen in andere Lid-Staten.
Greenwich stelde verder dat het optreden van de SACEM om dezelfde redenen in strijd moest worden geacht met de Franse mededingingswetgeving, met name met artikel 59 bis van verordening nr. 45-1483 van 30 juni 1945 (welk artikel bij decreet nr. 53-704 van 9 augustus 1953 is ingevoegd) met latere wijzigingen. (Zie bijlage 5 bij de opmerkingen van Greenwich).
Op 7 mei 1976 wees de Cour d'Appel arrest en bekrachtigde het vonnis van het Tribunal. Over de stelling van Greenwich betreffende artikel 86 zei de Cour d'Appel allereerst dat zij deze stelling, zo zij die op haar merites zou moeten beoordelen, zou verwerpen op dezelfde gronden als zij de stelling van Greenwich met betrekking tot artikel 59 bis van de verordening van 30 juni 1945 verwierp. Deze gronden waren dat de stellingen van Greenwich slechts neerkwamen op een algemene bewering dat de SACEM, door de overdracht van alle categorieën rechten voor de hele wereld en voor een lange periode te verlangen, misbruik had gemaakt van haar machtspositie, terwijl uit niets bleek en het ook niet aannemelijk was dat het optreden van de SACEM de belemmering van het normale marktmechanisme ten doel had (of had gehad) of ten gevolge zou kunnen hebben (of hebben gehad) en dat het daarom naar haar aard een misbruik kon zijn of kon zijn geweest. Vervolgens verklaarde de Cour d'Appel de aan artikel 86 ontleende grief niet ontvankelijk, omdat het een geding betrof tussen Franse vennootschappen over de geldelijke gevolgen van overeenkomsten die buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap ten uitvoer moesten worden gelegd; dat bewezen noch gesteld was dat deze contractuele situatie de handel tussen Lid-Staten ongunstig zou kunnen beïnvloeden; en dat in een geding waarin de Gemeenschap geen enkele rol speelde, de nietigheid van de onderhavige overdrachten krachtens gemeenschapsrecht irrelevant was. (Een afschrift van dit arrest is als bijlage 3 aan de opmerkingen van de SACEM gehecht.)
Tegen dit arrest nu loopt het beroep in cassatie van Greenwich bij de Cour de Cassation.
Zoals u zich zult herinneren, beperkt de vraag van de Cour de Cassation aan dit Hof zich tot „de toepassing van artikel 86 EEG-Verdrag met betrekking tot de uitvoering in derde landen van overeenkomsten, gesloten op het grondgebied van een Lid-Staat door partijen die aan de rechtsorde van die staat zijn onderworpen.” Dat de vraag een zo beperkte strekking heeft, is mogelijk het gevolg van de enge redenering waarop de Cour d'Appel haar arrest heeft doen steunen, en van de beperkte eigen bevoegdheden van de Cour de Cassation. Hoe dit ook zij, de beperkte strekking van de vraag heeft, zoals ik aan het begin al opmerkte, zowel bij de Commissie als bij de SACEM bezorgdheid gewekt.
De SACEM heeft zich tot het uiterste ingespannen om ons duidelijk te maken dat geen enkele Franse rechter had vastgesteld dat aan een van de voorwaarden voor toepassing van artikel 86 was voldaan. Niet was vastgesteld dat de SACEM in de zin van dat artikel een „onderneming” was; niet dat zij op enig relevant tijdstip op enig deel van de gemeenschappelijke markt een machtspositie had gehad; niet dat zij misbruik van een dergelijke positie had gemaakt; en uiteraard niet dat een dergelijk misbruik de handel tussen Lid-Staten ongunstig had kunnen beïnvloeden. De SACEM verklaarde bang te zijn dat een beslissing van het Hof, die er in wezen op zou neerkomen dat de Cour d'Appel de verwijzing in artikel 86 naar de handel tussen Lid-Staten verkeerd had uitgelegd, door de Franse gerechten waarnaar deze zaak terug zou gaan, zou worden opgevat als een impliciete beslissing dat aan alle overige voorwaarden voor toepassing van artikel 86 was voldaan. Mijns inziens zou een duidelijke verklaring in uw arrest dat dit een dergelijke implicatie niet bevat, voldoende zijn om de grond voor deze angst weg te nemen.
De Commissie heeft harerzijds het Hof voorgesteld de enge formulering van de vraag van de Cour de Cassation als het ware te verhelpen door een beslissing te geven op punten die in die vraag niet aan de orde zijn gesteld.
De Commissie wees erop (wat de SACEM trouwens ook had gedaan) dat men niet kan vaststellen of een bepaald misbruik van machtspositie de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden voordat men eerst heeft vastgesteld waarin dat misbruik bestaat. Het Hof zou daarom, aldus de Commissie, de Franse rechter waarnaar deze zaak terug gaat als de Cour de Cassation het arrest van de Cour d'Appel te Parijs vernietigt, aanwijzingen moeten geven voor de beantwoording van deze voorvraag. De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat, haars inziens, de SACEM in casu geen relevant misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie, nu haar statuten een bepaling bevatten die een lid in staat stellen zijn rechten te behouden ten aanzien van het ten gehore brengen van zijn werken door middel van vertoning in bioscopen van films waarvoor deze werken speciaal zijn geschreven. Het bestaan van deze bepaling betekent volgens de Commissie dat Lai en de Roubaix dat deel van hun rechten dat in casu van belang is, niet aan de SACEM hebben overgedragen omdat dit een dwingende voorwaarde voor toetreding tot de SACEM was, maar uit vrije keuze.
Ik ben echter van mening dat 's Hofs beslissing zich dient te beperken tot de door de Cour de Cassation voorgelegde vraag. Uiteraard ben ik het met de Commissie eens dat het Hof zich nooit strikt gebonden heeft geacht aan de letterlijke formulering van door de nationale rechterlijke instanties gestelde vragen. Maar waar het Hof van deze formulering is afgeweken, was dat, dacht ik, altijd omdat het vond dat de fomulering slecht gekozen was, omdat bijvoorbeeld een feitelijke vraag of een vraag van nationaal recht aan de orde werd gesteld of omdat een vraag werd gesteld over de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die, gezien de door de nationale rechter vastgestelde feiten, duidelijk niet van toepassing was, of omgekeerd omdat werd nagelaten te wijzen op een gemeenschapsrechtelijke bepaling die gezien deze feiten klaarblijkelijk wel van toepassing was. Het Hof kan zich echter niet geheel buiten de grenzen van de vraag of vragen begeven die de nationale rechter hem heeft voorgelegd. Artikel 177 geeft het Hof niet de bevoegdheid om beslissingen te geven over vragen die niet zijn voorgelegd. Als de Cour de Cassation de beslissing van de Cour d'Appel vernietigt en de zaak ter afdoening naar een andere Franse rechter verwijst — een mogelijkheid waar de Commissie rekening mee houdt — dan is het aan die rechter zelf, vragen van gemeenschapsrecht die hij relevant acht, aan het Hof voor te leggen. Dat de Cour de Cassation de strekking van de prejudiciële vraag beperkt heeft gehouden, kan op goede gronden berusten, verband houdend met het Franse stelsel van beroep.
Zowel de Commissie als de Italiaanse regering hebben een punt naar voren gebracht waarvan zij beiden kennelijk meenden dat het buiten de vraag van de Cour de Cassation viel, maar dat zij beiden, en mijns inziens terecht, van belang achtten. Dit kwam erop neer dat zelfs indien de SACEM inbreuk had gemaakt op artikel 86 EEG-Verdrag, de door Lai en de Roubaix ten gunste van de SACEM verrichte overdracht nog niet noodzakelijk geheel of gedeeltelijk nietig was. De Commissie en de Italiaanse regering wezen beide erop, dat artikel 86 geen bepaling bevat zoals artikel 85, lid 2. Ik zou hieraan willen toevoegen dat zelfs krachtens artikel 85 niet elke transactie of rechtsverhouding die verband houdt met een door dat artikel verboden overeenkomst, besluit of onderling afgestemde feitelijke gedraging, noodzakelijkerwijze nietig is. Bij een prijskartel zijn bijvoorbeeld de verkopen door deelnemers aan dat kartel aan afnemers niet nietig, zelfs indien ze plaatsvinden tegen prijzen die onwettig zijn vastgesteld. Evenmin brengt het feit dat enkele van de bepalingen van een licentieovereenkomst onverenigbaar zijn met artikel 85, noodzakelijkerwijze de ongeldigheid van de overeenkomst mee — zie Chemidus Wavin Ltd. v. Société pour la Transformation et l'Exploitation des Résines Industrielles (Fleet Street Reports 1977, blz. 181), een zaak waarin de Court of Appeal of England and Wales de beslissing van dit Hof in zaak 56/65 (Société Technique Minière, Jurispr. 1966, blz. 391) heeft toegepast. Evenzo zou het, in een geval van misbruik van machtspositie, ondenkbaar zijn dat men zonder onderscheid zou beslissen dat artikel 86 overeenkomsten nietig maakt ten detrimente van de slachtoffers van dat misbruik of van derden. De Commissie heeft mijns inziens gelijk waar zij opmerkt dat voor het onderhavige geval de oplossing is gegeven in de beslissing van het Hof in de zaak-BRT dat:
„het ter beoordeling van de nationale rechter staat of en in hoeverre het eventueel geconstateerde misbruik zijn weerslag vindt op de belangen van de auteurs of van derden-betrokkenen, teneinde daaruit de consequenties te trekken ten aanzien van de geldigheid en de werking van de litigieuze overeenkomsten of van bepaalde clausules daarvan.”
Nu de vraag van de Cour de Cassation betrekking heeft op de uitvoering van overeenkomsten, geloof ik niet dat het Hof zich buiten die vraag begeeft wanneer het in deze zaak een soortgelijke aanwijzing geeft.
Wat het voornaamste aspect van de vraag van de Cour de Cassation betreft, is mijns inziens duidelijk dat dit verband houdt met de motivering die de Cour d'Appel voor haar beslissing heeft gegeven. In wezen schijnt de onderliggende gedachte bij de redenering van de Cour d'Appel te zijn geweest dat, omdat het onderhavige geding speelde tussen partijen die alle Frans waren en enkel de financiële gevolgen betrof van de verkoop van films in derde landen, er geen andere Lid-Staat bij betrokken was en het gemeenschapsrecht dus irrelevant was; het is echter niet onaannemelijk dat de Cour d'Appel tot een andere conclusie zou zijn gekomen als haar duidelijk was gemaakt dat de uit de onderhavige overeenkomsten voortvloeiende situatie de handel tussen Lid-Staten ongunstig zou kunnen beïnvloeden.
Ik heb, met alle respect, de indruk dat de Cour d'Appel niet heeft begrepen waar het in deze zaak werkelijk om ging.
Artikel 86 is steeds van toepassing wanneer een onderneming misbruik heeft gemaakt van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen de Lid-Staten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed.
Het hier verweten misbruik zou hierin hebben bestaan dat de SACEM gebruik had gemaakt van haar (beweerde) machtspositie in Frankrijk om haar leden te verplichten, al hun auteursrechten voor de hele wereld voor een lange periode aan de SACEM over te dragen. Een dergelijk misbruik zou de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden, zo wordt gesteld, doordat het de auteurs en componisten die tot de SACEM zijn toegetreden, belemmert in hun vrijheid om uit de diensten van auteursrechtenverenigingen in andere Lid-Staten na vergelijking de beste te kiezen voor bepaalde categorieën van hun rechten of voor de uitoefening van hun rechten in bepaalde landen. Zoals niet alleen Greenwich, maar ook de Commissie met nadruk naar voren heeft gebracht, is het volkomen duidelijk dat een dergelijk misbruik, als het zou plaatsvinden, de handel tussen Lid-Staten ongunstig zou kunnen beïnvloeden. In dat geval zou het irrelevant zijn dat de partijen in een bepaald geding over de rechten van een lid van de SACEM alle Frans waren en het onderwerp van het geschil de financiële beloning was in verband met de uitoefening van die rechten in derde landen. De uitoefening van zijn auteursrechten in derde landen is evenzeer iets dat de auteur of de componist, als hij de vrijheid heeft, mogelijk aan een auteursrechtenvereniging in een andere Lid-Staat zou willen toevertrouwen als de uitoefening van zijn rechten in die Lid-Staat zelf of in een andere Lid-Staat. De Commissie gaf als voorbeeld dat een Frans auteur of componist van mening zou kunnen zijn dat de British Performing Right Society in een betere positie verkeerde om zijn auteursrechten in Engelssprekende landen te beheren dan de SACEM.
Samenvattend concludeer ik dat het Hof de vraag van de Cour de Cassation beantwoorde als volgt:
1.
Wanneer een onderneming misbruik maakt van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan, kan artikel 86 EEG-Verdrag van toepassing zijn in verband met de uitvoering in derde landen van overeenkomsten, gesloten op het grondgebied van een Lid-Staat door partijen die aan de rechtsorde van die staat zijn onderworpen, indien dit misbruik zodanig is, dat het de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden.
2.
Wanneer deze vraag wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een Lid-Staat, staat het aan die instantie om vast te stellen of en in hoeverre de onwettigheid van het misbruik de nietigheid van de daarmee verbonden overeenkomsten meebrengt of de gevolgen daarvan wijzigt.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy