INHOUD
Feitelijk deel
I — Feiten en procesverloop
Feitenrelaas
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
Opmerkingen van Châtain, verdachte in het hoofdgeding
A — Algemeen
Β — Onderzoek der rechtsmiddelen aan de hand van de verschillende door de rechter van instructie gestelde vragen
Opmerkingen van de Franse regering
A — Het begrip douanewaarde in de zin van verordening nr. 803/68
Β — Sancties op overtreding van de douanewetgeving
Opmerkingen van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland
A — Vraagstukken van douanerecht
Β — Beperkingen op het verkeer van goederen teneinde de toepassing van beperkingen op het verkeer van kapitaal te waarborgen
Opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk
Opmerkingen van de Commissie
A — Algemeen
Β — Verlaging van de douanewaarde
III — Mondelinge behandeling
Mondelinge opmerkingen van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland
Mondelinge opmerkingen van de Commissie van de EG
Recbtsgedeelte
Overwegingen
Kosten
Dictum
CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 20 MAART 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De vaststelling van de douanewaarde van goederen is geregeld in vóór de totstandkoming der Gemeenschap aangegane internationale overeenkomsten, onder meer in het Verdrag van Brussel van 15 december 1950, dan wel in bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht in verband waarmee met name zij gewezen op 's Raads verordening nr. 803/68 van 17 juni 1968 en op verordening nr. 375/69 van de Commissie van 27 februari 1969. In dit kader spelen de uitleggingsvragen waarvoor wij ons in de zaak-Chatain gesteld zien.
Zoals te doen gebruikelijk, zou ik met een kort overzicht van de feiten willen beginnen. Tussen begin 1971 en eind 1973 heeft de Franse vennootschap „Laboratoires Sandoz”, een dochtermaatschappij van de Zwitserse firma Sandoz AG, in Frankrijk verschillende partijen geïmporteerd van twee farmaceutische grondstoffen — de agentia van ergotaminę en dihydroergotamine —, die haar door de moedermaatschappij werden verkocht. Vermelding verdient dat de moedermaatschappij aan haar Franse dochteronderneming het exclusiefrecht had verleend om bepaalde farmaceutische specialiteiten in licentie te vervaardigen, waartegenover stond dat de moedermaatschappij voor de levering der door het Franse bedrijf benodigde grondstoffen preferentie werd verleend. Bij proces-verbaal van 20 februari 1974 stelde de Franse douane-inspectie vast dat er blijkens de facturen van de importerende firma een in verhouding tot de normale waarde der goederen buitensporige aankoopprijs moest zijn berekend. Men kwam, wat ergotaminę betreft, tot die conclusie bij vergelijking van de door Sandoz aan de Franse dochteronderneming berekende prijzen met de offertes, in Frankrijk door andere fabrikanten en handelaren voor overeenkomstige produkten gedaan, terwijl de douane voor dihydroergotamine, dat alleen door Sandoz' dochteronderneming in Frankrijk wordt ingevoerd, een technische vergelijking met eerdergenoemd produkt had doorgevoerd en ook de in de Bondsrepubliek berekende verkoopprijzen in aanmerking had genomen. Uit een en ander bleek dat de vennootschap „Laboratoires Sandoz” voor genoemd tijdvak voor deze importen een waarde van ten naaste bij negentig miljoen Franse franken had aangegeven, terwijl de douane niet verder kwam dan ongeveer drieenvijftig miljoen Franse franken.
De douane deed toen ten parkette aangifte tegen de heer René Châtain, directeur en administrateur van de vennootschap „Laboratoires Sandoz”, terzake van valse aangifte der waarde bij invoer en onrechtmatige verplaatsing van kapitaal naar het buitenland: door voor het ingevoerde produkt meer dan de werkelijke waarde te betalen, zou de firma haar activa naar Zwitserland hebben getransporteerd zonder betaling van de belastingen die zij in Frankrijk had moeten voldoen.
De verdachte heeft zich onder meer verdedigd met de stelling dat volgens 's Raads verordening nr. 803/68 inzake de douanewaarde van de goederen, een ambtshalve toegepaste vermindering van de werkelijk betaalde prijs in beginsel zou zijn uitgesloten, terwijl verordening nr. 375/69 van de Commissie, waarin de aangifte van gegevens inzake die douanewaarde is geregeld, de importeur alleen met die aangifte verband houdende verplichtingen zou opleggen; ook zou het de nationale overheid niet vrijstaan de communautaire regeling inzake de douanewaarde te gebruiken voor een heel ander doel, zoals het tegengaan van monetaire vergrijpen.
Het Tribunal de Grande Instance te Nanterre heeft ons Hof in twee beschikkingen van onderscheidenlijk 7 maart en 14 mei 1979 elf prejudiciële vragen gesteld, strekkende tot uitlegging van voormelde communautaire regeling betreffende de douanewaarde, maar ook van de artikelen 13 en 19 van de tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op 22 juli 1972 aangegane en krachtens 's Raads verordening van 19 december 1972, nr. 2840, in werking getreden Overeenkomst.
2.
In de eerste plaats wenst de Franse rechter te weten of het nationale gezagsorganen volgens 's Raads verordening (EEG) van 27 juni 1968 nr. 83, en wel met name volgens de artikelen 1-10 dier verordening c.q. volgens verordening nr. 1581 van de Commissie van 24 juni 1974 inzake het in aanmerking nemen van prijsverminderingen bij het bepalen van de douanewaarde, is toegestaan aan uit een derde staat ingevoerde goederen een lagere dan de door de importeur aangegeven waarde toe te kennen dan wel, voor importen die na de inwerkingtreding van verordening (EEG) van de Commissie van 27 februari 1969, nr. 375, hebben plaatsgehad, een lagere waarde dan die welke blijkt uit de door de importeur verstrekte gegevens, de douanewaarde betreffende.
Tot goed begrip van het door de verwijzende rechter gemaakte onderscheid tussen de situaties vóór en na de inwerkingtreding van verordening nr. 375/69, herinner ik eraan dat die verordening, afgezien van bepaalde nationale douaneregelingen en -praktijken volgens welke de importeur de douanewaarde der goederen heeft aan te geven, de verplichting heeft geïntroduceerd om, met het oog op de toepassing van verordening nr. 803/68, bepaalde feitelijke gegevens, de douanewaarde betreffende, aan te geven. Dat neemt niet weg dat wij ook in het stelsel van de aangehaalde verordening te maken hebben met een door de importeur op grond van de verstrekte gegevens aangegeven waarde; men zie het als bijlage bij de verordening gevoegde formulier.
Ter beantwoording van de hiervoor weergegeven vraag zal vooral artikel 1 van verordening nr. 803/68 moeten worden uitgelegd, volgens hetwelk „voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief ... de douanewaarde van in te voeren goederen [is] de normale prijs, dat wil zeggen de prijs welke geacht wordt ... voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.” In zijn arrest van 10 december 1970, gewezen in de zaak 27/70, Edding t. Hauptzollamt Hamburg (Jurispr. 1970, blz. 1035, met name r. o. 8), heeft het Hof er van zijn kant op gewezen, dat „de normale prijs, opleverende de douanewaarde, ... in beginsel [is] de werkelijke prijs, zoals die bij een onder de voorwaarden van vrije mededinging tot standgekomen koop en verkoop wordt bepaald.”
De mogelijkheid dat de overeengekomen (en betaalde) prijs van de „normale prijs” afwijkt, doet zich natuurlijk vooral voor wanneer de prijs wordt overeengekomen bij een niet onder de voorwaarden van vrije mededinging aangegane verkoop. In de zevende rechtsoverweging van genoemd arrest-Edding wordt terecht overwogen dat „met de term normale prijs vooral is beoogd de douaneautoriteiten in staat te stellen om, in het belang van een richtige heffing der douanerechten, de werkelijke goederenprijzen te bepalen ook wanneer de met betrekking tot die goederen aangegane transacties zijn afgesloten onder invloed van factoren welke de voorwaarden ener vrije mededinging tussen handelspartners ongunstig beïnvloeden.” In genoemd artikel 1, lid 1, van verordening nr. 803/68 was, naar wij zagen, de vrije mededinging door het vereiste van wederzijdse onafhankelijkheid van verkoper en koper reeds nader gekwalificeerd. In artikel 2, lid 1, worden nadere specificaties gegeven: een verkoop onder voorwaarden van vrije mededinging tussen een onafhankelijke koper en een onafhankelijke verkoper wil onder meer zeggen dat betaling van de prijs der waar de enige werkelijke prestatie van de koper is (ofwel jegens de verkoper zijn enige tegenprestatie), terwijl de overeengekomen prijs bovendien niet mag zijn totstandgekomen onder invloed van commerciële, financiële of andere relaties, die niets uitstaande hebben met verkooptransacties tussen de verkoper of een zakenrelatie van de verkoper enerzijds en de koper of een zakenrelatie van de koper anderzijds en de bij wederverkoop of later gebruik van de goederen verkregen opbrengst ook niet indirect aan de verkoper of een zakenrelatie van de verkoper ten goede mag komen.
Het lijdt dus geen twijfel dat het bij de bepaling van de douanewaarde van ingevoerde produkten op de normale, „theoretische”, waarde aankomt en niet op de in feite overeengekomen en betaalde prijs. Dit vindt bevestiging in andere bepalingen der onderhavige verordening: men zie slechts: lid 2, letters b) en c), van artikel 1, volgens hetwelk er ter bepaling van de normale prijs van wordt uitgegaan dat de verkoper alle kosten draagt, die op de koop en verkoop en op de levering van de goederen betrekking hebben, de koper de in het douanegebied van de Gemeenschap verschuldigde belastingen en heffingen, artikel 3, dat de criteria vastlegt ter bepaling van de normale waarde van goederen die met gebruikmaking van octrooien zijn vervaardigd, onder een merk ingevoerd of anderszins het voorwerp van intellectuele of industriële eigendomsrechten uitmaken, en vooral ook artikel 9, lid 1, letters b) en c), volgens hetwelk „de betaalde of te betalen prijs als douanewaarde kan worden aanvaard indien de prijs, op het ogenblik dat deze wordt overeengekomen, overeenstemt met prijzen welke zijn bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn en die prijs zo nodig wordt aangepast, indien de desbetreffende koop en verkoop elementen bevat die afwijken van die welke aan de definitie van de normale prijs ten grondslag liggen.” Met betrekking tot laatstgenoemde bepaling zij voorts opgemerkt dat de douane, wanneer bedoelde voorwaarden vervuld zijn, bevoegd, maar niet verplicht is de betaalde of te betalen prijs als met de normale prijs — en dus met de douanewaarde — overeenstemmend te beschouwen.
Deze regeling wettigt stellig de slotsom dat de douanewaarde objectief, onafhankelijk van de aangifte van de importeur, wordt vastgesteld. Zulk een objectieve waardebepaling, die natuurlijk tot correctie van de gefactureerde prijs kan leiden, is niet beperkt tot gevallen waarin de werkelijk betaalde prijs lager blijkt te zijn dan de normale; zulk een beperking stelt het gemeenschapsrecht nergens. De slotsom moet dus luiden dat het gemeenschapsrecht de nationale douane toestaat — en verplicht — tot wijziging van de gedeclareerde waarde over te gaan telkens wanneer die zich in neerwaartse óf in bovenwaartse richting van de normale prijs der goederen verwijdert.
Natuurlijk krijgt men veel vaker met eerstbedoelde casuspositie te maken; de importeur heeft er duidelijk belang bij zo weinig mogelijk douanerechten te betalen. In de regeling betreffende de bepaling der douanewaarde is dan ook vooral aan dat geval gedacht; men heeft vooral de ontduiking van zulke rechten willen voorkomen. Het blijkt onder meer uit artikel 9, lid 2, der verordening, waarin de voornaamste, zij het niet de enige, gevallen van rectificatie der betaalde of te betalen prijzen zijn omschreven en naast de gefactureerde prijs in aanmerking te nemen bestanddelen der douanewaarde worden genoemd (ten laste van de verkoper komende kosten, prijsverminderingen die uitsluitend worden toegestaan aaii alleenvertegenwoordigers e.d., abnormale kortingen). Bovendien komt in de zevende overweging van de considerans het belang ter sprake „iedere verlegging van douaneontvangsten te vermijden en in voorkomend geval te elimineren.” Dat wil mijns inziens echter niet zeggen dat het de douane verboden is een lagere normale waarde dan de aangegeven waarde vast te stellen.
Het laatstgenoemde standpunt kan evenwel alleen worden verdedigd met een beroep op de beide doelstellingen van het gemeenschappelijk douanetarief: het zorgen voor een passende bescherming van de economie der Gemeenschap en voor communautaire geldmiddelen. Met het aangeven van een hogere dan de werkelijke waarde, leidende tot heffing van meer douanerechten, lijken zowel de bescherming van de economie der Gemeenschap als de communautaire geldmiddelen gebaat te zijn, zodat het de vraag lijkt of de Gemeenschap er enig belang bij kan hebben zulk een aangifte aan te vechten en de waar lager te waarderen. Maar de veronderstelde afwezigheid van zulk een belang betekent nog niet dat de nationale gezagsorganen in geen geval een lagere waarde aan de ingevoerde produkten mogen toekennen. En als het om de doelstellingen gaat, kan ook zeker niet worden voorbijgezien aan de specifieke doelstellingen van verordening nr. 803/68, waarmede men vooral tot uniforme maatstaven ter bepaling van de douanewaarde heeft willen komen.
Ik zou hiervoor in het bijzonder de aandacht willen vragen. Men leze slechts de tweede, zesde en achtste overweging van de considerans, waarin met nadruk wordt gewezen op de noodzaak van „de invoering van een douanewetgeving welke een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief verzekert”, op het belang ervoor te zorgen dat „de mate waarin het gemeenschappelijk douanetarief bescherming biedt in de gehele Gemeenschap dezelfde is”, alsook op het belang „de importeurs een gelijke behandeling te verzekeren ten aanzien van de heffing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.” Reeds in het arrest, op 12 juli 1973 gewezen in zaak 8/73, Massey-Ferguson (Jurispr. 1973, blz. 897 e.v.) sprak het Hof uit „dat de werking van de douane-unie noodzakelijkerwijze de eenvormige vaststelling van de douanewaarde van de uit derde landen ingevoerde goederen verlangt” (derde r.o.); in dezelfde zin het op 23 november 1977 in de zaak-Enka gewezen arrest (Jurispr. 1977. blz. 2203 e.V.), waarin de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 803/68 wordt aangehaald en in verband met de doelstelling ener uniforme vaststelling van de douanewaarde terecht de maatstaf van de „normale prijs” van de ingevoerde goederen ter sprake wordt gebracht (13e en 14e r.o.). Er zijn dus goede gronden aanwezig om te stellen dat de Gemmenschap er bij de vaststelling der douanewaarde allereerst belang bij heeft dat er uniforme criteria worden gehanteerd; dat gebeurt wanneer alle Lid-Staten worden verplicht de maatstaf van de normale prijs aan te leggen. Een verlaging van de aangegeven waarde in dier voege dat zij tot de normale marktprijs wordt teruggebracht, acht ik dan ook ten volle gerechtvaardigd.
Ook andere overwegingen pleiten voor die oplossing. Het belang van de Gemeenschap rechtvaardigt ook dat een opwaardering van ingevoerde produkten — die in het niveau der binnen de Gemeenschap geldende prijzen zou kunnen doorwerken — wordt vermeden. Anderzijds zou men, door de douanerechten zwaarder te doen drukken op abusievelijk te hoog gewaardeerde waren, uiteindelijk — en in strijd met het beginsel ener gezonde mededinging — andere, slimmere importeurs bevoordelen. Tenslotte brengt de billijkheid mee, dat een importeur die een slechte affaire heeft afgesloten omdat hij een te hoge prijs moest betalen, gedaan moet kunnen krijgen dat de douanerechten over de marktwaarde worden berekend.
In zijn eerste vraag brengt de verwijzende rechter ook verordening nr. 1581/74 van de Commissie van 24 juni 1974 ter sprake. De vraag dient er mijns inziens echter niet anders om te worden behandeld. De Commissie heeft in die verordening bepaald onder welke voorwaarden men, ter bepaling van de douanewaarde, door een verkoper aan een koper toegestane kortingen in aanmerking mag nemen. In casu gaat het er echter om dat de douane de gefactureerde prijs wegens een door haar vastgestelde afwijking van de normale marktprijs corrigeert. Tot oplossing van ons probleem kan de verordening dus hoogstens bijdragen voor zover zij bevestigt dat de normale prijs — waarvan zij uitgaat — als maatstaf moet worden gehanteerd; dat is echter geen nieuws; de verordening geeft ook slechts uitvoering aan 's Raads voormelde verordening nr. 803/68.
De alleen in de eerste prejudiciële vraag genoemde verordening nr. 375/69 van de Commissie van 27 februari 1969 wil de importeurs een behandeling op voet van gelijkheid verzekeren als het erom gaat in de aangifte de elementen te vermelden die tezamen de douanewaarde opleveren, en in de bijlage wordt precies gezegd welke gegevens zij te dezen hebben te verstrekken. Ik zou voor het ogenblik alleen de aandacht willen vestigen op een van de bepalingen der verordening, waarin de stelling die ik uit de basisverordening meende te mogen afleiden, bevestiging vindt, en wel op artikel 1, lid 2, volgens hetwelk de douane de importeur uitvoeriger inlichtingen kan vragen dan van hem worden verlangd in de vragenlijst die in de bijlage is te vinden, met name als het gaat om een invoertransactie tussen een koper en een verkoper die niet onafhankelijk van elkaar zijn. Ook in die bepaling wordt namelijk niet onderscheiden naar gelang de douane met een factuurprijs te maken heeft die beneden de normale prijs blijft dan wel er juist bovenuit gaat, hetgeen tot de slotsom leidt dat de douane met behulp van de gevraagde nadere inlichtingen de door de importeur aangegeven en op de aankoopsprijs gebaseerde waarde in bovenwaartse of neerwaartse zin mag corrigeren.
3.
Zoals ik hiervoor reeds opmerkte, werden de criteria ter bepaling van de douanewaarde reeds voor de oprichting van de Gemeenschap vastgelegd in het op 28 juli 1953 in werking getreden Verdrag nopens de waarde van goederen in douanezaken, geconcipieerd overeenkomstig het principe dat de douanewaarde in overeenstemming moet zijn met de werkelijke waarde van de ingevoerde waar.
Ter beantwoording van de eerste vraag die de verwijzende rechter door het Hof wenst te zien beantwoord, verschaft het Verdrag van Brussel waardevolle gegevens, waarmede ik rekening zou willen houden. Ook in eerdere gevallen heeft het Hof bij het uitleggen van de communautaire bepalingen inzake de douanewaarde dat Verdrag terdege in zijn overwegingen betrokken; men zie de aangehaalde arresten, op 10 december 1970 gewezen in de zaak-Edding (met name r.o. 11) en op 23 november 1977 gewezen in de zaak-Enka (r.o. 24-26). In laatstgenoemd arrest is terecht overwogen dat artikel 1, lid 2, van verordening nr. 803/68 de overeenkomstige bepaling van bijlage I van het Verdrag van Brussel nagenoeg letterlijk overneemt, hetgeen ook geldt voor het reeds genoemde artikel 1, lid 1, der verordening, waarin de douanewaarde met de „normale prijs” van de waar wordt gelijkgesteld. Daargelaten dat de beide teksten vrijwel gelijkluidend zijn, dient men echter ook niet te vergeten dat alle Lid-Staten partij bij bedoeld Verdrag zijn (men zie de negende overweging van de considerans van verordening nr. 803/68) en dat de bevoegdheden der Lid-Staten in douanezaken door de Gemeenschap zijn overgenomen, zodat het Verdrag de Gemeenschap bindt (men zie de te dien aanzien zeer duidelijke rechtsoverwegingen van het arrest, op 12 december 1972 gewezen in de gevoegde zaken 21-24/72, International Fruit Company, Jurisp. 1972, blz. 1219, alsook het arrest, op 19 november 1975 gewezen in zaak 38/75, Nederlandse Spoorwegen, Jurispr. 1975, blz. 1439) Bij de uitlegging van het gemeenschapsrecht dient dus zoveel mogelijk te worden voorkomen dat het in conflict geraakt met de internationale verplichtingen welke in het Verdrag van Brussel, zolang het van kracht is, verankerd liggen (het zal op korte termijn worden vervangen door een nieuwe overeenkomst ter uitvoering van artikel VII van de GATT).
Vervolgens zullen wij moeten stilstaan bij de „noten voor de interpretatie van de definitie van de waarde in douanezaken”, vervat in bijlage II van het Verdrag, en wel met name bij noot 5, luidende als volgt: „De waardedefinitie beoogt in alle gevallen mogelijk te maken dat tot grondslag van de berekening van de invoerrechten wordt genomen de prijs, waarvoor een koper zich de ingevoerde goederen ingevolge een onder voorwaarden van vrije concurrentie tot stand gekomen koop en verkoop zou kunnen verschaffen in de haven of op de plaats van binnenkomst in het land van invoer. Deze definitie heeft een algemene strekking; zij is van toepassing, ongeacht of de ingevoerde goederen al dan niet het voorwerp van een overeenkomst van koop en verkoop hebben uitgemaakt en ongeacht welke de voorwaarden van een zodanige overeenkomst mochten zijn.”
Blijkens het eerste gedeelte van de noot hebben de auteurs van het Verdrag niet willen weten van een methode volgens welke de douanewaarde uit de werkelijke waarde van de afzonderlijke partijen kan worden afgeleid en gemeend van een „theoretisch” koopcontract te moeten uitgaan. De prijs is dan die waartegen de waar onder voorwaarden van „vrije concurrentie” zou zijn verkocht, dat wil zeggen bij volkomen onderlinge onafhankelijkheid van koper en verkoper. Echter brengt volgens de noot „de toepassing van deze definitie een onderzoek mede naar de prijzen die gelden op het tijdstip van bepaling van de waarde.” In die formulering komt de zelfstandigheid van de douane bij de vaststelling van de elementen van bedoeld „theoretisch contract” tot uitdrukking. Echter hebben de behoefte aan een snelle inklaring en de wens de waarde, zo mogelijk, op de grondslag van handelsdocumenten te kunnen vaststellen (waaraan wordt tegemoetgekomen in de beginselen III en IV, door de werkgroep voor de Europese Douane-unie opgesteld alvorens de definitie van Brussel ter hand te nemen), ertoe geleid dat in de praktijk de per transactie gefactureerde prijs in aanmerking wordt genomen. Die prijs kan volgens noot 5 „in het algemeen als een waardevolle aanwijzing voor de normale prijs in de zin van de definitie ... worden beschouwd” met dien verstande evenwel dat men te maken moet hebben met een bona fide overeenkomst en onverminderd maatregelen ter voorkoming van pogingen tot fraude door middel van fictieve of valse prijzen of overeenkomsten — en de mogelijkheid tot aanpassing ten einde elementen, afwijkende van die welke bij de waardebepaling in aanmerking zijn genomen, recht te doen wedervaren —.
Gezien noot 5, is de systematiek van het Verdrag van Brussel er dus ten duidelijkste op gericht de douanelasten naar de objectieve aard der goederen te bepalen, terwijl de douane bij de vaststelling van die waarde niet gebonden is aan de prijs die in de handelsbescheiden figureert. Een fictieve prijs wordt natuurlijk in de overgrote meerderheid der gevallen opgevoerd om minder douanerechten te behoeven te betalen, zodat men met de aangifte beneden de objectieve waarde blijft; vandaar het hiervoor gereleveerde eerste voorbehoud van noot 5. Het redeverband sluit echter al evenmin als de context van verordening nr. 803/68 de mogelijkheid uit dat de administratie vaststelt dat de factuurprijs de objectieve waarde te boven gaat, en ik wijs er nogmaals op dat de douane dan verplicht is de normale prijs aan te houden en de waar lager dan de door de importeur aangegeven prijs aan te slaan. Daarop wijzen ook de algemeenheid van de voorwaarde waaronder volgens noot 5 de gefactureerde prijs in aanmerking mag worden genomen, en het vervolgens gemaakte tweede voorbehoud: het moet om bona fide overeenkomsten gaan en correctie is mogelijk om de aangegeven prijs tot de prijs in de definitie bedoeld te herleiden.
4.
In haar opmerkingen bracht de vennootschap „Laboratoires Sandoz” de behoefte aan een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief ter sprake ten betoge dat het bij die toepassing behalve om het belang der Gemeenschap bij de heffing der douanerechten niet ook om de bescherming van nationale belangen of om de verwezenlijking van strikt nationale belangen mag gaan. Hierover een enkel woord.
In de eerste plaats heb ik mij in het tot nu toe gevoerde betoog, zoekend naar een oplossing voor het door de verwijzende rechter opgeworpen probleem, ertoe beperkt het gemeenschapsrecht met inaanmerkingneming van de op het spel staande communautaire belangen uit te leggen. Ik mocht erop wijzen dat een uitlegging van verordening nr. 803/68 welke een lagere waardering der ingevoerde goederen door de douane gedoogt, niet door de beugel zou kunnen als te dezen primair op het communautair belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst aan douanerechten zou moeten worden gelet. Ik heb echter als mijn mening uitgesproken dat het er in de eerste plaats om gaat dat de waarde van de ingevoerde goederen wordt vastgesteld volgens een objectieve en constante maatstaf, die er zich toe leent een uniforme toepassing van het gemeenschappelijke douanetarief te verzekeren: op een juiste en uniforme heffing deidouanerechten komt het aan, niet op een abnormaal hoge opbrengst, die wel met de gefactureerde prijs, maar niet met de normale prijs van het produkt in overeenstemming is.
In de tweede plaats hangen andere, eveneens communautaire belangen met de behoefte aan een uniforme toepassing van het douanetarief samen. Van groot gewicht is vooral het belang dat met de instandhouding van de voorwaarden voor vrije en eerlijke mededinging gemoeid is; wij zagen dat daarbij de bepaling van de douanewaarde zelf in geding is. En het is gemakkelijk in te zien dat in naam van dat belang de strijd tegen te lage aangiften van de importeurs moet worden aangebonden; zij zijn erop bedacht te weinig douanerechten te betalen, waardoor zij lagere verkoopsprijzen kunnen vaststellen. Maar ook door te hoge aangiften kunnen aan de importeurs ongerechtvaardigde voordelen toevloeien, met name wanneer zij daardoor in staat worden gesteld hun winsten kunstmatig laag te houden en zich te onttrekken aan fiscale lasten die ook de zwaarste douanerechten te boven zouden zijn gegaan. Het behoeft wel geen betoog dat zulke manipulaties vooral denkbaar zijn wanneer een dochteronderneming produkten van de moedermaatschappij importeert.
In de derde plaats zie ik niet in waarom de uitkomsten van de controle ter bepaling van de douanewaarde, dat wil zeggen de vaststelling van de „normale prijs” der goederen niet ook zouden kunnen dienen om — secundair — nationale belangen die niet met het belang der Gemeenschap bij de heffing der douanerechten samenvallen, te beschermen. Mijns inziens behoeven er aan die mogelijkheid geen andere beperkingen te worden gesteld dan de eis dat beide belangen zich met elkander moeten verdragen en de communautaire maatstaven inzake de bepaling der douanewaarde strikt moeten worden gehandhaafd. Met andere woorden, het nastreven van mogelijke nationale doeleinden (van fiscale of monetaire aard bijvoorbeeld) behoort aan de juiste heffing der douanerechten niet in de weg te staan en de waardebepaling mag niet afhankelijk worden gesteld van andere maatstaven dan in de communautaire regeling zijn aanvaard. Maar wordt bij een correctie van de aangegeven waarde — die de normale prijs recht doet wedervaren — het gemeenschapsrecht geëerbiedigd, dan is de betrokken staat vrij er voor andere sectoren dan de heffing der douanerechten verdere consequenties aan te verbinden. Het gaat er maar om dat bij bedoelde vaststellingen wordt gewerkt met maatstaven — en volgens een methode — die het belang der Gemeenschap centraal stellen, hetgeen geacht moet worden het geval te zijn zolang de desbetreffende regeling van de Gemeenschap wordt geëerbiedigd; is dat zo en heeft er een rectificatie van de gefactureerde prijs plaatsgehad, dan kunnen aan zodanige correctie op nationaal niveau alle consequenties worden verbonden die aan de primaire, communautaire doelstellingen waarom het bij de vaststelling van de douanerechten gaat, geen afbreuk doen.
5.
Alvorens tot bespreking van de vragen 2 t/m 10, door het Tribunal de Grande Instance in zijn voormelde beschikking van 7 maart 1979 gesteld, over te gaan, zullen wij een ogenblik moeten stilstaan bij de elfde vraag, die de nationale rechter in zijn beschikking van 14 mei 1979 alsnog aan het Hof heeft voorgelegd en met de tot nu toe besproken kwestie nauw verband houdt: „Is het ingevolge artikel 9 van verordening nr. 803/68 van de Raad en, voor de importen waarop deze van toepassing zijn, ingevolge verordening nr. 375/69 van de Commissie en de bijlage hiervan, de bevoegde instanties van een Lid-Staat toegestaan om, ter bepaling van de douanewaarde, op de gefactureerde prijs andere verlagingen toe te passen dan die bedoeld sub 18 tot en met 21 van genoemde bijlage en die worden bepaald door van de prijs van het goed onderscheiden, doch niettemin in de gefactureerde prijs begrepen elementen?”
In lid 1 van genoemd artikel 9 worden de voorwaarden opgesomd waaronder de betaalde of te betalen prijs als douanewaarde kan worden aanvaard; lid 2 geeft een regeling voor aanpassingen als bedoeld in lid 1, letter c), die nodig kunnen blijken om prijsfactoren die bij de betrokken transactie tot een afwijking van de normale prijs leiden, recht te doen wedervaren. In het als bijlage bij verordening nr. 365/69 van de Commissie gevoegde formulier gaat het — in de nummers 18 tot en met 21 — om „niet in de douanewaarde op te nemen elementen”, begrepen in de gefactureerde prijs die geacht wordt als grondslag der berekening der aangegeven waarde te zijn aanvaard. De elementen bedoeld in artikel 9, lid 2 (in genoemd formulier gespecificeerd onder de nrs. II-17) moeten, ter vaststelling van de normale prijs, bij de gefactureerde prijs worden opgeteld, de elementen in het formulier onder de nrs. 19-21 genoemd (en in verordening nr. 803/68 summierlijk vermeld in artikel 1, lid 2, letter c), moeten, indien in de gefactureerde prijs begrepen, van die prijs worden afgetrokken wanneer de normale prijs moet worden vastgesteld.
De verwijzende rechter brengt beide elementen ter sprake en heeft er zich dus rekenschap van gegeven dat er bij het in rekening brengen van een hogere zo goed als van een lagere prijs dan de normale tot correctie kan worden overgegaan. Hij betwijfelt evenwel of er andere correcties, althans in neerwaartse richting, dan in voormelde voorschriften voorzien, mogelijk zijn; wat correcties „naar boven” betreft, is het alleszins duidelijk dat artikel 9, lid 2, de belangrijkste, doch niet alle gevallen noemt waarin ze mogelijk zijn; dit blijkt wel uit de woorden „in het bijzonder”.
Men zou kunnen antwoorden dat de vrijheid tot wijzigingen in bovenwaartse richting geen zin zou hebben als niet ook correcties in omgekeerde zin geoorloofd zijn; het gaat er immers in beide gevallen om dat men op de normale prijs uitkomt. Ook kan worden opgemerkt dat in genoemd formulier letterlijk gevraagd wordt om „andere” niet in de douanewaarde op te nemen elementen; het blijkt derhalve om een open categorie te gaan. Ik meen echter dat er een andere overweging aan het antwoord ten grondslag moet worden gelegd. Zowel in artikel 9 van verordening nr. 803/69 als in bedoeld formulier wordt er van uit gegaan dat de gefactureerde prijs de grondslag vormt ter berekening van de douanewaarde en dat het bij eventuele correcties ter bepaling van die douanewaarde om eenvoudige rekenkundige verrichtingen gaat. De douane is echter, naar wij zagen en nader door mij zal worden uiteengezet, vrij de waar zelf te waarderen en daarbij niet van de gefactureerde prijs uit te gaan; in de praktijk zal dit gebeuren in de zeldzame gevallen waarin de gefactureerde prijs mag worden geacht aanmerkelijk van de normale prijs af te wijken. Men is dan buiten het toepassingsgebied van voormelde bepalingen en het gaat stellig niet aan te denken dat zulke in ieder geval niet „taxatieve” bepalingen de douane de mogelijkheid zelfstandig tot waardebepaling over te gaan, zoals die in het systeem van het Verdrag van Brussel en in het gemeenschapsrecht gezamenlijk besloten ligt, kunnen ontnemen.
6.
In de tweede vraag, gesteld voor het geval dat de eerste in bevestigende zin mocht worden beantwoord, gaat het er voor de Franse rechter om of het ingevolge de voornoemde verordeningen de bevoegde instanties van een Lid-Staat is toegestaan, de door de importeur aangegeven waarde dan wel, bij toepassing van verordening nr. 375/69, de uit de dooide importeur verstrekte gegevens blijkende waarde te verlagen, zulks op basis van een vergelijking tussen die waarde en een of meer prijzen die in andere verkoopcontracten betreffende hetzelfde produkt zijn overeengekomen.
Aangezien de douane, naar ik uitvoerig betoogde, de douanewaarde van goederen mag bepalen op een lager niveau dan dat van de gefactureerde prijs, lijdt het mijns inziens geen twijfel dat zij onder meer mag letten op de prijzen waartegen dezelfde waren door anderen worden verkocht. Het blijkt wel uit voormelde noot 5 van bijlage II van het Verdrag van Brussel, volgens welke „de toepassing van de definitie” (se. van de douanewaarde) „een onderzoek mede [brengt] naar de prijzen die gelden op het tijdstip van de bepaling der waarde.” En in verband met de elementen die tot correctie van de verkoopsprijs moeten leiden wordt in diezelfde noot onder meer nog gesproken van verminderingen „van de bij vrije concurrentie gebruikelijke prijs”; die prijs is dus het objectief referentiegegeven. Wel moet de waar waaraan voor die prijsvergelijking wordt gerefereerd, werkelijk dezelfde zijn, terwijl de economische context, met name gezien de omvang der transacties, de oorsprong der waren, de commercialisatievoorwaarden en andere kenmerkende verkoopscondities, zich voor vergelijking moet lenen.
7.
Mocht deze vraag in bevestigende zin worden beantwoord, dan wenst de verwijzende rechter in de derde plaats te weten welk(e) in- en/of uitvoerland of -landen bij die verkopen moet(en) zijn betrokken, opdat de bevoegde instanties van een Lid-Staat ingevolge voornoemde verordeningen gemachtigd zijn op de bij die verkopen gemaakte prijzen een verlaging van de aangegeven of van de uit door de importeur verstrekte gegevens blijkende waarde te baseren. Inzonderheid interesseert de verwijzende rechter of de verkopen waarvan de prijzen als referentieprijzen kunnen worden gebruikt, per se tot stand moeten zijn gekomen tussen een exporteur en een importeur die respectievelijk zijn gevestigd in dezelfde landen als de partijen bij verkooptransacties waarbij de door de importeur aangegeven waarde of de door deze ter bepaling van de douanewaarde verstrekte gegevens worden betwist.
Mijns inziens behoeft dit niet het geval te zijn zolang men maar te doen heeft met vergelijkbare transacties, tussen de beide betrokken landen ten aanzien van dezelfde waren afgesloten. Het kan gaan om niet zeer gangbare produkten (zoals de onderhavige) en de douane moet dan natuurlijk ter vaststelling van de waarde bij zijn vergelijkend onderzoek over de grenzen der beide landen kunnen heenkijken.
De door mij voorgestelde ontkennende beantwoording van deze vraag stelt een door de nationale rechter subsidiair geformuleerde vraag aan de orde, namelijk of het ingevolge de voornoemde verordeningen en verordening nr. 603/72 van de Commissie van 24 mei 1972 betreffende de voor de bepaling van de douanewaarde in aanmerking te nemen koper, toegestaan is rekening te houden met de verkopen door exporteurs gevestigd in andere Lid-Staten, aan importeurs gevestigd in andere Lid-Staten, door exporteurs gevestigd in derde landen, aan importeurs gevestigd in derde landen, dan wel tussen een leverancier en een koper die beiden in derde landen zijn gevestigd.
Volgens artikel 1 van voornoemde verordening nr. 603/72 kan voor de toepassing van verordening nr. 803/68 „de betaalde of te betalen prijs slechts als douanewaarde worden aanvaard indien die prijs is overeengekomen bij een verkoop aan een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde koper.” Gezien die territoriale beperking, acht ik het uitgesloten dat er, ook bij vergelijkingen als de onderhavige, kan worden gelet op prijzen berekend aan buiten het douanegebied der Gemeenschap, dat wil zeggen in derde landen, gevestigde importeurs. Hetgeen echter wil zeggen dat verkopen aan importeurs in andere Lid-Staten zonder meer in aanmerking mogen worden genomen.
Er zij in dit verband aan herinnerd dat in de aanbeveling van de Douaneraad d.d. 1 juni 1965, betreffende de toepassing van de definitie van Brussel van de douanewaarde voor „uitzonderlijke gevallen waarin de prijzen, vergeleken met die voor dezelfde of soortgelijke waren berekend, abnormaal laag zijn”, steeds wordt gerefereerd aan de prijzen die van „een willekeurige koper in het land van invoer op hetzelfde handelsniveau als de betrokken koper” vrijelijk kunnen worden bedongen. Wil men die aanbeveling van communautair standpunt bezien, dan zal men mijns inziens onder land van invoer de gehele Gemeenschap, als één enkel douanegebied, hebben te verstaan en niet alleen de afzonderlijke Lid-Staten.
Laat ons thans nagaan welke grenzen wij bij zulk een vergelijkend onderzoek hebben in acht te nemen wat de positie van de verkopers betreft. Bij gebreke van andere verkopers in de staat van herkomst van de betrokken waar mogen ongetwijfeld verkopen van exporteurs in andere Lid-Staten in aanmerking worden genomen, met dien verstande dat er op mogelijke verschillen tussen de betrokken exportlanden, met name wat betreft de kosten der produktiefactoren, dient te worden gelet, zulks in de lijn van lid 3, letter a, 2°, van de richtlijn van de Douaneraad.
Hetzelfde geldt mijn inziens voor de mogelijkheid te rade te gaan met verkopen van exporteurs in derde landen of andere staten dan die waar de betrokken verkoper gevestigd is — en bovendien buiten de Gemeenschap gelegen —.
En tenslotte behoeft het wel geen betoog dat als verkopen aan in derde landen gevestigde importeurs buiten beschouwing moeten worden gelaten, hetzelfde geldt voor verkopen tussen kopers en verkopers die beiden in derde staten zijn gevestigd.
8.
In de vierde plaats vraagt de Franse rechter of het ingevolge de voornoemde verordeningen de bevoegde instanties is toegestaan, als referentieprijzen die aanleiding geven tot een verlaging van de door de importeur aangegeven waarde dan wel, bij toepassing van verordening nr. 375/69, van de uit de door die importeur verstrekte gegevens blijkende waarde, aan te houden de prijzen gemaakt: a) bij het verkopen van produkten uit derde landen waar de buitenlandse handel het monopolie is van de staat of van staatsondernemingen; b) bij verkopen van produkten die imitaties zijn van produkten die het voorwerp zijn van de verkoop naar aanleiding waarvan de douanewaarde wordt verlaagd.
Met betrekking tot de eerste groep verkooptransacties heeft de Commissie er terecht op gewezen dat de marktwetten er in de regel niet voor gelden en dat zij niet tot stand komen onder de in artikel 1 van verordening nr. 803/68 bedoelde mededingingsvoorwaarden. Aan de bij die transacties tot stand gekomen prijzen mag dus alleen worden gerefereerd wanneer blijkt dat ze overeenkomen met prijzen die onder voorwaarden van vrije mededinging normaal zijn te achten. Maar om tot die vaststelling te komen zou men hebben te letten op andere verkooptransacties, hetzelfde produkt betreffende en buiten de staatshandelskanalen om tot stand gekomen. Hetgeen erop neerkomt dat ter bepaling van de normale waarde van een produkt niet kan worden gewerkt met de exportprijzen waarop genoemd monopoliestelsel van toepassing is.
En de prijzen van „namaak”-produkten kunnen stellig geen houvast bieden, voor zover zij met schending van octrooien zijn tot stand gekomen of hun distributie in het land van import met zulk een industrieel eigendomsrecht in strijd is te achten (zoals ín casu volgens het verweerschrift van de Duitse regering het geval is). Mag zulk een produkt op de markt van het land van invoer slechts met toestemming van de octrooihouder worden verkocht, dan is de aangegeven prijs, wanneer de octrooikosten er niet in verdisconteerd zijn, niet als representatief te beschouwen, immers bij de prijsvorming is dan een der normale prijselementen wederrechtelijk buiten beschouwing gelaten. Maar gaat het om produkten die niet onder industriële eigendomsrechten vallen, dan zou er, wanneer zij kwalitatief met het betrokken produkt kunnen worden vergeleken, aan de prijs van het namaakartikel kunnen worden gerefereerd.
9.
In zijn vijfde vraag gaat de verwijzende rechter er veronderstellenderwijs van uit dat er rechtens en feitelijk geen enkele referentieprijs kan worden gebruikt; hij wenst te weten of de bevoegde instanties van het land van invoer dan eenzijdig andere methoden of gegevens mogen benutten en zo ja, welke.
Ik wil er allereerst op wijzen, dat het probleem van de bepaling der douanewaarde op een andere grondslag dan de betaalde of te betalen prijs in het systeem van het Verdrag van Brussel stellig niet onbekend is. De hoofdstukken VIII en IX van de verklarende aantekeningen bij de definitie van Brussel zijn eraan gewijd en betreffen met name invoer door geassocieerde bedrijven (met inbegrip van dochterondernemingen van buitenlandse vennootschappen). Als wezenlijk criterium wordt genoemd de waarschijnlijke opbrengst bij verkoop der te waarderen goederen (men zie blz. 1373), met dien verstande dat de gevallen waarin de betaalde of te betalen prijs als grondslag ter bepaling van de waarde wegens twijfelachtige betrouwbaarheid, of omdat er een vertekend beeld van de feiten is gegeven, niet in aanmerking komt, niet speciaal zijn bestudeerd. Gevallen van fraude vallen niet onder deze aantekeningen. Als het echter om de theoretische waarde van de betrokken waren gaat, zou men de aanwijzingen van hoofdstuk IX kunnen volgen en van geval tot geval de meest voor de hand liggende methoden en criteria toepassen (men zie blz. 1372).
Verdere aanwijzingen zijn te vinden in de ontwerp-overcenkomst betreffende de uitvoering van hoofdstuk VII van de GATT, die voor het Verdrag van Brussel in de plaats zou moeten treden en het onderwerp uitmaakt van vergevorderde besprekingen tussen de Lid-Staten van de Algemene Overeenkomst. Blijkens het bij het verweerschrift van het Verenigd Koninkrijk gevoegde ontwerp wordt in gevallen waarin de referentieprijzen ontbreken het criterium van de te verwachten verkoopprijs geïntegreerd in dat van de berekende waarde (computed value), waarde die in hoofdzaak de grondstoffen- en fabricagekosten en een zeker bedrag voor winst en algemene kosten omvat.
Zonder mij in de details der waarderingsmethoden te verdiepen, wijs ik erop dat de twijfel van de Franse rechter aan de bevoegdheid van de nationale overheid andere referentiemethoden te gebruiken, alleen een rechtvaardiging vindt in het feit dat de Gemeenschap bij de nakoming van de uit het Verdrag van Brussel voortvloeiende verplichtingen voor de Lid-Staten in de plaats is getreden. De Duitse regering vindt hierin aanleiding een ontkennende beantwoording van voormelde vraag te bepleiten: de Lid-Staten hebben te dezen hun bevoegdheden verloren en de hierbedoelde materie wordt thans volledig door het gemeenschapsrecht bestreken.
Mijns inziens ziet de Duitse regering eraan voorbij dat het gemeenschapsrecht zwijgt over de waarderingsmethoden die toepassing moeten vinden wanneer het prijselement niet als grondslag kan worden gebruikt en (in de door mij voorgestane uitlegging) tegelijkertijd aan de nationale douaneautoriteiten de bevoegdheid inruimt door eigen nasporingen tot vaststelling van de normale waarde van een waar te komen, terwijl het systeem van het Verdrag van Brussel — dat, naar ik hiervoor uiteenzette, op het domein van het gemeenschapsrecht van toepassing is — waardevolle gegevens verschaft met behulp waarvan de douanewaarde anders dan op grondslag van de gefactureerde prijs kan worden bepaald. Uitgaande van dat systeem zal — en moet — de nationale douane, geroepen het gemeenschapsrecht ook met behulp van genoemd Verdrag toe te passen, een oplossing kunnen vinden voor de casuspositie die de Franse rechter in zijn vijfde vraag heeft omschreven: de onmogelijkheid met referentieprijzen te werken.
Anderzijds zal rekening moeten worden gehouden met het door de Duitse regering gesignaleerde risico dat het optreden van de nationale douaneautoriteiten neerkomt op een willekeurige uitoefening van de bevoegdheid de waarde anders dan op grondslag van de gefactureerde prijs of de referentieprijs vast te stellen, waarmede aan de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief afbreuk zou worden gedaan. Het verdient dan ook aanbeveling dat de nationale overheid, wanneer zij zich heeft te begeven op een terrein dat niet expressis verbis door verordening nr. 803/68 en aanvullende verordeningen wordt bestreken, het advies van de bevoegde diensten van de Commissie inwint.
10.
In zijn zesde vraag gaat de Franse rechter er veronderstellenderwijs van uit dat „de methoden van de Franse administratie ter bepaling van de douanewaarde niet kunnen worden aanvaard”; hij wenst te weten volgens welke criteria die waarde dan correct moet worden vastgesteld wanneer men over geen enkele bruikbare referentieprijs beschikt en het om octrooiprodukten gaat die voorwerp zijn van verkopen tussen twee onderling niet onafhankelijke vennootschappen.
In dit prejudicieel geding heeft het Hof natuurlijk niet uit te maken of de maatstaven welke de Franse overheid in casu aanlegde, als aanvaardbaar zijn te beschouwen. Voor het overige wordt in hoofdzaak het in de vorige vraag bedoelde probleem opnieuw aan de orde gesteld, zij het toegespitst op het bijzondere geval dat het gaat om octrooiprodukten die het voorwerp zijn van verkopen tussen twee onderling niet onafhankelijke vennootschappen. Ik acht het overbodig in herhaling te treden; ik houd mij aan het systeem van Brussel, zoals het door de aanbevelingen van de Douaneraad en de resultaten van het overleg en de studiën van het Comité voor de Waarde is aangevuld.
11.
In de zevende plaats wenst de Franse rechter te weten of de bevoegde instanties van een Lid-Staat de importeur een valse aangifte inzake de douanewaarde door middel van een valse, onvolledige, onjuiste of niet-tocpasselijke factuur — nationaalrechtelijk op één lijn staande met invoer van verboden goederen zonder aangifte, een delict bedreigd met hoge boetes en gevangenisstraffen — kunnen tegenwerpen, ook wanneer die importeur, in overeenstemming met voornoemde verordening nr. 375/69 en met gebruikmaking van de vragenlijst in bijlage van deze verordening, juiste gegevens inzake de douanewaarde heeft verstrekt, en wanneer het vaststaat dat de goederen daadwerkelijk in de op de factuur vermelde kwaliteit en hoeveelheid aan de koper zijn geleverd en de verkoper de gehele gefactureerde prijs heeft ontvangen.
In de vraagstelling gaat de rechter in het bodemgeschil er kennelijk van uit dat een importeur die zich naar verordening nr. 375/69 heeft gedragen en het contract metterdaad heeft uitgevoerd, het douanerecht van de Gemeenschap niet heeft geschonden; het moet dan dus uitgesloten worden geacht dat de nationale overheid zulk een importeur een valse aangifte van de douanewaarde telastlegt. Het nationale douanerecht, ook voor zover strafrechtelijk van aard, draagt ten opzichte van het douanerecht van de Gemeenschap een strikt accessoir karakter; het komt alleen aan bod voor zover dit communautaire douanerecht — en de waarborgen voor zijn naleving — in geding zijn. Blijkens de vaste jurisprudentie van het Hof kunnen de Lid-Staten in de sectoren welke door het gemeenschapsrecht worden bestreken, niet eenzijdig nadere voorwaarden stellen als het gaat om onderwerpen die gemeenschapsrechtelijk uitputtend zijn geregeld; men zie o.m. de arresten, op 11 februari 1971 gewezen in zaak 39/70, Fleischkontor (Jurispr. 1971, blz. 58) en op 14 maart 1973 in zaak 57/72, Westzucker (Jurispr. 1973, blz. 322 e.v., inz. blz. 343).
Het gaat er nu maar om of — beter gezegd: in hoeverre — het uitgangspunt van de verwijzende rechter juist is. Behalve tot specificatie van de waarde-elementen met behulp van het formulier dat als bijlage bij genoemde verordening nr. 375/69 van de Commissie gevoegd is, is de importeur mijns inziens verplicht te goeder trouw de werkelijke waarde van de ingevoerde waar aan te geven. Zoals ik reeds mocht opmerken, wordt aan het, eind van het formulier van de importeur een aangifte van de waarde verlangd, voor welke aangifte hij zich aansprakelijk stelt. En er kunnen zich ten minste twee gevallen voordoen waarin een ogenschijnlijk juiste invulling van het formulier niet betekent dat men zijn verplichting de werkelijke waarde te goeder trouw aan te geven, is nagekomen. In de eerste plaats kan er door koper en verkoper ten aanzien van de prijs zijn gesimuleerd, zodat de gefactureerde prijs boven of beneden de werkelijke prijs ligt (in dier voege dat de verkoper nadat het contract is uitgevoerd, een prijssupplement restitueert of op andere rekeningen van de koper afboekt). In de tweede plaats is het mogelijk dat de importeur bepaalde in de gefactureerde prijs begrepen, maar in werkelijkheid buiten de verkooptransactie staande elementen niet heeft aangegeven. In laatstbedoelde gevallen is het ook denkbaar dat de importeur op het formulier melding had kunnen maken van de elementen die de prijs kunstmatig deden stijgen; eventueel had hij daartoe gebruik kunnen maken van rubriek nr. 21 (die in hoofdzaak bedoeld is voor na de aankoop ontstane bijkomende kosten); zo gezien zou de ondernemer zich ook volgens verordening nr. 375/69 terzake van een onvolledige aangifte hebben te verantwoorden. Van meer belang lijkt mij evenwel dat de voorschriften der verordening in geval van een schijncontract kunnen worden nageleefd zonder dat de aangifte de werkelijke prijs recht doet wedervaren. Dit wordt mogelijk door een frauduleuze handeling van de importeur en daarom lijdt het voor mij geen twijfel dat hij het douanerecht der Gemeenschap schendt, ook al worden de bepalingen betreffende de aangifte van de elementen die te zamen de douanewaarde vormen, schijnbaar nageleefd. Een strafvervolging op nationaal niveau lijkt mij derhalve geoorloofd wanneer er in de betrokken LidStaat op schending van het douanerecht straf gesteld is. Hetzelfde heeft mijns inziens te gelden wanneer de importeur, zij het onopzettelijk, elementen verzwijgt die hij had moeten aangeven.
Hetgeen ik tot nu toe betoogde vraagt nog om een verklarende aanvulling. Waar het strafrecht in douanezaken er, als gezegd, toe dient nadere waarborgen te geven voor de naleving van het douanerecht der Gemeenschap, kan men zich afvragen welke belangen gemoeid zijn met een bestraffing van personen die, door een hogere dan de werkelijke waarde aan te geven, noch de economie noch de geldmiddelen der Gemeenschap in gevaar hebben gebracht. Het op die vraag te geven antwoord hangt logischerwijze samen met een punt dat ik hiervoor reeds heb besproken: een mede door het nationale strafrecht beschermd communautair belang wil dat de aangiften der importeurs, in de lijn van een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, de objectieve waarde van de waar aangeven. Dat er wellicht tevens andere, alleen naar nationaal recht niet geoorloofde feiten kunnen worden bestraft (bijvoorbeeld feiten in strijd met de monetaire voorschriften) doet aan de logica der strafrechtelijke bescherming van het communautaire douanerecht niet toe of af.
Vanzelfsprekend kan het bij inbreuken op dit stelsel om ernstiger of minder ernstige feiten gaan en natuurlijk acht ik het aangeven van een te hoge waarde van ingevoerde goederen veel minder ernstig dan het aangeven van een te lage waarde, immers alleen in het laatste geval worden er aan de Gemeenschap douanerechten onthouden. Hier speelt het evenredigheidsbeginsel, dat volgens 's Hofs jurisprudentie allereerst paal en perk moet stellen aan het optreden der communautaire instellingen, maar ook kan worden ingeroepen als het gaat om handelingen waardoor de nationale overheden het Verdrag uitvoeren (in casu: de naleving ervan waarborgen). Daarom moeten de strafsancties door de Lid-Staten gehanteerd ter verzekering van de naleving van het douanerecht der Gemeenschap, worden gemeten aan de aard en de ernst der begane overtreding, het door de overtreding geschonden belang in aanmerking genomen.
Een ander punt dat de aandacht verdient, is dat de enkele vaststelling van een of ander verschil tussen de door de importeur aangegeven waarde en de door de administratie vastgestelde „normale” waarde nog geen strafsancties rechtvaardigt. Zulk een verschil kan uiteenlopende oorzaken hebben: de gefactureerde prijs kan de marktprijs te boven gaan als gevolg van de bijzondere gewiekstheid van de verkoper en de betrekkelijke onervarenheid van de koper (die zich bijvoorbeeld kan hebben vergist of ten aanzien van de kwaliteit der waar werd misleid). Er kan dus in beginsel geen sprake van zijn dat de nationale autoriteiten tegen een importeur een strafzaak aanhangig maken om de enkele reden dat de aangegeven waarde correctie behoefde. Eigenlijk aarzel ik of hier van in het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden of grenzen mag worden gesproken: in het strafrecht geeft normaliter het subjectieve element de doorslag. Krijgt men te maken met een bijzonder ¡ streng strafstelsel, waarin bijvoorbeeld ] ook op culpose feiten zware sancties gesteld zijn, dan kan het evenredigheidsbeginsel misschien opnieuw worden ingeroepen zodra die sancties moeten dienen om de naleving van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Ook in dit geval rust de bewijslast van overtredingen als voormeld natuurlijk op de autoriteiten van wie de telastlegging uitgaat, zulks in overeenstemming met een strafrechtelijk grondbeginsel dat niet door het gemeenschapsrecht behoeft te worden bevestigd.
Tenslotte zij er nogmaals op gewezen dat in gevallen waarin aan een importeur zowel schending van in het gemeenschapsrecht verankerde douanerechtelijke verplichtingen als van andersoortige, zuiver nationaalrechtelijke verplichtingen is telastgelegd, het lot dat aan laatstbedoelde telastlegging beschoren is, niet mag afhangen van -— en niet behoort te worden gewijzigd door — het lot dat voor eerstbedoelde telastlegging is weggelegd. De uitlegging van het douanerecht mag dus niet worden afgestemd op andere doelstellingen dan er in de rechtsorde van de Gemeenschap aan toekomen. En de nationale autoriteiten dienen er, bij de vrije uitoefening van de repressieve bevoegdheden welke het nationale recht hun met betrekking tot niet onder het douanerecht vallende feiten toekent, op toe te zien dat de juiste toepassing van de regelen der communautaire rechtsorde niet wordt belemmerd.
12.
In de achtste vraag van het Tribunal te Nanterre gaat het erom of „de praktijk om de aangegeven waarde te verlagen, en de ernstige consequenties daarvan voor de importeurs, verenigbaar zijn met de bij de artikelen 12-29 EEGVerdrag ingestelde douane-unie, zulks gelet op de verkeersverleggingen en de distorsies van de mededinging, waartoe die praktijk aanleiding kan geven.”
In de bewoordingen waarvan de verwijzende rechter zich bediende, schijnt het antwoord reeds besloten te liggen: leidt een verlaging van de aangegeven waarde door de douane tot verkeersverleggingen en distorsies van de mededinging, dan moet bedoelde „praktijk” met de beginselen van de douane-unie in strijd worden geacht. Het komt mij echter voor dat een verlaging van de aangegeven waarde op zichzelf niet kan worden beschouwd als de bron van de ongunstige consequenties waarvoor de Franse rechter beducht was. Integendeel, juist om een uniforme toepassing van het gemeenschappelijke douanetarief te verzekeren — met strikte handhaving van de maatstaf der normale waarde — kunnen de douaneautoriteiten mijns inziens de dooide importeur aangegeven waarde niet slechts verhogen, maar ook verlagen. De veronderstelling dat dit met de beginselen der douane-unie in strijd zou zijn, is dan ten enemale misplaatst. En wat betreft de in de vraagstelling met een verlaging van de aangegeven waarde in verband gebrachte „ernstige consequenties voor de importeurs”, men krijgt de indruk dat de Franse rechter wilde wijzen op de zware strafsancties, in Frankrijk op valse douaneaangiften gesteld, ook als de aangegeven waarde de normale waarde te boven gaat. Maar gemeenschapsrechtelijk kan het er in een dergelijke situatie alleen maar om gaan of de Lid-Staten bij het opleggen van sancties wegens schending van communautaire belangen het evenredigsheidsbeginsel hebben in acht genomen. Dat punt is reeds besproken en het lijkt mij niet nodig er langer bij stil te staan; echter wijs ik erop dat niet-inachtneming van het evenredigheidsbeginsel iets anders is dan schending van de bepalingen betreffende de douane-unie.
13.
In de negende vraag wenst de nationale rechter te weten of het, waar artikel 13 van de overeenkomst tussen de EEG en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 (verordening nr. 2840/72 van de Raad van 19 december 1972) alle maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen verbiedt, de bevoegde instanties uit dien hoofde niet is verboden de aangegeven dan wel de uit de door de importeur verstrekte gegevens blijkende waarde te verlagen. Ook vraagt de Franse rechter of artikel 13 toelaat dat met hoge boetes en gevangenisstraffen wordt gestraft een importeur in een Lid-Staat van de EEG, die zijn verplichtingen correct heeft vervuld door de bevoegde nationale instanties de door verordening nr. 375/69 van de Commissie van 27 februari 1969 verlangde inlichtingen juist en volledig te verschaffen, wanneer vaststaat dat de betrokken goederen daadwerkelijk in de op de factuur vermelde kwaliteit en hoeveelheid aan de koper zijn geleverd en de verkoper de gehele gefactureerde prijs heeft ontvangen.
Ik wil er, wat het eerste gedeelte van de vraag betreft, mee volstaan te herinneren aan de overwegingen die ik hiervoor deed gelden ten betoge dat het verlagen van de aangegeven waarde met de bepalingen betreffende de douane-unie verenigbaar is. Kennelijk worden de artikelen 30 en 31 van het Verdrag van Rome in artikel 13 van genoemde overeenkomst althans ten dele geëerbiedigd. Wordt de waarde der goederen door de douaneautoriteiten overeenkomstig het gemeenschapsrecht en het systeem van het Verdrag van Brussel verlaagd, dan wordt daardoor de vrijheid van het verkeer van goederen — binnen de Gemeenschap dan wel jegens de Zwitserse Bondsstaat — niet belemmerd. Aan artikel 13 der overeenkomst kan mijns inziens dan ook niet worden afgelezen dat de nationale overheid de aangegeven waarde niet in neerwaartse richting mag corrigeren.
Ik mocht er, wat betreft het probleen dat in het tweede gedeelte van de vraar. aan de orde gesteld wordt, reeds op wijzen dat een formele naleving van verordening nr. 375/69 door de importeur niet per se betekent dat hij te goeder trouw zijn gemeenschapsrechtelijke verplichting de werkelijke waarde aan te geven is nagekomen. Maar laten wij met het oog op de beantwoording van de vraag een ogenblik aannemen dat de koper, wat de aangifte der douanewaarde betreft, werkelijk geheel aan zijn communautaire verplichtingen heeft voldaan en dat de staat van invoer hem nochtans, als verdacht van douanefraude, „hoge boetes en gevangenisstraffen” wil opleggen, waarschijnlijk uitgaande van een nationaalrechtelijke opvatting van bedoeld feit en met terzijdelating van de desbetreffende communautaire voorschriften. In zodanig geval zou de importeur zich mogen beschouwen als het slachtoffer van een gemeenschapsrechtelijk ongerechtvaardigde behandeling, die voor zijn commerciële activiteiten niet zonder gevolgen znl blijven. Mijns inziens zou dan voldaan zijn aan de voorwaarden waaronder het er voor mag worden gehouden dat er te zijnen aanzien een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is genomen, waardoor artikel 13 van bedoelde overeenkomst zou zijn geschonden.
14.
In de tiende vraag van de Franse rechter komt artikel 19, eerste alinea, van bedoelde overeenkomst tussen de EEG en Zwitserland ter sprake, waarin elke beperking van betalingen die betrekking hebben op het goederenverkeer, alsmede van overmakingen van die betalingen tussen de Lid-Staten van de EEG en Zwitserland wordt verboden; is het, zo vraagt de Franse rechter, gezien deze bepaling de bevoegde instanties van een Lid-Staat niet verboden, als „ongeoorloofde overmaking van kapitaal” — verboden krachtens de deviezenwetgeving van die staat — aan te merken verrichtingen waarbij de in een Lid-Staat gevestigde koper aan zijn Zwitserse leverancier het voor een verkoop van goederen gefactureerde bedrag betaalt, wanneer vaststaat dat die goederen daadwerkelijk in de op de factuur vermelde kwaliteit en hoeveelheid aan de koper zijn geleverd en de verkoper de gehele gefactureerde prijs heeft ontvangen?
Zoals bekend verplicht binnen de Gemeenschap de vrijmaking van met het goederenverkeer verband houdende betalingen de onderscheiden Lid-Staten de importeurs voor het met de prijs der waren overeenkomend bedrag deviezenvergunningen te verlenen. Tot eenzelfde consequentie leidt artikel 19 van bedoelde overeenkomst tussen de EEG en Zwitserland. Is de importeur echter valselijk met de verkoper overeengekomen een bedrag boven de waarde op te voeren — om meer kapitaal te kunnen exporteren dan ter betaling van de waar zelf gerechtvaardigd zou zijn geweest —, dan kan het verschil tussen de werkelijke prijs en de gefactureerde prijs, gezien voormelde communautaire bepalingen, natuurlijk niet als door de vergunning gedekt worden beschouwd. Bedoelde bepalingen verplichten de Lid-Staten vergunning te verlenen voor de betalingen welke voor de betrokken transacties werkelijk noodzakelijk zijn en kunnen stellig niet worden ingeroepen om echte overmakingen die zich met de fiscale en monetaire wetgeving niet verdragen, geoorloofd te doen zijn. Ik acht het dan ook zinloos om, zoals ten processe geschiedde, met 's Hofs arrest van 23 november 1978, gewezen in de zaak 7/78, Regina t. Thompson (Jurispr. 1978, blz. 2248 e.V.) te komen aandragen, waarin op monetair terrein een nationaal uitvoerverbod, ook tussen Lid-Staten, werd aanvaard wanneer het een rechtvaardiging vindt in redenen van openbare orde als bedoeld in artikel 36 van het Verdrag (overeenkomende met artikel 20 van voormelde overeenkomst). Ten gunste van de mogelijkheid tegen fraude in de zin van de nationale fiscale of monetaire wetgeving te kunnen optreden behoeven zulke uitzonderingsbepalingen mijns inziens niet te worden ingeroepen; ik acht het voldoende — en juister — de grenzen in aanmerking te nemen die aan de door de Gemeenschap aanvaarde verbintenissen gesteld zijn, en daarbij gaat het alleen om de lopende betalingen van ingevoerde waren binnen de grenzen van htm werkelijke waarde.
15.
Ik concludeer dat het Hof de prejudiciële vragen, door het Tribunal de Grande Instance te Nanterre bij beschikkingen van 7 maart en 14 mei 1979 gesteld, als volgt zal beantwoorden:
1.
Het is volgens 's Raads verordening (EEG) van 27 juni 1968, nr. 803, bij toepasing van het criterium van de normale prijs der ingevoerde waren, toegestaan aan bepaalde produkten een lagere douanewaarde toe te kennen dan de door de importeur aangegeven waarde c.q. dan de waarde die blijkt uit de door de importeur verstrekte gegevens als bedoeld in artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) van de Commissie van 27 februari 1969, nr. 375. Bij de bepaling van de waarde van een waar mag de douane ook acht slaan op andere elementen en omstandigheden dan genoemd in artikel 9 van 's Raads genoemde verordening en in de nrs. 18-21 van de bijlage van genoemde verordening der Commissie.
2.
Ter bepaling van de normale waarde van de waar mag de douane de door de importeur aangegeven waarde vergelijken met een of meer prijzen, vermeld in andere contracten tot verkoop van hetzelfde produkt, mits de economische context zich voor vergelijking leent, in het bijzonder wat betreft de omvang der in aanmerking genomen verkoopcontracten, de oorsprong der waren, de commercialisatievoorwaarden en de andere omstandigheden welke de verkooptransactie kenmerken.
3.
Is vergelijking met de prijzen, door concurrenten berekend bij verkoopcontracten aangegaan tussen een exporteur en een importeur, gevestigd in dezelfde landen waartussen de verkoop speelt welke het probleem van de vaststelling der douanewaarde deed rijzen, niet mogelijk, dan mag de douane zijn onderzoek uitstrekken tot contracten welke het kader van de betrekkingen tussen bedoelde twee landen te buiten gaan.
Bij zulke vergelijkende onderzoekingen dient de mogelijkheid te worden uitgesloten acht te slaan op prijzen, berekend bij verkopen bestemd voor importeurs die in derde staten zijn gevestigd; wel kunnen verkopen, bestemd voor importeurs die in andere Lid-Staten gevestigd zijn, in aanmerking worden genomen. Bij de verkopen welke bij de vergelijking worden betrokken, mag het gaan om verkopen, door exporteurs in andere Lid-Staten of in derde staten afgesloten, zolang het niet mogelijk is te refereren aan verkopen van exporteurs, gevestigd in de staat waaruit de te waarderen waar afkomstig is.
4.
Als referentieprijzen kunnen alleen de prijzen dienen welke normaal, onder mededingingsvoorwaarden, worden berekend. Uitgesloten zijn evenwel prijzen, berekend bij verkopen van produkten uit landen waar de buitenlandse handel het monopolie is van de staat of van staatsondernemingen. De prijzen van namaakprodukten komen alleen in aanmerking, wanneer het namaakprodukt niet door een industrieel eigendomsrecht wordt beschermd en kwalitatieve vergelijking met het produkt waarvan de waarde moet worden vastgesteld, mogelijk blijkt.
5.
Is er geen enkele referentieprijs voorhanden, dan mag de nationale douane methoden bezigen — en werken met elementen — die in het systeem van het Verdrag van Brussel ter bepaling van de normale waarde der waren zijn toegelaten, met dien verstande dat in voorkomende gevallen het advies van de bevoegde diensten van de Commissie der Gemeenschappen ware in te winnen.
6.
Heeft de importeur zich bij de aangifte van de waarde der goederen geheel naar de communautaire regeling gedragen door alle te zijner beschikking staande gegevens betreffende de douanewaarde over te leggen en te goeder trouw de werkelijke waarde van de ingevoerde waar aan te geven, dan mag het ervoor worden gehouden dat hem vanwege zijn handelwijze niet door enige Lid-Staat een strafsanctie kan worden opgelegd. Evenmin mag de nationale overheid, wanneer de door de importeur voor een waar betaalde prijs hoger of lager blijkt te zijn dan de volgens voormelde regeling vastgestelde douanewaarde, alleen op grond daarvan aannemen dat bij de importeur de bedoeling heeft voorgezeten het communautaire douanerecht te schenden.
Wordt evenwel aangetoond dat exporteur en importeur hadden afgesproken een gefingeerde prijs in rekening te brengen — die ook bij de douane werd aangegeven — of heeft de importeur elementen welke de gefactureerde prijs van de werkelijke prijs doen verschillen, verzwegen, dan is de toepassing van strafsancties door een Lid-Staat gerechtvaardigd, mits de strafoplegging aan de aard en de ernst van de overtreding van het communautaire douanerecht geëvenredigd zij.
7.
Artikel 13 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, waarin alle maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen worden verboden, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de douane der Lid-Staten de douanewaarde van een waar te bepalen wanneer de normale waarde beneden de aangegeven waarde blijkt te liggen.
Een Lid-Staat die strafsancties zou willen opleggen aan een importeur die zich bij het aangeven van de waarde van uit Zwitserland ingevoerde waren volledig naar de communautaire regeling gedroeg, zou een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking nemen en daarmee in strijd handelen met genoemd artikel 13 van de Overeenkomst tussen de EEG en Zwitserland.
8.
Dat in artikel 19, eerste alinea, van voormelde tussen de Europese Economische Gemeenschap en Zwitserland gesloten overeenkomst elke beperking van betalingen die betrekking hebben op het goederenverkeer, alsmede van overmakingen van die betalingen tussen de Lid-Staten en Zwitserland wordt verboden, wil niet zeggen dat de nationale autoriteiten niet als ongeoorloofde overmakingen van kapitaal mogen aanmerken verrichtingen waarbij de in een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap gevestigde koper aan zijn Zwitserse moederonderneming, die hem bepaalde waren leverde, de gefactureerde verkoopsprijs betaalt, wanneer zij de werkelijke waarde van de ingevoerde produkten aanzienlijk te boven gaat en ook blijkt dat de koper met de verkoper valselijk is overeengekomen voor bedoelde produkten een hogere waarde aan te geven.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy