CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 10 JULI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
nhe heren Rechters,
Verzoekster in deze zaak, mevrouw P., is een personeelslid van de Commissie (in rang C 4), maar het is niet dit feit waarop haar vordering berust. Deze is gebaseerd op het feit dat haar gewezen echtgenoot, wijlen Manfredo C., ook ambtenaar van de Commissie was (in rang D 2). Ik zeg „haar gewezen echtgenoot”, maar in deze zaak gaat het er onder meer juist om of zij zijn weduwe is dan wel zijn van echt gescheiden vrouw.
De vraag die het Hof in wezen dient te beslissen, is of zij als gevolg van zijn overlijden gerechtigd is tot een overlevingspensioen krachtens bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren.
De artikelen 17 tot en met 20 van bijlage VIII voorzien in de betaling van en overlevingspensioen aan de weduwe van een ambtenaar of een gewezen ambtenaar. Artikel 26 bepaalt dat een weduwe bij hertrouwen het recht op overlevingspensioen verliest, zij het dat zij dan in bepaalde omstandigheden een klein bedrag ineens ontvangt. Artikel 27 luidt als volgt:
„De van echt gescheiden vrouw van een ambtenaar heeft bij diens overlijden recht op het overlevingspensioen overeenkomstig dit hoofdstuk, mits het echtscheidingsvonnis niet alleen de vrouw als schuldige partij aanmerkt. De gescheiden vrouw verliest dit recht indien zij vóór het overlijden van haar vroegere echtgenoot is hertrouwd. Hertrouwt zij na zijn overlijden, dan is artikel 26 op haar van toepassing”.
Deze tekst is het resultaat van een wijziging van het Statuut, in 1978 ingevoerd bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 912/78 van de Raad. Men kan daarom niet zeggen dat deze formulering uitsluitend is gekozen in het licht van de wetgeving van de zes oorspronkelijke Lid-Staten, of uitsluitend op basis van de wetgeving van de Lid-Staten zoals deze luidde bij de eerste vaststelling van het Statuut in 1968.
De feiten van de zaak zijn, kort samengevat, de volgende.
Verzoekster en haar gewezen echtgenoot zijn beide in Silezië geboren, zij in 1936, hij in 1939. Zij had door geboorte de Duitse nationaliteit, hij de Italiaanse. Op 27 april 1963 huwden zij in St. Lambrechts-Woluwe, een voorstad van Brussel. Door dit huwelijk verkreeg zij de Italiaanse nationaliteit, zonder evenwel haar Duitse nationaliteit te verliezen. Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren, beide in België, het ene op 2 oktober 1963, het andere op 19 september 1968.
Op 2 februari 1971 diende verzoekster bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een verzoek tot echtscheiding in. Ter ondersteuning hiervan voerde zij tien feiten aan, voor het merendeel door haar echtenoot gepleegde mishandeling en overspel betreffende. Ongeveer tezelfdertijd stelde hij een strafvervolging tegen haar in wegens overspel. (Naar Belgisch recht heeft een echtgenoot blijkbaar de mogelijkheid dit zijn echtgenote aan te doen.) Deze strafvervolging eindigde met een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 14 mei 1974, waarbij zij van overspel werd vrijgesproken. In dit arrest — waarvan een afschrift in het aan het Hof overgelegd dossier ontbreekt — schijnt echter het bestaan te zijn vastgesteld van wat werd omschreven als „des relations gravement injurieuses à l'égard de” de heer C., tussen verzoekster en een zekere „heer B.”. Steunend op deze vaststelling, diende C. bij de Rechtbank van eerste aanleg in reconventie een verzoek tot echtscheiding in.
Bij vonnis van 13 juni 1975 (een afschrift hiervan bevindt zich in het dossier — bijlage I bij het verzoekschrift) deed de Rechtbank van eerste aanleg vier dingen. In de eerste plaats liet zij verzoekster toe de tien door haar gestelde feiten te bewijzen. Ten tweede „stond zij een echtscheiding toe” tegen („aux torts de”) verzoekster (naar ons werd verklaard, was dit omdat in België de echtscheiding in feite niet door de rechter wordt uitgesproken; het huwelijk wordt ontbonden door inschrijving van het vonnis waarbij de echtscheiding wordt toegestaan, in de registers van de burgerlijke stand van de plaats waar het huwelijk werd voltrokken). In casu werd het vonnis ingeschreven in St. Lambrechts-Woluwe (zie bijlage 1 bij het verweerschrift). In de derde plaats bepaalde de rechtbank dat de bij beschikking van haar president gegeven voorlopige voorzieningen, waarbij het beheer over de persoon en de goederen van de uit het huwelijk geboren kinderen aan verzoekster was opgedragen en waarbij C. was veroordeeld maandelijks een bedrag te betalen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen, van kracht bleven. Tenslotte hield de rechtbank de beslissing omtrent de kosten aan.
Verzoekster maakte geen gebruik van de haar bij het vonnis gegeven toelating om bewijs aan te dragen voor de door haar gestelde feiten. De reden daarvan was, zo werd ons gezegd, dat zij met het vonnis alles had gekregen wat zij verlangde, namelijk echtscheiding, het beheer over haar kinderen en de veroordeling van C. om voor hun verzorging en opvoeding te betalen; zij had dus geen reden om zich de kosten en moeite van een voortgezette procedure op de hals te halen.
Op 31 oktober 1977 overleed C.
Bij schrijven van 25 mei 1978 (bijlage 2 bij het verzoekschrift) deelde het hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten van het Directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer aan verzoekster mee dat zij, gelet op artikel 27 van bijlage VIII bij het Statuut, geen recht had op een overlevingspensioen, maar dat ingevolge artikel 80 van het Statuut voor de twee kinderen een wezenpensioen zou worden uitgekeerd.
Op 11 augustus 1978 diende verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen de weigering haar een overlevingspensioen te betalen (bijlage 5 bij het verzoekschrift). Zij ontving hierop geen antwoord, zodat de klacht moet worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen.
In deze procedure vordert verzoekster:
1.
nietigverklaring van het besluit van 25 mei 1978, waarbij haar een overlevingspensioen werd geweigerd;
2.
nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van haar klacht van 11 augustus 1978;
3.
veroordeling van de Commissie om haar een overlevingspensioen toe te kennen, en
4.
rente over de achterstallige pensioentermijnen.
Bij beschikking van 4 oktober 1979 heeft het Hof de moeder van C, mevrouw C, toegelaten om in de procedure te interveniëren in haar hoedanigheid van toeziend voogd van de twee kinderen. Deze hebben belang bij de uitkomst van de procedure, omdat krachtens artikel 80 van het Statuut hun wezenpensioen zou worden gehalveerd indien verzoekster een overlevingspensioen zou ontvangen.
Om van dit punt af te zijn, wil ik al aanstonds opmerken dat mijns inziens de vordering van verzoekster met betrekking tot de stilzwijgende afwijzing van haar klacht op een misvatting berust. Zoals de Derde kamer van het Hof nog onlangs heeft opgemerkt in het arrest van 28 mei 1980 (gevoegde zaken 33 en 75/79 Kuhner, nog niet gepubliceerd; zie r.o. 9), kan een dergelijk besluit niet op zichzelf worden aangevallen krachtens artikel 91 van het Statuut, daar het uitsluitend een bevestiging vormt van de handeling waartegen de klacht is gericht. Doch dit is slechts een formele kwestie.
Ter ondersteuning van haar materiële vorderingen heeft verzoekster in hoofdzaak drie middelen aangevoerd.
In de eerste plaats stelt zij met een beroep op artikel 184 EEG-Verdrag, dat de voorwaarde van artikel 27 van bijlage VIII bij het Statuut, waarop de Commissie zich bij haar weigering om verzoekster een pensioen toe te kennen, had gebaseerd — dat wil zeggen de voorwaarde dat „het echtscheidingsvonnis niet alleen de vrouw als schuldige partij aanmerkt” — ongeldig is. In het verzoekschrift werden daarvoor verscheidene redenen aangevoerd, maar bij repliek en terechtzitting beperkte verzoekster zich tot de stelling dat bedoelde voorwaarde ongeldig was wegens inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling, daar het uitsluitend werkt tegen vrouwen die zijn gescheiden in een land waar de rechter de schuld aan een van beide echtgenoten kan toeschrijven.
In de tweede plaats en subsidiair, stelt verzoekster dat de Commissie haar ten onrechte als de gescheiden vrouw en niet als de weduwe van C. behandelt, aangezien de Belgische echtscheiding noch in Italië, het land van hun gemeenschappelijke nationaliteit, noch in Duitsland, het land waarvan zij de nationaliteit bezit, kan worden erkend.
In de derde plaats, en meer subsidiair, stelt zij dat het vonnis van 13 juni 1975, bij juiste lezing, niet haar alléén als schuldige aan de echtscheiding aanmerkt, zodat in feite aan de voorwaarde van artikel 27 is voldaan.
Ik ben tot de conclusie gekomen dat de eerste stelling van verzoekster juist is.
De te dezen relevante wetgeving van de Lid-Staten kan worden samengevat als volgt. In één Lid-Staat, Ierland, kent de wet de mogelijkheid van echtscheiding niet. In drie Lid-Staten, België, Frankrijk en Luxemburg, kan de rechter die de echtscheiding toestaat of uitspreekt, de schuld toeschrijven aan één of beide partijen, ofschoon ook de mogelijkheid bestaat van echtscheiding met wederzijds goedvinden. In de overige vijf Lid-Staten wordt de echtscheiding uitgesproken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk, zonder dat de schuldvraag aan de orde komt. In Italië is dit steeds zo geweest sedert de invoering van echtscheiding in 1970. In de andere vier van deze Lid-Staten vloeit het voort uit betrekkelijk recente hervormingen, die ten doel hadden het schuldbeginsel af te schaffen: in 1969 in Denemarken en in Engeland en Wales, in 1971 in Nederland, in 1976 in Duitsland en in Schotland, en in 1978 in Noord-Ierland. Hiermee is uiteraard niet gezegd dat in sommige van die landen het gedrag van partijen voor de rechter niet mee mag wegen bij de beslissing of het huwelijk duurzaam is ontwricht, of bij de beslissing over bijvoorbeeld alimentatie en de voogdij over de kinderen uit het huwelijk. De crux is echter dat aan niemand de schuld van de ontwrichting van het huwelijk wordt toegeschreven. De voorwaarde van artikel 27 kan dus alleen van toepassing zijn op vrouwen ten aanzien van wie in echtscheidingszaken de gerechten van België, Frankrijk en Luxemburg (of van een niet-Lid-Staat waar het schuldbeginsel nog bestaat) bevoegd zijn. Met andere woorden, artikel 27 leidt ertoe dat vrouwen die zich op dezelfde wijze hebben gedragen, verschillend worden behandeld, al naar gelang zij op grond van persoonlijke omstandigheden (nationaliteit, woonplaats, enz.) onder de bevoegdheid van de gerechten van het ene of het andere land vallen. In sommige gevallen kan er natuurlijk een mogelijkheid van forumkeuze bestaan, zodat de al dan niet toepasselijkheid van de voorwaarde afhangt van de vraag hoe deze keuze is uitgevallen. En ook wanneer de echtscheiding in België, Frankrijk of Luxemburg is uitgesproken, zal die toepasselijkheid bovendien afhangen van de gekozen procedure, dat wil zeggen echtscheiding via een contentieuze procedure dan wel met wederzijds goedvinden.
De Commissie betoogt dat deze discriminatie, die ik zonder aarzelen willekeurig zou willen noemen, niet voortkomt uit artikel 27, dat op zichzelf uniform op iedereen wordt toegepast, maar uit het feit — waarbij de gemeenschapsinstellingen zich eenvoudig hebben neer te leggen — dat de wetgeving van de onderscheiden landen verschillend is. Ik vind dit geen aanvaardbaar argument. Blijkens's Hofs arrest in zaak 21/74 (Airola, Jurispr. 1975, blz. 221) dient zoveel mogelijk te worden voorkomen dat wettelijke bepalingen van de Lid-Staten aanleiding geven tot discriminatie. Het recht van de Lid-Staten — en misschien ook dat van andere staten — is een realiteit waarmee de gemeenschapsinstellingen, waar dat te pas komt, rekening moeten houden, bij de vaststelling van hun eigen algemene regelingen. Stellig zullen er gevallen zijn waarin het onmogelijk is die regelingen zo te formuleren, dat verschillen in behandeling ten gevolge van uiteenlopende nationale wetten geheel worden vermeden. In casu is evenwel een formulering gekozen die naar haar aard tot discriminatie moet leiden, omdat zij enkel een pensioen ontzegt aan vrouwen die onder een bepaalde nationale wetgeving vallen. De Commissie geeft een aantal voorbeelden, waar verschillen tussen de nationale wetten kunnen leiden tot ongelijke behandeling onder het gemeenschapsrecht. Een daarvan is de meerderjarigheidsgrens. Mijns inziens is dit geen gelukkig gekozen voorbeeld, daar artikel 2, lid 3 van bijlage VII bij het Statuut de problemen die voortvloeien uit het feit dat de meerderjarigheidsgrens niet in alle landen dezelfde is, oplost door de leeftijden te noemen tot welke gezinstoelagen worden betaald. Als daarentegen was bepaald dat gezinstoelagen tot de meerderjarigheid van het kind werden betaald, zou dat vrijwel zeker discriminerend zijn geweest. Ik geloof niet dat ik nog verder beslag moet leggen op uw tijd om in te gaan op de andere voorbeelden van de Commissie. Zij hebben mij er niet van kunnen overtuigen dat het Ambtenarenstatuut, waar dit vermijdbaar is, bepalingen zou mogen bevatten die ertoe leiden dat ambtenaren of personen te hunnen laste al naar gelang hun nationale wet verschillend worden behandeld.
Nog minder overtuigend is naar mijn smaak het argument van de Commissie, dat een overlevingspensioen moet worden geacht in de plaats te komen van de onderhoudsverplichting die bij leven op de overleden ambtenaar rustte. Dat pensioen werd aan schuldig gescheiden vrouwen ontzegd, aldus de Commissie, omdat zij gewoonlijk ook geen recht op alimentatie hadden. Dit argument lijkt mij lijnrecht in te gaan tegen de uitspraak van het Hof in zaak 24/71 (Meinhard, Jurispr. 1972, blz. 269, r.o. 3), die hierop neerkwam, dat de bepalingen van bijlage VIII niet beoogden de uit het huwelijk of de echtscheiding voortvloeiende onderhoudsplicht tegenover de weduwe of de gescheiden vrouw in andere vorm voort te zetten, doch een recht deden ontstaan dat de vrouw in haar hoedanigheid van weduwe of gescheiden vrouw rechtstreeks aan het Statuut ontleende. De premisse waarop het argument berust, is ook feitelijk niet juist. Beziet men de wetgevingen van de Lid-Staten in hun geheel, dan kan men duidelijk niet zeggen, zelfs niet in het algemeen, dat het recht van een gescheiden vrouw op alimentatie van haar gewezen echtgenoot afhangt van de vraag of zij al dan niet als enige schuldige is aangemerkt.
De Commissie heeft dit trouwens ingezien en, zo werd ons gezegd, de Raad een wijziging van artikel 27 voorgesteld, in die zin dat een gescheiden vrouw slechts recht op overlevingspensioen heeft wanneer zij bij het overlijden van haar gewezen echtgenoot, hetzij krachtens rechterlijke uitspraak hetzij krachtens overeenkomst recht heeft op alimentatie. De voorwaarde dat zij niet alleen als schuldige partij is aangemerkt, schijnt in de huidige redactie van het voorstel echter te zijn gehandhaafd. Ik geloof dat tegen een dergelijke formulering, zij het uiteraard zonder die voorwaarde, weinig valt in te brengen, maar ik meen dat men, alvorens deze aan te nemen, een diepgaande studie zou moeten maken van de wetgeving van de Lid-Staten (tenminste) voor wat het recht op alimentatie betreft, om zeker te zijn dat dit niet zal leiden tot vermijdbare verschillen in behandeling.
Zo het Hof mijn visie met betrekking tot het eerste middel deelt, kan de zaak daarmee worden afgedaan. Ik zou hier echter nog aan willen toevoegen dat ik na enige aarzeling tot de conclusie ben gekomen dat, zou de voorwaarde van artikel 27 geldig zijn, verzoekster dient te slagen op grond van haar derde middel, namelijk dat zij in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg nergens als de enig schuldige wordt aangemerkt.
De raadslieden van partijen benaderden dit aspect alsof het daarbij zou gaan om uitlegging van het vonnis, maar naar mijn gevoelen gaat het daarbij eerder om de uitlegging van artikel 27. De betekenis van het vonnis is duidelijk genoeg: het stond de echtscheiding toe „aux torts” (maar niet „aux torts exclusifs”) van verzoekster, het liet verzoekster toe verder te procederen op basis van haar eigen vordering, en het bevatte voorlopig voorzieningen ten aanzien van het beheer over, de alimentatie voor en de opvoeding van de kinderen, en het hield de eslissing omtrent de kosten aan. Met andere woorden: het stelde vast dat verzoekster schuld trof, maar liet de vraag open of C. ook schuld trof. De vraag is of in een dergelijke situatie de voorwaarde van artikel 27 van toepassing is. Bij het zoeken naar een antwoord op deze vraag lijkt het mij dienstig de bewoordingen van de voorwaarde in alle zes talen te bekijken. Deze luiden als volgt:
Deens:„såfremt hun ved skilsmissedommen ikke har fået tillagt hele skylden”;
Nederlands:„mits het echtscheidingsvonnis niet alleen de vrouw als schuldige partij aanmerkt”;
Engels:„provided that the court which pronounced the decree of divorce did not find that the divorced wife in question was solely to blame”;
Frans:„sous réserve que le jugement prononçant le divorce n'ait pas été rendu à ses torts exclusifs”;
Duits:„sofern sie in dem Scheidungsurteil nicht für allein schuldig erklärt worden ist”;
Italiaans:„a condizione che la sentenza di divorzio non sia stata pronunciata esclusivamente per colpa del coniuge divorziato”.
Hieruit blijkt mijns inziens dat, wil de voorwaarde van toepassing zijn, in de echtscheidingsuitspraak moet zijn vastgesteld dat alleen de vrouw schuld treft. Aan deze voorwaarde zou in casu zijn voldaan als er geen vordering van verzoekster was geweest of als deze vordering was afgewezen. Het lijkt mij niet voldoende dat het enige wat op het moment van C.'s overlijden positief door de rechtbank was vastgesteld, was dat haar schuld trof; dit is immers nog niet hetzelfde als de vaststelling dat haar alléén schuld trof.
Ik kom thans tot de tweede stelling van verzoekster, namelijk dat zij als weduwe van C. moest worden aangemerkt, en niet als zijn gescheiden echtgenote, omdat de Belgische echtscheiding noch in Italië noch in Duitsland kon worden erkend.
Deze stelling wordt gemotiveerd als volgt.
Verschillende bepalingen van het Statuut, waaronder die betreffende overlevingspensioenen, knopen voor het al dan niet toekennen van voordelen aan bij de staat van de belanghebbende persoon. De staat van personen wordt beheerst door het nationale recht en het kan gebeuren dat iemand een bepaalde status heeft krachtens het recht van de ene Lid-Staat en een andere status krachtens het recht van een andere Lid-Staat. Dergelijke conflicten kunnen slechts worden opgelost door toepassing van de regels van internationaal privaatrecht, en nu zou het een algemene regel van internationaal privaatrecht zijn dat de staat van personen wordt beheerst door het recht van het land waarvan zij de nationaliteit bezitten.
Een dergelijke algemene regel bestaat natuurlijk niet. In het recht van vele landen, waaronder de drie nieuwe Lid-Staten, wordt de staat van personen primair eheerst door het recht van zijn domicilie. Maar de wezenlijke fout van deze redenering is de veronderstelling dat er een enkel algemeen stelsel van regels van internationaal privaatrecht zou bestaan, waarmee alle problemen van internationaal privaatrecht kunnen worden opgelost. In werkelijkheid heeft, zoals bekend, ieder land zijn eigen regels van internationaal privaatrecht (al dan niet aangepast door verdragen, zoals die tussen België en Duitsland en tussen België en Italië, waarnaar wij werden verwezen). Voor zover het gaat om een probleem als het onderhavige, dient het internationaal privaatrecht van ieder land ertoe, de rechters van dat land in staat te stellen te beslissen of zij een buitenlandse echtscheiding zullen erkennen.
De vraag is daarom of het Hof een stel regels van internationaal privaatrecht moet ontwikkelen, die op communautair niveau kunnen worden toegepast. Een eenvoudige regel waarbij naar de nationaliteit van de betrokkene wordt gezien, is zeker niet voldoende, in de eerste plaats omdat zij kunstmatige en onbillijke resultaten zou kunnen hebben ten aanzien van personen met de nationaliteit van of woonplaats in Lid-Staten waar het domiciliebeginsel het heersende is, in de tweede plaats omdat althans in één Lid-Staat, het Verenigd Koninkrijk, een dergelijke regel op zichzelf onbruikbaar zou zijn — personen met de Britse nationaliteit, zoals omschreven met het oog op de toepassing van het gemeenschapsrecht (zie met betrekking hiertoe het arrest van 14 december 1979, zaak 257/78, Devred, Jurispr. 1979, blz. 3767), kunnen immers onder tal van rechtstelsels vallen —, en in de derde plaats omdat hiermee niet noodzakelijkerwijze een oplossing zou zijn gegeven voor de staat van personen met dubbele nationaliteit, zoals verzoekster. Uit de tekst van het Haagse verdrag van 1 juni 1970 inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, waarnaar de Commissie heeft verwezen, blijkt duidelijk, hoe ingewikkeld een dergelijk stel regels zou moeten zijn. Er zijn mijns inziens goede gronden waarom het Hof zich niet aan een dergelijke onderneming moet wagen.
In de eerste plaats zou dit neerkomen op wetgeving door de rechter. Dit zou anders kunnen zijn als het Haagse verdrag door alle of eventueel door de meeste Lid-Staten zou zijn geratificeerd. Maar blijkbaar zijn slechts twee ervan tot ratificatie overgegaan (Denemarken en het Verenigd Koninkrijk).
In de tweede plaats zou het de voor de toepassing van het Statuut verantwoordelijke personeelsdiensten van de gemeenschapsinstellingen niet noodzakelijkerwijs ontslaan van de taak, na te gaan of een echtscheiding die in een bepaald land is verkregen, in een ander land rechtsgeldig is. Hoe ingewikkeld, bezwaarlijk en kostbaar een dergelijk onderzoek kan zijn, blijkt duidelijk uit de dicussie in deze zaak over de vraag of en in hoeverre de Belgische echtscheiding in Duitsland respectievelijk in Italië zou worden erkend, een vraag waarop wij, ondanks alle daarin geïnvesteerde deskundigheid, mijns inziens geen volstrekt duidelijk antwoord hebben gekregen.
In ieder geval zou het in een geval als het onderhavige niet op zijn plaats zíjn. Zoals het Hof in zijn beschikking van oktober 1979, waarbij de interventie van mevrouw C. werd toegestaan, heeft opgemerkt, kan en zal de werking van het te wijzen arrest niet zijn dat de status van verzoekster in algemene zin wordt vastgesteld. Door het arrest zal enkel worden beslist of zij krachtens het Statuut recht heeft op een overlevingspensioen. Zou mijn opvatting met betrekking tot het eerste en het derde middel onjuist zijn, dan kan dat enkel afhangen van de vraag of zij voor de toepassing van het Statuut als weduwe dan wel als gescheiden vrouw is te beschouwen. Wat dat punt betreft, staat voor mij vast dat iemand die een procedure aanhangig heeft gemaakt bij, of zich heeft onderworpen aan de rechtsmacht van de gerechten van een bepaalde staat (of dit nu een Lid-Staat is of een andere staat), tegenover een gemeenschapsinstelling, in een zaak die uit het Statuut voortvloeit, niet het argument kan gebruiken dat de beslissing van die gerechten niet bindend is. Verder dan dat behoeft het Hof in dit geval niet te gaan, aangezien verzoekster zelf de procedure bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel aanhangig heeft gemaakt. Evenmin lijkt het mij nodig in te gaan op de vragen die in de discussie zijn opgeworpen, bijvoorbeeld wat de consequenties zouden zijn indien werd aangetoond dat de rechtbank zich, ook naar Belgisch recht, ten onrechte bevoegd had verklaard of in strijd met algemene rechtsbeginselen had gehandeld.
Ik meen derhalve dat het tweede middel van verzoekster moet worden verworpen.
Gelet evenwel op mijn zienswijze ten aanzien van het eerste en het derde middel, ben ik van mening dat het Hof het besluit nietig moet verklaren dat aan verzoekster is meegedeeld bij de brief van 25 mei 1978 van het hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie, en waarbij haar een overlevingspensioen is geweigerd.
Ten aanzien van de daaraan te verbinden gevolgen bezit het Hof krachtens de laatste zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut volledige rechtsmacht.
Het Hof is met name bevoegd, de Commissie te gelasten verzoekster een overlevingspensioen toe te kennen overeenkomstig de bepalingen van bijlage VIII bij het Statuut (zie de zaak-Meinhardt), en ik meen dat het Hof dit moet doen nu verzoekster hierom vraagt. Mijns inziens zou echter daarbij moeten worden gespecificeerd dat op de verschenen pensioentermijnen een bedrag in mindering moet worden gebracht, gelijk aan de helft van het wezenpensioen dat door verzoekster ten behoeve van haar kinderen is ontvangen. Ik begrijp dat de aanpassing van deze pensioenen voor de toekomst automatisch gaat.
Verzoekster vordert voorts 8 % rente over de achterstallige pensioentermijnen, zonder aan te geven met ingang van welke datum. Wat het percentage betreft, zijn, meen ik, de twee meest recente zaken waarin het Hof rente heeft toegekend, zaak 115/76 (Leonardini, Jurispr. 1978, blz. 735), waarin 8 % werd gevorderd en toegekend, en zaak 114/77 (Jacquemart, Jurispr. 1978, blz. 1697), waarin 6 % werd gevorderd en toegekend. Ik meen daarom dat ook in casu 8 % zou kunnen worden toegekend. Wat de datum betreft, heb ik in mijn conclusie in de zaak-Jacquemart een samenvatting gegeven van de relevante beginselen (zie Jurispr. 1978, blz. 1718-1719), en ben daarbij tot de conclusie gekomen dat in dat geval de datum waarop verzoeker zijn klacht bij de Commissie had ingediend, de geëigende datum was. Het Hof heeft dit standpunt overgenomen.
Mijns inziens dient hetzelfde hier te gelden, zodat de rente over de achterstallige bedragen zou moeten lopen vanaf 11 augustus 1978, wat betreft de vóór die datum verschenen termijnen van het pensioen.
Tenslotte vraagt verzoekster, de Commissie tot vergoeding van haar kosten te veroordelen, en ik meen dat ook deze vordering moet worden toegewezen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy