CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 9 JANUARI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De onderhavige prejudiciële zaak heeft betrekking op de navordering van heffingen op importen van rundvlees naar Italië. Om het geval te kunnen begrijpen is het volgende van belang.
Volgens Italiaans recht, te weten artikel 6, sub 1, van de inleidende bepalingen van het douanetarief (DPR nr. 723 van 26 juni 1965), is het op ingevoerde goederen toe te passen douanerecht het bedrag, geldende op de datum waarop de aangifte ten invoer door de douane wordt aanvaard. Volgens het bepaalde sub 2 van dit voorschrift zoals dit aanvankelijk luidde, kon de douane in geval van wijziging van het douanetarief na het sub 1 vermelde tijdstip, op verzoek van de importeur het laagste tarief toepassen zolang de goederen nog niet ter vrije beschikking van de importeur waren gesteld. Deze bepalingen werden door de Italiaanse administratie zowel op douanerechten als op landbouwheffingen toegepast.
Nadat het Hof in zijn arrest van 15 juni 1976 (zaak, 113/75, Frecassetti, Jurispr. 1976, blz. 983) met het op de vaststelling van de op graan toe te passen heffing had uitgemaakt dat het bedrag van de heffing steeds moet overeenkomen met het bedrag, geldende op de dag waarop de aangifte ten invoer door de douane wordt aanvaard, heeft de Italiaanse regering aan genoemd artikel 6, sub 2, van de inleidende bepalingen van het douanetarief bij presidentieel besluit nr. 695 van 22 september 1978 een bepaling toegevoegd, inhoudende dat de mogelijkheid het gunstigste bedrag toe te passen, niet zou gelden voor landbouwheffingen en in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorziene andere belastingen. Voorts bepaalde artikel 3 van genoemd besluit, dat de bepaling waarbij de mogelijkheid het gunstigste bedrag toe te passen werd uitgesloten voor de landbouwheffingen, zou gelden vanaf 11 september 1976, de dag van bekendmaking van het arrest in de zaak-Frecassetti in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Vóór dit arrest had de Italiaanse administratie van de Staatsfinanciën evenwel reeds van de drie ondernemingen Salumi, Vasanelli en Ultrocchi de nabetaling van invoerheffingen voor rundvlees gevorderd, omdat het gunstiger bedrag, dat na aanvaarding van de aangifte ten invoelen vóór de terugname van de goederen gold, bij gebreke van een schriftelijk verzoek bij vergissing zou zijn toegepast.
Het daartegen door de drie ondernemingen gedane verzet werd door het Tribunale te Genua toegewezen. Dit verklaarde de vordering van de administratie ongegrond. De door de administratie aangevoerde argumenten werden door de Corte d'Appello afgewezen met de overweging dat de vaststelling van de heffingen voor landbouwprodukten niet een zaak zou zijn van de bepalingen van nationaal belastingrecht maar van gemeenschapsrecht, op grond waarvan het toe te passen bedrag in ieder geval dat van de dag van invoer zou zijn, dat wil zeggen het bedrag geldende op de dag waarop de goederen definitief en onherroepelijk het douanegebied binnenkomen en in het vrije verkeer worden gebracht.
De Italiaanse Administratie van de Staatsfinanciën heeft tegen deze beslissingen beroep tot cassatie ingesteld bij de Corte Suprema di Cassazione. Daarbij heeft zij onder meer betoogd dat op grond van het volgens de appèlrechter toepasselijke gemeenschapsrecht — met name blijkens het inmiddels gewezen arrest van het Hof in de zaak-Frecassetti — de voor de vaststelling van het toe te passen bedrag beslissende dag van invoer de dag is, waarop de douane de aangifte ten invoer aanvaardt. Artikel 3 van het presidentieel besluit nr. 695 van 22 september 1978, bepalende dat voor landbouwheffingen de toepassing van het laagste bedrag vanaf 11 september 1976 is uitgesloten, zou daarmee weliswaar tegelijkertijd de toepasselijkheid van de tot genoemde datum met het gemeenschapsrecht strijdige nationale bepalingen hebben vastgelegd, doch zou niet in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, dat de landbouwheffingen indirect regelt. Door genoemde bepaling vast te stellen zou de nationale wetgever immers enkel een beginsel van de communautaire rechtsorde hebben overgenomen: indien de uitlegging van een communautairrechtelijke bepaling twijfels oproept en intussen ingevolge een overeenstemmende onjuiste uitlegging door de betrokkenen onverschuldigde betalingen zijn verricht of verschuldigde heffingen niet zijn toegepast, kan de juiste toepassing van de communautairrechtelijke regeling eerst worden gevorderd vanaf het moment waarop aan die regeling een bindende uitlegging is gegeven. Dit beginsel zou ook zijn gehuldigd door het Hof in zijn arrest van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455) en door de Commissie in haar nota nr. 75 425312 van 30 mei 1975, gegeven in aansluiting op het arrest van het Hof van 12 november 1974 (zaak 34/74, Roquette Frères, Jurispr. 1974, blz. 1217).
De Corte Suprema di Cassazione heeft op grond van dit betoog geoordeeld, dat genoemd artikel 3 van presidentieel besluit nr. 695 in beginsel voor tweeërlei uitleg vatbaar is: de vaststelling van een termijn vormt alleen in haar „positieve” betekenis een voorschrift in die zin, dat zij de regeling voor het voorafgaande tijdvak onaangetast laat, of de termijnbepaling heeft ook in „negatief” opzicht een normatief karakter in die zin, dat het de Italiaanse administratie ondanks het arrest in de zaak-Frecassetti is verboden, voor de importen van vóór 11 september 1976 het verschil tussen het op de dag van invoer geldende bedrag en het bij toepassing van de regel van het gunstigste tarief daadwerkelijk geheven bedrag na te vorderen. De Corte heeft derhalve bij beschikking van 11 januari 1979 besloten de procedure te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de volgende vragen voor te leggen:
„a)
Wanneer de autoriteiten van een Lid-Staat in situaties die naar nationaal recht nog niet definitief zijn geworden, op importen heffingen hebben toegepast die zij niet hadden moeten toepassen, of daarentegen niet de heffingen hebben toegepast die zij hadden moeten toepassen krachtens de voor de betrokken sector geldende communautaire regeling zoals die vervolgens is uitgelegd in een arrest van het Hof van Justitie, is dit arrest dan ingevolge artikel 177 EEG-Verdrag in de nationale rechtsorde van een Lid-Staat al dan niet eveneens van toepassing op deze situaties, of is dit slechts het geval binnen bepaalde grenzen en onder bepaalde voorwaarden en zo ja, binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden?
b)
Is het hoe dan ook — nog steeds in verband met artikel 177 EEG-Verdrag — naar gemeenschapsrecht verboden of verplicht, dan wel van geen belang, dat het nationale recht aan degenen die bij deze situatie belang hebben, de bevoegdheid toekent beroep in te stellen om — op grond van de in het arrest van het Hof van Justitie gegeven uitlegging — te vorderen wat verschuldigd is, maar nog niet is geïnd, dan wel terug te vorderen wat onverschuldigd is betaald?”
Ik zou hierover het volgende willen opmerken.
De eerste vraag heeft betrekking op de werking ratione temporis van een arrest waarin het Hof bij wege van een prejudiciële beslissing een bepaling van gemeenschapsrecht heeft uitcelesïd. De verwijzende rechter wenst te vernemen of een bepaling van gemeenschapsrecht, in de daaraan door het Hof gegeven uitlegging, moet worden toegepast op een situatie welke reeds bestond vóórdat het op artikel 177 EEG-Verdrag gebaseerde uitleggingsarrest werd gewezen, en of een dergelijke toepassing niet op grond van andere communautairrechtelijke beginselen is uitgesloten.
Met de tweede vraag zou de verwijzende rechter willen weten of en zo ja in hoeverre het nationale recht de betrokkenen de bevoegdheid moet toekennen de uit die bepaling ontstane rechten in beroep geldend te maken.
Daar deze beide vragen nauw samenhangen, lijkt het mij verstandig ze samen te onderzoeken.
Zoals gezegd heeft het Hof in zaak 113/75 (Frecassetti) verklaard, dat het ter uitvoering van de beide graanmarktverordeningen (verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962, PB 1962, blz. 933, en verordening nr. 120/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967, PB 1967, blz. 2269) te heffen bedrag steeds moet overeenstemmen met het op de dag van invoer geldende bedrag. Ten aanzien van het begrip „dag van invoer” in de zin van genoemde verordeningen heeft het Hof beslist dat dit de dag is, waarop de aangifte ten invoer van de importeur door de douane wordt aanvaard. Deze uitlegging, die het Hof voornamelijk uit de zin en het doel van de landbouwheffingen als zodanig heeft afgeleid, dient ook te gelden voor alle andere verordeningen houdende ordening van de landbouwmarkt, die eveneens bepalen dat de op de dag van invoer geldende heffing moet worden toegepast. Een overeenkomstige uitdrukkelijke bepaling werd weliswaar in de in casu relevante verordening inzake rundvlees (verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, PB L 148 van 1968, blz. 24) eerst naderhand, bij verordening nr. 2838/71 van de Raad van 24 december 1971 (PB L 286 van 1971, blz. 1), ingelast en was evenmin neergelegd in de daarvóór geldende verordening nr. 14/64/EEG van de Raad van 5 februari 1964 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1964, blz. 562).
Maar onafhankelijk van een dergelijke uitdrukkelijke regeling, kon ook daarvóór alleen maar hetzelfde gelden. Dit blijkt uit de zin en het doel van de heffingen, die hoofdzakelijk de gemeenschappelijke markt moeten steunen en stabiliseren, doordat zij schommelingen van de wereldmarktprijzen compenseren. Daaruit volgt reeds dat voor het bedrag van de heffing moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop een produkt het marktgebeuren binnen de Gemeenschap beslissend kan beïnvloeden, dus van het tijdstip waarop het de gemeenschappelijke markt binnenkomt. Zoals bekend sedert het arrest van het Hof van 15 juni 1976 (zaak 113/75, Frecassetti), is dit het tijdstip van aanvaarding door de douane van de verklaring van de importeur dat hij de goederen in het vrije verkeer wil brengen. Derhalve dient nog te worden onderzocht, of de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees in bovenbedoelde uitlegging ook moet worden toegepast op de importen van rundvlees die vóór genoemd arrest hebben plaatsgevonden.
Verweersters in het hoofdgeding betogen dat de criteria voor de werking rati one temporis van prejudiciële beslissingen, bij gebreke van een bijzondere bepaling van gemeenschapsrecht uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten worden afgeleid. Na een uitvoerige analyse van deze rechtspraak — voor details kan ik verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van verweersters — komen zij tot de conclusie dat het onmogelijk is, zich algemeen uit te spreken vóór het beginsel van de werking „ex tunc” of dat van de werking „ex nunc” van de krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gewezen uitleggingsarresten. De beantwoording van deze vraag zou veeleer afhangen van het bijzondere karakter van de individuele gevallen alsmede van de verschillende manieren van uitlegging en van de resultaten daarvan. Indien de uitlegging berust op de ontstaansgeschiedenis en de bewoordingen van een bepaling, dan moet — aldus verweersters — wel worden uitgegaan van werking ex tunc van het betrokken arrest. Daarentegen zou het voor werking ex nunc pleiten, indien de uitlegging plaats vindt aan de hand van systematische overwegingen en is gebaseerd op de ontwikkeling van de normatieve of sociaaleconomische achtergrond. Indien het Hof enkel de betekenis van een voorschrift vaststelt, zou ervan moeten worden uitgegaan dat de uitlegging vanaf de inwerkingtreding van het betrokken voorschrift geldt, terwijl dit niet steeds kan worden aangenomen indien een arrest de verdere ontwikkeling en de voltooiing van het gemeenschapsrecht voorop stelt. In het eerste geval roept het volgens verweersters geen bezwaren op aan een uitleggingsarrest terugwerkende kracht toe te kennen, indien het voor particulieren tegenover de Lid-Staten subjectieve reebten in het leven roept, die de nationale rechter dient te beschermen. Indien het arrest daarentegen verplichtingen voor particulieren in het leven roept, zou moeten worden onderzocht of werking ex tune niet in strijd is met de fundamentele eisen van rechtszekerheid. Uit de betekenis van de arresten „ultra partes” kan volgens verweersters inderdaad in beginsel worden afgeleid dat zij in zoverre „werking ex tune” hebben. De werking „erga omnes”, die tot op zekere hoogte aan de uitlegging bij wege van een prejudiciële beslissing wordt toegeschreven, zou daarentegen niet steeds de conclusie rechtvaardigen dat het arrest terugwerkende kracht heeft. Zo zou het Hof er soms de voorkeur aan hebben gegeven, op de vraag vanaf welk moment een bepaald voorschrift rechttreekse werking heeft, een voor meerdere uitleggingen vatbaar antwoord te geven door te verklaren, dat de rechtstreekse werking van de uitgelegde bepaling „uiterlijk” op een nader bepaald tijdstip is ingetreden. In het arrest van 8 april 1976 (zaak 43/76, Defrenne) zou het Hof ten slotte op bepaalde buitengewone omstandigheden van het betrokken geval hebben gewezen en daarmee tot uitdrukking hebben gebracht dat de terugwerkende kracht van het arrest beperkt was.
Volgens mij kan dit betoog echter om verschillende redenen niet staande worden gehouden. De Commissie heeft terecht opgemerkt dat artikel 164 EEG-Verdrag het Hof enkel een rechtsprekende functie opdraagt, die iedere wetgevende bezigheid uitsluit. Wanneer het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag door een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, kan het enkel een algemene en abstracte uitlegging van het gemeenschapsrecht geven, door de betekenis van de uit te leggen norm aan te duiden. De uitlegging moet steeds tot doel hebben de doelstelling van het Verdrag zo optimaal mogelijk te verwezenlijken. In mijn conclusie in zaak 61/79 (Denkavit) heb ik reeds vastgesteld dat het arrest in een prejudiciële zaak in zoverre steeds declaratoire wcrking heeft, dat aan de hand van de traditionele uitleggingsmethodes de betekenis van een bepaling -wordt vastgesteld die deze steeds heeft gehad. Dit geldt ook wanneer het Hof met behulp van een rechtsvergelijkend onderzoek communautairrechtelijke leemtes opvult. Anders dan verweersters menen, vervult het Hof hierbij geen rechtscheppende functie, doch spoort het enkel algemene rechtsbeginselen op die de rechtsordes van de Lid-Staten gemeen hebben en die als zodanig — inzonderheid blijkens artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag — deel uitmaken van de communautaire rechtsorde.
Waar het Hof derhalve bij wege van uitlegging in zaak 113/75 (Frecassetti) heeft vastgesteld, dat ingevolge de ratio van de heffingen het bedrag van de toe te passen heffing steeds het bedrag moet zijn geldende op de dag waarop de aangifte ten invoer door de douane wordt aanvaard, moet deze verklaring geacht worden ook te gelden voor alle andere verordeningen op het gebied van de landbouwmarkt die eveneens in heffingen voorzien en die inzoverre dezelfde doelstelling hebben.
Juridisch gezien kan het door het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gewezen arrest ook voor andere bij de nationale rechters aanhangig gemaakte soortgelijke zaken niet zonder betekenis zijn. De betekenis van de door het Hof gegeven uitlegging voor die rechters blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de nationale rechters in hoogste instantie die zich bij deze uitlegging willen aansluiten, volgens het arrest van het Hof van 27 maart 1963 (gevoegde zaken 28 tot 30/62, Da Costa & Schaake NV e.a., Jurispr. 1963, blz. 63) zijn vrijgesteld van de verplichting zich opnieuw tot het Hof te wenden en dat de lagere nationale rechters die niet opnieuw om een prejudiciële beslissing verzoeken, zich niet voor een afwijkende uitlegging kunnen uitspreken zonder het gemeenschapsrecht onjuist toe te passen. Bijgevolg geldt de door het Hof gegeven uitlegging ook voor de in casu relevante verordening inzake de rundvleesmarkt, met als gevolg dat steeds wanneer een procespartij zich erop beroept, iedere nationale rechter genoemde voorschriften vanaf het moment waarop zij op nationaal niveau gaan gelden, overeenkomstig die uitlegging moet toepassen. Indien de door het Hof gegeven uitlegging niet werd toegepast op situaties ontstaan vóórdat het arrest werd gewezen, zou dit, naar de Commissie terecht opmerkt, betekenen dat een rechtsvoorschrift voor het verleden zijn werking wordt ontnomen of een andere betekenis wordt toegekend en dat aldus het gemeenschapsrecht in strijd met het beginsel van rechtszekerheid in de tijd wordt gesplitst.
Weliswaar komt het Hof in vele uitleggingsarresten tot de conclusie dat een bepaling „uiterlijk” op een nader bepaald tijdstip rechtstreekse werking krijgt, doch het wil daarmee niet de werking van het arrest in de tijd beperken, maar enkel een uitspraak doen over het tijdstip waarop de betrokken bepaling rechtstreekse werking krijgt. Als het om verordeningen gaat is een dergelijke vaststelling echter onnodig, daar deze volgens artikel 189, tweede alinea, EEG-Verdrag vanaf hun inwerkingtreding in iedere Lid-Staat rechtstreeks toepasselijk zijn. Rechtstreekse toepasselijkheid in deze zin betekent — aldus het Hof in zijn arrest van 9 maart 1978 (zaak 106/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 629) — „dat de regels van het gemeenschapsrecht vanaf hun inwerkingtreding en tijdens hun gehele geldigheidsduur hun volle werking op eenvormige wijze in alle Lid-Staten moeten ontplooien”. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de rechtstreeks toepasselijke bepalingen een bron van rechten en verplichtingen vormen voor allen die zij betreffen, ongeacht of het gaat om Lid-Staten of om particulieren. Uit de rechtstreekse toepasselijkheid tezamen met het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht, volgt verder „dat elke in het kader zijner bevoegdheid aangezochte nationale rechter verplicht is het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de door dit recht aan particulieren toegekende rechten te beschermen, daarbij buiten toepassing latend elke eventueel strijdige bepaling van de nationale wet, ongeacht of deze van vroegere of latere datum is dan de gemeenschapsregel” (zaak 106/77, Simmenthal). Derhalve is in beginsel elke bepaling van een nationale rechtsorde of enige wetgevende, bestuurlijke of rechterlijke praktijk die ertoe zou leiden de uitwerking van het gemeenschapsrecht te verminderen, onverenigbaar met de vereisten welke in de eigen aard van het gemeenschapsrecht besloten liggen.
Uit dit vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht volgt voor het onderhavige geval, dat de ingevolge een onjuiste toepassing van de verordening betreffende de ordening van de landbouwmarkt te weinig geïnde heffingen in beginsel kunnen worden nagevorderd en dat de uitoefening van die rechten in beginsel door de nationale rechters moet worden beschermd. In mijn conclusies in de zaken 68/79 (Just) en 61/79 (Denkavit) heb ik aan de hand van de daarin vermelde rechtspraak reeds aangetoond dat de rechters van de Lid-Staten deze aanspraken enkel met behulp van hun nationale rechtsvoorschriften kunnen beschermen, zolang het gemeenschapsrecht geen zelfstandige regeling bevat. Ik heb er in genoemde conclusies eveneens op gewezen, dat de nationale rechters bij de toepassing van hun nationale recht evenwel de in zaak 33/76 (Rewe, arrest van 16 december 1976, Jurispr. 1976, blz. 1989) genoemde beperkingen in acht moeten nemen. Met andere woorden, de uitoefening van uit het gemeenschapsrecht afgeleide rechten mag niet ongunstiger geregeld zijn dan de uitoefening van gelijksoortige, uit nationaal recht voortvloeiende aanspraken en het geldend maken van een recht mag niet nagenoeg onmogelijk worden gemaakt.
In tegenstelling tot verweersters ben ik van mening dat er ook generlei aanleiding bestaat, voor de oplossing van het onderhavige geval verdere beperkingen uit het gemeenschapsrecht af te leiden, ook indien heffingen worden nagevorderd die bij een juiste uitlegging van de verordening inzake de rundvleesmarkt reeds eerder hadden moeten worden gevorderd. Het beginsel van de rechtstreekse toepasselijkheid van verordeningen, een elementair beginsel van het gemeenschapsrecht, mag niet door de bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen in twijfel worden getrokken indien de belangen van de ondernemers op andere wijze kunnen worden gewaarborgd, hetgeen ik hierna nog zal uiteenzetten. Deze conclusie is gebaseerd op de volgende overwegingen :
De beslissende vraag bij de toepassing van het in het gemeenschapsrecht neergelegde beginsel van de vertrouwensbescherming is deze, of enigerlei maatregel van de communautaire instellingen onvoorzienbare veranderingen of ingrepen in de situatie van de ondernemers teweeg brengt en of de verwachtingen van deze laatsten een gerechtvaardigd vertrouwen vormen en derhalve bescherming verdienen. In de uitspraak van het Hof in de zaak-Frecassetti werd evenwel, zoals wij zagen, enkel recht vastgesteld en niet geschapen. Anders dan in het arrest in de zaak-Frecassetti heeft het Hof in de zaak-Defrenne inderdaad de werking van zijn arrest in de tijd uitdrukkelijk beperkt, omdat „gezien het ontbreken van gegevens betreffende het globale peil waarop de lonen dan zouden zijn vastgesteld, dwingende overwegingen van rechtszekerheid met betrekking tot alle, openbare zowel als particuliere belangen zich er in beginsel tegen verzetten dat in het verleden betaalde lonen wederom in geding worden gebracht”. Afgezien van de verschillende voorwaarden kan uit dit arrest echter niet, zoals verweersters en de Italiaanse regering trachten te doen, een algemeen beginsel worden afgeleid op grond waarvan de werking van een uitleggingsarrest in de tijd om redenen van rechtszekerheid of vertrouwensbescherming ook dan beperkt zou zijn, indien dit in het arrest niet met zoveel woorden wordt gezegd.
In de zaak-Frecassetti heeft het Hof voorts aan de landbouwverordeningen enkel de inhoud toegekend die op grond van de algemene ervaring kon worden verwacht. In casu kon evenwel worden verwacht, dat, zoals het Hof in het arrest van 15 december 1971 (zaak 35/71, Schleswig-Holsteinische Hauptgenossenschaft, Jurispr. 1971, blz. 1083) reeds heeft uitgemaakt, het voor de toepassing van het heffingstelsel beslissende tijdstip in alle Lid-Staten gelijk moet zijn, om het gevaar uit te sluiten dat op goederen die zich op hetzelfde tijdstip in een gelijke economische situatie bevinden en waarvan de invoer op het grondgebied van de Lid-Staten vergelijkbare gevolgen heeft voor de landbouwmarkt, verschillende heffingen worden toegepast.
Deze uitlegging brengt echter mee dat de in zoverre strijdige bepalingen van Italiaans recht buiten toepassing moesten worden gelaten en daarmee ook de overeenkomstig die bepalingen toegepaste heffing zelf onwettig was. Indien bijgevolg nu het verschil wordt nagevorderd voor de nationale rechter, dient deze ook te onderzoeken of de door de bevoegde autoriteiten toegepaste oorspronkelijke heffing op dwaling berustte en of deze dwaling voor degenen die de heffing verschuldigd waren kenbaar was, met andere woorden of de navordering in casu niet in strijd is met het beginsel van de vertrouwensbescherming, dat in de rechtsordes van alle Lid-Staten is neergelegd.
Volgens mij dient dit onderzoek door de nationale rechter in het kader van diens eigen rechtsorde plaats te vinden, ook al omdat — zoals ik reeds in mijn conclusies in de zaken 68/79 (Just) en 61/79 (Denkavit) heb aangetoond — ook de overige formele en materiële voorwaarden voor het instellen van de vordering wegens de onvolledigheid van het gemeenschapsrecht door nationaal recht worden beheerst. Indien derhalve de navordering reeds op grond van andere, eveneens naar nationaal recht te beoordelen termijnen of voorwaarden voor het instellen van beroep is uitgesloten, dan behoeft geen beroep te worden gedaan op het beginsel van de vertrouwensbescherming. Is dit niet het geval, dan moet de nationale rechter zijn toevlucht kunnen nemen tot het beginsel van de bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen, indien de toepassing van lagere heffingen bij voorbeeld berust op van de bevoegde autoriteiten afkomstige informatie, op algemene voorschriften die naderhand niet-toepasselijk blijken te zijn, of op een voor particulieren te goeder trouw niet kenbare dwaling van de bevoegde autoriteiten.
Op grond van het bovenstaande stel ik voor de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
1.
De communautairrechtelijke verordeningen dienen door de nationale rechters vanaf het moment van hun inwerkingtreding in beginsel te worden toegepast in de daaraan door het Hof in een later arrest gegeven uitlegging, voor zover het Hof zelf de werking van dit arrest in de tijd niet uitdrukkelijk heeft beperkt of de zaak niet opnieuw ter uitlegging aan het Hof wordt voorgelegd.
2.
Het nationale recht dient de betrokkenen de bevoegdheid toe te kennen de uit de verordening voortvloeiende rechten in beroep geldend te maken. Die bevoegdheid kan evenwel inzonderheid door het nationale recht ter bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen van de particulieren worden beperkt.
( 1 ) Vertaald uit ha Duits.
Full & Egal Universal Law Academy