CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 4 DECEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Het aan de onderhavige prejudiciële procedure ten grondslag liggende geschil heeft betrekking op de vraag of een in de Deense wet op de alcoholaccijns (bekendmaking nr. 151 van 4 april 1978) verankerd fiscaal onderscheid tussen aquavit en ander gedistilleerd onverenigbaar is met artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag, en — zo ja — in hoeverre de firma Hans Just I/S een ingevolge genoemde wet betaald bedrag ter hoogte van het verschil tussen beide belastingen kan terugvorderen. Het eerste probleem is reeds aan de orde in een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Koninklijk Denemarken bij dit Hof ingestelde procedure wegens niet-nakoming als bedoeld in artikel 169 EEG-Verclrag (zaak 171/78), waarover ik in mijn conclusie van 28 november 1979 mijn opvatting heb gegeven. In zoverre zou ik voor wat de belasting op deze produkten en de situatie op de Deense alcoholmarkt betreft, naar mijn daarin gegeven relaas van de feiten willen verwijzen en willen volstaan met de volgende opmerkingen.
Zoals we in zaak 171/78 hebben gezien, bedraagt de accijns op gedistilleerd ingevolge artikel 2, ¡id 1, van de wet betreffende de accijns op verwante produkten (Bekendtgørelse af Lov om afgift af spiritus m.m.), laatstelijk gewijzigd bij wet nr. 437 van 6 september 1977, met ingang van 7 september 1977 DKR 167,50 voor aquavit en DKR 257,15 voor ander gedistilleerd per liter zuivere ethylalcohol. Het tarief voor aquavit is volgens de wet van toepassing op produkten die
„1.
zijn vervaardigd uit neutrale alcohol met toevoeging van plantaardige aromaten,
2.
een sterkte hebben van minstens 40, doch niet meer dan 49,9 graden, en een extractgehalte van hoogstens 2 g per 100 ml, en
3.
niet het karakter hebben van gin, wodka, jenever, Wacholder e.d., noch van likeur, punch, bitter of anisette, rum, vruchtenbrandewijn, wijn en andere produkten, waarvan de typische smaak traditioneel door distillatie of rijping ontstaat.”
De firma Hans Just I/S, verzoekster in het hoofdgeding, verhandelt slechts in beperkte mate produkten die in de zin van genoemde beschrijving als aquavit moeten worden belast, doch haar omzet van ander gedistilleerd is aanzienlijk. Zij is overeenkomstig bovengenoemde wet geregistreerd bij de douane en dientengevolge verplicht, maandelijks de accijns over haar omzet aan de staat af te dragen.
Over de maand juni 1978 bedroeg de af te dragen accijns DKR 984,90 voor 5,88 liter zuivere ethylalcohol à DKR 167,50 voor de produktie van aquavit en DKR 555212,55 voor 2159,10 liter zuivere ethylalcohol à DKR 257,15 voor de produktie van ander gedistilleerd. In totaal moest dus voor 2164,98 liter zuivere alcohol DKR 556197,45 worden betaald.
Bij de afrekening van de accijns betoogde de firma Just onder verwijzing naar artikel 95 EEG-Verdrag tegenover het directoraat Douane en het ministerie van Belastingen, dat de accijns op ander gedistilleerd enkel aan de hand van het tarief voor aquavit mocht worden berekend. De belasting zou derhalve voor 2164,98 liter zuivere alcohol slechts DKR 363643,15 mogen bedragen. Toen de douane en het ministerie te kennen gaven dat het verzuim om het volledige wettelijk verschuldigde bedrag te betalen, tot invordering met beslaglegging en intrekking van de douaneregistratie van de firma zou leiden, heeft deze het verschil van DKR 193563,30 onder protest voldaan en zich het recht voorbehouden terugbetaling te vorderen.
Daarop heeft de firma Hans Just I/S tegen het ministerie van Belastingen beroep ingesteld bij het Østre Landsret, met het verzoek te verklaren dat het ministerie verplicht is DKR 193563,30, vermeerderd met interessen, terug te betalen, onder voorbehoud van terugvordering van de overeenkomstige, tussen 1 januari 1973 en 31 mei 1978 alsmede na 1 juli 1978 betaalde bedragen.
Het Østre Landsret (4e kamer) heeft bij beschikking van 26 maart 1976 de procedure geschorst en overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
1 A.
Is het in strijd met het gemeenschapsrecht, dat een nationale belastingregeling verschillende tarieven bevat voor „aquavit” en „snaps”, resp. ander gedistilleerd, in aanmerking nemende
a)
dat de twee categorieën in de nationale wetgeving worden onderscheiden middels een definitie die is afgestemd op het gehalte aan grondstoffen of extracten, op de sterkte en op een smaakcriterium,
b)
dat het onderscheid niet berust op de herkomst van de produkten — d.w.z. ingevoerd dan wel afkomstig van de nationale produktie —, en er ook binnen elk van de twee categorieën geen verschil wordt gemaakt naar gelang van de herkomst van de produkten?
1 B.
Is het voor de beantwoording van de eerste vraag van belang, indien zou blijken, dat de accijns in verhouding tot de produktieprijs de laagst belaste categorie van gedistilleerde dranken („aquavit” en „snaps”) even zwaar belast als de hoogst belaste categorie („ander gedistilleerd”)?
2.
Wanneer het bestaan van verschillende accijnstarieven, zoals bedoeld in vraag 1, geoorloofd is, stelt het gemeenschapsrecht dan bepaalde eisen voor de toepassing daarvan op ingevoerde produkten:
a)
moeten ingevoerde produkten volgens hetzelfde tarief worden belast als identieke of de meest overeenkomstige binnenlandse produkten?
b)
moet alle ingevoerd gedistilleerd volgens het laagste nationale tarief worden belast, ook wanneer „ander gedistilleerd” van binnenlandse herkomst volgens het hoogste tarief wordt belast?
3
A.
Wanneer meer tarieven ongeoorloofd zijn, volgens welke criteria moet dan worden beslist welk tarief moet worden toegepast?
B.
Kunnen enkel importeurs of ook Deense producenten zich op artikel 95 beroepen?
4.
Bevat het gemeenschapsrecht desgevallend regels welke van belang zijn voor de vraag betreffende de terugbetaling van accijnzen die in strijd met artikel 95 zijn voldaan? Is daarbij van belang dat de handelaar kan aantonen schade te hebben geleden?
Omtrent deze vragen zou ik het volgende willen opmerken.
I —
De vragen 1 tot en met 3 hebben betrekking op de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag, waarover ik in mijn conclusies in de zaken 168/78, 169/78, 170/78, 171/78 en 55/79 een uitvoerige uiteenzetting heb gegeven. In deze zaken heb ik alle door de firma Hans Just I/S, het Koninkrijk Denemarken en de Commissie in casu aangevoerde argumenten uitgebreid besproken, zodat ik op de opmerkingen van partijen niet meer in detail behoef in te gaan.
Daarom zou ik enkel een kort overzicht willen geven van de voornaamste punten die voor de verwijzende rechter van belang zijn om het bodemgeschil te kunnen beslissen.
Op grond van de hun overgelaten fiscale autonomie zijn de Lid-Staten in beginsel bevoegd goederen fiscaal in te delen. Bijgevolg kunnen zij ook gedistilleerd volgens verschillende criteria, zoals gehalte aan grondstoffen, sterkte of smaak, belasten (vgl. arrest van 22 juni 1976, zaak 127/75, Bobie Getränkevertriebe GmbH, Jurispr. 1976, biz. 1079; en arrest van 10 oktober 1978, zaak 148/77 Hansen, Jurispr. 1978, biz. 1787). De fiscale autonomie van de Lid-Staten wordt door artikel 95 EEG-Verdrag enkel in dier voege ingeperkt, dat moet worden voorkomen „dat als gevolg van de toepassing van binnenlandse belastingen in de Lid-Staten produkten afkomstig uit andere Lid-Staten zwaarder worden belast dan vergelijkbare nationale produkten, dan wel daarop zodanige belastingen worden geheven, dat andere nationale produkten als bedoeld in alinea 2 van hetzelfde artikel worden beschermd” (vgl. arrest van 4 april 1968, zaak 31/67, Stier, Jurispr. 1968, blz. 333). Deze bepaling heeft dus tot doel, iedere discriminatie in het handelsverkeer tussen Lid-Staten op te heffen (vgl. zaak 148/77, Hansen). Daaruit volgt dat reeds dan in strijd met artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag wordt gehandeld, wanneer op een uit andere Lid-Staten ingevoerd produkt een hogere belasting drukt dan op willekeurig welk gelijksoortig nationaal produkt.
Uit het in artikel 95, eerste alinea, verankerde beginsel van gelijke belastingen voor nationale en ingevoerde produkten volgt verder, dat geen rekening mag worden gehouden met niet-fiscale factoren, die doorwerken in de produktiekosten van de te vergelijken produkten. Het Hof heeft zich in deze zin uitgesproken in het arrest van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181): daarin heeft het overwogen dat het toepassingsgebied van dit artikel niet zodanig mag worden uitgebreid, dat iedere willekeurige compensatie van een fiscale last waarmede men een ingevoerd produkt heeft willen treffen, met een last van andere, bijvoorbeeld economische aard, drukkende op het gelijksoortige binnenlandse produkt, mogelijk zou worden. Derhalve moeten de op de te vergelijken produkten drukkende belastingen zelf gelijk zijn, zonder dat hun invloed op de eindprijs van het nationale en het ingevoerde produkt in aanmerking behoeft te worden genomen.
De toepassing van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, op grond waarvan, zoals ik heb aangetoond, uit de Lid-Staten geïmporteerde produkten uitsluitend mogen worden belast volgens het laagste nationale tarief dat voor gelijksoortige nationale produkten geldt, kan er dus toe leiden, dat andere nationale produkten die eveneens als eigenschap hebben dat zij gelijksoortig zijn, volgens de nationale belastingregeling zwaarder worden belast dan gelijksoortige geïmporteerde produkten. Een dergelijke „achterstelling” van gelijksoortige nationale produkten is echter een gevolg van de aan de Lid-Staten gelaten fiscale autonomie, die niet onder artikel 95 EEG-Verdrag valt. In deze zin heeft het Hof in zijn arrest van 13 maart 1979 (zaak 86/78, Grandes Distilleries Peureux, Jurispr. 1979, blz. 879) beklemtoond dat in artikel 95 de Lid-Staten weliswaar het recht wordt ontzegd, op produkten van de overige Lid-Staten hogere belastingen te heffen dan op nationale produkten, maar niet om nationale produkten zwaarder te belasten dan ingevoerde. Dergelijke ongelijkheden vallen niet binnen de werkingssfeer van artikel 95, maar zijn het gevolg van de bijzonderheden van de niet-geharmoniseerde nationale wetgevingen op gebieden die onder de bevoegdheid van de Lid-Staten vallen. Dientengevolge staat het vast dat nationale producenten zich niet op artikel 95 kunnen beroepen, wanneer de door hen vervaardigde produkten hoger worden belast dan gelijksoortige ingevoerde waren.
In mijn bovengenoemde conclusies heb ik echter tevens aangetoond, dat alle onder post 22.09 C van het gemeenschappelijk douanetarief vallende alcoholhoudende dranken als gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag zijn aan te merken. Al deze dranken worden namelijk gekenmerkt door hun betrekkelijk hoog alcoholgehalte, verkregen door distillatie na alcoholische gisting van alcohol leverende grondstoffen. Bovendien bezitten zij door de aanwezigheid van secundaire bestanddelen bepaalde organoleptische kenmerken. Deze gemeenschappelijke kenmerken hebben tot gevolg dat de dranken uit verbruikersoogpunt dezelfde eigenschappen vertonen en dezelfde behoeften bevredigen, zonder dat de verschillende grondstoffen, vervaardigings-procédé's, aromatische bestanddelen of een betrekkelijk gering verschil in sterkte van belang zijn.
II —
Ten aanzien van de vierde vraag, waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen of het gemeenschapsrecht desgevallend regels bevat welke van belang zíjn voor de vraag betreffende de terugbetaling van accijnzen die in strijd met artikel 95 zijn voldaan, en of het daarbij van belang is dat de handelaar kan aantonen schade te hebben geleden, wil ik het volgende opmerken.
Partijen in het hoofdgeding zijn het erover eens, dat op een vordering tot terugbetaling, gebaseerd op de onverenigbaarheid van nationale fiscale bepalingen met het gemeenschapsrecht, in beginsel het nationale recht van toepassing is. Op dit punt heeft de Deense rechtsorde als bijzonderheid dat de terugbetaling van te veel betaalde accijnzen niet uitdrukkelijk bij de wet is geregeld. Volgens vaste Deense rechtspraak is het verrijkingscriterium beslissend voor de vraag of abusievelijk of onverschuldigd voldane bedragen moeten worden terugbetaald. Naar het schijnt heeft men alleen recht op terugbetaling, wanneer de verrijking in het nadeel is van degene die heeft betaald.
Verzoekster in het hoofdgeding is van mening dat de terugvordering van onverschuldigd betaalde belastingen in het Deense recht te onduidelijk is geregeld. De daardoor veroorzaakte rechtsonzekerheid zou in het bijzonder onverenigbaar zijn met de op dit gebied door het gemeenschapsrecht aan de Deense burger geboden bescherming. Daarbij zou men ook in aanmerking moeten nemen dat volgens Deens recht de belastingplichtigen zich zonder rechtelijke uitspraak niet aan hun betalingsverplichting kunnen onttrekken. Bovendien zou wegens de ingewikkelde marktsituatie schade slechts zeer moeilijk aantoonbaar zijn, met als gevolg dat een desbetreffende vordering niet al te veel kans van slagen heeft. Vanwege de gelding van het gemeenschapsrecht evenwel zou de betrokken ondernemingen een onbeperkt recht op terugbetaling moeten worden toegekend. Terugbetaling zou moeten zijn gewaarborgd vanaf het ogenblik dat het Deense recht in strijd met het gemeenschapsrecht is geraakt, dat wil zeggen vanaf de toetreding van Denemarken tot de Europese Economische Gemeenschap. De te veel betaalde accijnzen zouden echter tenminste moeten worden gerestitueerd vanaf het tijdstip waarop bezwaren zijn ingebracht of beroep is ingesteld.
De Deense regering wijst er in de eerste plaats op, dat de vierde vraag geen belang heeft, omdat het Deense belastingstelsel in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Subsidiair merkt zij op, dat ook het gemeenschapsrecht geen uitdrukkelijke regeling bevat voor de terugbetaling van ten onrechte geheven belastingen. Blijkens de rechtspraak van het Hof op het gebied van de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht zou men echter in beginsel recht hebben op terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht betaalde belastingen. De taak om de rechtsbescherming te waarborgen, zou ingevolge het in artikel 5 EEG-Verdrag neergelegde samenwerkingsbeginsel bij de nationale rechterlijke instanties berusten. Bijgevolg — aldus de Deense regering — hebben deze instanties ook tot taak om met inachtneming van de door het gemeenschapsrecht gestelde grenzen te beslissen of en in hoeverre terugbetaling dient plaats te vinden. Het is vaste Deense rechtspraak — die geenszins tot rechtsonzekerheid leidt — dat terugbetaling uiteindelijk afhankelijk is van de vraag of de belastingplichtige schade heeft geleden. Verzoekster in het hoofdgeding heeft volgens de Deense regering echter geen recht op restitutie van de betaalde accijnzen, omdat deze voorwaarde voor het recht op restitutie niet zou zijn vervuld. Immers, in feite zouden de accijnzen uiteindelijk zijn afgewenteld op de verbruikers, zodat verzoekster in het hoofdgeding door terugbetaling ongerechtvaardigd zou worden verrijkt.
Evenals de Deense regering is de Commissie van mening, dat het gemeenschapsrecht weliswaar terugbetaling van te veel betaalde accijnzen voorschrijft, maar dat de omvang van de in zoverre bestaande rechtsbescherming bij gebreke van gemeenschapsrechtelijke bepalingen naar nationaal recht moet worden beoordeeld; daarbij zouden enkel de door het gemeenschapsrecht gestelde grenzen moeten worden gerespecteerd.
Bij dit standpunt van de Deense regering en de Commissie zal men zich — dat kan bij voorbaat worden gezegd — moeten aansluiten, en wel om de volgende redenen :
Het Hof heeft meer dan eens voor recht verklaard — laatstelijk in zijn arrest van 22 april 1977 (zaak 74/76, Iannelli en Volpi SpA, Jurispr. 1977, blz 557) —, dat artikel 95 EEG-Verdrag rechtstreekse werking heeft en voor de justitiabelen rechten doet ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven (vgl. het arrest van 16 juni 1966, zaak 57/65, Lütticke, Jurispr. 1966, blz. 356, en het arrest in zaak 45/75, Rewe). Deze rechtstreekse werking heeft ten gevolge dat de justitiabelen zich vanaf de toetreding van Denemarken, dus per 1 januari 1973, voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen op het bepaalde bij artikel 95, eerste alinea, dat in zoverre voorrang heeft boven andersluidende nationale bepalingen. Indien particulieren zich op deze bepaling beroepen, moet de heffing van met artikel 95 strijdige belastingen ontoelaatbaar worden verklaard. In mijn conclusie in zaak 77/76 (arrest van 25 mei 1977, Cucchi, Jurispr. 1977, blz 987) heb ik reeds aangetoond, dat indien de belastingen in strijd met deze bepaling reeds zijn betaald, op grond van de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht restitutie dient plaats te vinden. Met de zorg voor de rechtsbescherming welke voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht, is, naar het Hof in zijn arrest van 16 december 1967 (zaak 33/76, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 1989) heeft verklaard, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde samenwerkingsbeginsel de nationale rechter belast (vgl. ook arrest van 26 juni 1979, zaak 177/78, Pigs and Bacon Commission; de conclusie van advocaat-generaal Warner van 15 mei 1979 in deze zaak, alsmede diens conclusies van 30 november 1976 in zaak 33/76, Rewe, en van 10 februari 1977 in zaak 75/76, Iannelli & Volpi).
Zolang het gemeenschapsrecht op het onderhavige gebied geen regeling bevat, kan de nationale rechter deze rechten enkel handhaven met inachtneming van zijn eigen procesrecht, met inbegrip van de bevoegdheidsregelingen, de voorwaarden voor het instellen van beroep en de beroepstermijnen. Dit volgt uit een groot aantal uitspraken van het Hof, waarvan ik slechts wil noemen de arresten van 16 december 1960 (zaak 6/60, Humblet, Jurispr. 1960, blz. 1167); 3 april 1968 (zaak 28/67, Molkerei-Zentrale Westfalen, Jurispr. 1968, blz. 203): 4 april 1968 (zaak 34/67, Lück, Jurispr. 1968, blz. 345); 19 december 1968 (zaak 13/68, Salgoil, Jurispr. 1968, blz. 631); 11 december 1973 (zaak 120/73, Gebr. Lorenz, Jurispr. 1973, blz. 1471); 11 december 1973 (zaak 121/73, Markmann KG, Jurispr. 1973, blz. 1495); 11 december 1973 (zaak 141/73, F. Lohrey, Jurispr. 1973, blz. 1527); het arrest in zaak 33/76 (Rewe) en het arrest van 16 december 1976 (zaak 45/76, Cornet BV, Jurispr. 1976, blz. 2043).
Voorts kan uit deze arresten worden afgeleid dat het op dit punt onvolledige gemeenschapsrecht een uiteenlopende toepassing tengevolge van de onderling afwijkende nationale procesregels op de koop toe neemt. Dit brengt het Hof in het bijzonder tot uitdrukking in zaak 33/76 (Rewe), met de overweging dat bij het ontbreken van harmonisatiemaatregelen, de in het gemeenschapsrecht toegekende rechten voor de nationale rechter moeten worden uitgeoefend met inachtneming van de door het nationale recht vastgestelde procesregels. Het Hof brengt daarop echter twee beperkingen aan: de door het nationale recht gestelde voorwaarden mogen niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen, en de procesregels en termijnen mogen het in de praktijk niet onmogelijk maken de rechten uit te oefenen die de nationale rechter verplicht is te handhaven.
Deze verwijziging naar het nationale recht geldt mijns inziens niet alleen voor het procesrecht, maar voor zover het gemeenschapsrecht op dat punt geen voorschriften bevat, ook voor de voorwaarden waaronder men aanspraak heeft op de door het gemeenschapsrecht toegekende rechten, alsmede voor de vergoeding van interessen. Kennelijk gaat ook het Hof uit van een dergelijke verwijzing naar het nationale materiële recht: in zaak 74/76 (Iannelli & Volpi) heeft het namelijk voor recht verklaard dat „het aan de nationale rechter staat om in het kader van zijn eigen rechtsstelsel vast te stellen of een discriminerende binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 geacht moet worden in haar geheel onverschuldigd te zijn betaald dan wel slechts voor het gedeelte waarmee het ingevoerde produkt hoger is belast dan het nationale produkt.” Nog duidelijker is het Hof in zaak 177/78 (Pigs and Bacon Commission, waarin het verklaart dat de nationale rechter heeft te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, een bepaalde heffing moet worden terugbetaald.
Evenwel gelden voor het hier toepasselijke nationale recht eveneens de reeds in zaak 33/76 (Rewe). genoemde, bovenvermelde beperkingen die het gemeenschapsrecht aan het procesrecht stelt. De Deense regering heeft terecht opgemerkt, dat de regeling van het recht op terugbetaling door middel van rechtersrecht aan deze voorwaarden voldoet, omdat dit laatste met name ook voor soortgelijke nationale vorderingen geldt. De aan de vordering in rechte gestelde voorwaarden, dat de schade of het vermogensnadeel moet worden bewezen, is als uitdrukking van het algemene gerechtigheidsbeginsel in de rechtsorden van alle Lid-Staten en in die van de Gemeenschap zelf bekend (vgl. arrest van 28 maart 1979, zaak 90/78, Granaria BV, en arrest van 25 mei 1978, gevoegde zaken 83 en 94/76, 4, 15 en 40/77, HNL, Jurispr. 1978, blz. 1209).
Mijns inziens volgt daaruit, dat in casu de vraag betreffende de terugbetaling van in strijd met artikel 95 voldane accijnzen naar Deens recht moet worden beslist. Tot slot van mijn conclusie wil ik nog zeggen dat het recht van de justitiabele op terugbetaling van onrechtmatig geheven accijnzen vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt niet afhankelijk mag worden gesteld van het indienen van een bezwaarschrift of het instellen van beroep. Bij rechtsvorderingen tegen Lid-Staten ter zake van fiscale verplichtingen ligt de situatie heel anders dan in het geval van het arrest van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455), waarin het Hof de terugwerkende kracht van zijn arrest heeft beperkt omdat talrijke personen, voornamelijk particuliere werkgevers, zich door het gedrag van de gemeenschapsinstellingen en de regeringen van de Lid-Staten een verkeerde voorstelling van hun verplichtingen hadden gemaakt. In deze zaak was de vrees gegrond dat veel bedrijven in financiële moeilijkheden zouden zijn geraakt, indien hun handelwijze in geheel tot het verleden behorende situaties opnieuw in geding was gebracht.
Mitsdien concludeer ik dat het Hof de vragen beantwoorde als volgt:
1.
De alcoholische dranken van post 22.09 C van het gemeenschappelijk douanetarief zijn aan te merken als gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag.
2.
Artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag verbiedt de Lid-Staten, uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten zwaarder te belasten dan gelijksoortige nationale produkten.
3.
In het kader van artikel 95, EEG-Verdrag mogen de produktiekosten van alcoholhoudende dranken niet in aanmerking worden genomen, voor zover de belasting voortvloeit uit een specifiek accijns, die naar het zuivere alcoholgehalte wordt bepaald.
4.
Genoemd artikel verbiedt de Lid-Staten niet, nationale produkten zwaarder te belasten dan ingevoerde produkten.
5.
Uit de rechtstreekse werking van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag vloeit voort, dat in strijd met die bepaling voldane accijnzen moeten worden terugbetaald. Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, de accijnzen moeten worden terugbetaald; daarbij moet evenwel in aanmerking worden genomen dat de uitoefening van deze rechten niet ongunstiger mag zijn geregeld dan die van gelijksoortige aanspraken uit het nationale recht, en dat het geldend maken van een recht niet nagenoeg onmogelijk mag worden gemaakt.
( 1 ) Vertaald: uil het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy