CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 10 JULI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeksters in deze twee — bij beschikking van het Hof gevoegde — zaken zijn mevrouw Liselotte Boizard (geboren Herber) en mejuffrouw Martine Boizard, rerspectievelijk weduwe en dochter van wijlen de heer Georges Boizard, die ambtenaar was van de Commissie. Hun stelling komt er in hoofdzaak op neer, dat een op 1 juni 1978 namens de Commissie genomen besluit van het hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer onwettig is. Ingevolge dit besluit worden maandelijks bepaalde bedragen ingehouden op het weduwenpensioen van respectievelijk mevrouw en mejuffrouw Boizard, pensioenen die hen overeenkomstig artikel 79, respectievelijk artikel 80 Ambtenarenstatuut zijn toegekend. In het besluit wordt gezegd dat het is gebaseerd op de artikelen 41 en 47 van bijlage VIII bij het Statuut. Deze luiden als volgt:
Artikel 41
„In geval van vergissingen of verzuimen van welke aard ook kunnen de pensioenen te allen tijde worden herzien.
Zij kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien toekenning in strijd was met de voorschriften van het statuut en van deze bijlage”.
Artikel 47
„Indien de oorzaak van de invaliditeit of het overlijden van een ambtenaar aan een derde is te wijten, treden de Gemeenschappen, voor zover daardoor voor hen uit deze pensioenregeling verplichtingen voortvloeien, van rechtswege in alle rechten van de ambtenaar of diens rechtverkrijgenden ter zake van hun rechtsvordering tegen de aansprakelijkheid derden”.
In de loop van het geding is ook gewezen op artikel 85 van het Statuut:
„Een onverschuldigd betaald bedrag wordt teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag, dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen”.
Gelet op de aard van de aangevoerde argumenten moet ik de feiten nog eens nader uiteen zetten.
Op 21 november 1972 vond er in Brussel een botsing plaats tussen de auto, bestuurd door de heer Boizard, en de auto, bestuurd door een zekere heer Teugels. Het was geen ernstige botsing; aan de auto's werd slechts geringe schade toegebracht en de heer Boizard had kennelijk geen letsel opgelopen. Toch stortte hij kort na het ongeluk in en werd naar de intensive care-afdeling van een ziekenhuis overgebracht, waar hij drie dagen later, op 24 november 1972, overleed. Als doodsoorzaak werd een hartaanval vastgesteld, veroorzaakt door een shock ten gevolge van de botsing. Hoewel de heer Boizard dat niet wist, leed hij reeds enige tijd aan een ernstige hartkwaal, die op elk willekeurig ogenblik tot zijn dood had kunnen leiden. Op het tijdstip van overlijden was hij 48 jaar oud.
Na zijn overlijden betaalde de Commissie ex artikel 70 van het Statuut gedurende drie maanden zijn salaris door aan zijn weduwe. Op 27 februari 1973 kende de Commissie met ingang van 1 maart 1973 de onderhavige pensioenen aan verzoeksters toe.
Op een mij onbekende datum — maar kennelijk vóór 27 maart 1973 — stelde het Belgische openbaar ministerie een strafvervolging in tegen de heer Teugels bij de rechtbank in eerste aanleg te Brussel, ter zake van overtreding van de Belgische verkeerswetgeving, in casu de regel dat van rechts komend verkeer voorrang heeft.
In april 1973 raadpleegde mevrouw Boizard de Belgische advocaat Paul Humblet. Deze adviseerde verzoeksters, zich burgerlijke partij te stellen in het strafproces tegen de heer Teugels. Dit zou ook een zoon van de heer Boizard moeten doen, die — hoewel hij niet langer van zijn vader afhankelijk was — als een van de naaste bloedverwanten belang had bij de zaak. De heer Humblet vertelde ons echter ter zitting, dat hij zich ervan bewust was dat zijn voorstel, indien opgevolgd, tot problemen kon leiden wegens mogelijke subrogatie of iets dergelijks op grond van een verzekeringspolis of pensioenregeling, hoewel hij het Statuut niet kende en niet wist van het bestaan van artikel 47.
Met het oog hierop richtte hij zich op 19 april 1973 per brief tot het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie, stellende namens de naaste bloedverwanten van de heer Boizard op te treden. Hij schreef onder meer:
„U zoudt mij zeer verplichten indien u mij berichtte of wijlen de heer Georges Boizard bij de Europese Gemeenschappen een collectieve of individuele ongevallenverzekering heeft gesloten, die zijn erfgenamen recht geeft op een uitkering op grond van zijn overlijden” (bijlage 2 bij de repliek).
Tegelijkertijd adviseerde de heer Humblet mevrouw Boizard, schriftelijke verklaringen bij de Commissie aan te vragen over de hoogte van het salaris van haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden en over de hoogte van de aan haar en haar dochter toekomende pensioenuitke-. ring. Mevrouw Boizard verzocht de heer Derveaux, huisvriend en tevens ambtenaar van de Commissie, hiervoor te zorgen. Volgens de Commissie wist de heer Derveaux niet precies waar deze bescheiden voor nodig waren, alleen dat ze verband hielden met een „gerechtelijk onderzoek” („enquête judiciaire”), en dat dit de enige informatie was, die hij gaf aan de afdeling Salarissen, pensioenen en diverse vergoedingen van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, waaraan hij het verzoek doorgaf. Op 10 mei 1973 waren de stukken gereed en werden ze door voornoemde afdeling aan de heer Derveaux gezonden (bijlagen 3, 4 en 5 bij het verweerschrift en bijlagen 5 en 6 bij de repliek). Op elk stuk staat vermeld: „Deze verklaring is opgesteld ten behoeve van de gerechtelijke autoriteiten”. Volgens de Commissie had het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer uit het verzoek van de heer Derveaux niet kunnen opmaken, dat verzoeksters van plan waren zich te voegen in het proces tegen de heer Teugels. Ik kan echter moeilijk geloven dat de ambtenaren van het directoraat-generaal die het verzoek behandelden, gedacht hebben dat de stukken alleen ertoe dienden om te bewijzen dat de heer Teugels een strafbaar feit had begaan.
Op 14 mei 1973 antwoordde de heer Blenkers, hoofd van de afdeling Ongevallen en beroepsziekten van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, op de brief van Humblet van 19 april, dat de Commissie voor haar ambtenaren een collectieve ongevallenverzekering had gesloten, ingevolge waarvan — naar hij zei — een claim was ingediend, alsook een levensverzekering voor „gezinshoofden” (bijlage 3 bij de repliek). De heer Blenkers schreef echter niets over de bepalingen van het Statuut, en in het bijzonder niet over artikel 47 van bijlage VIII.
Op 17 mei 1973 bevestigde de heer Humblet de ontvangst van Blenkers brief en vroeg de naam van de verzekeringsmaatschappij waarbij de ongevallenverzekering was gesloten, alsmede het polisnummer (bijlage 4 bij de repliek). Op 22 mei 1973 verstrekte de heer Blenkers de gewenste informatie en voegde er nog aan toe:
„Gezien de netelige aard van de onder mijn berusting zijnde zaak zou ik u erkentelijk zijn als u alle van belang zijnde inlichtingen aan mij wilt doorgeven, in het bijzonder het vonnis van de rechtbank dat u — naar ik meen over enkele dagen — betekend zal worden” (bijlage 7 bij de conclusie van repliek).
Omtrent dit laatste was de heer Blenkers verkeerd geïnformeerd. De zaak werd pas op 7 november 1973 door de rechtbank behandeld en het vonnis op 29 november 1973 uitgesproken.
De rechtbank achtte de heer Teugels schuldig en alleen verantwoordelijk voor de dood van de heer Boizard. Aan de burgerlijke partijen werd vergoeding toegekend voor drie soorten schade.
De eerste betrof begrafeniskosten en de schade aan de auto van de heer Boizard, in totaal BFR 41370.
De tweede dekte de materiële schade voor verzoekster door het verlies van de financiële ondersteuning door de heer Boizard. De rechtbank schatte de levensverwachting van de heer Boizard ten tijde van het ongeval in verband met de toestand van zijn hart op vijf jaar. De financiële bijdrage aan zijn vrouw en dochter werd gekapitaliseerd op basis van percentages (echtgenote 40 % en dochter 20 %) van zijn netto maandelijks salaris, zoals dit was opgegeven in de desbetreffende verklaring van de Commissie. Op deze bedragen paste de rechtbank een actuariële vermenigvuldigingsfactor toe, overeenkomend met die van een 60-jarige man, en kende zij verzoeksters BFR 1066256, respectievelijk BFR 574671 als schadevergoeding toe. Hierbij hield de rechtbank geen rekening met de aan verzoeksters toegekende pensioenen op grond van het Statuut. Die schijnt in overeenstemming te zijn met het Belgische recht, dat pensioenen die een overheidsinstelling aan de weduwe en wees van een harer ambtenaren uitbetaalt, beschouwt als te zijn verkregen door zijn ambtelijke dienst en zijn pensioenbijdrage bij leven en niet als door diens overlijden opgekomen voordelen.
De derde betrof vergoeding van immateriële schade (smartegeld) van echtgenote en dochter. De rechtbank kende BFR 75000 en BFR 25000 toe aan mevrouw Boizard, respectievelijk aan elk van de kinderen.
Er werd geen beroep tegen het vonnis aangetekend en de burgerlijke procespartijen ontvingen de hun toegekende bedragen.
Op 14 maart 1974 stuurde de heer Humblet een kopie van het vonnis aan de heer Blenkers en memoreerde dat geen beroep ertegen was ingesteld, zodat het in kracht van gewijsde was gegaan. Tevens verzocht hij het vonnis voor verdere afhandeling door te sturen aan de verzekeraars bij wie de collectieve ongevallenverzekering was gesloten (bijlage 11 bij de repliek).
Volgens de Commissie werd toen pas ontdekt dat de burgerlijke partijen vorderingen hadden ingesteld bij de rechtbank, waartoe alleen de Commissie zelf — volgens artikel 47 van bijlage VIII bij het Statuut — gerechtigd is. Als dit juist was, had men kunnen verwachten dat de Commissie snel en energiek, zelfs met verontwaardiging zou hebben gereageerd. Zij deed dit echter niet. Op 18 april 1974 schreef de heer Humblet opnieuw aan de Commissie en drong aan op beantwoording van zijn brief van 14 maart (bijlage 12 bij de repliek). Op 30 april 1974 bevestigde de heer Giraudon, hoofd van de afdeling Ongevallen en beroepsziekte, de ontvangst van de brieven van 14 maart en 18 april en schreef — kort samengevat — dat het verzoek van de heer Humblet was doorgegeven aan de verzekeraars en dat hij van hun antwoord op de hoogte zou worden gesteld (bijlage 13 bij de repliek). Over de claim op de verzekering (die door de verzekeraars werd afgewezen) werd de resterende maanden van 1974 en gedurende 1975 kalm verder gecorrespondeerd (bijlagen 14-21 bij de repliek).
Artikel 47 werd door de Commissie voor het eerst genoemd in een brief van 10 november 1975 aan de verzekeraars van de heer Teugels (bijlage bij de dupliek). Hierin vroeg zij op de hoogte te worden gesteld van hun plannen „om ons gedeeltelijk schadeloos te stellen voor de verzekerde bedragen die wij aan de rechthebbenden van wijlen de heer Boizard hebben moeten uitkeren tengevolge van het ongeval op 21 november 1972”. De verzekeraars antwoordden bij brief van 20 november 1975. Deze begon veelbetekenend:
„Vooreerst willen wij opmerken dat dit de eerste keer is, dat u blijk geeft én van uw betrokkenheid bij deze zaak én van uw bedoelingen”.
Vervolgens wezen de verzekeraars de vordering van de Commissie af, daartoe stellende dat de subrogatie enkel betrekking kon hebben op de schadevergoeding die de rechtbank had toegewezen en dat, aangezien deze was betaald, de Commissie hooguit de rechtverkrijgenden van de heer Boizard, die de vergoeding hadden ontvangen, zou kunnen aanspreken (bijlage 2 bij de dupliek).
Naar het schijnt duurde het weer ongeveer 18 maanden vooraleer artikel 47 opnieuw ter sprake werd gebracht, hoewel de correspondentie en besprekingen tussen de heer Humblet en ambtenaren van de Commissie over de vordering tegen de verzekeraars van de Commissie in die periode werden voortgezet.
Op 25 mei 1977 schreef de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer een brief aan mevrouw Boizard met de volgende aanhef:
„Hierdoor stel ik u ervan in kennis dat de administratie, in verband met een inventarisatie van gevallen die aanleiding geven of gegeven hebben tot een pensioenuitkering wegens dodelijke ongevallen veroorzaakt door derden, in samenwerking met de juridische dienst de behandeling van het dossier, dat na het overlijden van wijlen uw echtgenoot werd aangelegd, weer heeft opgenomen”.
Verder werd in de brief verwezen naar artikel 47 en naar de briefwisseling in november 1975 tussen de Commissie en de verzekeraars van de heer Teugels. Tot slot werd mevrouw Boizard uitgenodigd een voorstel te doen om de vordering van de Commissie tot betaling van BFR 1066256 en BFR 574671, welke bedragen de rechtbank haar en haar dochter had toegewezen als materiële schadevergoeding, en een bedrag ad BFR 15360 dat de Commissie had voorgeschoten ter dekking van de begrafeniskosten, minnelijk te regelen (bijlage 23 bij de repliek).
Verscheidene maanden werd er onderhandeld tussen de heer Humblet (namens verzoeksters) en de Commissie. Bij deze onderhandelingen zei de heer Humblet onder meer, dat mevrouw Boizard de krachtens het vonnis ontvangen gelden — aangevuld met leningen — had besteed aan de aankoop van een flat waar zij met haar kinderen woonde (bijlage 28 bij de repliek). Hij stelde ook dat, als de Commissie thans haar rechten geldend wilde maken, het juiste middel zou zijn derdenverzet te doen tegen het vonnis, dat wil zeggen de Belgische rechter te vragen om vernietiging van het vonnis voor zover dit ten gunste van verzoeksters strekte en niet ten gunste van de Commissie (bijlage 31 bij de repliek).
Daarmee nam hij, lijkt mij, een redelijk standpunt in, aangezien de Commissie er herhaaldelijk op had gewezen, dat ingevolge artikel 189 EEG-Verdrag artikel 47 „rechtstreeks toepasselijk is in alle Lid-Staten”.
Hoe dan ook, de onderhandelingen leidden niet tot overeenstemming en op 1 juni 1978 nam het hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten, handelend krachtens de hem door de Commissie gedelegeerde bevoegdheden, het besluit waarvan verzoeksters in het onderhavige geding de geldigheid betwisten (bijlage 6 bij het verweerschrift). Zoals ik aan het begin reeds zei, is dit besluit gebaseerd op de artikelen 41 en 47 van bijlage VIII bij het Statuut. Het heeft een vrij lange considerans, die ik hier niet zal citeren. Artikel 1 van het besluit luidt als volgt:
„Met ingang van 1 juni 1978 en tot de dag waarop het verschuldigde bedrag van BFR 1066256 zal zijn voldaan, wordt op de maandelijkse netto pensioenuitkering van mevrouw Georges Boizard, thans BFR 29604 bedragend, een bedrag van BFR 8000 ingehouden. Deze inhouding is geïndexeerd en wordt automatisch aangepast met hetzelfde stijgingspercentage dat de hoofdsom van de pensioentermijn waarop zij wordt toegepast, kan beïnvloeden”.
Artikel 2 handelt in dezelfde bewoordingen over het pensioen van mejuffrouw Boizard; de maandelijkse netto-uitkering bedraagt hier BFR 14953 en de maandelijkse inhouding BFR 5000.
Het besluit werd aan verzoeksters toegezonden met een begeleidend schrijven van dezelfde datum en getekend door de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer. Deze brief was kennelijk bedoeld om de aan het besluit ten grondslag liggende gedachtengang toe te lichten en de schok ervan wat te verzachten (bijlage 7 bij het verweerschrift). Blijkens de brief was de directeur-generaal van mening dat, zo verzoeksters de hun bij het vonnis toegewezen bedragen alsmede de volledige pensioenuitkeringen zouden behouden, dit een met het Statuut onverenigbare cumulatie van voordelen zou zijn, en dat het onbillijk was dat zij dit dubbele voordeel zouden genieten terwijl artikel 47 wel was toegepast op andere weduwen en wezen van ambtenaren. Naar het schijnt, was de directeur-generaal ook van mening dat de inhouding op de pensioenuitkeringen een minder harde maatregel tegenover verzoeksters was dan het instellen van derdenverzet tegen het vonnis.
Niettemin dienden verzoeksters op 19 augustus 1978 overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen het besluit (bijlage 8 bij het verweerschrift). Het tot aanstelling bevoegde gezag antwoordde niet binnen de bij artikel 90, lid 2, voorgeschreven termijn van vier maanden. Bij brief van 19 januari 1979 evenwel wees het lid van de Commissie, belast met personeelszaken (de heer Tugendhat), de klacht uitdrukkelijk van de hand.
Vermoedelijk als gevolg van een abuis werd pas per 1 april 1979 uitvoering gegeven aan het besluit.
Om mijn verhaal af te ronden moet ik nog opmerken dat de vordering tegen de verzekeraars van de Commissie thans eveneens in rechte aanhangig is gemaakt. Nadat de Handelsrechtbank in eerste instantie tegen hen vonnis had gewezen, zijn de verzekeraars thans in beroep gegaan bij het Hof van Beroep te Brussel.
Dan ga ik nu over tot de bespreking van het recht.
Het lijkt mij logisch om hiervoor eerst een drietal problemen met betrekking tot de juiste interpretatie van artikel 47 te bezien, die door partijen zijn opgeworpen.
In de eerste plaats tracht de Commissie ons ervan te overtuigen dat artikel 47 berust op de bedoeling van de opstellers van het Statuut om elke mogelijke cumulatie van vergoedingen te verbieden, en dat het dienovereenkomstig moet worden uitgelegd. Deze conclusie zou plausibel zijn indien het interne recht van alle Lid-Staten of tenminste van de meeste, een zelfde anti-cumulatieregel zou kennen. Zoals de Commissie echter toegeeft, verschilt het recht in de Lid-Staten op dit punt. Naar mijn mening kan artikel 47 dan ook alleen naar zijn strekking worden uitgelegd, en deze verdraagt zich even goed met de zienswijze dat de opstellers van het Statuut wensten dat de communautaire instellingen, indien en voor zover mogelijk, een verhaalsmogelijkheid zouden hebben op de aansprakelijke derde ter verlichting van de financiële last veroorzaakt door de uitkeringen aan de slachtoffers.
In de tweede plaats stelt de Commissie dat artikel 47 de betrokken instelling geen discretionaire bevoegdheid laat. Dit is naar mijn mening onjuist. Artikel 47 geeft een instelling een vorderingsrecht tegen een derde, dat wil zeggen het recht een vordering tegen hem in te stellen en deze in rechte geldend te maken. Het kan niet inhouden dat de instelling steeds verplicht is van dit recht gebruik te maken, hoe zwak of onzeker de claim op de derde ook is en ongeacht het kostenaspect. Bij de interpretatie van het Statuut dient men, als ik het zo mag zeggen, even zeer zijn gezond verstand te gebruiken als bij de interpretatie van iedere andere wettelijke regeling.
Ten slotte zijn partijen — die uitsluitend met de Franse tekst te rade gaan — verdeeld over de vraag of artikel 47 ziet op „subrogation dans le droit” of alleen op „subrogation dans l'action”. Ik begrijp het verschil aldus, dat wanneer er sprake zou zijn van „subrogation dans le droit”, de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden in het geheel geen vorderingsrechten meer zouden hebben, terwijl zij bij „subrogation dans l'action” hun rechten kunnen blijven uitoefenen voor zover de betreffende instelling er geen gebruik van maakt. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten wij naar mijn mening alle zes taalversies van dit artikel bezien. Zij luiden als volgt:
Deens:„Såfremt tredjemand er ansvarlig for en tjenestemands invaliditet eller død, overgår tjenestemandens eller de ydelsesberettigede pårørendes rettigheder i en retssag mod den ansvarlige tredjemand uden videre til Fællesskaberne inden for graenserne af de forpligtelser, Fællesskaberne har i henhold til denne pensionsordening”.
Nederlands:„Indien de oorzaak van de invaliditeit of het overlijden van een ambtenaar aan een derde is te wijten, treden de Gemeenschappen, voor zover daardoor voor hen uit deze pensioenregeling verplichtingen voortvloeien, van rechtswege in alle rechten van de ambtenaar of diens rechtverkrijgenden ter zake van hun rechtsvordering tegen de aansprakelijke derden”.
Engels:„Where the invalidity or death of an official is caused by a third party, the rights of action of the official or of those entitled under him against the third party shall vest in the Communities within the limits of their obligations under this pension scheme”.
Frans:„Lorsque la cause de l'invalidité ou du décès d'un fonctionnaire est imputable à un tiers, les Communautés sont, dans la limite des obligations découlant pour elles du présent régime de pensions, subrogées de plein droit au fontionnaire ou à ses ayants droit dans leur action contre le tiers responsable”.
Duits:„Ist die Dienstunfähigkeit oder der Tod eines Beamten auf das Verschulden eines Dritten zurückzuführen, so gehen die Rechte des Beamten oder seiner Rechtsnachfolger in einem Rechtsstreit gegen den haftpflichtigen Dritten von Rechts wegen in den Grenzen der Verpflichtungen, die sich für die Gemeinschaften aus der Versorgungsordnung ergeben, auf die Gemeinschaften über”.
Italiaans:„Qualora la causa dell'invalidità o del decesso di un funzionario sia imputabile ad un terzo, le Comunità sono surrogate di diritto, nel limite delle obbligazioni che loro incombono ai sensi del presente regime di pensioni, al funzionario o ai suoi aventi diritto nella loro azione contro il terzo responsabile”.
De bewoordingen van de Engelse tekst — „the rights of action ... shall vest” — komen overeen met wat een Engelse jurist eerder een wettelijke overdracht van rechten dan subrogatie zou noemen. Het onderscheid tussen wettelijke overdracht van een recht en subrogatie in het Engelse recht komt ruwweg overeen met wat, naar ik begrijp, het verschil is tussen „subrogation dans le droit” en „subrogation dans l'action”. Naar mijn mening kan de Engelse versie van artikel 47 maar één ding betekenen, namelijk dat de ambtenaar of diens rechtverkrijgenden in het geheel geen rechten meer hebben (binnen de grenzen uiteraard van de verplichtingen van de Gemeenschappen ex bijlage VIII). Ik begrijp dat de Duitse en de Italiaanse tekst dezelfde betekenis hebben, en aldus dienen mijns inziens ook de onduidelijkheden in de andere teksten te worden verstaan.
Het blijkt dus, dat verzoeksters, gelet op de verplichtingen van de Commissie ex bijlage VIII, geen vorderingsrecht hadden tegen de heer Teugels. Dit punt zou door de heer Teugels voor de rechtbank zeker zijn aangevoerd indien hij van artikel 47 had geweten. En men moet ook aannemen dat de Commissie, had zij de rechtbank verzocht, zich burgerlijke partij in het strafgeding had kunnen stellen. Maar hieruit volgt niet, dat de Commissie, omdat geen van de partijen in het geding van deze bepaling wist, ingevolge het Statuut verhaal heeft op verzoeksters.
Zoals bekend, heeft de Commissie zich zoals zij uitdrukkelijk stelde, uitsluitend op artikel 41 gebaseerd.
Dit artikel heeft, naar mijn mening, echter met deze zaak niets te maken. Het eerste lid stelt dat „in geval van vergissingen of verzuimen van welke aard ook, de pensioenen te allen tijde kunnen worden herzien”. Het tweede lid bepaalt dat een pensioen „gewijzigd of ingetrokken kan worden indien toekenning in strijd was met de voorschriften van het Statuut en van deze bijlage”. In deze zaak gaat het er niet om, of het aan verzoeksters verschuldigde pensioenbedrag verkeerd is berekend. Het gaat er ook niet om, of het pensioen in strijd met het Statuut of met bijlage VIII is toegekend. Die toekenning geschiedde in februari 1973, in-gaande per 1 maart 1973, en was toen ongetwijfeld juist. Sindsdien is er niets gebeurd wat aan de juistheid ervan zou kunnen doen twijfelen. De grief van de Commissie is immers niet, dat de pensioenen van verzoeksters fout zijn berekend of ten onrechte zijn toegekend, maar dat zij van de verzekeraars van de heer Teugels schadevergoeding hebben ontvangen waarop zij geen rechten konden doen gelden.
De enige bepaling van het Statuut die ziet op ten onrechte ontvangen betalingen, is artikel 85. De Commissie zelf heeft echter toegegeven dat dit artikel niet van toepassing is, en wel om twee redenen. In de eerste plaats geldt het alleen voor hetgeen door de gemeenschapsinstellingen te veel werd betaald. In de tweede plaats kan de onverschuldigde betaling alleen worden teruggevorderd indien „de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat, dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen”.
Om de nauwgezetheid te illustreren waarmee het Statuut het terugvorderingsrecht van de gemeenschapsinstellingen afbakent, wil ik wijzen op artikel 46 van bijlage VIII, dat bepaalt:
„Bedragen die een ambtenaar nog aan de Gemeenschap verschuldigd is op het tijdstip waarop de belanghebbende recht heeft op een uitkering op grond van deze pensioenregeling, worden in mindering gebracht op het bedrag van de uitkeringen aan de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden. Deze inhouding kan over verscheidene maanden worden verdeeld”.
Dit artikel slaat echter alleen op bedragen die de ambtenaar zelf aan de instelling verschuldigd is, en niet op bedragen die door zijn rechtverkrijgenden ten onrechte van derden zijn ontvangen.
Ik concludeer dat het besluit van 1 juni 1978 onbevoegd genomen is en deswege nietig is. Naar mijn mening kon de Commissie de door de rechtbank abusievelijk aan verzoeksters toegekende schadevergoeding alleen terugvorderen — voor zover dat mogelijk is — voor de Belgische rechter, met de daartoe naar Belgisch recht beschikbare rechtsmiddelen.
Mocht het Hof een andere mening zijn toegedaan omtrent de juiste interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen van het Statuut, dan zal het de argumenten betreffende de gedragingen van partijen moeten bezien, in het bijzonder het argument van verzoeksters, dat de Commissie door haar houding tot 25 mei 1977 alle haar uit hoofde van artikel 47 toekomende rechten heeft verwerkt.
Dit argument lijkt mij gegrond. Het is juist dat de brief van de heer Humblet van 19 april 1973 niet erg gelukkig was geformuleerd, gelet op hetgeen er werd bedoeld, niet zozeer omdat er werd gesproken over „een rechtspositieregeling” als wel omdat geen gewag werd gemaakt van een eventuele subrogatie of iets dergelijks. Ook is juist, dat zijn antwoord op de brief van de heer Blenkers van 22 mei 1973 (geen reactie tot maart 1974) geen duidelijkheid bracht. Maar niemand van de Commissie heeft op beantwoording aangedrongen. De Commissie heeft zelf niets ondernomen om zich van de stand van het geding op de hoogte te stellen, en nog minder om eraan deel te nemen.
Ik moet bekennen dat de stukken mij tot de conclusie hadden gebracht dat haar houding alleen te verklaren was uit het feit dat iedereen die zich bij de Commissie met deze zaak heeft bezig gehouden, artikel 47 over het hoofd heeft gezien tot het tijdstip van inventarisatie, waarover de directeur-generaal in zijn brief van 25 mei 1977 sprak. Op de terechtzitting echter heeft de Commissie drie redenen aangevoerd ter verklaring van haar houding. De eerste was, dat de Commissie te laat van de procedure voor de rechtbank op de hoogte werd gesteld en dus geen tijd meer had om zich alsnog burgerlijke partij te stellen. Dit was natuurlijk niet het geval, zoals de Commissie snel zou hebben ontdekt wanneer zijzelf iets ondernomen had, bij voorbeeld door zelf een advocaat in de arm te nemen. Als tweede reden werd aangevoerd, dat de Commissie zich wel naar Belgisch recht burgerlijke partij had kunnen stellen, maar dat dit naar Frans recht twijfelachtig was. Dit vind ik onbegrijpelijk, zowel omdat het moeilijk met het eerste te verenigen valt, maar ook omdat ik niet zie waarom men dacht dat Frans recht een rol zou kunnen spelen. Ten slotte werd aangevoerd, dat de Commissie zo laat mogelijk een civiele procedure wilde beginnen om een zo groot mogelijke vordering te hebben, waardoor de heer Teugels niet voor elke aan verzoeksters betaalde pensioentermijn behoefde te worden aangesproken. Ook dit argument laat zich moeilijk rijmen met het eerste. Bovendien dacht ik, dat de pensioenverplichtingen van de Commissie met behulp van actuariële tabellen kunnen worden gekwantificeerd. Als de Commissie echter wilde procederen, is het bevreemdend dat zij de heer Teugels of diens verzekeraars hiervan niet op de hoogte heeft gesteld.
In elk geval deed de houding van de Commissie de heer Humblet en zijn cliënten geloven dat zij in casu geen rechten had of dat zij anders niet voornemens was deze uit te oefenen. Vanuit deze overtuiging hebben verzoeksters procesrisico en proceskosten op zich genomen. In dit verband is erop geattendeerd, dat het honorarium van de advocaat van de winnende partij in België niet in de veroordeling in de proceskosten is begrepen.
Verzoeksters beroepen zich te dezen op het Franse leerstuk van de „renonciation implicite”, dat ook in het Belgische recht bekend is. De Commissie meent evenwel dat dit leerstuk toepassing mist, hoofdzakelijk omdat zij als overheidsorgaan geen afstand van haar rechten kan doen. Zoals ik hierboven al heb uiteengezet, kent artikel 47 naar mijn mening de betrokken gemeenschapsinstelling geen rechten toe die zij verplicht is uit te oefenen; het staat haar geheel vrij er afstand van te doen. Bovendien, bij de ontwikkeling van algemene beginselen van gemeenschapsrecht, put het Hof uit wat wel het juridisch erfgoed van alle Lid-Staten wordt genoemd. Als men bij voorbeeld het Deense recht beziet ten aanzien van „stiltiende afkald”, het Engelse recht ten aanzien van „estoppel”, het Duitse ten aanzien van „Rechtsverwirkung”, het Italiaanse ten aanzien van „legittimo affidamento”, het Schotse ten aanzien van „personal bar” alsook het Franse recht ten aanzien van „renonciation implicite”, lijkt mij daaruit het algemene beginsel af te leiden (dat ook van toepassing is op een overheidsorgaan, behalve voor zover dit zich niet zou verdragen met haar publieke taak), dat degene die in een rechtsbetrekking met een ander staat en door zijn houding een verkeerde indruk wekt omtrent een bepaald feit (daaronder begrepen het bestaan van een recht), niet vervolgens toch een vordering tegen hem kan instellen, indien deze op een bepaalde wijze heeft gehandeld, daarbij afgaand op de indruk welke die houding bij hem heeft gewekt. Wat hier uiteraard van belang is, is dat het beginsel bestaat en niet de omvang of werking ervan in het rechtstelsel van elke Lid-Staat afzonderlijk. Dit beginsel, dat men ook in het internationaal publiek recht vindt, heeft, naar wordt aangenomen, zijn oorsprong in het Romeinse recht, al wordt meestal de Engelse benaming „estoppel” gebruikt.
Ook al zou mijn interpretatie van de bepalingen onjuist zijn, toch dienen verzoeksters, zoals ik hiervoor reeds opmerkte, op grond van dit beginsel in hun beroep te slagen.
Komen wij thans tot de vorderingen van verzoeksters.
Hun primaire vordering is nietigverklaring van het besluit van 1 juni 1978. Deze dient mijns inziens te worden toegewezen.
Indien en voor zoveel zulks nodig mocht zijn, vorderen zij in de tweede plaats nietigverklaring van de uitdrukkelijke afwijzing van hun klacht bij brief van 19 januari 1979. Zoals ik zo juist heb uiteengezet in mijn conclusie in de zaak-Paschek, is deze nietigverklaring mijns inziens niet nodig.
In de derde plaats vragen zij het Hof, de Commissie te gelasten de conform het besluit van 1 juni 1978 op hun pensioenen ingehouden bedragen uit te betalen. Het Hof is bevoegd deze vordering toe te wijzen en ik meen dat het dit ook moet doen.
In de vierde plaats maken zij aanspraak op rentevergoeding over dat bedrag vanaf de datum van de respectieve inhoudingen, tegen een percentage dat het Hof „normaal” zal oordelen. Ten aanzien hiervan moge ik verwijzen naar mijn conclusie in de zaak-Paschek. Het lijkt mij een vereiste van consistentie te zijn dat het Hof ook hier een percentage van 8 % aanhoudt. De bepaling van het tijdstip voor de renteberekening levert geen problemen op, omdat verzoeksters hun klachten vóór de eerste inhouding hebben ingediend.
Ten slotte vorderen verzoeksters dat de wederpartij in de kosten wordt veroordeeld. Ook deze eis dient mijns inziens te worden toegewezen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy