CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 13 SEPTEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President
mijne heren Rechters,
Ingevolge artikel 9, lid 1, van verordening nr. 123/67 van de Raad van 13 juni 1967, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB 1967, blz. 2301) kon het verschil tussen de wereldmarktprijzen van de onder de marktordening vallende produkten en de prijzen van de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer in de mate nodig om uitvoer van de produkten op basis van hun wereldmarktprijzen mogelijk te maken. Deze restitutie kon ingevolge lid 2 van deze bepaling „variëren naar gelang van de bestemming”.
In verband hiermee bepaalt artikel 6, lid 1, van verordening nr. 176/67 van de Raad van 27 juni 1967, houdende algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer en criteria voor het bepalen van het restitutiebedrag in de sector slachtpluimvee (PB 1967, blz. 2612), dat de restitutie wordt uitbetaald wanneer onder meer het bewijs wordt geleverd „dat de produkten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd”. Lid 2 bepaalt dat bij toepassing van artikel 4 van deze verordening — op grond waarvan de restitutie naar gelang van de bestemming kan verschillen „wanneer de situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten dit noodzakelijk maken” — de restitutie onder de in lid 1 gestelde voorwaarden wordt uitbetaald, mits het bewijs wordt geleverd „dat het produkt de bestemming heeft bereikt waarvoor de restitutie werd vastgesteld”.
Genoemde bepalingen worden ten slotte aangevuld bij verordening nr. 1041/67 van de Commissie van 21 december 1967, houdende uitvoeringsbepalingen inzake de verlening van restituties bij de uitvoer van produkten waarvoor een stelsel van gemeenschappelijke prijzen geldt (PB 314 van 1967, blz. 9). In artikel 3 wordt de uitbetaling van de restitutie onder meer afhankelijk gesteld van het bewijs dat het produkt „in ongewijzigde staat het geografische grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten”. Ingevolge artikel 4 kunnen de Lid-Staten „met inachtneming van de verhouding tussen het restitutiebedrag en het bedrag van de heffing, met de kenmerken van de uitgevoerde goederen of van de uit-voermarkten, als voorwaarde voor de betaling van de restitutie, naast het bewijs dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, eisen dat wordt bewezen dat het betrokken produkt in een derde land werd ingevoerd en eventueel dat wordt bewezen onder welke voorwaarden het werd ingevoerd”. Het bewijs van invoer in een derde land moet de aanvrager overeenkomstig artikel 8, zoals gewijzigd bij verordening nr. 499/69 (PB L 69 van 1969, blz. 1) leveren door overlegging van bepaalde documenten waarin wordt bevestigd dat de goederen in dat land zijn aangekomen of de betrokken bestemming hebben bereikt. Bovendien kunnen „de nationale bevoegde instanties … andere documenten als gelijkwaardig erkennen en aanvullende bewijsstukken eisen”.
Ten slotte kan nog worden genoemd verordening nr. 648/73 van de Commis sie van 1 maart 1973, houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen (PB L 64 van 1973, blz. 1) die in artikel 7 bepaalt dat in het handelsverkeer met derde landen „de bepalingen inzake de verlening van uitvoerrestituties en de inning van douanerechten of heffingen voor de monetaire compenserende bedragen (gelden)”.
Deze bepalingen zijn van belang voor een door de firma Geflügelschlachterei Freystadt GmbH & Co. KG tegen het Hauptzollamt Hamburg-Jonas bij het Bundesfinanzhof aanhangig gemaakte procedure ter zake van de terugvordering van uitvoerrestituties en monetaire compenserende bedragen.
Verzoekster heeft in de zomer van 1973 ca 1000 ton bevroren braadhaantjes verkocht aan een Oostenrijks bedrijf dat in opdracht van een in Liechtenstein gevestigde firma handelde en de haantjes doorverkocht aan een bedrijf in Oost-Berlijn. De onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee vallende braadhaantjes (tariefpost 02.02 A I b) die van oorsprong uit de Gemeenschap waren en in de Bondsrepubliek Duitsland in het vrije verkeer waren, werden vervolgens bij het Duitse douanekantoor aan de Oostenrijkse grens uitgeklaard en onmiddellijk daarop met begeleidende documenten, zonder in het vrije verkeer te worden gebracht, via Oostenrijk en de CSSR doorgevoerd en zonder omlading direct aan afnemers in de Duitse Democratische Republiek geleverd. Volgens de op het moment van uitvoer geldende verordeningen van de Commissie was het restitutiebedrag voor alle landen van bestemming gelijk.
Op aanvraag van verzoekster stelde het Hauptzollamt Hamburg-Jonas het totaaibedrag van de restitutie vast op DM 33127,72 en de monetaire compenserende bedragen op DM 10259,11 en betaalde deze bedragen uit.
Bij beschikking van 24 juli 1975 vorderde het Hauptzollamt de uitvoerrestitutie en de monetaire compenserende bedragen terug op grond dat de goederen in de DDR terecht waren gekomen. De DDR is echter, aldus het Hauptzollamt, geen derde land in de zin van de verordeningen inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zodat geen uitvoerfaciliteiten hadden mogen worden toegekend. Na hiertegen zonder succes een bezwaarschrift te hebben ingediend, stelde verzoekster beroep in bij het Finanzgericht Hamburg dat het beroep bij vonnis van 8 maart 1977 verwierp met de volgende motivering: Op grond van de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen is de restitutie afhankelijk van de voorwaarde dat de goederen in een derde land in het vrije verkeer worden gebracht. Dit is echter noch in Oostenrijk noch in de CSSR gebeurd. Uit het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmede samenhangende vraagstukken, dat als bijlage aan het EEG-Verdrag is gehecht, alsmede uit de nationale grondwettelijke bepalingen zoals die door het Bundesver-fassungsgericht voor de rechterlijke instanties van de Bondsrepubliek Duitsland bindend zijn uitgelegd (vgl. arrest van 31 juli 1973 over het Grundlagenvertrag (Basisverdrag) tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek, Sammlung der Entscheidungen des Bundesverfassungsgerichts, Band 36, blz. 1 e.v.), volgt dat voor het brengen van produkten uit het vrije verkeer van de Bondsrepubliek Duitsland naar het grondgebied van de DDR, geen uitvoerrestituties en monetaire compensatie worden toegekend wanneer het produkt niet vóór het bereiken van het grondgebied van de DDR in een derde land in het vrije verkeer is gebracht. De toepasselijke bepaling van genoemd protocol luidt:
„Aangezien het handelsverkeer tussen de Duitse gebieden waar de Grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland geldt, en de Duitse gebieden waar die Grondwet niet wordt toegepast, deel uitmaakt van de binnenlandse handel van Duitsland, vereist de toepassing van het Verdrag in Duitsland geen enkele wijziging van de thans voor de binnenlandse handel bestaande regeling”.
In het tegen dit vonnis gerichte cassatieberoep bij het Bundesfinanzhof betoogde verzoekster dat uit de artikelen 4 en 6 van verordening nr. 176/67 van de Raad en uit de artikelen 3, 4 en 8 van verordening nr. 1041/67 van de Commissie volgt dat in gevallen als de onderhavige, waarin voor alle derde landen uniforme restituties en monetaire compenserende bedragen zijn vastgesteld, het bewijs van invoer in een bepaald derde land niet kan worden verlangd. De restituties en monetaire compenserende bedragen moeten daarentegen worden uitbetaald op het enkele bewijs dat de produkten het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten. Maar zelfs wanneer het bewijs van invoer in een derde land wel zou moeten worden geleverd, betekent dat geenszins dat goederen in het gebied van bestemming in het vrije verkeer moeten zijn gebracht. Het doorvoeren van de goederen naar de DDR zonder ze vooraf in Oostenrijk en de CSSR in het vrije verkeer te brengen, brengt haar aanspraak op betaling van de uitvoerrestituties en de monetaire compenserende bedragen niet in gevaar, daar het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland dergelijke leveringen die via derde landen en met tussenschakeling van daar gevestigde contractpartners worden afgewikkeld, niet omvat.
Verweerder, het Hauptzollamt, bleef zijnerzijds op het standpunt staan dat aan de voorwaarden voor toekenning van een restitutie niet was voldaan. Het Bondsministerie van Financiën, dat zich in de procedure heeft gevoegd, was eveneens van oordeel dat de Lid-Staten, gezien het feit dat invoer in een derde land een materiële voorwaarde is voor het recht op uitvoerrestituties, krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1041/67 naast het bewijs dat een produkt het grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, kunnen eisen dat wordt bewezen dat het produkt in een derde land in het vrije verkeer is gebracht. De onderhavige partijen goederen zijn echter na het verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap niet in een derde land ingevoerd, daar de DDR ingevolge het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland op dit punt niet als zodanig mag worden behandeld.
Bij beschikking van 9 januari 1979 heeft de VIIe Senaat van het Bundesfinanzhof de procedure geschorst en krachtens artikel 177 het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1.
Veronderstelt het begrip „uitvoer” in de zin van verordeningen (EEG) nrs. 123/67 (met name artikel 9), 176/67 (met name de artikelen 4 en 6) en 1041/67 (met name de artikelen 3, lid 1, 4, lid 1 en 8) dat de goederen op hun plaats van bestemming in het vrije verkeer waren of zouden worden gebracht, ook indien voor die goederen geen naar gelang van de bestemming gedifferentieerde restitutiebedragen zijn vastgesteld?
2.
Zo ja:
Moeten de artikelen 9 van verordening (EEG) nr. 123/67, 6 van verordening (EEG) nr. 176/67 en 4 en 8 van verordening (EEG) nr. 1041/67 in samenhang met het „Protocol be treffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmede samenhangende vraagstukken”, aldus worden verstaan dat restituties wegens uitvoer naar derde landen worden toegekend voor produkten als bedoeld in artikel 1 van verordening nr. 123/67, die na verkoop aan een niet in de Gemeenschap gevestigde wederpartij vanuit het vrije verkeer van de Gemeenschap op 28 en 30 augustus 1973 het geografische grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten en zonder overlading en onder douanecontrole via het grondgebied van derde landen in de Duitse Democratische Republiek zijn geleverd en in het vrije verkeer zijn gebracht?
I —
Voor ik op de vragen afzonderlijk inga zou ik enkele opmerkingen willen maken over de vraagstelling als zodanig. Ik zie mij hiertoe genoodzaakt omdat de strekking en de inhoud van beide vragen, maar vooral van de eerste, door de bij deze procedure betrokken partijen verschillend worden opgevat.
Zo wijst verzoekster op de omstandigheid dat er geen directe contractuele banden tussen bedrijven in de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek hebben bestaan en stelt zij zich op het standpunt dat de eerste vraag van het Bundesfinanzhof alleen betrekking heeft op het begrip uitvoer, zoals gehanteerd in de onderhavige verordeningen. Dit is, aldus verzoekster, een algemeen probleem van gemeenschapsrecht dat voor alle exporten uit alle Lid-Staten geldt en geheel los staat van de positie van de Duitse Democratische Republiek. Het Bundesfinanzhof wil eigenlijk weten of onder het begrip uitvoer naast het verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap ook het proces van invoer in het land van bestemming valt. Wordt deze vraag ontkennend beantwoord, dan is de tweede vraag helemaal niet meer van belang.
De Commissie wijst er daarentegen op dat de zeer algemeen geformuleerde eerste vraag, die over een principieel vraagstuk van het gehele restitutierecht gaat, veel meer omvat dan voor de beslissing van het onderhavige geding noodzakelijk is. Gezien het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland, moet men de situatie bij uitvoer van landbouwprodukten uit de Bondsrepubliek Duitsland naar de Duitse Democratische Republiek rechtens namelijk zo zien alsof er slechts restituties zijn vastgesteld voor derde landen met uitzondering van de Duitse Democratische Republiek. Voor het hoofdgeding is daarom uitsluitend het antwoord op de tweede vraag beslissend, dat onafhankelijk van het antwoord op de eerste kan worden gegeven.
De Bondsregering is ten slotte van mening dat de eerste vraag, los van de binnenlandse handel van Duitsland, slaat op het probleem of en zo ja onder welke voorwaarden er sprake is van een recht op restitutie als zodanig, dat aanknoopt bij een feitelijke uitvoer in de zin van de communautaire regeling. Pas bij de tweede vraag hoeft op het speciale probleem van de binnenlandse handel van Duitsland in verband met de zogenaamde „Streckengeschäften” (transacties met tussenpersonen) te worden ingegaan.
Met verzoekster en de Bondsregering meen ik dat het Hof zich met de eerste vraag moet inlaten. Het Bundesfinanzhof vraagt hierin niet alleen, zoals verzoekster meent, om een uitlegging van het begrip uitvoer, maar veeleer, zoals de Bondsregering terecht opmerkt, naar de voorwaarden voor het recht op uitvoerrestitutie. Dit volgt reeds uit de vraag of „uitvoer” in de zin van de betrokken verordeningen ook bij niet gedifferentieerde restituties veronderstelt „dat de goederen op hun plaats van bestemming in het vrije verkeer waren of zouden worden gebracht”. Verder benadrukt het Bundesfinanzhof in zijn beschikking met zoveel woorden dat de beslissing over de rechtmatigheid van de terugvorderingsbeschikking in de eerste plaats afhangt van de uitlegging van het gemeenschapsrecht met betrekking tot de vraag „of de voorwaarden voor toekenning van de uitvoerrestituties en monetaire compenserende bedragen vervuld waren”.
Een onomstreden voorwaarde voor iedere aanspraak op uitvoerrestitutie is echter dat de goederen uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd. Daarom kan het hier slechts gaan om de vraag of van een feitelijke „uitvoer” in de zin van het restitutierecht reeds sprake is wanneer de goederen in kwestie buiten het grondgebied van de Gemeenschap zijn gebracht, of dat het begrip uitvoer in de zin van de restitutieregeling niet veeleer impliceert dat de bewuste goederen in het gebied van bestemming in het vrije verkeer worden gebracht.
Anders dan de Commissie stelt, hangt de beslissing in het hoofdgeding van de beantwoording van deze vraag af. Het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland zondert namelijk ontegenzeggelijk het goederenverkeer tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de DDR van de werking van de gemeenschapsbepalingen uit (zie in dit verband ook het arrest van 1 oktober 1974, zaak 14/74, Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor, Jurispr. 1974, blz. 899). Voorwaarde voor de toepassing van het Protocol is echter dat de litigieuze verrichtingen tot de binnenlandse handel van Duitsland kunnen worden gerekend. Daar het Protocol ingevolge artikel 239 EEG-Verdrag een integrerend deel van het Verdrag uitmaakt, kan het evenals het Verdrag zelf worden uitgelegd door het Hof dat met name bevoegd is de communautaire werkingssfeer van het Protocol af te bakenen. Maar bij voorbaat kan reeds worden gezegd dat van handel tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek in de zin van het Protocol niet meer kan worden gesproken wanneer het element „uitvoer” in de zin van het communautaire restitutierecht aanwezig is en de goederen naar de DDR worden doorgevoerd na het ontstaan van het recht op restitutie. De wetenschap van de exporteur en de contractuele betrekkingen zijn daarbij van geen belang, daar uitvoer een objectieve voorwaarde is voor het ontstaan van een recht op restitutie. Daarom zal ik mij allereerst bepalen tot de voorwaarden voor het recht op uitvoerrestituties in de zin van verordening nr. 123/67.
Los daarvan staat de tweede, eveneens in de vraagstelling doorklinkende vraag of ook bij een niet gedifferentieerde restitutieregeling in bepaalde gevallen het bewijs kan worden verlangd dat de desbetreffende goederen de bestemming hebben bereikt waarvoor de restitutie werd vastgesteld.
Tot slot moet op de tweede vraag van het Bundesfinanzhof worden ingegaan.
II —
Met betrekking tot de eerste vraag — de voorwaarden voor een aanspraak op restitutie —, meent verzoekster dat het begrip uitvoer, ongeacht de vraag of er gedifferentieerde restituties zijn vastgesteld of niet, niet impliceert dat de goederen in het gebied van bestemming in het vrije verkeer zijn gekomen. Uit de toepasselijke communautaire bepalingen blijkt volgens haar, dat het daarin gebruikte begrip uitvoer in zijn natuurlijke betekenis en overeenkomstig het algemeen spraakgebruik wordt gebezigd. Daarom kan het begrip uitvoer in de zin van artikel 9 van verordening nr. 123/67 en van artikel 1 van verordening nr. 176/67 worden gelijkgesteld met het fysieke verlaten van het geografische grondgebied van de Gemeenschap. De toepasselijke bepalingen maken ook een duidelijk onderscheid tussen verrichtingen die betrekking hebben op het grondgebied van de Gemeenschap en verrichtingen die zich tot het grondgebied van derde landen uitstrekken. Zoals blijkt uit artikel 6, lid 1, van verordening nr. 176/67, uit de derde overweging bij verordening nr. 1041/67 en uit artikel 3 van die verordening wordt het begrip „uitvoer” uitsluitend gebruikt in verbinding met het gebied van de Gemeenschap. In de bepalingen waarin het gaat over het grondgebied van derde landen, zoals de negende overweging bij verordening nr. 1041/67 en de artikelen 4, lid 1 en 8, lid 1, van die verordening, wordt daarentegen niet van uitvoer uit de Gemeenschap gesproken maar van „aankomen”, „bereiken”, of „invoer”. Wanneer men het recht op restitutie echter, in afwijking van verzoeksters opvatting, niet afhankelijk stelt van de uitvoer uit de Gemeenschap maar van de invoer in een derde land, dan betekent dat volgens haar nog niet dat onder invoer in het land van bestemming onder alle omstandigheden het in het vrije verkeer brengen moet worden verstaan. Uit de artikelen 4, lid 1 en 8, lid 1, van verordening nr. 1041/67 kan integendeel worden afgeleid dat de verordening verschillende wijzen van invoer op het oog heeft waarvan het in het vrije verkeer brengen slechts één mogelijkheid is.
1.
De poging van verzoekster in het hoofdgeding om uit de aangehaalde bepalingen criteria te putten voor de inhoud van het begrip uitvoer kan mij echter niet overtuigen. Alle door verzoekster genoemde bepalingen waaruit zij zou willen afleiden dat het recht op restitutie reeds bij het verlaten van het geografische grondgebied van de Gemeenschap is ontstaan, betreffen namelijk, zoals de Bondsregering en de Commissie terecht opmerken, slechts betalingsmodaliteiten die het bestaan van een materieel recht op restitutie vooronderstellen doch niet doen ontstaan. Uit de aangehaalde bepalingen blijkt slechts dat uitbetaling van de restitutie pas kan worden verlangd wanneer de goederen het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten. Uit geen van de genoemde regelingen komt echter duidelijk een definitie van het begrip uitvoer naar voren, dat aan de in casu relevante restitutienormen ten grondslag ligt.
Om het begrip inhoud te geven, moeten wij dan ook teruggaan tot doel en oogmerk van de restitutieregeling in het algemeen. Algemene opmerkingen over zin en doel van de restitutieregeling in de in dit opzicht vergelijkbare marktordening in de sector melk en zuivelprodukten (verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968, PB L 148 van 1968, blz. 13) heb ik reeds in mijn conclusie van 19 mei 1976 in zaak 125/75 (Milch-, Fett- und Eier-Kontor GmbH, Jurispr. 1976, blz. 786) gemaakt. De communautaire restitutieregeling heeft ten doel, door overbrugging van het niveauverschil tussen de wereldmarktprijzen en de prijzen op de interne markt van de Gemeenschap, de eigen landbouwprodukten die aan het gemeenschappelijk prijsbeleid zijn onderworpen, op de markten van derde landen concurrerend te maken en de aldaar bestaande afzetmogelijkheden veilig te stellen. Voor het onderhavige geval volgt dit uit artikel 9 van verordening nr. 123/67 en de daarbij behorende achtste overweging van de considerans, volgens welke de verschillen tussen de wereldmarktprijzen en de prijzen binnen de Gemeenschap voor de onder deze marktordening vallende produkten door een restitutie worden overbrugd om de uitvoer van deze produkten mogelijk te maken. Maar de gemeenschapsprodukten krijgen slechts dan gelijke concurrentie-kansen bij deelneming aan het economische verkeer op de markten van derde landen wanneer zij na inklaring op de markten van de derde landen op gelijke wijze kunnen worden verhandeld als produkten van de derde landen zelf. Het met de uitvoerrestitutie beoogde resultaat is dus eerst bereikt wanneer de gemeenschapsprodukten na inklaring werkelijk aan het economische verkeer van derde landen deelnemen.
2.
Een ander bewijs voor de stelling dat het materiële recht op restitutie eerst bestaat wanneer de uitgevoerde goederen in een derde land in het vrije verkeer zijn gebracht, wordt geleverd door de wijze van berekening. Het spreekt vanzelf dat de hoogte van de restitutie niet op abstracte prijzen kan worden afgestemd doch slechts op de prijzen die werkelijk op de markten gelden, enerzijds op de markt van de Gemeenschap en anderzijds in de internationale handel. Dat de hoogte van de vast te stellen uitvoerrestituties wordt afgestemd op de feitelijke verhoudingen op de markten van de derde landen, wordt in casu duidelijk uit artikel 3, lid 2, van verordening nr. 176/67, dat als maatgevende criteria voor de vaststelling van de prijs op de wereldmarkt noemt: de prijs die op de markten in derde landen wordt toegepast; de gunstigste prijs bij invoer in de derde landen van import; de produktie-prijs in de uitvoerende derde landen en de aanbiedingsprijs franco-grens van de Gemeenschap.
Uit deze bepalingen blijkt dat het recht op restituties nog niet definitief tot stand kan zijn gekomen met de vervulling van de uitvoeringsformaliteiten doch dat de goederen de markt van het derde land moeten hebben bereikt. Zou men van een andere rechtsopvatting uitgaan — en ook de Bondsregering en de Commissie wijzen hierop — dan ware met name een bepaling als artikel 4 van verordening nr. 1041/67 ondenkbaar, volgens welke de Lid-Staten in bepaalde gevallen met inachtneming van onder andere de uitvoer-markten, als voorwaarde voor de betaling van de restituties naast het bewijs dat het produkt het geografische grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, kunnen eisen dat wordt bewezen „dat het betrokken produkt in een derde land werd ingevoerd en eventueel dat wordt bewezen onder welke voorwaarden het werd ingevoerd”. Zou het recht op restitutie reeds door vervulling van de uitvoerformaliteiten zijn ontstaan, dan zouden de Lid-Staten noch het recht noch de mogelijkheid hebben deze aanvullende bewijzen voor toekenning van de restitutie te verlangen. Dikwijls kunnen dergelijke aanvullende bewijzen echter pas worden verlangd wanneer de goederen al zijn uitgevoerd, omdat namelijk pas dan verdenkingen ontstaan met betrekking tot de werkelijke bestemming van de goederen.
Op grond van bovenstaande uiteenzetting over zin en doel van de restitutieregeling, kan „uitgevoerd” slechts betrekking hebben op het in de handel brengen. Daarom is het vereist dat de goederen op de relevante markt worden verhandeld en onderworpen zijn aan het marktmechanisme op basis waarvan de restitutie werd vastgesteld, los van de vraag of er een gedifferentieerde of een niet-gedifferentieerde restitutieregeling geldt.
3.
Tegen dat resultaat kan ook niet artikel 8 van verordening nr. 1041/67 worden aangevoerd zoals verzoekster tracht te doen. Zoals wij hebben gezien volstaat ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 176/67 en artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1041/67 bij een ongedifferentieerde restitutie in de regel het bewijs dat de goederen het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten. Er is hier geen bijzonder bewijs van invoer nodig omdat men bij normale handelspraktijken ervan kan uitgaan dat de goederen na het verlaten van het gebied van de Gemeenschap tenminste in een of ander derde land zijn aangekomen; een bewijs van invoer zou daarom een onnodige bemoeilijking van het handelsverkeer betekenen. Anders ligt het echter wanneer het restitutiebedrag naar bestemmingsgebied verschilt, daar in dat geval het gevaar voor misbruik voor de hand ligt. Daarom bepaalt artikel 8 voornoemd voor het geval dat de restitutie gedifferentieerd is, dat door overlegging van bepaalde documenten moet worden bevestigd dat „de goederen in dat land (van bestemming) zijn aangekomen.” Het is duidelijk dat de gemeenschapswetgever in beginsel uit praktische overwegingen, ten einde de handel zo min mogelijk te belasten, genoegen neemt met de overlegging van documenten die de aankomst in een land van bestemming aantonen. Dit wordt bevestigd in de negende overweging van de considerans van verordening nr. 1041/67 waarin wordt gezegd dat:
„aangezien thans geen uniforme bewijsmiddelen kunnen worden voorgeschreven omdat de situatie in de invoerende derde landen verschilt, genoegen dient te worden genomen met de overlegging van zodanige documenten, dat met zekerheid wordt gewaarborgd dat de uitgevoerde goederen ter bestemming zijn aangekomen, met dien verstande dat daardoor het handelsverkeer zo weinig mogelijk wordt belemmerd”.
Tegelijkertijd worden de bevoegde nationale instanties in artikel 8 echter gemachtigd om „bijkomende bewijsmiddelen” te eisen. Zoals ik reeds in mijn conclusie in zaak 125/75 heb uiteengezet, kan deze uitdrukking slechts slaan op het in de handel brengen. Uit artikel 8 kan dus ook worden afgeleid dat de restitutiever-lenende instanties van de Lid-Staten bij twijfel omtrent de commercialisering in het land van bestemming bijzondere onderzoekingen kunnen instellen of aanvullend bewijs kunnen eisen dat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht.
4.
Dat de aankomst respectievelijk invoer van goederen in een derde land gelijk te stellen is met het in het vrije verkeer brengen, volgt ook bijzonder duidelijk uit verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975 (PB L 25 van 1975, blz. 1) die verordening nr. 1041/67 heeft vervangen. Daar wordt namelijk in artikel 11, dat overeenkomt met artikel 8 van verordening nr. 1041/67, gepreciseerd dat een produkt als ingevoerd wordt beschouwd „wanneer de douaneformaliteiten om het produkt in het derde land in het vrije verkeer te brengen, zijn vervuld”.
5.
Ten slotte heeft ook het Hof zich mijns inziens in de zaken 6/71 (Rhein-mühlen Düsseldorf, arrest van 28 oktober 1971, Jurispr. 1971, blz. 823) en 125/75 (Milch-, Fett- und Eier-Kontor GmbH, arrest van 2 juni 1976, Jurispr. 1976, blz. 771) voor dit uitvoerbegrip uitgesproken. In zaak 6/71 heeft het met betrekking tot artikel 20, lid 2, van verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962 (PB 1962, blz. 933), dat een overeenkomstige regeling bevat als artikel 9 van de hier relevante verordening nr. 123/67, onder verwijzing naar het doel van de uitvoerrestituties beslist dat het begrip „uitvoer naar een derde land” veronderstelt dat de goederen in dat land in het vrije verkeer zijn gebracht. Volgens mijn uiteenzetting over zin en doel van de restitutieregeling moeten de in die zaak gehanteerde overwegingen mijns inziens ook voor het onderhavige geval beslissend zijn, ongeacht het feit dat het daar om een gedifferentieerde restitutieregeling ging en om de afbakening van het begrip „uitvoer naar derde landen”. In zaak 125/75 heeft het Hof verder beslist dat artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1041/67 een bepaling van algemene strekking is, „geldende voor alle gevallen waarin er een restitutie wordt toegekend, ook al mocht deze naar het gebied van bestemming zijn gedifferentieerd”. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat in alle gevallen van gedifferentieerde restitutie het recht op restitutie afhangt van de voorwaarde dat de goederen te bestemder plaatse in het vrije verkeer zijn gebracht. Zoals wij hebben gezien, moet deze uitspraak, gelet op het doel van de uitvoerrestitutie, ook gelden voor een niet-gedifferentieerde restitutieregeling. In beide zaken waren goederen over het grondgebied van staten vervoerd om vervolgens in een andere staat in het vrije verkeer te worden gebracht. In beide zaken heeft het Hof verder bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van uitvoer in de zin van het communautaire restitutierecht, niet gelet op het verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap, doch slechts op de vraag waar de geleverde goederen hun oorsprong hadden en in welk land ze uiteindelijk in het vrije verkeer werden gebracht.
De onderhavige zaak ligt ongeveer gelijk, daar de goederen zonder omlading uitsluitend per transitvervoer door Oostenrijk en de CSSR zijn vervoerd om in de Duitse Democratische Republiek in het vrije verkeer te worden gebracht.
6.
De stelling dat de invoer en het in de handel brengen beslissend zijn, kan ook niet worden ondergraven door het argument van verzoekster dat zij de exportsubsidies in de vorm van lagere prijzen aan de bedrijven in respectievelijk Oostenrijk en Liechtenstein heeft doorgegeven en dat daarmee het doel van de restitutieregeling, te weten de garantie van de afzet door exportbevorderende maatregelen, is bereikt. Volgt men deze redenering dan zou daarmee inderdaad een enorme prikkel worden gegeven om via een derde land restituties te krijgen voor goederen die van oorsprong uit de Bondsrepubliek Duitsland zijn en in de Duitse Democratische Republiek in het vrije verkeer komen. Dit moet volgens het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland, dat, zoals bekend, de toepassing van het gemeenschapsrecht op het handelsverkeer tussen de beide delen van Duitsland uitsluit, echter juist worden vermeden. Het gemeenschapsrecht zou dan namelijk voor landbouw-exporten uit de Bondsrepubliek Duitsland naar de Duitse Democratische Republiek restituties toekennen terwijl anderzijds voor exporten uit de Duitse Democratische Republiek naar de Bondsrepubliek Duitsland geen heffingen worden toegepast. Hiermee zou niet alleen het evenwicht in het handelsverkeer op agrarisch gebied tussen de beide delen van Duitsland, maar ook het handelspolitieke evenwicht tussen de Gemeenschap en de Duitse Democratische Republiek in gevaar worden gebracht.
III —
Thans kan ik ingaan op de volgende vraag, of ook bij een niet-gedif-ferentieerde restitutieregeling het bewijs kan worden verlangd dat de goederen in een derde land in het vrije verkeer zijn gebracht.
Zoals wij hebben gezien geeft het enkele feit dat de goederen naar Oostenrijk zijn gebracht, geen aanspraak op restitutie, los van de vraag of er destijds al dan niet een gedifferentieerde restitutieregeling gold. Reeds op grond van deze algemene overweging moeten de Lid-Staten dan ook de mogelijkheid hebben, de betaling van de restitutie ook bij een niet-gedifferentieerde restitutieregeling afhankelijk te stellen van het bewijs dat een partij goederen in een derde land in het vrije verkeer is gebracht.
Verzoekster wijst daarentegen met name op artikel 6, lid 1, van verordening nr. 176/67 en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1041/67, volgens welke bepalingen bij ongedifferentieerde restituties uitsluitend het bewijs van uitvoer zou kunnen worden verlangd. Slechts in geval van een gedifferentieerde restitutieregeling kan volgens haar het bewijs worden geëist dat de goederen het gebied van bestemming hebben bereikt; dit zou met name uit artikel 6, lid 2, van verordening nr. 176/67, artikel 4, lid 1, en artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1041/67 zijn af te leiden.
Allereerst wil ik hiertegen aanvoeren dat de in dit verband door verzoekster aangehaalde bepalingen, zoals hierboven sub II, 1. werd opgemerkt, uitsluitend betrekking hebben op de wijze van betaling. Maar ingevolge artikel 4 van verordening nr. 1041/67 kunnen de Lid-Staten eveneens „in bepaalde gevallen … met inachtneming van … de uitvoermarkten, als voorwaarde voor de betaling van de restitutie naast het bewijs dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, eisen dat wordt bewezen dat het betrokken produkt in een derde land werd ingevoerd en eventueel dat wordt bewezen onder welke voorwaarden het werd ingevoerd.” Deze bepaling is, zoals het Hof in zijn arrest in de reeds genoemde zaak 125/75 uitdrukkelijk heeft overwogen „een bepaling van algemene strekking, geldende voor alle gevallen waarin er een restitutie wordt toegekend, ook al mocht deze naar het gebied van bestemming zijn gedifferentieerd.” In deze zaak waar het om een gedifferentieerde restitutieregeling ging, heeft het Hof verder duidelijk gemaakt dat krachtens deze bepaling het bewijs kan worden gevorderd „dat de waar op het gebied van bestemming moet zijn ingeklaard en in het vrije verkeer gebracht.”
Ik ben van mening dat deze uitspraak ook voor een niet-gedifferentieerde restitutieregeling geldt. Zin en doel van de bepaling is namelijk, zoals uit de considerans van de verordening valt af te leiden, misbruik tegen te gaan dat in het restitutierecht met name bij het bestaan van een gedifferentieerde restitutieregeling niet kan worden uitgesloten. Dit volgt met zoveel woorden uit de verwijzing naar de „uitvoermarkten” in artikel 4. Een dergelijk gevaar voor misbruik, gelet op de uitvoermarkten, bestaat echter ook wanneer goederen uit de Bondsrepubliek Duitsland, bestemd voor de DDR, langs een omweg over een derde land zonder aldaar in het vrije verkeer te zijn gekomen, in de DDR worden gele verd. Voor deze „uitvoermarkt” geldt namelijk met betrekking tot goederen uit de Bondsrepubliek Duitsland ingevolge het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland de bijzonderheid dat hiervoor geen gemeenschapsrechtelijke restituties mogen worden betaald. Indien men transacties met tussenpersonen als de onderhavige zou toelaten, zouden de goederen niettemin in het genot van restituties komen en zou daarmee het Protocol kunnen worden ontdoken. De zaak zou echter, anders dan verzoekster meent, anders liggen als de goederen in een derde land deugdelijk in de handel waren gebracht en vervolgens naar de DDR waren doorgeleverd, daar dan douanerechten zouden zijn geheven of zich andere uitvoerver-zwarende omstandigheden zouden hebben voorgedaan.
Ook bij een niet-gedifferentieerde restitutieregeling kan er dus gegronde twijfel bestaan over de juiste toepassing van het restitutierecht. Volgens de tekst en het stelsel van de restitutieregeling en de bewoordingen van het arrest in zaak 125/75 moet artikel 4 echter, zoals we hebben gezien, aldus worden verstaan dat het bij twijfel aan de juiste toepassing van het restitutierecht en aanknopingspunten daarvoor, heel in het algemeen het recht verleent het bewijs van invoer in een ander land te verlangen, wat in casu wil zeggen het bewijs van het in het vrije verkeer brengen. Bovendien geeft het het recht nader onderzoek naar de invoeromstandigheden in te stellen en deugdelijke bewijzen te eisen wanneer, in afwijking van de ervaringsregel, mag worden aangenomen, dat het doel van een bepaalde invoer niet het in de handel brengen is, ongeacht of er een gedifferentieerde of niet-gedifferentieerde restitutieregeling bestaat. Daarom hoeven wij ons mijns inziens ook niet verder bezig te houden met de door de Commissie gesuggereerde oplossing dat het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland een analoge toepassing van de regeling voor gedifferentieerde restituties rechtvaardigt, welke oplossing ik overigens ook verdedigbaar acht.
Artikel 4 van verordening nr. 1041/67 is in de aldus gehanteerde uitlegging met name niet in strijd met verordening nr. 176/67 van de Raad, zoals verzoekster meent. Artikel 6, lid 3, van deze verordening bepaalt namelijk uitdrukkelijk dat de Commissie volgens de beheerscomitéprocedure aanvullende bepalingen kan vaststellen. Dit derde lid betreft echter juist niet de in lid 2 geregelde gedifferentieerde restitutie maar de uniforme restitutie, met het gevolg dat naast de normale voorwaarden voor uitbetaling van restituties die in lid 1 zijn neergelegd, andere voorwaarden kunnen worden verlangd, een mogelijkheid waarvan de Commissie met het uitvaardigen van artikel 4 van verordening nr. 1041/67 gebruik heeft gemaakt.
IV —
Verzoekster is van mening dat op de tweede vraag van het Bundesfinanzhof niet meer behoeft te worden ingegaan omdat het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland niet op dit soort transacties kan worden toegepast. De DDR moet door de Gemeenschap in principe als derde land worden behandeld en op grond van het protocol bestaat er slechts een uitzonderingsregeling voor „de thans voor de binnenlandse handel bestaande regeling”. Het Protocol moet als bijzondere regeling echter eng worden uitgelegd. Zo men het in het vrije verkeer brengen noodzakelijk acht voor het ontstaan van een recht op restitutie, moet een daarmee corresponderende invoer in de Duitse Democratische Republiek voldoende worden geacht, aldus verzoekster.
De Commissie wijst er daarentegen op dat verzoekster slechts een recht op uitvoerrestitutie kan hebben verkregen, als het communautaire restitutierecht toepasselijk is en verzoekster alle daarin neergelegde voorwaarden voor een recht op restitutie heeft vervuld. Of het tot een toepassing van gemeenschapsrecht komt, hangt volgens het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland af van de vraag of de litigieuze transacties tot de binnenlandse handel van Duitsland moeten worden gerekend. Op deze problematiek hoeft volgens haar echter niet dieper te worden ingegaan omdat verzoekster toch niet aan de gemeenschapsrechtelijke voorwaarden voor een aanspraak op restitutie voldoet. Uit het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland — een onderdeel van het EEG-Verdrag — volgt namelijk dat landbouwexporten uit de Bondsrepubliek Duitsland altijd zo worden behandeld alsof er een gedifferentieerde restitutie was vastgesteld en de restitutie voor de Duitse Democratische Republiek dus op nul en voor alle andere derde landen op het in de gemeenschapsverordeningen bepaalde niveau moet worden vastgesteld. Daar het betrokken slachtpluimvee uitsluitend in de Duitse Democratische Republiek is ingevoerd, in de handel gebracht en geconsumeerd, is dat land objectief het enige land van bestemming in de zin van het restitutierecht. Voor dit land van bestemming hadden echter geen restituties mogen worden toegekend, aldus de Commissie.
Hoewel ik, zoals gezegd, ook de constructie van een gedifferentieerde restitutieregeling verdedigbaar acht, zou ik, voortbouwend op mijn betoog, een iets andere oplossing willen voorstellen, die ook door de Bondsregering wordt voorgestaan. Van uitvoer in de zin van het communautaire recht betreffende uitvoerrestituties is, zoals we hebben gezien, slechts sprake als de goederen te bestemder plaatse op de vrije markt zijn gekomen. Zoals het Hof in zaak 125/75 heeft vastgesteld, kan de vraag of de goederen de markt van het bestemmings-gebied hebben bereikt, slechts aan de hand van objectieve criteria worden beantwoord. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat het begrip uitvoer alleen door het brengen van de onderhavige goederen uit het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland naar de Duitse Democratische Republiek is vervuld; de verrichting moet volgens het restitutie-recht dus worden behandeld alsof de goederen direct uit de Bondsrepubliek Duitsland in de Duitse Democratische Republiek waren gekomen.
Krachtens punt 1 van het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland dat ingevolge artikel 239 EEG-Verdrag een integrerend deel van het Verdrag uitmaakt, moet een dergelijke levering echter worden beschouwd als handelsverkeer tussen de Duitse gebieden waar de grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland geldt, en de Duitse gebieden waar die grondwet niet wordt toegepast; dit handelsverkeer blijft onder het nationale recht vallen en wordt niet door het gemeenschapsrecht geraakt (vgl. in dit verband het arrest van het Hof van 1 oktober 1974, zaak 14/74, Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor GmbH, Jurispr. 1974, blz. 899).
Zou men het voor het ontstaan van een recht op restitutie voldoende achten dat de goederen via een derde land in de Duitse Democratische Republiek in het vrije verkeer komen, dan zou men daarmee, zoals met name de Commissie opmerkt, ingaan tegen de zin en het doel van het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland. Steeds wanneer het gemenschapsrecht in restituties voorziet, zou er dan namelijk voor de exporteurs een prikkel bestaan om het Protocol te ontduiken en toch in het bezit van deze restituties te komen door een directe uitvoer naar de DDR te vermijden. Hierdoor zou echter niet alleen het evenwicht binnen het handelsverkeer tussen de beide delen van Duitsland op agrarisch terrein worden bedreigd maar zou ook, zoals we reeds hebben gezien, het handelspolitieke evenwicht tussen de Gemeenschap en de DDR, waarop ook het Hof in zaak 14/74 het oog heeft, op losse schoeven worden gezet.
V —
Op grond van het bovenstaande kunnen de vragen van het Bundesfinanzhof worden beantwoord als volgt:
1.
Voor het recht op een uitvoerrestitutie die krachtens artikel 9 van verordening nr. 123/67 van de Raad van 13 juni 1967, artikel 6 van verordening nr. 176/67 van de Raad van 27 juni 1967 en artikel 3 van verordening nr. 1041/67 van de Commissie van 21 december 1967 moet worden toegekend, is het vereist dat de goederen in het gebied van bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht, ongeacht of de restitutie naar gelang van de bestemming verschilt of niet.
2.
Wanneer er ernstige twijfels bestaan of het produkt daadwerkelijk zijn bestemming heeft bereikt, kunnen de Lid-Staten krachtens artikel 4 van verordening nr. 1041/67, dat op alle restituties van toepassing is, eisen dat wordt bewezen dat het produkt te bestemder plaatse in het vrije verkeer is gebracht.
3.
Bij produkten in de zin van artikel 1 van verordening nr. 123/67 die vanuit de Bondsrepubliek Duitsland over het grondgebied van derde landen onder douanecontrole naar de Duitse Democratische Republiek zijn geleverd en daar in het vrije verkeer zijn gebracht, is er geen sprake van uitvoer en daarmee van een recht op uitvoerrestitutie ingevolge artikel 9 van verordening nr. 123/67 en artikel 6 van verordening nr. 176/67 in samenhang met het „Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmede samenhangende vraagstukken”.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy